a dat ick een Iaer in Spaignen gewoont hadde, ende eenigſints vergenoegt was in het voornemen ’twelck ick hadde dat Koninckrijck te ſien, ende de ſprake te leeren, maeckte ick rekeninge wederom na Nederlandt te vertrecken, ende om dat ick van Engelant af gevaren ſijnde, tot S. Lucar de Barameda aen Lant gekomen was, in welcke reyſe ick in groot perijckel was geweeſt van de Turcken genomen te worden, dachte ick dienſtigher te ſijn over S. Sebaſtiaen weder te keeren, om ſoo grooten Zee, ende voornamentlijck het perijckel van de Turcken te ontgaen, de welcke by na altoos op de kuſte van Spaignen ende Portugael ſijn; als mede om Caſtilla la vieja, ende Biſcayen te ſien. Ick ben van Madrid vertrocken den 1. Auguſti 1640. hebbende tot geſelſchap [2]een van mijn Lants luyden genaemt Reynier Saldens, ende ick ben den 13. Auguſti tot S. Sebaſtiaen gekomen, alwaer ick vonde Monſieur Ian Baptiſta Caloen ende de Ridder Philips de Cherf, die voor genomen hadden Scheep te gaen in een van twee Engelſe Schepen dit in de Haven lagen, gereet om ’t zeyl te gaen als de wint goet ſoude ſijn: even den ſelfden Nacht wierde de windt goet: ’s anderen daeghs gingh ick Scheep met de voornoemde drie Vrienden, ende met die goede wint raeckten wy in volle Zee, de welcke na twee uyren tijts ofte daerontrent dat wy uyt de Haven vertrocken waren, heel ſtil wierde, ende dien ſelfden nacht gantſch contrary, waer door wy genootſaeckt waren te laveren, hopende op een goede windt. Na dat wy ontrent vier dagen op die maniere gheſeylt hadden, quamen wy op de hooghte van Rochel in Vranckrijck, alwaer wy een Rochelſe Vry-buyters Fregat reſcontreerden, die ons quam verſpien, ende ſiende dat wy Engelſche Schepen waren, quam deſelfde Fregat nader by ons, ende de Capiteyn ſont met ſijn Boot vier Soldaten aen ons Boort, om het Paſpoort van onſe Schipper te ſien, die de Schipper terſtont toonde, gevende een ſtuck gelts [3]aen de Soldaten van de Fregat; ende ſoo keerden de ſelfde wederom na haer Schip, rapporterende aen haer Capiteyn datſe ons Paſpoort gheſien hadden. Doe quam de Rochelſe Capiteyn achter op ſijn Fregat, onſen Schipper toe-roepende, weeſt wel op u hoede, ſoo het u goet dunckt, want daer ſijn vijf Turckſe Vry-buyters in het inkomen van de Canael, met de Zeylen aen de windt. Maer onſen onhervaren Schipper vertoonde dat de Oorlogh Schepen van den Koningh van Engelant, die ſomwijlen buyten de voorſz Canael quamen, deſe kuſte tegens de Turcken ſouden bewaren, ende hiel de ſpot met het perijckel, ſonder te conſidereren de kleyne macht die hy hadde om ſijne vyanden te reſiſteren, ende vervorderde ſijn reyſe, meenende dat het onmogelijck was dat de Turckſe Vry buyters ſoo veer ſouden komen, alwaer oock de Duynkerckſe ende Hollantſe vry-buyters daghelijcks de zee kruyſſen. Hebbende de windt geſtadigh contrary, het was ſeven dagen dat wy van S. Sebaſtiaen vertrocken waren, ende niet verder ghekomen als op de kuſte van Bretaignen in Vranckrijck.
Den ſelfde dagh ontrent ten twee uyren na middag, ſagen wy veer van ons af twee [4]Schepen, die wy oordeelden Koopvaerdy Schepen te ſijn, ende een weynigh daer na ſaghen wy der maer een, te weten het kleynſte, dat met volle Zeylen op ons aen quam, ende wanneer het ons naderde, ſagen wy dat het een Caravelle was. Onſe Schipper liet de Mars-zeylen neer halen, voor reden daer toe ghevende, dat het de Enghelſe maniere niet en was op Zee te vlughten. Ende onſe Mars-zeylen ſoo neerghehaelt ſijnde, ende het Schip dat ons volghde met volle Zeylen aenkomende, was het by na onder ons Geſchut ſonder een Vlagge te laten uythanghen: waer door lichtelijck te oordeelen was dat het ſelfde Schip een Zee-rover ofte Vrybuyter was. Maer onſen onhervaren Schipper liet de Boot in Zee ſetten, om te vraghen wat volck het was, meenende dat het een Franſe ofte Duynkerckſe Vrybuyter was. De Turcken die inde Caravelle waren (gelijck ick daer na verſtonde als ick ghevanghen ghenomen was) ſiende dat men ons in wachtede met de Mars-zeylen neer gehaelt, ende dat men de Boot in Zee geſet hadde, ende voorts alles gedaen ’twelck men ghewoon is te doen, wanneermen vechten wil, beduyden deſe daet te procederen van een kleyne ervarentheyt van onſe [5]Schipper, ende dat hy ſigh wilde defenderen. De Capiteyn vande Caravelle liet mede ſijne Mars-zeylen neer halen, willende niet nader by ons komen. Ondertuſſchen overviel de nacht, ende de Caravelle bleef geſtadigh in ons geſight, met een Lanteerne achter aen, om ſijn Cameraets een teecken te geven: het welcke wy Paſſagiers wel dachten, maer de Schipper lachte ons uyt: Alle het gene dat wy met goede woorden van hem konden verkrijgen, was, ons Schip gereet te maken om ons te weeren. Dus ghereet gemaeckt ſijnde, paſſeerden wy de nacht, ende van vier ſtucken geſchut die ons Schip op hadde, waſſer maer een dat dienſt konde doen. Dit alles geſchiede met neergehaelde Mars-zeylen, ſoo dat wy weynigh wegh vervorderden, noch de Caravelle oock niet.
Wy in deſe ſtaet malkander aenſiende, paſſeerde de nacht, ende ontrent ten vijf uyren ’s morghens den 22. Auguſty, ſagen wy twee groote Schepen, die met volle Seylen op ons aen quamen. Daerom baden wy de Schipper dat hy zeyl wilde maecken, maer hy bleef eyghenſinnigh: yder ſeyde ſijne redenen, ende de Schipper die geen reden hadde, wilde oock geen verſtaen. Ontrent ten thien uyren voor [6]middagh voeghden de twee Schepen haer by de Caravelle, alle noch ſonder Vlagge. Doen wonnen ſy op een ooghenblick met volle Seylen de wint van ons, een Musket ſchoot af. Op het achterſte van het grootſte Schip ſtondt een Turck, die een toegeſlagen Vlagge in ſijn armen hadde, ende een Chriſten ſlaef, die riep, ſtrijckt voor Argiers. Op dit gheroep liet die ghene die de Vlagghe hiel, de ſelfde uytwayen. Sy was groen, met ſilvere halve manen in de ſelfde. Hoe aenghenaem ons die Vlagge was, ende te ſien ons na Argiers brengen, kanmen lichtelijck dencken. Derhalven ſtelden wy onſen Schipper voor dat hy ſoude parlementeren op conditie datſe ons aen het eerſte Landt vande Chriſtenen aen Landt ſouden ſetten, ende dat wy haer twee ende dertig duyſent ſtucken van achten ſouden geven, welck gelt in ons Schip was: want het ghebeurt ſomwijlen dat wanneer de Turcken eenigh Schip met accoort nemen, ſy haer woort houden, ende de gevanghens aen lant vande Chriſtenen ſetten ſoo haeſt als het haer moghelijck is. Maer onſe goede Schipper in plaets van parlementeren, vraeghde offer quartier was: men antwoorde uyt de Turckſe Schepen, Ia, Ia, goet quartier. Deſen manhaftighen [7]Schipper meenende dat hy ghenoegh gedaen hadde, liet de Ree op de overloop nederhalen, ende de vlagge van achter af nemen, ende verliet met drie ofte vier van ſijn Boots-volck ſijn Schip, ende roeyde met de Boot na de Turckſe Schepen toe, ende gaf ſich over in handen van ſijne vyanden.
De Turckſe Soldaten begerigh ſijnde te plonderen ende buyt te maecken, quamen terſtont thien ofte twaelf met de Boot aen ons Boort, onder het geleyt van een Capiteyn, die de eerſte was die in ons Schip quam. Hy was een Engelsman, maer een Renegado, ende alſoo ick als doen op den overloop was, vraegde hy my van wat Natie ick was, ende of ick een Koopman was, ick antwoorde, ick ben van Duynkercken ende een ſoldaet van mijn profeſſie: waer op hy repliceerde in Nederduyts, Broeder patientie, het is de Fortuyne vanden Oorlogh, huyden voor u ende morgen voor my. Ick gaf hem het gelt dat ick by my hadde; ende terſtont ſtack een andere Turck ſijn hant in mijn dye-ſack, nemende mijn Buſſe, Neuſdoeck, Pater noſter ende Gety-boeck; het welcke hy my wederom gaf met de Neuſdoeck, maer het Pater-noſter ende de Buſſe behiel hy, om [8]de welcke hy ſeyde dat ick een Barbier was.
Na datſe geplondert hadden die op den overloop ende inde Kayuyt waren, brachten ſy ons met de Boot aen Boort van een van haer Schepen, latende in ons Schip dat genomen was twaelf Turcken om het ſelfde te gouverneren: ende alſoo de wint Ooſt was, wenden ſy de ſchepen na de Spaenſe kuſt, ende in twee dagen quamen wy te ſien de Caep van Galicien, die men noemt le Caep del Mort.
