Uitwendig voorkomen der Fans.—Bezoek in hunne dorpen.—Opschik der vrouwen: de Ito.—Wapens; bewerking van het ijzer.—Boog en vergiftigde pijlen.—Vrededansen en krijgsspelen.—Wat er van het kannibalismus is.—De Gorilla.—Olifantjachten.—De Delta van den Ogobaï.—Het opperhoofd van Dambo.—De stam der Galos.—Zandbanken in de rivier.—Vaart naar de heilige eilanden in het Ionanga-meer.—De Aschankolo-bergen en het volk der Aschiras.—Het eiland Arumbe.—Yondogowiro de priesterkoning, en zijne gemalin.—Geestenbezwering.—Het Anengua-meer.—Uitstapje op den Ramboe.
DE PAHUINS OF FANS.
Wij hebben in deze beide opstellen het land aan den Gabon, en de aan de kust en in de nabijheid daarvan wonende volken geschetst. Thans zullen wij onzen arbeid voltooien en onze lezers voeren in het gebied der Fans of Pahuins, die, sedert zij door Paul du Chaillu eenigszins bekend zijn geworden, de algemeene aandacht trekken.
Daarna zullen wij met doctor Griffon du Bellay een tocht op den Ogobaï doen, en hem vergezellen naar het volk der Aschira’s en tot het Ionanga-meer, waarin de heilige eilanden gelegen zijn.
De dorpen der Bakalaïs en die der Pahuins liggen niet ver van elkander. Toen onze reiziger in het jaar 1862 voor het eerst een dorp der laatsten bezocht, hadden de Pahuins eerst sedert korten tijd hunne woonplaats aan een zeer kromme nevenrivier van den Como opgeslagen. Op een heuvel stond, als een voorpost, een eenzame hut; het dorp zelf lag achter geboomte verscholen. De Pahuins zijn zeer oorlogzuchtig, altijd op hunne hoede, en op iederen onverwachten aanval voorbereid. Toen zij den blanken doctor en de beide hem vergezellende zeeofficieren in het oog kregen, trad plotseling een geheele schaar krijgers te voorschijn; zelfs de knapen zwaaiden hunne werpspiesen, en het opperhoofd was met een geheel wapenarsenaal bedekt, dat wil zeggen met assagaaien en lange messen. Deze stevig gebouwde man zal ongeveer een veertig jaren oud geweest zijn; hij had een beenderig gelaat, vooruitstekend voorhoofd, afgeplatte slapen, zeer lange, schrale armen, en was op de borst met allerlei leelijke figuren getatoueerd. Van kleeding geen spoor, uitgenomen een dierenhuid, die het benedenlijf bedekte.
De blanken werden zeer koel ontvangen. De zaak nam echter eene andere wending, nadat de tolk zijne toespraak gehouden had, en er allerlei geschenken werden uitgepakt. Deze Pahuins hadden nooit te voren een Europeaan gezien: maar zij wisten dat er zulke lieden aan de kust woonden, en derhalve was hunne verbazing niet al te groot. Toen er tabak werd uitgedeeld geraakten allen in de beste luim. Terwijl zij grinnikend lachten, kwamen hunne puntig gevijlde tanden te voorschijn, en wie deze wilden op dat oogenblik zag, twijfelde er geen oogenblik aan dat zij kannibalen waren. Het dorp geleek een soort van vesting; de hutten, ongeveer drie honderd in getal, vormden twee gelijkloopende rijen; deze lange straat had aan beide uiteinden versperringen, die goed bewaakt werden. Op het eerste gezicht is men er van overtuigd, dat men met een eigenaardig slag van volk te doen heeft.
De kinderen buitelen vroolijk in het rond en maken allerlei fratsen; zij zien er flink uit op het oog, en schijnen niet onverstandig. Dat verandert zoodra zij den mannelijken leeftijd bereiken, en met het vijftiende jaar komt de type van het ras sterker voor den dag; de molligheid verdwijnt, de jukbeenderen beginnen sterk naar voren te komen, de slapen vallen in, het voorhoofd krijgt dien vooruitstekenden vorm, die alleen bij de Pahuins wordt aangetroffen. Men onderscheidt hen aanstonds van den Mpongwe of eenigen anderen stam aan den Gabon.
Krijgers van den stam der Bakalaïs.
Ook het hoofd der vrouwen is zeer lang, terwijl het voorhoofd vooruitsteekt; zij zitten goed in het vleesch, maar zwaarlijvigheid wordt bij haar niet aangetroffen, iets dat trouwens bij de zwarte bevolking ook slechts zelden voorkomt. Haar gelaat is niet zoo knokig en mager als dat der mannen, hare hand soms verwonderlijk fijn en zacht; zij behangen zich met glazen [153]kralen, en versieren er ook het hoofd mede, zoodat deze haar voor de oogen bengelen; armen en beenen zijn met ringen van gepolijst ijzer en koper getooid. Jonge moeders zetten zich daardoor schoonheid bij, dat zij zich van top tot teen met een zekere roode verf besmeren. Het kind wordt in een met kaurischelpen versierd hangmatje gedragen. Met kleederen bemoeien deze zwarte dames zich niet, want bezwaarlijk kunnen wij de ito daarvoor laten gelden. De ito toch is niet anders dan een stuk ineengevlochten roode bast, dat onder den gordel wordt doorgetrokken en welks einde zich van achteren waaiersgewijs verbreidt, min of meer als de staart van een kalkoenschen haan. Dit bekleedsel is aan den vijgenboom, den emvien, ontleend, welks bladeren ook voor andere huiselijke doeleinden gebezigd worden.