Ick was tot hiertoe als in een droom, inde welcke men ſiet vreemde ſpoocken, de welcke veroorſaken vreeſe, verwonderinge, ende curioſiteyt: acht nemende op verſcheyden ſpraecken (want men ſprack ’er Turcks, Arabiſch, Franco, Spaens, Frans, Nederduyts ende Enghels) op vreemde kleedingen, ende verſcheyde maniere van wapenen, mitſgaders op de beuſelachtige ceremonien wanneerſe bidden, u verſekerende dat dit alles my ſtoſſe gaf om vlytigh acht te nemen: maer na dien de verwonderinge, vreeſe, curioſiteyt, ende melancolie my niet te eten gaven, ende dat mijn maegh ſulckx begeerde wegen den honger, ſchickte ick my by vier Chriſten Slaven, de welcke hoewelſe voor haer portie anders [9]niet als Biſcuyt en ontfingen, nochtans ſomtijdts potage van rijſt maeckten, ofte van eenig dingh dat ſy van Landt mede gebracht hadden: Ende men moet weten dat de voorſz Slaven gekomen waren met een van de ſchepen van Argiers: want de Turcken imployeren op Zee de Chriſten ſlaven voor Boots-gheſellen. De windt was nogh goet. Het was den elfſten dag van onſe ghevangheniſſe, ende wy waren inde naeute van Gibralter, in het paſſeren vande welcke de Turcken gemeenelijck vele ſuperſtitieuſe ceremonien maecken: onder andre werpenſe inde Zee een pot vol olye, ende gheloven dat die pot na een gheberghte gaet, die van het zee varende volck ghenaemt wort den Bergh van Teeckens. Want de Turcken ſegghen dat aldaer een glorieuſe Heylige Man woont die (na ſy ſeggen) ſich voet met deſe Olye die in de Zee geworpen wort. Sy ſtellen oock kleyne brandende Keerſen op de ſtucken Geſchutſ ende laten die branden ſoo langh tot datſe gepaſſeert ſijn, voornementlijck warneerſe by nacht paſſeren. Alle deſe ſuperſtitien worden met vele gebeden ende andere ceremonien gedaen.
Den derden dagh na dat wy de voorſz naeute gepaſſeert waren, quamen wy met [10]het op-gaen van de Sonne voor Argiers, ende de Capiteyn dede een ſalvo ſchieten. Op dit geluyt quamen alle curieuſe perſonen van de Stadt aen de Zee-kant, ende alſoo ick by derthien andere Chriſtenen ſliep, yder een yſere keten aen ſijn voeten, hadde men het Ancker alreede laten vallen, al eer de ketens van ons genomen werden. Hebbende de voeten vry gingh ick op den overloop, alwaer ick de Zee-kant vol Alarbes vont. Ick vraeghde de Capiteyn (die een beleeft man was) wat volck dat was, want ſy hadden anders geen kleederen aen als drie ofte vier ellen Laecken ronts om haer lichaem ghewonden, ſonder dat eenigh Snijder de hant daer aen gehadt hadde: hy ſeyde my, het ſijn arme luyden ende Boeren van het Lant.
Hier begint onſe Tragedie: De Reders van de Schepen die ons genomen hadden, deden ons aen Lant ende op de marct gaen, alwaer de Chriſtenen verkocht worden, om te ſien offer yemant was die ons kende, van daer bracht men ons in het Paleys van de Baſſa (dat is de Gouverneur, die ſommige Koningh noemen, maer hy is maer een Onder Koningh) om dat hy ſijn gedeelte moet hebben van de nieuwe ſlaven, te weten van acht eenen. Hy was in de [11]Zael van audientie geſeten met de Beenen gekruyſt, gelijck de Snijders hier te Lande doen wanneerſe wercken, op een breede Banck met blau Tapijt bedeckt. Hy hadde in ſijn hant een Wayer van Pluymen, ſijn kledinge was een lange Rock van roode zijde, ende hadde op ſijn Hooft een groote Turban ſeer curieux bewrocht, met de Beenen naeckt. Het was een Man van goet ende reſpectijf aenſien: maer al eer wy aen hem geſonden waren, was hy geinformeert dat de Ridder Philips de Cherf een Edel Ridder was, ende nam hem voor ſijn achtſte part.
Na dat de Baſſa ſijn recht ontfanghen hadde, bracht men ons in het Huys van een eerweerdigen Turck, die een van de Reeders was van de Schepen die ons ghenomen hadden: Ende als wy in ſijn Huys quamen, vraeghde hy ons in de Italiaenſe ſprake, of wy dien dagh gegeten hadden? Wy antwoorden, neen. Doe beval hy een van ſijn Chriſten ſlaven, ons een korf met Raſijnen ende Broot te gheven. Het Huys was op ſijn Italiaens gebouwt, de Gallerien waren van Wit Marber, ſoo wel de vloer als de Pilaren, ende de Boghen ſeer wel gheproportioneert na de Gebou konſt. Wy moſten den nacht paſſeren in [12]de ſelfde Galeryen op de vloer, u verſekerende, dat ick liever in een ſtal op ſtroo ſoude hebben willen ſlapen: Want nadien vvy niet gevvoon vvaren ſoodanigh ongemack te lijden, vvaren vvy ’s morghens verſtijft, ende als vertreden aen armen ende beenen. Wy en mochten uyt dat Huys niet gaen totdat vvy verkocht vvaren. Wy vvaren daer ſeven dagen, vvachtende tot dat ſommighe Chriſten ſlaven, die voor ons genomen vvaren, verkocht ſouden ſijn. Ondertuſſchen quam dien Chriſten Meeſter-Verrader, vvaer van ick in mijn 9. Verhael mentie maecke, ons beſoecken ende vertrooſten, maer vvy vvaren alreede gevvaerſchout dat hy een Verrader vvas. De Generael Alli Pegelin ende eenighe van de voornaemſte Turcken quamen ons beſoecken, ende beſien om ons te koopen. Sy vraeghden ons of vvy niet en hadden om ons rantſoen te betalen, ende datſe ons goede paſſagie ſouden geven? Wy antvvoorden alle eendrachtig, dat vvy gheen gelt en hadden, maer dat vvy hoopten dat het goede Volck van ons Landt ons ſouden trachten te helpen met Aelmoeſſen.
Het was even den 12. September dat de voornoemde Slaven verkoft ſijnde, wy op [13]de merckt gebracht wierden, alwaer men gewoon is de Chriſtenen te verkoopen. Een oudt opveyler hoog bejaert hebbende een ſtock inde handt, nam my by de arm, ende leyde my menighmael over de marct, ende die luſt hadden my te koopen, vraegden na myn Vaderlandt, mijn naem, ende mijn profeſſie: Op het welcke ick antwoorde met voorbedachte logens, dat ick gebooren was in het Landt van Duynkercke (in plaets van te ſeggen van Vlaenderen) inde Stadt van Damme, ende een Soldaet was van profeſſie: ſy voelden my de handen oftſe hert ende be-eelt van werken waren, ſy deden my oock de mondt open doen om mijn tanden te ſien, oftſe bequaem waren om biſcuyt op de galeyen te bijten. Daer na deden ſy ons alle neder ſitten, ende dien ouden Op-veyler nam de eerſte in de rye by de arm, marcherende met hem drye ofte vier malen over de marckt roepende Arrache, arrache, het welcke te ſegghen is, wie bieter meer voor? Den eerſten verkoft ſijnde, ſteldemen hem aen d’andere zijde vande merct, beginnende een nieuwe rye te maecken.
Terwijl men de eerſte van onſe rye verkoft, was ick even gheſeten tuſſchen mijn cameraets Monſieur Caloen ende Reynier [14]Saldens: de welcke niet teghenſtaende deſe tragediſche actie daer wy in waren, ſeyde met een groot ſuchten: Het is van daeg kermis in ons Dorp in Vlaenderen, indien wy daer waren, ſouden wy goede Wijn drincken, ende Wafelen eten met de goede Vrienden: ick antwoorde hem, wy ſijn nu in een fraeyen kermis: Het welcke ick naeuwelijcx gheſeyt hadde, ofte den ouden Op-veyler nam my by de arm, my doende marcheren, ghelijck hy de andere gedaen hadde, ende riep, Arrache, arrache. Ick hoorde verſcheyde perſoonen gelt bieden, ſonder dat ick nochtans verſtonde wat ſy ſeyden. Ick vraeghde een oude Slaef, hoe veel ſy booden: hy ſeyde my: die bied 190. ſtucken van achten, die 200. ende eyndelijck wierde de koop gemaeckt voor 200. ſtucken van achten.
Die my gekoft hadde, was een Ronegado ghenaemt Sadan Gallan: Maer alſoo de Baſſa het recht van herkoopinghe heeft, wierden wy noch eenmael voor de Baſſa ghebracht, dragende de teeckenen op ons hoedt in Cijffer voor hoe veel dat wy verkoft waren, preſenterende aende Baſſa het recht van herkoopingh, die ons alle drye nam, te weten Monſieur Caloen, Reynier Saldens, ende my. Hy ſeyde dat hy [15]wel gheinformeert was dat wy rijck ende Ridders waren: maer niet teghenſtaende deſe qualiteyt die hy ons gaf, bracht men ons inde ſtal van ſijn Paleys, alwaer wy 250. Slaven vonden, ſijnde Roeyers van ſijn Galeye. Wy waren in die ſtaet een ende twintig dagen: alwaer vvy voor ons portie alle daeghs twee brooden ontfingen.
Het vvas doen het eynde van September, ende de tijt dat de Galeyen haer laetſte reyſe van het jaer doen. De ſlaven die met ons vvaren, packten haer goetje om ſcheep te gaen. Men gaf door ordre vande Baſſa aen yder ſlaef vijf ellen Lyvvaet om een Hemde ende een Galeye-Broeck te maecken. Ick kreegh mijn deel als andere: Het vvelcke my ſeer vvel te paſſe quam: Want ick hadde maer een vuyl geſcheurt Hemde, vol Luyſen. Op den dagh vvanneer de ſlaven ſouden ſcheep gaen, quamen in onſe ſtal vijf ofte ſes barbiers leer-jonghens, die de ſlaven, Roeyers vande Galeyen, begonnen het hayr ende Baert te ſcheren. Wanneerſe alle geſchoren ende toe-gheſtelt waren, quamen de Capiteynen vande Galeyen, ende de Hof-meeſter vande Baſſa inde Stal, ende deden alle de ſlaven uyt die plaets gaen [16]in een open plaets ofte Thuyn met een billet, ende begonnen de officien op de Galeyen te diſtribueren.
Ende wanneerſe haer getal vol hadden, waren wy noch tvvintigh ſlaven overigh: Het vvelck de Capiteyn ſiende, ſeyde aen de Hof-meeſter paſſerende voor by ons, laet ons deſe Canaille aen Landt laten, vvant ſy ſijn noch vvildt. Ick verſekere u dat dit onghelijck voor die reyſe ons ſeer aengenaem vvas.