Hoe dichter de Pahuins de europeesche faktorijen naderen, des te meer verliezen zij reeds nu, en wel zeer spoedig, een groot deel van hunne eigenaardigheden. Van nature als geschapen tot jagers en krijgers, hebben zij van de blanken eerst vuurwapenen en daarna katoenen goederen en voorts allerlei snuisterijen aangenomen, waarop alle zwarte volken zoo zeer gesteld zijn.
Wij voegen bij dit opstel eenige photographisch-getrouwe afbeeldingen der Pahuins, die als type van dezen volksstam kunnen aangemerkt worden.
Owountschua. (Vijgeboom) met scherpe ribben.
Hunne wapens zijn karakteristiek. De Pahuin kent de bewerking van het ijzer, hetgeen bij de andere stammen van het Gabongebied lang niet het geval is; hij vervaardigt werpspiesen, groote strijdmessen met zeer scherpe punten en van alleraardigsten vorm, maar die in de handen dezer halve wilden vreeselijk moeten zijn. Korter messen worden tot verschillende doeleinden gebezigd. Ook maakt men dissels en voortreffelijke [154]strijdaxten van een bijzonderen vorm, versierd met een vogelkop, die aan den gebogen steel zit. Du Chaillu zegt, dat dit wapen uit de verte naar de vijanden geslingerd wordt, en verhaalt daarbij dat het te gelijk een soort van offermes is, waarmede men den vijand afmaakt, die daarna met alle mogelijke kalmte en met den meesten smaak verorberd wordt. Een slag met den vogelkop, tegen de slapen aangebracht, veroorzaakt onmiddellijk den dood; met het kromme gedeelte wordt het hoofd afgeslagen.
Hunne klingen zijn goed bewerkt en veel beter dan de meeste sabels en messen, die door den europeeschen handel in Afrika worden binnengevoerd; ook versiert men ze met gegraveerde figuren, ribt ze uit, en menigmaal worden zij zelfs met koper ingelegd. Daarbij legt dit volk dikwijls een recht goeden smaak aan den dag. Hunne smidswerkplaats is nochtans zeer eenvoudig, even als overal in Afrika; alleen is de blaasbalg er sedert langen tijd algemeen bekend.
Het gevaarlijkste wapen van den Pahuin is echter een kleine handboog, waarmede hij zijne sterk vergiftigde pijlen schiet. De behandeling hiervan eischt geen geringe kracht, al laat de pees ook bij een vluchtige aanraking los. Men behandelt dat wapen als een geweer en kan er zeer goed mede mikken. Het vergif doet een verschrikkelijke uitwerking; verscheidene pijlen zijn in Parijs chemisch onderzocht geworden, en het is gebleken dat het gif terstond het bloed bederft. De Pahuins trekken het, als sap, uit een slingerplant, de ineeh of anaye, die tot het geslacht der apocynæën behoort. Overigens behoort deze handboog met vergiftigde pijlen in den regel meer tot het jacht- dan tot het krijgstuig.
De reizigers bezochten een groot aantal hutten der Pahuins en vonden daarin verscheidene voorwerpen, die zij bij de Gabonezen niet hadden aangetroffen. Toen zij een bezoek bij het opperhoofd aflegden, kwamen er te hunner eere muzikanten, die op tamboerins sloegen, en waarbij het geheele dorp begon te dansen. Daarbij sprongen de vrouwen allerzonderlingst met de ito om, die onophoudelijk nu links dan rechts zwierde. Voor het overige was de dans zeer ingetogen, behalve de krijgsdans, waarvan zij tevens een staaltje gaven. Twee strijdbare mannen traden tegen elkander op; zij droegen allerlei wapenen; het hoofd was met vederen getooid; om hun hals hadden zij een snoer van aaneengeregen tijgertanden; over den linkerschouder hing een geweldig groot krijgsmes in een uit slangentanden vervaardigde scheede; om den gordel slingerden zij het vel van een of ander wild dier, en daarin stak een dolk; in de linkerhand hielden zij verschillende werpspiesen, en in de rechter een groot en dik schild, van de huid eens olifants vervaardigd. Aldus toegerust leverden de beide strijders hun spiegelgevecht; zij vlogen op elkander met wijd opengespalkte neusgaten toe, en ook de mond werd zoo wijd mogelijk geopend, opdat de spits gevijlde tanden zichtbaar zouden zijn.
Weder een andere stam zijn de Fans. Alle Europeanen, die in aanraking met Fans zijn gekomen, stellen deze, in spijt van hun woestheid, boven de Gabonezen. Menscheneters zijn zij, dat staat vast: maar Griffon du Bellay is van meening dat du Chaillu deze beschuldiging wel wat overdrijft. Deze zou zelfs in de dorpen menschenbeenderen hebben zien liggen: de fransche officieren nochtans, die toch verschillende plaatsen bezochten, vonden nergens zichtbare sporen van menschenslachting. In de dorpen, die in de nabijheid der europeesche faktorijen gelegen zijn, wordt echter in het geheim menschenvleesch genuttigd: niet uit vrees voor de Franschen, wier invloed thans nog niet ver genoeg reikt, maar wijl zij dezen hartstocht niet aan anderen willen laten merken. Zelfs is het hunnen kinderen niet geoorloofd bij zulk een maal tegenwoordig te zijn. Eene dergelijke achterhoudendheid heeft men ook bij sommige anthropophagen der Zuidzee opgemerkt. Zelfs de ruwste mensch schijnt het te gevoelen hoe afschuwelijk het is, zijn natuurgenoot te verslinden.
De Fans zijn van ver uit het binnenland gekomen; zij zijn zeer geoefende jagers, maar volstrekt ongeschikt om eenig vaartuig te besturen; waaruit schijnt te blijken dat hun oorspronkelijk verblijf wel op een met bosch begroeide hooge vlakte gelegen moet zijn geweest, waar alles behalve overvloed van levensmiddelen was. Natuurlijk was hun dus het denkbeeld van arbeid en akkerbouw geheel en al vreemd. Nog heden ten dage, ook in de nabijheid der kusten, eten zij slangen, insekten, bedorven vleesch; geen afval is hun te slecht, en toen de nood dwong, hebben zij dan ook menschenvleesch gegeten. Datzelfde is ook het geval met de Bakalaïs. Intusschen neemt deze barbaarschheid meer en meer af, naarmate de wilden zich in de buurt der Europeanen nederzetten.
Opmerkelijk bij dezen wilden volksstam is trouwens, dat bloedvergieten bij hen niet met den dood, maar wel met een geldboete gestraft wordt. Ook is de veelwijverij niet zoo sterk bij hen in zwang als bij de Mpongwen. Men treedt er niet zoo vroeg in het huwelijk, en de uitspattingen zijn ook lang zoo erg niet. Voor godsdienst hebben zij het fetischisme.
Tot nog toe hebben zij zich ter nauwernood op het verbouwen van eenige planten toegelegd; veel liever gaan zij in de bosschen op de jacht. In hun gebied treft men den betrekkelijk eerst sedert kort bekend geworden en zoo druk besproken Dginna of Gorilla aan. Eer du Chaillu omtrent dat dier zijne berichten mededeelde, waren echter reeds een jaar of wat vroeger, door eenige fransche geneesheeren en officieren, een paar exemplaren aan den parijschen plantentuin gezonden.
Deze reusachtige aap is ongetwijfeld zoo groot als een volwassen man, en menigmaal nog grooter, maar zijne schouders zijn eens zoo breed en de borst is derhalve geweldig ontwikkeld. De zeer dikke kop zit diep in de schouders, doch de hersens zijn in verhouding bitter klein. Op de hersenpan heeft het dier een hooge kam, waarmede de sterke spieren zijn verbonden, met behulp waarvan hij de kaken beweegt. Deze bezitten een ongeloofelijke kracht. De neus is plat, het voorhoofd wijkt achterwaarts; de hersens zijn, zooals wij reeds hebben opgemerkt, gering en onvolmaakt; daarentegen zijn zijne armen, die tot aan de [155]knieën reiken, zeer sterk; de onderste ledematen zijn te kort, maar nochtans welgevormd; het voorste gedeelte van den voet is niet naar behooren ontwikkeld, zoodat het dier niet lang rechtop kan blijven staan; zijn geheele lichaam is met zwart glad haar begroeid.
De zwarten zijn voor dezen monster-aap zeer bevreesd; in hunne sagen en vertellingen en in hun bijgeloof speelt hij een groote rol. Hij is echter volstrekt geen verscheurend dier, en het schijnt, dat hij eerst dan den mensch aanvalt, als deze zich vijandig tegen hem gedraagt. De jager kan hem van zeer nabij naderen; maar als zijn schot het dier niet op de plaats doodt, is hij onherstelbaar verloren. Het schijnt dat het leven dit schijnbaar zoo forsche lichaam zeer ras verlaat; alle gorilla’s, die Griffon du Bellay gezien heeft, waren aan wonden gestorven, die den dood van een mensch zeker niet ten gevolge zouden gehad hebben. Een eigenaardige vorming van de keelholte is oorzaak dat deze aap zijne stem verschrikkelijk kan uitzetten; het geschreeuw van een jongen gorilla komt volkomen met dat van een kind overeen, en op het eerste gezicht zou men, als hij niet met haar was bezet, zulk een gorillaatje met een jongen neger kunnen verwarren. Het is nooit gelukt zulk een jong dier groot te brengen en tam te maken; en het is bijna onmogelijk een volwassen gorilla levend te vangen.
De olifant dezer streken heeft buitengewoon sterk ontwikkelde tanden. Onze gravure op bladzijde 56, die den zwarten koopman in elpenbeen Wassengo voorstelt, geeft er een proeve van. Van al de verschillende stammen leveren de Pahuins tegenwoordig het meeste ivoor. Vroeger, toen zij voor het eerst aan de Como kwamen, oefenden zij voor rekening der Bakalaïs de jacht uit, die hen dan ook van geweren voorzagen; zij moesten de tanden afleveren, maar mochten het vleesch voor zich behouden. Heden ten dage hebben zij zelven schietgeweren, en behouden den door hen op de jacht gemaakten buit voor zich. De Pahuin is tot in de kleinste bijzonderheden met al het eigenaardige van den olifant bekend, die bij troepen in de bosschen leeft, en zich vrij algemeen in dezelfde streek ophoudt. Men legt een soort van drijfjacht aan, jaagt de dieren op, en regelt alles daarbij zóó behendig, dat zij in een betrekkelijk kleine ruimte bijeen schuilen, die dan met slingerplanten en struiken omringd wordt. Zulk een soort van omrastering kan natuurlijk de olifanten niet tegenhouden, zoodat zij die dan ook gemakkelijk breken; maar zij levert toch een tijdelijke opsluiting van deze dieren op, en te bekwamer tijd grijpt er nu een aanval met lansen en geweren plaats. Soms worden olifanten ook vergiftigd, en ook wel in vallen gevangen, of door middel van een eigenaardig geplaatsten grooten spitsen balk verslagen. Deze balk wordt in het woud aangebracht op zeker punt, dat de olifant op zijne vlucht onvermijdelijk moet aanraken; het hout valt dan naar beneden en verplettert de ruggegraat.