De Galeye vande Baſſa vertrock op de ſelfde tijt in compagnie van drye andere Galeyen. Ondertuſſchen bleven vvy inde Stal met de ſiecke ſlaven, die onbequaem ende overigh vvaren. Van het lyvvaet dat ick ontfanghen hadde, maeckte ick een Hemde vvel genoegh geſneden om my van te dienen: maer aengaende de Broeck, vviſte ick niet vvaer te beginnen: Het vvelcke een Portugijſche Ridder, mede een Slaef, ſiende, ſeyde my, Vrient, ick ſie vvel dat gy geen Snijder van u Ambacht ſijt: dat ſeggende, gaf hy drye ofte vier Aſpren (ſijnde kleyn Geldt van dat Landt) aen een andere Slaef, die mijn Broeck ſnede ende maeckte.
De Baſſa ſijnde gheinformeert dat vvy gheen Ridders, noch rijck waren, ghelijck [17]men ſeyde, te vveten vvy drye, Monſieur Caloen, Reynier Saldens, ende ick, dede ons inde Zael van audientie gaen, alvvaer de Generael Alli Pegelin preſent vvas, die ons ſeyde, Chriſtenen, ick hebbe u ghekoft vande Baſſa, maer ſeer dier. Van daer ſondt hy ons na ſijn Logijs, alvvaer tvvintig Chriſten ſlaven vvaren om het Huys te dienen, ende veertigh vvaren van neghen tot vijftien jaren, die uyt het Huys niet moſten gaen, door vreeſe van ghedebaucheert te vvorden vande Turcken: Want aengaende Alli Pegelin onſe Patroon, hadde de reputatie van een Vyandt te ſijn vande vervloeckelijcke ſonde: Ende hy hiel die Iongens tot pracht, ghelijck onder de Chriſtenen de Groote Heeren de Pages ende Lackeyen houden.
Van daer vvierden vvy ghebracht na de Bain van onſen nieuvven Meeſter, vvelcke een plaetſe is gedeſtineert om de ſlaven vande Galeye te logeren ende laten vvoonen. De voorſz Bain vvas een ſtraet van ſijn Huys, de qualiteyt ende gheleghentheyt van de vvelcke ick u in ’t korte ſal beſchrijven. Eerſtelijck hadſe een naeu inkomen, ende men quam in een groot vervvelfſel, dat ſijn licht ſoo veel als het vvas ontfingh door eenighe tralien van boven, [18]maer ſoo weynig, dat men op vollen dag ende ’s middaghs in eenighe tap-plaetſen van de ſelfde Bain Lampen moſte aen-ſteken. De Tappers ſijn Chriſten ſlaven van de ſelfde Bain, ende die daer komen om te drincken, ſijn Turckſe Vry-buyters ende ſoldaten, die haer tijt door brengen met drincken ende vervloeckelijcke ſonden te doen: Boven iſſer een vierkante plaets tuſſchen de Galeryen van tvvee verdiepingen hoogh, ende tuſſchen deſe Galeryen vvarender oock tap-plaetſen, ende een Kerck van Chriſtenen, daer 300. Perſonen in konden ſijn om Miſſe te hooren. Het opperſte is plat op de Spaenſe maniere. Wy vvaren daer vijf hondert Chriſten ſlaven, alle toe-behoorende onſen Patroon Alli Pegelin, ſonder dat hy nochtans yemant eenigh eten gaf: De eenighſte vertrooſtinge die vvy hadden, vvas dat vvy alle daeghs mochten drie ofte vier uyren onſe levens middelen gaen ſoecken; ſoo dat yder een ſich diende van ſijn vernuft, gelijck ghy klaer ſien kont in mijn 16. Verhael, alvvaer ick ſal toonen dat de noot de moeder van de neerſtigheyt is.
My refererende aen het ſelfde Verhael ſal ick alleen vertellen het ghene my den eerſten Nacht dat ick in dat nieu Logement [19]vvas voorviel. Ick vviſte niet vvaer ick my ſoude ſchicken om te ſlapen, ende alſoo ick niemant kende, gingh ick ’s avonts met een deckſel ’tvvelck ick in het logement van de Baſſa ontfangen hadde, boven op het plat van de Bain. Welcke plaets my docht de bequaemſte te ſijn ſonder yemant te incommoderen, vvant ick hadde geen kenniſſe.
Zijnde gereet om te gaen ſlapen, een ſlaef van de Bain, ſijnde een Ridder van Maltha, ende ſijn Cameraet een Fransman, begonden my te vragen vvat nieus dat’er in het Chriſtenrijck vvas: Ende alſoo ick beſich vvas haer vvat nieus te vertellen, hoorde ick om laegh in de open plaets van de Bain een Gardiaen (gy moet weten dat de Gardiaens ſijn die gene welcke ſorghe hebben van het gene de Chriſtenen doen) die over luyt riep, dat morgen ſoodanigen getal van Slaven met het aenkomen van den dagh moet gaen wercken, ende daer mede gingh de Gardiaen wegh ſluytende de Bain. Soo haeſt als de poort geſloten was, ſagh ick een oude vos van een Slaef, een Italiaen, met een groot pack van Linne ende Wolle Kleederen, Hembden, een Kopere Pot, ende ſoodanige andere meubelen, ende begon te roepen, Arrache, arrache. [20]Ick vraeghde de voorſz Ridder wat dat beduyde? Hy antwoorde my: Alſoo onſe Patroon ſijn Slaven geen eten geeft, leeft het meeſtendeel van het ghene dat ſy ſtelen, ende alle avonts verkoopt men den Buyt die men dien dagh gekregen heeft.
’s Anderendaeghs was de Sonne noch niet gereſen, wanneer de Gardiaen komende in de Bain, begon te roepen, Surſa cani, à baſo canalla, rijſt ghy Honden, komt af gy canaillen, (dat was den goeden dagh) terſtont dede hy ons marcheren na een Voorſtadt genaemt Baboloet, alwaer wy gereetſchap vonden om Touwen te maken, ende ſonder te vragen, of wy het Ambacht konden, moſten wy arbeyden. Mijn Cameraet Reynier Saldens ende ick moſten het Radt drayen, het welcke wy met groote kracht ende raſſigheydt deden, om dat de Gardiaen geſtadigh riep Forti, forti, ende wy meenden dat het beteeckende, ſterck: ende in Franco (’twelck een gemeene ſpraeck onder de Slaven ende de Turcken is, ende oock onder de Slaven van d’een Natie aen een andere; ſijnde een Spraeck gemenght van Italiaens, Spaens, Frans ende Portugijs, anderſints ſoude het onmogelijck ſijn hare Slaven te commanderen: want in onſe Bain, onder 550. Slaven ſprack men twee [21]ende twintigh byſondere Spraken) is Forti te ſegghen ſoetjes, ende alſoo hy door ſijn roepen niet verkreegh ’tgene hy begeerde, quam hy met groote ſlagen met ſtocken ons wijſen wat Forti te ſeggen was. Wy deden dat Ambacht vijf ofte ſes dagen, ende alſoo ick niet gewoon was ſoodanighen werck te doen, weder keerende na de Bain, gingh ick vermoeyt ſlapen om hoogh op het plat. De twee Franſe Ridders voornoemt, bewogen ſijnde ſoo van barmhertigheyt (ſiende dat ick ſoo opgeſchickt was) als van hare naturelijcke courtoiſie, vraeghden my oft ick plaetſe begheerde in haer Kamertje om bedeckt te mogen ſlapen: ’twelck ick uyt ſeer goeder herte aen nam, ende ick ſliep van die tijt af in haer Kamertje, ofte om beter te ſeggen, vertreck. Ende ick maeckte my een Velt-bedde van vier Stocken dienende voor Stijlen, met eenighe Touwen tuſſchen de ſelfde geſchoren op de maniere van Tralien.
Na dat de Touwen gemaeckt waren, dede men ons een ander Ambacht leeren, maer veel moeyelijcker voor die tot het wercken niet gewoon ſijn: te weten Kooren in een Steene Mortier te ſtampen. Ick dede dat Ambacht met een ongelooffelijcken arbeyt, ende weynigh avancement, van wegen mijne [22]kleyne kracht: ’twelck de Gardiaen ſiende, ſeyde my, gy hont die gy ſijt, laet dat werck ſtaen, ghy ſijt noch al te wilt. Wanneer het Kooren geſtampt was, dede men het in de Sacken, ende door ongeluck, vielder wat Koren op de aerde, het welck de Gardiaen ſiende, ſeyde my, Pilla eſſo cani, neemt dat op ghy hont: maer alſoo ick ſijn Spraecke niet verſtont, noch wat pilla te ſeggen was, gaf hy my drie ofte vier ſoo harde ſlagen met een ſtock op mijn rugge dat het bloet het teecken daer van was, want ick was in ’t Hembde. Het Kooren inde ſack ſijnde, dede hy yder een ſack op ſijn hooft legghen, maer ick was naeuwelijcks vier ofte vijf paſſen voort getreden ſoo gheladen ſijnde, ofte de ſack begon door ghebreck van kracht van mijn hooft af te glyen, ende de Gardiaen holp my de ſack wederom op leggen, ende tot betalinghe van ſijn hulp, gaf hy my drye ofte vier ſlaghen met vuyſten in mijn aenſicht, ſoo hert, dat het bloedt my uyt de Mont ende Neus quam. Het welcke my vernootſaeckte (niet tegenſtaende de onmoghelijckheydt) mijn laſt te draghen. Maer het ongheluck was, dat wanneer ick noch eenige treden voort ghegaen was, door de kragt die ick dede brack de Neſtelingh van mijn Broeck, ende ick [23]viel neffens de ſack op de Aerde. Siende my doen in ſoodanighen extremiteyt, ende vreeſende de ſlaghen, accommodeerde ick de Neſtelingh ſoo wel als ick konde, ende met de gunſt ende aſſiſtentie van het goede volck dat voor by paſſeerde, ſette ick de ſack wederom op mijn hooft, marcherende na het Huys van onſe Patroon Alli Pegelin: aldaer ghekomen ſijnde, viel ick noch eens op de Aerde, ſijnde ſoo moede vanden arbeydt, dat ick my naeuwelijcks koſte roeren.