De Franschen schijnen met blijdschap te zien dat de Pahuins de kust al meer en meer naderen. Wat zij echter ten bate huns lands met zulke luie barbaren moeten aanvangen, is ons alles behalve duidelijk. Zij zullen lang geen vredige onderdanen zijn, maar bondgenooten, die slechts met moeite in toom gehouden worden. Doorgaans doen zij zich tamelijk zacht en gastvrij voor, maar hun aard is verre van te vertrouwen en hoogst onstandvastig. En al bezitten zij een zekere geestkracht, gelijk overigens bij de zwarten maar zelden voorkomt, toch blijven zij voor de beschaafder wereld volslagen onbruikbare broeders.
EEN TOCHT OP DEN OGOBAÏ NAAR DE HEILIGE EILANDEN IN HET IONANGA-MEER.
In het jaar 1862 werden de opperhoofden aan kaap Lopez, door verdrag, de onderdanen van Frankrijk. Genoemd voorgebergte ligt tusschen de evenachtslijn en den eersten graad zuiderbreedte, in de delta, die door de verbreeding en het uiteenwijken der mondingen van den Ogobaï gevormd wordt. Die rivier was toenmaals nog slechts zeer weinig bekend. Haar noordelijke delta-arm, Nazaré geheeten, werd toen geheel fransch. De bevelvoerende admiraal wilde er alzoo de vlag van zijn land toonen, de rivier laten onderzoeken, en zoo mogelijk nagaan of tusschen dezen stroom en de nevenstroomen van den Gabon ook eene verbinding bestond. De luitenant ter zee Serval ondernam dezen tocht met den „Pionier”, en Griffon du Bellay vergezelde hem.
Op den 18den Juli, midden in het droge jaargetijde, bereikten zij de Nazaré, die meer dan zes voet gevallen was en nog altijd lager werd; den volgenden morgen zat de Pionier, ongeveer zestig mijlen van den ingang, op een zandbank vast, hoewel reeds in den Ogobaï zelf. De in de moerassige streken langs de oevers sterk voorttelende mangrove-struiken waren hier verdwenen; en daarvoor in de plaats had men den pandarus en de yuka’s, ook oliepalmen en enimbas, kortom den geheelen weelderigen planten-wasdom, gelijk wij dien hierboven geschetst hebben. De rivier was als het ware met eilanden en zandbanken bezaaid, en het gelukte slechts na groote inspanning, den Pionier weder vlot te krijgen. Op ongeveer zestien mijlen afstands lag het dorp Dambo, dat men met het schip bereikte; maar verder kon men het met het vaartuig ook niet brengen: het zou anders tot het volgende regensaizoen stil hebben moeten blijven liggen.
Den reizigers schoot dus niets anders over dan een kano voor hunne verdere tochten te bezigen. Het spreekt echter van zelf, dat zij op deze wijze slechts langzaam vorderden en van de luimen der inboorlingen afhankelijk waren.
Het opperhoofd in Dambo droeg den naam van Ngowa Akaga; hij scheen welwillend gezind en bracht des avonds een bezoek op den „Watanga” d.i. het groote schip der blanken. Zijne verbazing over al wat hij zag was evenwel niet zeer groot, en in zijne loftuitingen was hij dan ook slechts karig, hetgeen trouwens niet zoo kwaad was, omdat de zwarte steeds naar het bezit haakt van wat hij prijst. Hij schonk den reizigers eene zijner grootste prauwen benevens eenige matrozen. Daarmede vingen deze den tocht aan, die drie volle weken duurde, en waarop zij slechts zelden eenige rust genoten. [156]
Gewoonlijk werd ’s morgens vroeg opgebroken, op het heetst van den dag bij eenig dorp aangelegd, ’s avonds weder voortgeroeid en op de eerste de beste plaats overnacht. Aan de oevers waren de bewoners rechts en links in beweging; zij waren zeer nieuwsgierig, en niet minder begeerig naar geschenken. Ieder opperhoofd maakte aanspraak op een bezoek der blanken; veronachtzaming was beleediging. Zonder het te bemerken was men op die wijze het groote dorp Arumbe voorbijgeroeid en rustte iets verder stroomopwaarts uit, toen een half dozijn booten met gewapenden de blanken naderde. Men verlangde van de Europeanen dat zij zouden terugkeeren. Bijna gelijktijdig verscheen eene flotille uit een ander, hoogerop gelegen dorp. In het eerst dreigde deze ontmoeting gevaarlijk te worden; maar toen men den inboorlingen had getracht te beduiden, dat de bezoekers niets vijandigs in den zin hadden, kwam men overeen dat al de tusschenliggende eilanden zouden worden aangedaan, en dat elk dorp, en dus ook Arumbe, de eer zou genieten van een bezoek.
Yondogowiro, koning der heilige eilanden.
De Europeanen bezochten achtereenvolgens Gamby, Atschanka en Iganeh, wier bevolking van de kustbewoners afstamde, die langs den zuidelijken rivierarm meer landwaarts waren opgevaren, terwijl die van Dambo en Arumbe, blijkbaar met de Gabonezen verwant, langs den noordelijken arm, den Nazaré, hunne tegenwoordige woonplaatsen bereikt hadden.
De reizigers bevonden zich thans te midden van den stem der Galos. Deze stam is de voornaamste van den Ogobaï; hij schijnt aan de overige stammen niet verwant te zijn, ofschoon allen nagenoeg dezelfde taal spreken.
Vrouwen en kinderen der Bakalaïs.
Met den landbouw bleek het hier eveneens gelegen als [158]in Gabon, ofschoon er enkele tabaksplanten groeiden, die uit Congo afkomstig waren, maar van wier bladen de inboorlingen het gebruik niet kenden. Overigens is het bebouwen van den grond er eene groote zeldzaamheid; slechts nu en dan wordt hij een weinig omgewoeld en bezaaid. De bevolking kent geen enkel metaal, zelfs het ijzer niet. Zij verkrijgt hare wapenen en werktuigen door tusschenkomst van de kooplieden aan de kust, van de schepen en faktorijen der Europeanen, of van de oostelijk wonende Ascheba’s, die, even als de Fans, de kunst verstaan om het ijzer te smelten en te bewerken.
Op de zandbanken in de nabijheid van den oever ontwaarde men het eigenaardig verschijnsel, dat bijna al deze banken een aantal regelmatige cirkelvormige uithollingen van ongeveer 4 voet middellijn en 1½ voet diepte vertoonden. De meesten lagen boven water en bleken gegraven te worden door den Cendo, een visch met een hoorn op den kop, die hier in groote hoeveelheid gevonden wordt, en hare jongen in deze uithollingen verbergt.
Serval wilde den Ogobaï opvaren tot het punt waar de Okanda zich met den N’guniai vereenigt. Hij hoopte aldaar nieuwe stammen te vinden, b.v. de Eninha’s, die met de rivieren van Gabon in verbinding schenen te staan, en misschien ook de Oscheba’s, die veel overeenkomst met de Fans hebben. De reis werd echter voortdurend moeielijker en het volk steeds begeeriger naar de europeesche voorwerpen, die de kano bevatte. Reeds in Arumbe hadden de negers gedurende den nacht ernstig beraadslaagd, of zij niet met geweld het vaartuig zouden plunderen; zij hadden echter besloten met de inwoners van het groote dorp Bombolie gemeene zaak te maken en met dezen den buit te deelen.
Daardoor kon de tocht onmogelijk verder worden voortgezet; Serval keerde terug, om het meer Eliva of Ionanga te bezoeken, waarvan, de bewoners aan den Ogobaï, namelijk de Galos, zoo vele wonderen verhaald hadden. Dáár in dit meer toch ligt, volgens het volksgeloof, het ware heiligdom hunner godsdienst, en wordt het oog door de zonderlingste verschijnselen getroffen. Door de wolken zeilen de groote vaartuigen der blanken, die kaap Lopez voorbij varen. Daar wonen machtige, beschermende geesten, en het vaartuig van den niet ingewijde, die de heilige eilanden roekeloos wil naderen, slaat daar onvermijdelijk om, terwijl de schepelingen hun graf in de golven vinden. Ook de blanke reizigers ontkomen dat lot niet; integendeel, de kleur van hun huid vergroot het gevaar voor hen. Dergelijke overleveringen, waaraan zich tallooze verhalen van allerlei wondervolle ontmoetingen verbinden, leven onverzwakt in de verbeelding der inboorlingen voort.
Het meer Eliva heeft dan ook iets eerbiedwekkends en sombers, en biedt een onbeschrijfelijk schouwspel aan. Aan den omtrek worden, door ver vooruitspringende landtongen, groote bochten gevormd, terwijl elke bocht aanhoudend van de daaraangelegen bergen een stroom water ontvangt. Deze bergstroomen zijn allen vrij beduidend. In het droge saizoen zelfs heeft het meer van 12 tot 18 voet diepte en is het water zuiver en doorschijnend als kristal. Aan de oostzijde van het meer is de oever vlak; de grond rijst echter spoedig, en het oog stuit weldra tegen de Aschankolo-bergen, wier reeks zich alleen een oogenblik splijt om aan de trotsche rivier den Ogobaï een doortocht te verleenen.
Het geboomte aan de oevers is buitengewoon prachtig. De obasboomen zijn voortreffelijk en de caoutchouc-lianen worden hier in groote menigte aangetroffen; de palm is echter eene zeldzaamheid. De zoom van het meer is met gras begroeid; dicht aan het water staat de nederige hemerocallis met hare witte bloemen. Riet, biezen of andere waterplanten, die een stilstaand water of een drassigen bodem kenmerken, vindt men hier niet.
De landstreek waarin het meer gelegen is, is waarschijnlijk zeer gezond. Zij is echter slechts voor een klein gedeelte bewoond, en wel door de Galos, terwijl aan gene zijde van de Aschankolo-bergen de Aschira’s wonen. Onze reizigers ontmoetten op hunnen tocht twee inboorlingen tot dien stam behoorende; hun voorhoofd was smal en sterk achterwaarts gebogen, en hun gelaat, met vooruitstekende wangbeenderen, miste ten eenemale alle verstandige uitdrukking. De voornaamste bezigheid dezer lieden bestaat in het vervaardigen der fijne, zachte matten, die in den handel onder den naam van matten van Loango of Loanda bekend zijn.