Maer wat remedie, den grootſten arbeyt begon maer, door dien men de ſacken veertich trappen hoogh boven op de Koorenſolder moſte draghen, het welcke my t’ eenemael onmoghelijck was: Maer Godt wetende de krachten der menſchen, liet toe dat mijn Cameraet Reynier Saldens, die veel ſtercker ende robuſter was als ick, ſijn ſack ontladen hebbende, ende de trappen af komende, my vondt op de voet vande trappen in een ſoberen ſtaet, te weten op de Aerde, ſeer bebloet, beſweet, ende vol ſtof, ende eyndelijck by na doodt; ende de Gardiaen dreygde my dapper. Deſen Reynier Saldens een ſeer gereſolveert man, ſeyde tot de Gardiaen; Siet ghy niet dat deſe Slaef ſieckelijck is? Ende daer mede nam hy [24]mijn ſack, ende brochtſe boven. Hoe aengenaem my dat werck van vrientſchap ende barmherticheydt was, kan men lichtelijck conſidereren.
Het werck was voor dien dagh volbracht, ende ick gingh ſeer miſtrooſtigh na de Bain, neffens Reynier Saldens, die om my te vertrooſten, my bracht in een tap-plaetſe vande Bain. Want ghy moet weten dat de voorſz Reynier Saldens, wanneer wy ghenomen wierden, vijf ofte ſes Piſtoletten verborghen hadde. Hy liet een Vleſſe met Wijn tappen, ende Eten brenghen, het welck niemendal koſt, want de Wijn betalende rekent men niet meer. Ende terwijl wy doende waren met eten ende drincken om my wat te verquicken, quam daer mijn Cameraet Monſieur Caloen: Hy hadde den gantſchen dach een muyl met Beſcuyt geladen gheleydt van het logijs vande Patroon na de Zee-kant, ende alſoo de ſtraten van Argiers ſeer naeu ende vuyl ſijn, ende de maniere is dat wanneer men met eenige gheladen Muyl ofte Cameel paſſeert, men roept belec, dat is, wacht u, was het ghebeurt dat onſen nieuwen Muyl-Leyder de maniere niet wetende, een Turck op de vuyle ſtrate dede neder vallen, den Turck op ryſende, ende ten hooghſten verſtoort ſijnde, trock [25]ſijn mes uyt (want de Turcken draghen inde Steden langhe meſſen, ghelijckmen hier de rappieren doet) maer by gheluck warender eenige Turcken die voor Monſieur Caloen ſpraken, ſegghende tot den Turck die ghevallen was: wat wilt ghy doen, ſiet gy niet dat deſen Chriſten noch wildt is, ende dat hy de maniere noch niet en weet? Sy noemden hem wildt, om dat hy noch ſijne Chriſten kleederen op ſijn Spaens hadde, ende die kleedinghe paſt de Slaven niet wel, om datmen daer door oordeelt dat hy onlanghs daer ghekomen is.
Wy paſſeerden dien avont, vertellende d’een den anderen de avonturen die ons dien dagh over ghekomen waren, ende ſiende dat wy daghelijcx moſten wercken ſonder een ſtuck Broods van de Patroon te krijghen, ende dat wy om te ſtelen, geen ſtoutigheydt noch gaeuwigheydt hadden; want dat ambacht heeft practijcke van doen, ende voornementlijck in een plaetſe waermen ſoo veel Dieven vint, ’twelck de oorſake is dat yder een op ſijn hoede is: De Ridder Philips de Cherf, wien de Baſſa aen onſen Patroon verkocht hadde, Monſieur Caloen, Reynier Saldens ende ick, reſolveerden by een Italiaenſe Coopman [26]te gaen, ghenaemt Franciſco Capati, ſijnde Reſident tot Argiers, ende hem te eyſſchen 75. ſtucken van achten, op conditie dat wy hem hondert tot Antwerpen ſouden doen betalen: ’s anderen daegs ſtelden wy onſe reſolutie ter executie: waer in de Coopman te vreden was, mits dat wy d’ een voor d’ ander ende een voor alle in’t gheheel borghe ſouden blijven: Ende wy ontfinghen op goede rekeninghe elckx vier ſtucken van achten.
’s Anderen daeghs moſten wy het Wijngaert-velt op het Plaiſier-Huys vande Patroon gaen delven, het welcke een grooten arbeyt is, ende als ick wederom na de Stadt gingh, maeckte ick een kleyn diſcours met de Gardiaen, hem ſegghende, dat ick ſieckelijck ende ſwack was, ende indien hy my voortaen wilde imployeren in eenigh werck dat ſoo ſwaer niet en was, dat ick tot vergeldinghe van die courtoiſie hem vier Realen ter maent ſoude gheven, het welcke hy my toeſtonde, mits dat ick hem een maendt contant ſoude gheven, het welck ick heel geerne dede. Hy ſeyde my, ghy ſult voortaen vier groote potten met Fonteyn-water brenghen in het Huys vande Gardiaen Baſſa, dat is te ſegghen, de Opper-Gardiaen: Want alſoo [27]wy 550. Slaven waren eenen Meeſter toebehorende, warender vijf ofte ſes Gardiaens. Ick was ſeer blijde over dat nieuw Officie. De Vrou van die Gardiaen was een Swartinne, maer heel goet: Sy gaf my ſomwijlen Broodt ofte een Schotel potagie: maer dat was wanneerſe waſſchen moſte, ofte wanneer ick Broodt na den Oven brachte: dat was een vergeldingh voor mijn extraordinariſe dienſten. Ick dede dat Officie eenighe daghen langh ſeer ghemackelijck: Maer alſoo het de jonckheydt ſeer ſwaer valt de goede daghen ende de ledigheydt te verdragen ſonder haer te debaucheren, ghebeurde het een dagh dat ick mijn ordinariſe Pot met Water droegh, ende als ick ’t ghegoten hadt in een groote Aerde Pot daermen de proviſie van het Water voor de Huys-houdinge in bewaert, quam een Turckſe Vrouwe met een Chriſten ſlavinne van Enghelſe Natie in het Huys; Ick vraeghde haer, ofte ſy een dronck Spaenſe Wijn met my wilde drincken, ick weet niet ofte de vrou vande Gardiaen dat merckte ofte hoorde: ’s Anderen daegs wierde ick gereformeert ende moſte van dien dagh af neffens de andere Slaven wercken, onder de welcke mijn Ambacht was de Metſelaer de dienen. [28]
Ick wierde allenskens ghewent tot dat leven. Het was doen inden maent van December wanneer de Turckſe Vry-buyters haer houden op de kuſt van Spaignen, ſeer wel wetende dat de Wijnen ende vrugten alſdan ghetranſporteert worden vande Engelſe ende Hamburgſe Schepen. Het ghebeurde dat op de ſelfde tijdt de Turckſe Vry-buyters genomen hadden een Fregat die tot Duynkercke ghemaeckt was ghenaemt de Peerel, komende van Malaga. Ick dorſte na de Zee-kant niet gaen, om dat ick tot Malaga ende Duynkercke gheweeſt was, vreeſende bekent te worden. Den ſelfden Avont als de Prijs ofte buyt arriveerde, quam een Slaef van Antwerpen by my, die my by mijn eyghen naem kende, doordien hy op ons Schip was wanneer wy ghenomen wierden, ende ſeyde my, dat met deſe laetſte Prijs ende buyt van Duynkercke, een jonghman ghekomen was die hem ghevraeght hadde ofte hy niet en kende twee Vlaemſe Slaven, d’ een ghenaemt Monſieur Caloen, ende d’andere Monſieur de Aranda: Waer op ick hem badt ende waerſchoude dat hy onder die namen na haer niet ſoude vraghen, om dat de ſelfde Perſonen haer namen verandert hadden, ende hier bekent ende genaemt [29]waren onder de Slaven Jan Evertſz ende Jacob van Zeveren. Ick gingh terſtondt (niet ſonder vreeſe van bekent te worden) deſe tydinghe communiceren aen mijn Cameraets de Ridder Philip de Cherf, Monſieur Caloen, ende Reynier Saldens, ende wy reſolveerden onſen Patroon te gaen ſpreecken aengaende onſe verloſſinghe, aleer wy ſouden moghen bekent worden: Want onſe Patroon Alli Pegelin dachte altoos dat de Ridder Philips de Cherf een Prins was: Maer wy vonden goet aleer wy onſen Patroon ſouden ſpreken, ons te informeren van dien nieuwen Slaef, ofte men eenighe devoiren in Spaengien dede om ons te verloſſen, ende hem oock te recommanderen dat hy niemant van ons, noch van onſe qualiteyt ſoude ſpreecken.
Eenighe daghen daer na wierde die nieuwe Slaef aen onſen Patroon verkoft, ende neffens andere jongens in ſijn Huys ghebracht, want hy was noch maer ſeſtien jaren oudt, ende ſeer ſchoon. Ick dede hem ſegghen door Mathias Perez, dat hy ’s anderen daeghs ten neghen uyren voor middagh op het plat vande Bain ſoude komen, onder pretext van ter Miſſe te gaen: Want ghelijck ick gheſeyt hebbe, [30]de jongens moſten niet uyt den Huys gaen. Op den gheſtelden dagh ende uyre vonde ick die nieuwe Slaef op het plat van de Bain, de welcke my ſiende, ſeyde, Monſieur ick ben droevigh dat ick u in deſe ſtaet ſie. Ick antwoorde hem, Lenaert, (want ſoo was hy ghenoemt) ick bidde u noemt my geen Monſieur: Mijn naem is Jacob van Zevere: Doe begoſt hy my te vertellen, dat men in Spaignen onder de Vrienden alreede wiſte het ongheluck dat ons over ghekomen was: ende dat het maer vijftien daghen waren dat eenighe Nederlanders mijne Vrienden tot Malaga ghedroncken hadden op de gheſontheydt vande Landts-Luyden die op de Galeyen van Argiers ſouden moghen ſijn. Voorts recommandeerde ick hem dat hy niet ſoude openbaren wie wy waren, hem belovende dat ick hem ſoude helpen ſoo veel my mogelijck ſoude ſijn. Maer alſoo hy wiſte dat ick ſelfs aſſiſtentie van doen hadde, gaf hy my drye Juweelen die hy gheſalveert hadde, in Spaignen ghenoemt Canafeas, in alles weerdigh ontrent thien ofte twaelf Kroonen, my ſegghende, dat ick die ſoude verkoopen ofte verpanden na mijn welbehaghen om my in mijn miſerie te helpen. [31]
Het welcke ick dede, de ſelfde verpandende voor thien Kroonen, het welcke het meeſte was datſe weerdigh waren. Dit ghelt quam ons ſeer wel te paſſe, want de 75. ſtucken van achten die wy van de Italiaenſe Coopman ontfanghen hadden, waren op ghegheten, ende de Coopman hadde noch gheen advijs dat de wiſſel-brief tot Antwerpen betaelt was: Maer dit nieuwe ghelt vermeerderde onſe couragie ſeer, als mede ons credijt inde Tap-plaetſen vande Bain, alwaer goede Spaenſe Wijn was van de laetſte buyt die de Turcken ghenomen hadden, waer over onſe Bain dagelijcks vol Turckſe Dronckaerts ende Chriſten Slaven was, wel verſtaende die ghelt hadden. Het was alle daeghs, ghelijck Theofilus ſeydt, een Kermis van Nederlandt. Daer wierden duyſent ſoorten van onbehoorlijckheden gepleegt die door de Dronckenſchap veroorſaeckt wierden. Ende alſoo onſe Patroon een reeder was van de Vry-buyterſe Schepen die deſe twee Scheepen van Malaga komende, met de voorſz Wijn geladen, ghenomen hadden, imployeerde men 32. Slaven van ſijn Bain om de Wijn uyt de ſelfde Schepen te loſſen, ende tot haer loon haddenſe vande Chriſten [32]Tappers, die de Wijn kochten een ſtuck van achten voor yder pijp: Want de Turken moghen gheen wijn verkopen noch drincken: Het drincken wordt getolereert, maer niet het verkopen.