In de bosschen op de hellingen der Aschankolo-bergen wonen de reeds vroeger vermelde Bakalaïs. Deze stam is zeer oorlogzuchtig, verschaft aan de slavenhandelaars vele Aschira’s, en laat de bewoners van de rivieroevers slechts met vrede, omdat hij hen als tusschenpersonen voor het verkeer met de kust noodig heeft. Hij is over twee dorpen verspreid.
Op Asinghibuiri, dat door de Galos bewoond wordt, werden de Europeanen zeer goed ontvangen. Zelfs had de koning zich zoo fraai mogelijk opgeschikt. Hij droeg een voorschoot van boomwol, dat alles behalve zindelijk kon genoemd worden, en een overouden, versleten witten hoed van europeeschen oorsprong.
Het eiland Arumbe is het middenpunt van de godsdienst der Galos en met een bijzonder voorrecht bedeeld. Op dat eiland worden namelijk de fetisch-priesters voor het geheele volk opgevoed en gevormd, en bevindt zich het seminarium, waar de geestelijken worden voorbereid. Niettegenstaande de heilige afzondering, die hier in acht wordt genomen, werden onze reizigers onmiddellijk nadat zij geland waren door een tiental knapen van het seminarium ontvangen. Deze knapen hadden een intelligent uiterlijk, maar waren op vreemdsoortige wijze opgeschikt. Zij droegen een voorschoot, dat veel overeenkomst had met dat der Bakalaïs, en dat boven de heupen door middel van een gordel van witte paarlen bevestigd was. Ook droegen zij versierselen van paarlen en roode chenille, en van den omgeslagen bovenrand hingen trossen blauwe glaspaarlen af; aan de armen en beenen hadden zij zich opgeschikt met ringen van geel koper. Deze kleeding wordt door den jeugdigen fetisch-leviet tot zijn zeventiende of achttiende jaar gedragen; op dien leeftijd [159]wordt bij in de geheimen van de godsdienst ingewijd en „ziet hij den Fetisch”. Tot dien tijd is het plicht, zich van allen omgang met vrouwen te onthouden, maar zoodra hij priester is geworden, verlaat hij het heilige eiland en verkeert hij in de wereld, zoo als ieder ander.
De reizigers kregen twee aanstaande fetisch-priesters als geleiders naar het dorp Arumbe mede, waar de koning het bezoek der vreemdelingen reeds met ongeduld verwachtte. Z.M. pronkte met zijne fraaiste galakleeding, die op onze plaat getrouw is teruggegeven. De hemel weet, van waar hij de uniformstukken bekomen had, die hem als lappen om het lijf gesmeten waren. Epauletten van gele wol met spinazie-groene randen; koperen knoopen prijkende met drie over elkander gekruiste kanonnen met het omschrift: Ubigne, waren de schitterende versierselen van eene reeds vóór verscheidene jaren afgedankte korporaalsuniform, die het bovenste gedeelte van het lichaam des konings bedekte. Dergelijke potsierlijke kleeding wordt des te ergerlijker, wanneer men bedenkt, dat Yondogowiro niet alleen koning, maar tevens een soort van paus of minstens aartsbisschop in die landen is. Hij is dus niet alleen het burgerlijk, maar ook het geestelijk hoofd. Een tweede opperpriester, die op het gebied van de godsdienst het gezag met den koning deelt, woont in een dorp aan den Ogobaï en komt slechts zelden te Arumbe. Beiden behooren tot de voornaamste priesterfamiliën. Zij verdragen elkander zeer vreedzaam; want Yondogowiro heeft eene bijzit van den opperfetischpriester tot vrouw genomen, terwijl deze laatste eene dochter van den koning tot zijne voornaamste vrouw nam. De positie van deze beide aanzienlijke dames is echter zeer nauwkeurig afgebakend. Hare eigenaardige hoofdtooisels, waardoor zij zich van de Gabonezinnen geheel en al onderscheiden, maken hare bijzondere merkwaardigheid uit.
De koning en de koningin waren zoo beleefd om de Europeanen naar de heilige eilanden te vergezellen, en in weerwil van de booze voorspellingen die wij zoo straks vermeldden, liep alles zonder ongeluk af. De vaart was zoo aangenaam als bij 39 tot 40 graden en met een bewolkten hemel slechts mogelijk is.
De beide heilige eilanden prijkten met het weelderigste groen en werden op schilderachtige wijze in het kristalzuivere water weerkaatst. Zij bleken een waar paradijs voor de tallooze vogels, die daar ongestoord kunnen nestelen. Op de rots bleef de groote ibis rustig staan, terwijl de kano slechts op een afstand van een paar ellen voorbij hem henengleed. De geelachtig witte gier, de duiker en de pelikaan bekommerden zich evenmin om de menschen. Alles had iets onbeschrijfelijks rustigs, en van de geheimzinnige geesten was geen enkel spoor te ontdekken. Sommige inboorlingen hadden het nochtans geraden geoordeeld, liever te Arumbe achter te blijven; anderen evenwel hadden hunne vrees voor gevaar overwonnen, want Yondogowiro, de groote fetisch-priester vergezelde de reizigers—en deze toch bezat de macht om de geesten te bezweren en hen binnen de grenzen te houden.
De kleine oude man met zijne kanonniersuniform, wier hooge kraag hem boven de ooren uitstak en waarvan de mouwen hem veel te kort waren, stond dan ook, toen men de eilanden naderde, gebiedend op en strekte zijne beide armen naar de pelikanen uit, die op deze wijze eene godsdienstige hulde ontvingen. In zijne linkerhand hield hij de schel, het symbool zijner priesterlijke macht en waardigheid, terwijl hij met de andere een stuk brood verkruimelde en onder het aanspreken van de geesten de kleine stukjes in het water wierp:—„Hier zijn blanken; zij komen tot u, om u te zien. Maakt hen niet ziek, want zij brengen u geschenken. Laat hen niet sterven, maar gezond naar Gabon terugkeeren!”