De voorſz 32. Slaven waren uyt gekoren, ende men imployeerdenſe tot de ſwaerſte wercken. Het waren altemael roeyers ende Deugnieten. Deſe troup is genaemt de Caravane, van de vvelcke de helſt te vveten ſeſtien, vvaren Ruſſen ofte Moſcoviters, ende de andere Spangiaerts ofte Italianen. Sy hadden eenighe dagen gearbeydt om deſe tvvee Schepen te loſſen, ende hebbende een goet ſtuck Ghelts ghevvonnen, quamenſe ’s avonts inde Bain heel Droncken ende ſat als Beeſten. De ſeſtien Ruſſen maeckten krackeel met de Spaignaerts ende Italianen, ende ſonder meer te conteſteren, begonnenſe malkander te ſlaen ſoo furieus dat de Gardiaen die altoos aen de Poort is, het hoorde, die terſtont het krackeel met groote ſlaghen met ſtocken eyndighde, ſoo dat de vechters genootſaeckt waren ſich te retireren. Het was laet, ende de Gardiaen quam wederom ſien, ofte alle de Slaven in de Bain waren, ſtellende met eenen ordre teghen ’s anderen daeghs na ghevvoonte. Dat [33]gedaen ſijnde retireerde hy ſich, ſluytende de deure achter hem toe. Ick wandelde by gevalle op het plat van de Bain, ende ſoo haeſt als de Poort geſloten was, vergaderden de voorſz Spaignaerts ende Italianen op de Marct-plaetſe, ende een van haer gingh na de Vertreck plaetſe ofte Kamertje van de Ruſſen ende Moſcoviters, haer groetende met deſe ſprake: Honden, Ketters, Wilden, Vyanden Godts, de Bain is nu geſloten, ende de Gardiaen laet ſegghen, indien ghy de courage hebt te vechten, komt uyt u hol, ende wy ſullen in het ſpel ſien wie een ſchoon liefje hebben ſal. Hy hadde nauwelijck deſe ſprake ge-eyndight wanneer de ſeſthien Ruſſen ende Moſcoviters op de Plaets quamen, beginnende terſtont de Spaignaerts ende Italianen op hare Ambaſſade te antwoorden met Stock-ſlagen, want ſy hadden anders gheen Wapenen als haer handen, maer gelijck men ſeyt furor arma miniſtrat, eenighe Bancken ende Tafels voor de Tap-plaetſen ſijnde, ende eenige Ladders dieſe voor de hant vonden, wierden verandert in Wapenen, Rappiers, Pijcken ende Muſquetten, haer mannelijck defenderende. Dit gevecht veroorſaeckte, voornementlijck in den avondt, ſoo [34]vreeſſelijcken geluyt dat ghy geſeyt ſoudt hebben datter twee Legers waren, die in een groot ende open Velt tegens malkander vochten. De avantagie van het gevecht ſcheen ghelijck te ſijn, als mede de gequetſten die in het midden van de plaets lagen, die ick meende dat doot waren. Sy bleven in die ſtaet tot dat den doncker de overhant nam, nochtans toonden beyde de parthyen datſe de plaets niet wilden verlaten: eyndelijck quam een Prieſter die inde Bain woonde, ende van allen wel bemint was, met een Waſſe Keerſſe in ſijn hant op de plaets van het ghevecht, ſijn beſte doende haer te verſoenen ende ſcheyden, haer ſeggende datſe alle Chriſtenen waren, hoewel van verſcheyde Religien, ende indien de Patroon dit doen quame te weten, datter geen ſlagen met ſtocken gebreck ſouden ſijn. Met deſe vermaninge hiel het gevecht op, ende men riep terſtont de Chirurgijns, want daer warender vijf ofte ſes inde Bain die de Patroon toe behoorden, de welcke de gequetſten terſtont begonnen te verbinden. Men meende dat alles ſoude paſſeren, ſonder dat de Patroon de tijdinghe daer van ſoude krijgen: maer alſoo het gevecht langen tijdt geduyrt, ende groot geluyt gemaeckt hadde, [35]de Patroon het ſelfde in ſijn Huys gehoort hebbende, quam terſtont in de Bain met Toortſen ende Lanteernen vergeſelſchapt met vier ofte vijf Gardiaens met Stocken voorſien. Doen begon hy ſich te informeren van het ghene gepaſſeert was: maer die ghene welcke als Leeuwen ghevochten hadden, verborgen haer als Voſſen. Dies niet tegenſtaende attrapeerde de Patroon door ſijne goede onderſoeckingh een van de Spaenſche parthye, ende dede hem heel naeckt ontkleeden, hem doende houden van vier Slaven, te weten de handen ende de voeten, de Buyck tegens de aerde, ende dede hem op de rugge ende billen hondert ſlagen met ſtocken geven: waer mede de gramſchap van de Patroon paſſeerde. De andere Vechters verborghen haer noch meer als te voren, vreſende te ſeer de brocken van het convent van onſe voornoemde Patroon.
Het waren nu ſes maenden gheleden dat wy tot Argiers gheweeſt waren, tydt ghenoegh om antwoordt te hebben van Vlaenderen: Monſieur Caloen, Reynier Saldens, ende Ick ginghen na het Huys van de Patroon, wy kuſten hem ſijn Rock ofte de Mouwe van ſijn Hembde (welcke een Turckſe reverentie is) ende nemende [36]het woordt ſeyde ick hem, dat het ſoo langhen tijdt gheleden was dat wy tot Argiers waren gheweeſt, ghelovende dat hy gheinformeert was van onſe armoeden, ende dat wy verſtaen hadden dat hy een accoort ghemaeckt hadde met eenighe van ſijne Slaven aengaende hare verloſſinghe, op conditie datſe in een Schip van Livorne ſouden gaen, het welcke inde Haven ghereet was om derwaerts te zeylen, ende datſe aldaer ſouden blijven inde Gevangheniſſe, tot dat haer rantſoen ſoude betaelt ſijn, want den Grooten Hertogh liet doen ſoodanighe dinghen toe. Wy vraeghden hem wat hem gheliefde te hebben, hy antwoorde, hoe veel wilt ghy geven? Ick repliceerde, het ſal uwe Signorie believen te eyſſchen: want het kan ſijn dat uwe Signorie ons ſoo veel eſtimeert, datter geen apparentie is van eenig accoort. Doen ſeyde hy, na dat hy ſich wat bedacht hadde, gheeft twee duyſent ſtucken van achten tot Livorne, ofte vijfthien hondert alhier: Dat was my onmogelijck, ſeyde ick, want ick ben een arme Soldaet, daerom wil ick liever een Slaef binnen Argiers blijven, als in de gevangheniſſe tot Livorne berſten. Het meeſte dat ick ſoude konnen geven, ſoude [37]ſijn vijf hondert ſtucken van achten tot Livorne. Waer op hy my antwoorde, ghy preſenteert te weynigh: Ick moet tegenwoordigh uyt de Stadt gaen voor eenighe dagen (gelijck het in der daet waer vvas, vvant ſijn Peert ſtont gereet) vvy ſullen daer van ſpreken als ick vvederom ſal gekomen ſijn. Deſe vvoorden gaven my een groote vertrooſtinghe, vvant my docht dat onſe Patroon mijn preſentatie niet vreemt docht. Met dit antvvoordt keerden vvy vvederom na de Bain: Ende onſe Patroon vertrock met de Slaven van de Caravane om haer Hout te laten afhouvven om toekomende Iaer een nieuvve Galeye te maken: op de ſelfde tijdt moſten vvy vvercken aen een Huys dat onſe Patroon dede bouvven op het hooghſte van de Stadt: vvant gy moet vveten dat de voorſz Stadt van Argiers gebout is op het hangen van een hooge Geberchte, ende de plaets alvvaer men dit Huys boude, vvas ſoo moeyelijck dat gheen gheladen Muyl eenigſints daer op konde gaen: vvaer over men met de Armen alle de Materialen om hoogh moſte brengen: het vvas doen den 18. February van het Jaer 1641. De Gardiaen brocht ons te vverck na gevvoonte, maer voor dat ick [38]uyt de Bain ging, hadde ick de Ridder Philips de Cherf gerecommandeert dat hy ſorge ſoude draghen ons eenige Potagie te maecken tegens dat vvy vvederom ſouden komen; men moet verſtaen dat deſen Ridder geexcuſeert was vanden arbeyt, om dat hy gebreckelijck van leden vvas: tervvijl vvy vvrochten, quamen tvvee Turcken in de Bain, ende vraeghden na drie Slaven van Duynkercken, genaemt Ian Baptiſta Caloen, Emanuel de Aranda, ende Reynier Saldens, maer daer vvas niemant die deſe Slaven kende. Sy toonden een Atteſtatie in’t Latijn, ende alſoo de Spaenſche Slaven gemeenelijck Bootſgeſellen ſijn, ſeyden ſy dat de Atteſtatie in’t Nederduyts vvas, de Franſche Slaven ſeyden dat het Engelſch vvas. De tvvee Turcken begoſten moeyelijck te vvorden, ende ſeyden, roept een Papas (dat is te ſeggen een Prieſter ofte een Edelman) vvant in het Lant van Duynkercken ſpreken de Papas ende Edel-luyden gemeenelijck deſe ſprake, ende niet de Canaille als ghy luyden. Derhalven oordeelden de Spaenſche ende Franſche Slaven dat de voorſz Atteſtatie in ’t Latijn gheſchreven was. Doen riepenſe terſtont een Brabantſche ſlaef genaemt François de Student, [39]vvant hy hadde tot Leuven geſtudeert. Hy ſchreef Brieven voor de Duynkerckſe ſlaven, gelijck ghy ſult ſien in mijn 16. Relatie, hy las de Atteſtatie, ende hoevvel vvy onſe Namen verandert hadden, nochtans oordeelde hy terſtont door de tekens van den tijt ende van het ſchip vvaer in vvy genomen vvaren, dat vvy die drie Chriſten ſlaven moſten ſijn die de Turcken ſochten. Daerom antwoorde hy haer, dat hy ons ſeer wel kende, ende dat wy ſlaven in de Bain waren, maer dat wy te werck waren. Monſieur Caloen, ende Reynier Saldens, alſoo ſy de ſlagen ſoo ſeer niet en vreeſden als ick, waren uyt het Werck geloopen, ende hadden haer verborgen in een hoeck van de Bain, ende paſſeerden daer den tijt met de Kaert te ſpelen. De voorſz François de Student vont haer, ende ſeyde haer, datter twee Turcken beneden waren die van Duynkercken quamen, ende dat men Brieven voor haer hadde. Monſieur Caloen ende Saldens liepen terſtont beneden, alwaer ſy de twee Turcken vonden, die haer de Brief preſenteerde, die van de Vader van Monſieur Caloen was. Hy was uyt der maten blijde, gelijck mede de Turcken waren, om datſe ons alle in Argiers vonden: [40]want het contract ’twelck de voorſz Turcken met onſe Ouders gemaeckt hadden, was op die forme ghemaeckt, datſe ons moſten leveren in wat Quartier van Barbaryen dat wy waren. Daer na brochten ſy Monſieur Caloen ende Reynier Saldens in het Huys van een Turck Barber Aſſan, ſijnde Schoon-Vader van Moſtafa Iugles, die tot Brugge neffens vier andere in Gevangeniſſe was, om teghens ons verloſt te worden. De Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa waren ſeer blijde te verſtaen dat hy noch in’t leven was, ende dat hy wel haeſt in ſijn Vaderlant ſoude moghen komen. Tot noch toe wiſte ick gantſch niet van dit alles; want ick bleef arbeyden tot dat de Gardiaen permiſſie gaf dat yeder een ſijn leven ſoude ſien te winnen. Ick hadde goede appetijt, want het vvas na de middagh; derhalven hopende eenighe Potagie by de Ridder te vinden, volgens ons accoort als geſeyt is, gaende uyt het Werck liep ick recht na de Bain toe, ende aldaer komende reſcontreerde ick François de Student voornoemt, die my ſeyde, Iacob ick hebbe goede tijdinghe voor u, vvelcke is dat gy geen Slaef meer en ſijt: vvant daer ſijn tvvee Turcken van Duynkercken gekomen, ende Monſieur [41]Caloen ende Saldens ſijn met haer uyt-gegaen. Hebbende ſoodanige ende ſoo aengename tijdingen, ende ſoo onvoorſiens, ghebrack’er vveynigh of dat ick niet van mijn ſelven viel, u verſekerende dat ick geen honger meer en hadde: ick gingh terſtont mijn twee Cameraets met de Turken ſoecken, die ick alle vier op de ſtraet vonde. Soo haeſt als Monſieur Caloen my vernam, ſeyde hy tot de Turck, ſiet daer onſe derde Cameraet Emanuel de Aranda. Ick vraeghde terſtont de Turcken hoe mijn Ouders al voeren? Sy ſeyden my dat mijn Moeder van mijn ongeluck noch niet vviſte, ende dat mijn Broeder vvel te paſſe vvas. Sy quamen met ons in de Bain, ende ſeyden de Gardiaen, dat hy ons niet meer ſoude laten arbeyden, door dien vvy vry vvaren.
Wy paſſeerden de reſt van dien dagh door met groote blijtſchap ende vrolijckheydt, drinckende met de Cameraets op de goede tijdingen: Maer wy dachten op het ſpreeckwoordt niet: Vreughde in Huys, droefheydt aende deure: ’s Anderen daegs waren wy gereſolveert den dagh te continueren in plaiſier ende vrolijckheydt. Maer ontrent de middagh quam een Jode in de Bain, door ordre van de Vrouw van Alli [42]Pegelin (de welcke wiſte alles watter paſſeerde) om ons te ſegghen, dat de Baſſa ons wilde ſpreecken: Men brocht ons voor hem: Hy beval ons in een kleyn Vertreck van het Paleys te gaen, alvvaer eenighe Chriſten Jonghens ende Slaven vvaren: vvy vvaren op die plaets ontrent tvvee uyren ſonder te vveten vvaerom, noch vvat de Baſſa hebben vvilde: Ten laetſten ſaghen vvy komen de Hof-Meeſter met een ſtock inde Handt, ſeer ſtraf ſeggende, Honden, vvie van u heeft na u landt geſchreven om Turcken te hebben? vvaer op vvy antvvoorden, dat niemandt dervvaerts gheſchreven hadde, maer dat onſe Ouders dat ghedaen hadden ſonder dat vvy het geweten hebben: Over vvelck antwoordt hy ſeer verſtoort vvierde, ende gaf aen Monſieur Caloen ende my eenige ſeer herde ſlagen met de ſtock, ſeggende: Ick ſal deſe nacht noch komen u de Neus ende ooren af ſnijden, vvaer op Saldens antvvoorde, patientie, ende om dat antvvoort kreeg hy eenige ſlagen met de ſtock ſoo vvel als vvy, ende ſeyde ons: Gy ſult ſoo niet eſchapperen als gy meent, ghy ſijt gheen Slaven van Alli Pegelin, maer vande Baſſa, ende gy ſijt aen Alli Pegelin maer geleent, ende de Baſſa en [43]begheert geen Turcken voor u rantſoen. maer daer moet gelt vveſen.
Dat vvas een queſtie op ſijn Hooghduyts geſocht, als men ſeyt, gepractiſeert door de booſheyt vande Vrou van Alli Pegelin in abſentie van haer Man: want daer is een generale Wet over het ganſche Lant ’twelck is onder de gehoorſaemheyt van den Grooten Heere, dat yeder Turck, van wat conditie hy ſoude mogen ſijn, ſoo hy een Soldaet is, een Chriſten wat hy ſoude mogen ſijn, mach vry maken, mits dat hy betale ’tgene hy gekoſt heeft, ſweerende by het Hooft van den Grooten Heere, dat het is om een andere Turck die een Slaef by de Chriſtenen is, te verloſſen. Maer de Baſſa gaf voor exceptie op die Wet, dat het ſelfde niet moet verſtaen worden op ſijne Slaven, om dat hy den Grooten Heere repreſenteerde, die ſoodanige Wetten niet onderworpen is. Een dagh daer na ſchreven wy een Brief aen de Groot-Moeder van Moſtafa in Spaenſch (want ſy was een Morinne met de Moren in de tijt van de Koning Philippus de derde verjaeght) door welcke Brief wy haer deden in’t lange verſtaen ’tgene in deſe nieuwe gevangeniſſe was gepaſſeert, ende datſe ſoude ghedencken dat haer Neef in handen van onſe Ouders was, [44]ende dat men op hem revengie ſoude nemen, van het ongelijck dat men ons dede. Deſe Brief brachte de oude Vrou in groote bekommerniſſe. Sy quam terſtont de Vrouw van de Baſſa ſpreken, haer ernſtigh biddende datſe niet wilde toe-laten dat men ons ſoude qualijck tracteren: waer van de Vrouwe van de Baſſa haer verſeeckerde, van ’t welcke de oude Vrouwe ons dede advijs geven, op dat wy niet ſouden bekommert ſijn, ende oock door vreeſe dieſe hadde dat wy na Vlaenderen ſouden ſchrijven om de Turcken die daer gevanghen waren qualijck te tracteren.
Alli Pegelin was van ſijn reyſe noch niet wederom ghekomen, ende ondertuſſchen waren wy in het Paleys vande Baſſa geſloten, ſonder dat yemant van buyten by ons mochte komen, het welck nochtans eenigſints geſchiede: Men gaf ons alle daegs voor onſe portie twee kleyne Brooden, maer wy hadden het geluck dat de Spijs-bewaerder van de Baſſa een Franſche Renegado was, die Lackey geweeſt was van Monſieur Chamois, die een Ridder van Maltha was als voren geſeyt is, ende om dat deſe Spijs-bewaerder wiſte dat ick groote kenniſſe hadde met de voorſz Monſieur Chamois in de Bain van Alli Pegelin, ende dat wy eenige [45]Maenden in een ſelfde Vertreck gheſlapen hadden, gaf hy ons alle daeghs yetwes, te weten Olye, Vijghen, Toback ofte yets anders om te eten. Ick kan u verſekeren dat wy hier leden de grootſte ellende van alle onſe Slavernye, want ghelijck ick geſeyt hebbe, wy ſliepen in een kleyn Kamertje met thien ofte twaelf Iongens die vol Luyſen waren, ende hoewel wy dien gantſchen dagh employeerden om ons te reynighen, waren wy nochtans een uyre daer na ſoo wel verſien als te voren.