Dit eenvoudige gebed scheen oprecht gemeend te zijn, en had zelfs iets innig hartelijks. Nadat voorts de broodkruimels verstrooid waren, vulde Yondogowiro zijn mond met atugu, d.i. met brandewijn, en spoot dien na verloop van eenige oogenblikken weder den mond uit. Deze plechtigheid werd verscheiden malen herhaald, terwijl de koningin op den bodem van het vaartuig gemoedelijk een pijp zat te rooken.
De blanken mochten echter de heilige eilanden zelve niet betreden; dit voorrecht komt uitsluitend den fetischpriester toe. Zij voeren er in de kano slechts om heen en bereikten daarna den ingang van een kanaal, waardoor de Ionanga met het meertje Eliva Uidanga in verbinding staat. Zoodra zij evenwel dit kanaal waren binnengevaren, ontdekten zij werkelijk iets van de aangekondigde wonderteekens, die trouwens volgens het beweren van de inboorlingen zich slechts in den regentijd vertoonen. De sage bleek dus niet geheel en al uit de lucht gegrepen. Wanneer men, namelijk, zich gedurende den regentijd, kort na zonsopgang, aan den ingang van het kanaal met het gelaat naar het westen plaatst, bespeurt men in de wolken witte gedaanten. Deze verschijnselen worden door de inboorlingen voor schepen gehouden, die kaap Lopez voorbij zeilen. Het volksgeloof beweert dan duidelijk te kunnen onderscheiden, hoe die vaartuigen manœuvreeren, hunne zeilen losmaken en hun geschut afvuren. Het geheele verschijnsel verdwijnt echter spoedig, en wordt misschien alleen veroorzaakt door eene eigenaardige luchtspiegeling. Maar in elk geval is het een gezicht, dat de bewoners met onverzwakten eerbied blijft vervullen.
Het uitstapje naar de heilige eilanden loonde de moeite in alle opzichten. Na hun terugkeer namen de reizigers afscheid van hunne gastvrije vrienden, zakten den Ogobaï weder af en bezochten nog een meertje, Nioge genaamd, waarvan het dorp Aranga Uiri niet ver verwijderd is. Tot daar wonen de Galos, maar worden vervolgens vervangen door verschillende stammen, die allen met de kust in onmiddellijke verbinding staan. Langzamerhand vertoonde zich ook het riet weder langs de oevers en werd de rivier ondieper.
De inwoners van Arumbe schenen, niettegenstaande hunne schijnbare vriendelijkheid, overeengekomen te zijn de blanken zooveel mogelijk af te zetten, en namen op den terugtocht zelfs een dreigend aanzien aan. De reizigers oordeelden het daarom meer geraden des nachts Arumbe voorbij te varen, zoodat zij bij zonsopgang [160]reeds den Banda of Bango bereikten. Deze rivierarm voert als linker zijtak het water van den Ogobaï naar zee, en vormt de zuidelijke grens van de daardoor gevormde delta.
Eenige uren later legde de boot voor het dorp van den vriendschappelijk gezinden koning van Dambo, N’Gawa Akaga, aan. Deze ontving de blanken met ongeveinsde vreugde, en had de reizigers gaarne gastvrijheid betoond. Maar de tijd gedoogde niet van deze beleefdheid gebruik te maken, en de Europeanen vervolgden dus hun weg, voeren den Asin Tongo, eene nevenrivier van den Ogobaï, op, en bereikten door een nauw kanaal weder den Bango. Zij hadden vernomen, dat deze stroom verscheidene verbindingen met het Anengua-meer heeft, en inderdaad ontdekten zij ook een dezer verbindingskanalen in het riviertje Guaibuiri.
In den Bango wemelde het van nijlpaarden, die ook in den Ogobaï, hoewel in kleiner aantal, gevonden worden. Op den oever bemerkte men overal hunne sporen. Tot dusver hadden de reizigers deze gedrochten slechts bij enkele paren aangetroffen, maar hier staken hunne ruggen en koppen bij geheele massa’s boven het water uit. Bij het minste gedruisch doken zij echter geheel onder. Bij elk schot stoven zij uit elkander, om even spoedig weder te verschijnen.
Krijgslieden van den stam der Pahuins.
Van Guaibuiri uit wilde men beproeven met de boot het Anengua-meer te bereiken, maar daar het kanaal in een modderpoel uitliep, zagen de reizigers zich genoodzaakt terug te keeren. Den volgenden dag beproefden zij nogmaals hetzelfde met een lichten kano. Zoodra zij het roeien moesten staken, stapten zij aan den oever en waren zij verplicht drie uren door [161]den modder te waden en den kano achter zich te sleepen. Op deze wijze gelukte het hun het Anengua-meer te bereiken, dat eigenlijk niets anders is dan een zeer uitgestrekte poel vol visch, en een paradijs voor de krokodillen. Het land, dat zuidwaarts van het meer gelegen is, is over het algemeen bergachtig. Aan den voet dier bergen liggen eenige weinige dorpen, waarvan de inwoners reeds sedert geruimen tijd met de faktorijen te Fernand Vaz betrekkingen hebben aangeknoopt, en aan wie zij olifantstanden, palmolie en caoutchouc verkoopen.