De Hof-meeſter van de Baſſa wandelde noch met de ſtock in ſijn hant, ende daer moſte altoos yemant weſen die geſlagen moſte ſijn voor ſijn plaiſier. Het eenigſte plaiſier dat wy hadden was dat alle de Slaven, die de Baſſa alle daeghs voor ſijn ghedeelte hadde, (te weten het achtſte part, als geſeyt is) den eerſten nacht by ons quamen ſlapen, voor al eer menſe in de Bain van de Baſſa bracht, ende alſoo der dagelijcks veel Prijſen waren, ende conſequentelijck veel Slaven, wiſten wy alles watter paſſeerde in het gantſche Chriſtenrijck.
Na dat wy thien dagen in deſe miſerie geweeſt waren, quam onſe Patroon Alli Pegelin inde Stadt van Argiers. De twee Turcken die gekomen waren ons in vryheyt [46]te ſtellen, ginghen hem terſtondt groeten, ende toonden hem als dat ſy ſeven Turcken waren die verwiſſelt waren teghens ons drye Chriſtenen, dewelcke betalen ſouden ’t gene wy ghekoſt hadden. Waer op Pegelin antwoorde, Ick hebbe mijn Slaven gekocht om te winnen, ende niet om die te verwiſſelen teghens Turcken: waer op ſy ſeyden, wy ſijn arme Soldaten; daer en boven weet gy wel onſe Privilegien in conformiteyt van de Wetten, daerom bidden wy u dat gy ons verſoeck wilt toeſtaen. Alli Pegelin verſtaende haer redenen, ſeyde haer: Ick wete de Privilegien ende Wetten ſeer wel: maer een van u is rijck, ende die behoort de Privilegie niet te genieten, want hy is geen Turck, maer een Moor, ende in Argiers geboren: Ende die in de voornoemde tijdt in de Stadt van Argiers gheboren is, kan geen Soldaet ſijn. Want ghy moet weten dat de Turcken de Burgers van Argiers voor Onderſaten houden, hebbende de ſelfde door gewelt onder gebracht, om datſe hebben willen revolteren: Daerom en neemt menſe niet aen voor Soldaten, ende ſy en konnen de Privilegie niet genieten: Maer indien gy mijn advijs wilt volgen, gy ſult de drie Chriſtenen hebben, ſonder dat het u veel ſal koſten, ende ick ſal ſatiſfactie hebben. [47]Dien raet behaeghde de twee Turcken wel. Daerom gaf Alli Pegelin voor een expedient, dat deſe twee Turcken in de Naem van haer vier Cameraets die in Vlaenderen ghevangen ſijn, ſouden accorderen met de Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, (dat was een Morinne van Argiers geboren, die de Privilegie niet konde genieten) dat ſy onder haer ſeſſen de twee Chriſtenen ſouden koopen, te weten Emanuel de Arande, ende Reynier Saldens: Ende dat de Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa ſouden Ian Baptiſta Caloen koopen.
Deſen raedt wierde van de Turcken voor goet gevonden. Sy ginghen by de Groot-Moeder van Moſtafa, ende ſeyden haer datſe alle arm waren; nochtans datſe te vreden waren onder haer ſeſſen de twee Chriſtenen te koopen, ende dat ſy om datſe rijck was haer ſoude obligeren de derde, te weten Ian Baptiſta Caloen te koopen. De Groot-Moeder van Moſtafa accepteerde deſe conditie, makende daer van een kleyn contract beveſtight op haer Turckſche maniere. Sy gingen Alli Pegelin adverteren datſe de voorſz conditie accepteerden, ende vraeghden hem wat hy wilde hebben voor Emanuel de Aranda ende Reynier Saldens. Sy [48]accordeerden op 500. ſtucken van achten voor haer tween. De Groot-Moeder van Moſtafa gingh den ſelfden dagh by Pegelin, ende vertelde hem het ongheluck van haer Neef die een Slaef van de Chriſtenen was, ende dat hy gheen andere middel hadde om ſich te verloſſen, als een Duynkerckſe Slaef in wiſſelingh te geven, ende daerom quamſe hem bidden om een van de Duynkerckſe Slaven te hebben mits daer voor betalende: Pegelin antwoorde, indien ghy een Duynkerckſe Slaef wilt hebben, ick ſalder u een gheven om u te obligeren: Sy antwoorde, ick wil hem wel betalen: Maer het moet ſijn een die ghenoemt is Ian Baptiſta Caloen. Pegelin antwoorde (thoonende ofte hy verſchrickt was) Ian Baptiſta Caloen! die is een na Bloet-Vriendt van de Koningh van Duynkercke, ende daerom moet hy ſes duyſent ſtucken van achten koſten. De oude Vrouwe wierde op dat antwoordt ſeer verbaeſt, ende keerde ſonder repliceren na haer Huys, ons latende weten dat Alli Pegelin eyſchte ſes duyſendt ſtucken van achten, ende datſe ſoo veel ghelts niet en hadde: derhalven ſy gheen middel ſagh om onſe vryheydt te verkrijghen, ten ware dat wy tot die ſomme wilden contribueren: waer op wy met de ſelfde bode antwoorden, [49]dat wy niet een Reael daer toe wilden contribueren, ende ſooſe ons niet wilde af-koopen, datſe ons laet berſten, maer datſe gedencken ſoude dat haer Neef in Vlaenderen mede ſoude berſten, ſijnde in de macht van onſe Ouders.
Terwijl deſe ſake ſich accommodeerde, paſſerende negen weken ende drie dagen dat wy in het Paleys vande Baſſa in groote miſerie, vreeſe ende ongheruſtheyt waren: Op ’t laetſte accordeerde de Moeder van Moſtafa met Alli Pegelin aengaende het af-koopen van Monſieur Caloen voor 1400. ſtucken van achten, met conditie dat het ſelfde gelt betaelt ſoude worden voor dat Ian Baptiſta Caloen uyt Argiers ſoude vertrecken. Met dit Accoort gingen wy uyt het Paleys van de Baſſa. Wanneer ick op de Straten mochte wandelen, dachte ick dat ick mijn liberteyt hadde na ſoo veel verdriets, ſoo veel vreeſe van qualijck getracteert te worden, ende ſoo veel miſerien.
De eerſte nacht gingh Monſieur Caloen logeren by de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles; Reynier Saldens ende ick gingen logeren in het logijs van een van de Turcken die ons gekocht hadde, genaemt Cataborne Moſtafa. Hy woonde in een Funducke (ſijnde een groot Huys alwaer veele Soldaten by [50]malkander woonen) deſe Funducke was een ſchoon Gebouw met ſijn vier Galeryen in’t vier-kant, ende vier Verdiepingen hoogh, ende yeder Soldaet hadde daer ſijn Kamertje net onderhouden van de Jongens. Want by na alle de Soldaten hebben een Jonge, ſijnde een Chriſten ofte Renegado Slaef om te dienen. Onſen nieuwen Patroon Cataborne Moſtafa tracteerde ons dien avont ſeer wel na de gelegentheyt van ſijn Beurs, ende dede ons ſijne excuſen, dat hy gheen oorſake was dat wy ſoo langen tijt in het Paleys vande Baſſa geweeſt waren. ’s Anderen daegs gingh Reynier Saldens ſijn woonplaetſe nemen by een voornaemſte Turck ghenaemt Mahomet Celibi Oiga, wiens Neve was een vande vijf Turcken die wy ſouden verwiſſelen.
De Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa Iugles beklaeghden het Ghelt ’t welck ſy betaeldt hadden voor Monſieur Caloen, hem daghelijcks quellende met quade woorden, om hem te dwinghen de helft vande 1400. ſtucken van achten te betalen. Ende aen d’ andere ſijde drongen wy de Turcken hert aen ſoo veel als ons moghelijck was om onſe vrydom te krijghen, volghens het accoort in Vlaenderen ghemaeckt. Waer op ſy ſeyden (ende niet [51]ſonder reden) dat het ſelfde ſoude ſijn haer in perijckel te ſtellen van haer gelt te verlieſen, ende in haſard dat haer Cameraets niet wederom ſouden komen: want het contract het welck ſy in Vlaenderen met onſe Ouders gemaeckt hadden, was van deſen inhout, dat de Turcken ons met den eerſten in het landt vande Chriſtenen ſouden ſenden, na datſe ons gevonden ſouden hebben: Derhalven wy ghenootſaeckt waren een nieu accoort met haer te maecken, datſe aen een van ons dryen vrydom ſouden gheven, die ſich verbinden ſoude de vijf Turcken die noch in Vlaenderen waren, te brenghen tot Ceuta ofte Aran in Africa, welcke Steden ſijn die den Koningh van Spaignen toe-komen, ende de twee andere ſouden tot pant-ſluyten blijven.
Dat ghedaen ſijnde wierde gereſolveert, dat Ick na Vlaenderen ſoude gaen, ende dat men my ſenden ſoude met de Vry-buyterſe Galeyen van Argiers, die my op de Kuſt van Spaignen aen Lant ſouden ſetten. Maer mijn ongheluck wilde dat een Barbariſche Koningh ghenaemt Bennali, ſijnde Tributaris van het Koninckrijck van Argiers, rebelleerde, ende eenen inlantſen Oorlogh veroorſaeckte, dat de Baſſa om het Landt te defenderen, de Galeyen ſelfs van noode [52]hadde, ſoo datſe die Somer op de Kuſte van Spaignen niet mochten loopen volgens ghewoonte: Op de ſelfde tijdt waſſer een Schip van Livorne, ghereet om weder te keeren ende zeyl te maecken: Ende onſe Cameraet Saldens immers ſoo begeerigh ſijnde als ick om ſijn vryheydt te hebben, wiſte by de Turcken ſoo veel te weghe te brenghen, als mede by Monſieur Caloen, dat hy verkoren wierde na Nederlandt te gaen: ende gingh in het voorſz Schip van Livorne. Ick was ten hooghſten bedroeft wanneer ick hem ſagh vertrecken, ende dat ick noch moſte blijven, maer de groote beloften die hy dede, dat hy korts wederom ſoude komen, ende de vijf Turcken mede brengen, dienden my tot vertrooſtinghe: het welcke hy op ſijn tijdt dede, gelijck ick hier na ſal ſeggen.
Ende wy ſullen hem laten zeylen op de barmhertigheyt Godts ende van de Golven na het begeerde Vaderlandt. Soo veel als my aengaet, ick bleef by mijn nieuwen Patroon Cataborne Moſtafa: Ende hoewel hy een arme Soldaet was, hadde ick goede dagen by hem: want hy ſyde my menighmael, Emanuel weeſt niet melancholijck, denckt by u ſelven, dat ghy de Patroon ſijt, ende ick u Slaef. Ick at met hem ende van [53]de ſelfde Schotel, ſijnde aen ſijn ſijde geſeten de Beenen over malkander ghekruyſt op de Turckſe maniere. Hy maeckte geerne goede cier, ende ſeyde my menighmael, Emanuel, hebbe ick geen reden goede cier te maken, hebbende geen Vrouw noch Kinderen, ende wanneer ick ſal komen te ſterven, ſal de Baſſa mijn Erfgenaem ſijn, volgens de maniere van dit Lant? Ick ſeyde, ja, ghy doet als een wijs Man, ende hebt groote reden op u gemack te leven: want ick konde anders niet ſeggen om dat ick met hem at ende dronck. Maer deſe woorden behaeghden gantſch niet ſekere Ionghen, Renegado, die hem diende, het Gelt bewaerde, waſſchende het Lywaet, ende eyndelijck dede het Ampt van een Vrouwe in de Huyſhoudinge, ende hy murmureerde geſtadigh, ſeggende, Gy verteert het alles, ende daer ſijn noch ſoo veel dagen eer de betalinge komt, voorwaer ghy behoort van ſchaemte root te worden, dat ghy u dagelijcks droncken maeckt, het is gheen leven van een ware Turck. Maer evenwel liet de Patroon niet af alle daegs ſich droncken te drincken.
Op ſekeren tijde ſijnde ſat na gewoonte, hadde hy krackeel met een Bulcebas (dat is te ſeggen Capiteyn van Voet-volck) ende [54]onder andere quade woorden, noemde hy hem een Chriſten. De Bulcebas dede daer op ſijne klachten, ende men ſtelde mijn Patroon in de Gevangeniſſe, ende in d’eerſte Vergaderinge van de Duwane, welcke in het Lant van de Chriſtenen is den Raet, ofte gelijck de Hooghduytſers ſeggen de Guemine, wierde mijn Patroon gecondemneert hondert ſlagen met ſtocken op ſijn Billen te hebben, ende daer en boven te gaen dienen in het Leger tegens den Koningh Bennali de tijdt van ſes Maenden. Ick was over het ongheluck van mijn Patroon ſeer bedroeft, die my ſeyde, ghy ſult van nu af gaen woonen by Mahomet Celibi Oiga: Ick hope met Godts hulpe dat ghy voor mijn wederkomſte u vrydom ſult hebben, ende indien ick Gelt hadde, wy ſouden het onder ons tween deelen. Ick antwoorde hem, Patroon, ick kenne u goet herte ende armoede, ick kuſſe u de handen, u bedanckende ſoo veel my mogelijck is, van het goet tractement dat ick in u Huys ontfangen hebbe. Hy ſeyde my, wanneer ghy in Vlaenderen ſult ſijn, groet van mijnen’t weghen uwe Ouders, ende voornamentlijck u Couſijn tot Duynkercken, want hy heeſt my menighmael goet Bier te drincken gegeven.
Na het vertreck van mijn Patroon gingh [55]ick na het Huys vande voorſz Mahomet Celibi Oiga, ende hem groetende ſeyde ick: Cataborne Moſtafa is na het Leger vertrocken, ende heeft my hier geſonden om te logeren. Waer op Mahomet my ſeyde: Ick ſoude het gheerne doen, maer ick hebbe geen plaets in mijn Huys. Hy ſeyde dat, om dat mijn Cameraet Saldens, wanneer hy by hem logeerde al te familiaer met de Vrou van de voorſz Mahomet geſproken hadde, ſijnde een ſekere oorſake waerom hy jalours daer over hadde geweeſt. Ick badt hem met groote inſtantie, ſegghende dat ick niet en wiſte waer ick gaen ſoude. Eyndelijck was hy te vreden, ende toonde my een kleyn Kamertje boven de Stal: ſijnde die Stal ende dat Kamertje ’t eenemael van het Huys geſepareert.
d’ Eerſte daghen was ick ſeer verwondert dat de Patroneſſe my niet aen en ſprack: Want ſy koſte de Spaenſe ſprake ſeer wel, ende mede Franco, ende de Vrouwen van dat Landt ſoecken ghemenelijck occaſie met de Chriſtenen te diſcoureren. Ick gingh daghelijckx fonteyn water ſoecken voor de Huys-houdinghe, doende het ſelfde ſonder bevel, ende won allenskens de goede gratie van mijn Patroneſſe. ’s Morghens gingh ick met mijn [56]Patroon inde Vleeſch-Halle, van daer ſonde hy my na Huys met het Vleeſch dat hy ghekocht hadde. De Patroneſſe dede my oock Vruchten ende Kruyden voor de Huys-houdinghe koopen: Doen begoſt de Mondt van mijn Patroneſſe ſich te openen, ende met my te kouten ſoo veel ende ſoo meenighmael, dat ick vreeſe hadde dat het mijn Patroon eenighe quellinge in ’t Hooſt ſoude geven. Eenmael ſeyde ſy my onder andere dingen: Chriſten, Godt geve u uwe liberteyt, ick bidde u ſeght my, ſijt ghy arm in u Lant? Ick antwoorde haer: Ick ben een arme Soldaet. Sy repliceerde, ghy meugt ſeggen wat ghy wilt, ghy ſijt nochtans niet ghelijck Gregorio: die was een andere Slaef van het Huys: Hy was geboren van Galicien in Spaignen, ende een Viſſcher in ſijn Lant, ende hy was doen een Thuynman van een Thuyn, mijn Patroon buyten de Stadt toe-komende. Deſe Slaef hadde een bequaem Lichaem om te wercken, ende na ſijn qualiteyt was hy wel genoegh op-gebracht.
Deſe goede Vrouwe dede my alle daegs veele curieuſe vraghen: ſy was langh, ſchoon van aenſicht ende vet, waer in de ſchoonheyt van een Vrouwe, na de opinie van de Africanen, beſtaet. [57]
Alle daeghs, wanneer ick het Peert gevoert, Water gedragen, de Marct-gangh gedaen, ende andere dingen gedaen hadde, vraeghde ick mijn Patroneſſe oorlof na de Miſſe te gaen in de Bain van Alli Pegelin: het welcke ſy my altoos toeſtonde. Aengaende Mahomet Celibi Oiga, hy was een ſeer wel ghemaeckt Man van Lichaem, ſeer wel op-gebracht, ende ſeer ſober in ſijn eten ende drincken; want hy dronck anders niet als Water. Hy was ſeer devoot in ſijn Religie ofte Secte, hy was curieux in nieuwe dinghen van verre Landen te weten ende hooren, hy vraegde my na de maniere van leven vande Spaignaerts ende van de Nederlanders, ende of de Nederlanders Papiſten Chriſten waren, willende met dat Woort te kennen geven Catholijcken, om dat de Catholijcken onder de Paus ſijn. Hy verſtonde eenighſints de Coſmographie, hy vraeghde my waerom de Koningh van Spaignen ſoo machtigh ſijnde, met ſijn macht van het Koninckrijck van Duynkercke, dat is met de Provintien van Nederlant, de Flamencos niet koſte onder-brengen, verſtaende by de Flamencos de Hollanders? Ick verhaelde hem dat die Landen voor deſen aen de Kroone van Spaignen waren geweeſt, maer datſe gerevolteert waren. [58]
Mijn Cameraet Monſieur Caloen was by de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, alwaer hy ſeer qualijck getracteert wierde: want in het Huys ſijnde woonde hy in een Kamer, met tachtigh Ponden Yſer aen ſijn Been, ende ſomwijlen was hy in haer Huys van plaiſier drie uyren buyten de Stadt, alwaer hy niet etens genoegh en kreegh.
De Ouders van Moſtafa Iugles, die ſoo veel Gelts gegeven hadden voor Monſieur Caloen, begonnen te murmureren, om datſe gantſch geen tijdinghe van Moſtafa hoorden, ende ſeyden daerom dat den Koningh van Vranckrijck het Koninckrijck van Duynkercke ghenomen hadde: Ende dreyghden hem ſijn rantſoen te doen betalen, indienſe binnen vier Maenden van hem niet en hoorden, ende alſoo de dingen van de Zee periculeux, ende duyſent fortuynen onderwerpen ſijn, ende mijn Cameraet Saldens doen op de wegh moſte ſijn met de vijf Turcken, taſte my de vreeſe menighmael aen van eenigh ongeluck datter ſoude mogen overkomen.
Maer alſoo Godt de Medicine geeft om de Siecken te geneſen, ſoo gebeurde het wanner ick van melancholie overwonnen was: want mijn Patroneſſe vertrooſte my [59]met goede woorden. Ick hadde ſes maenden in dat Huys gewoont, wanneer ick de eerſte tydinghe van mijn Cameraet Saldens kreegh door een brief van hem gheſchreven uyt Ceuta, waerin hy my adviſeerde dat hy met de vijf Turcken aldaer ghearriveert was, ende dat wy met den eerſten ſouden komen inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez, om de verwiſſelinge te effectueren volghens het accoort tot Argiers met de twee Turcken gemaeckt. Hy ſchreef mede aengaende de 700. ſtucken van achten die de Ouders van Moſtafa pretendeerden van Monſieur Caloen, dat ſijn Vader geſeydt hadde dat hy hem liever ſoude laten berſten op de Galeyen, als die te betalen, maer aen de kant was gheſchreven in Latijn, hæc propter bene ſtare, welcke woorden wy uyt deden, ende gaven de Brief aende Moeder van Moſtafa, op datſe die ſoude laten leſen ende uytlegghen door een van haer Nederlandtſe Slaven, het welcke ſy dede, ende alſoo de Brief alleen mentie maeckte van vijf Turcken, ſonder de ſelfde by hare namen particulierlijck te ſpecificeren, begon deſe Vrouwe te ſegghen dat haer Soon tot Ceuta niet en was, ende dat Monſieur Caloen haer Soon ſoude [60]moeten leveren, ofte datſe hem ſoude verbranden, ofte dat hy ſes duyſent ſtucken van achten voor ſijn rantſoen ſoude betalen. Maer ſy ontfingh op den ſelfden dagh een Brief van haer Soon uyt Ceuta, waer over de Moeder te vrede gheſtelt was, ende wy ſeer blijde, hopende dat ſy volkome ſatisfactie ſoude hebben.