De tocht naar dit meer was bij de drukkende hitte en volkomen windstilte buitengewoon vermoeiend. De reizigers verlieten dan ook zonder morren het naargeestige moeras, dat weldra ondoordringbaar zijn zal, indien de mensch dit uitgestrekte waterveld aan den allesoverheerschenden plantengroei overlaat. De verbeeldingskracht van du Chaillu ging wel wat verre toen hij voorspelde, dat het Anengua-meer eenmaal kolossale hoeveelheden riet in den handel brengen en door stoombooten bevaren zou worden!
Een jonge fetisch priester van het Ionanga-meer.
Hiermede nam de reis van Griffon du Bellay en Serval een einde. Eenige maanden later deden zij echter nog een uitstapje, waarvan wij nog met een enkel woord willen gewagen. Zij wilden namelijk de waterwegen nasporen, die de rivier Ramboe met den boven-Ogobaï in verbinding stellen. Hun weg leidde door prachtige wouden, waarin meer gorillas en olifanten dan menschen wonen. Hij was vijf-en-twintig mijlen lang en bracht hen op allerlei moeielijke paden, maar de hutten, die zij hier en daar ontmoetten, bewezen hun, dat hier toch een onafgebroken handelsverkeer tusschen beide rivieren plaats had; en ongetwijfeld zou die stroom dus de gemeenschap tusschen het [162]etablissement te Gabon kunnen bevorderen. Griffon du Bellay, die nog aan de gevolgen eener ziekte leed, werd wederom door de koorts aangetast en derhalve belet tot den Ogobaï door te dringen. Serval was echter gelukkiger, daar hij, den stroom op, een punt bereikte, dat niet ver verwijderd was van de plaats, die de reizigers op hun bovenvermelden tocht hadden aangedaan. De rivier heeft daar eene breedte van meer dan 3000 voet; onbekend is het echter waar zij ontspringt.
Een blik op de nieuwste kaarten van Afrika toont ons aan, dat in het westelijk gedeelte tusschen 7° NB en 4° ZB een geheel onbekend binnenland ligt. Naar welke zijde voeren de genoemde rivieren haar water af? Niet naar den Tsad, want wij weten uit de berichten van Barth en Vogel, dat deze boven 7° NB geene nevenrivieren heeft. Misschien zuidwaarts naar Congo. Maar ook voor deze onderstelling ontbreken ons de bewijzen. Griffon du Bellay houdt het voor waarschijnlijk, dat ook in West-Afrika, even als op het oostelijk gedeelte van den aardbol, groote binnenmeren gelegen zijn. Is de Ogobaï nu de eenige groote stroom, die als afvoerkanaal van deze meren dient? Het valt moeielijk dit te weten te komen. Hoe het ook zij, het zou voorzeker de moeite beloonen, daaromtrent nieuwe nasporingen te doen, te meer, daar van geheel het binnenland nog zoo uiterst weinig bekend is.
Met betrekking tot het landschap Gabon vraagt onze berichtgever: „Wat zou Frankrijk, of eenige andere mogendheid die hier een kolonie zou willen vestigen, aan een land hebben, dat geen enkel degelijk handelsartikel oplevert? Het weinige ebbenhout, elpenbeen en kleurstofhout is voorzeker van luttel belang, en meer wordt er niet gevonden. Van het bouwen van boomwol kan hier evenmin sprake zijn, omdat de neger niet arbeiden wil en de Europeaan in zulk een klimaat niet arbeiden kan. Misschien zou het aanplanten van oliegevende boomen goede vruchten opleveren, en mogelijk zouden de inboorlingen daarvan eenige kennis bezitten. Maar de neger heeft slechts één wensch: d.i. alle jaren te oogsten, zonder gezaaid of gepoot te hebben!”
En toch is er misschien geen land rijker aan niet geëxploiteerde olieachtige voortbrengselen. Van de kraak-amandel des oba’s, een fraaie inlandsche mangoboom, verkrijgt men den dika, waarvan zoowel de smaak als de geur aan den chocolade herinneren. Dit is een alleropmerkenswaardigst voortbrengsel, door den heer Aubry le Comte het eerst bekend gemaakt. Twee boomen van het geslacht der sapotacaeën, de djave en de noungari, leveren, de eerste een min of meer dikke olie, de andere een zeer stevig en volmaakt blank vet op. Een zeer hoog opschietende boom, de m’pôga, brengt uitmuntende olie voort, maar deze is niet gemakkelijk te verkrijgen wegens de harde vrucht waar zij in schuilt. De owala, een peulvruchtdragende struik, geeft geweldig groote zaden, die vol olie en eetbaar zijn. Voegt men bij deze tamelijk onvolledige lijst den oliepalmboom, die niet zeer overvloedig voorkomt, en de arachis, waarvan reeds vroeger is gewaagd,—dan ziet men hoe rijk dit land aan vetstof bevattende planten is, en welke hulpbronnen de inwoners er zouden kunnen vinden, indien zij zich de moeite wilden geven, niet om ze aan te kweeken, dat is bijna overbodig, maar alleen de nuttige soorten te vermenigvuldigen en te groepeeren.
Wij willen hier nog gewagen van een aantal op Gabon voortgebrachte en elders weinig gebezigde planten, die allerfijnst van smaak zijn. In de eerste plaats komt de maketa, een goudgele gember van uitmuntende kwaliteit in aanmerking; vervolgens de yangue-bere, de enone en verscheidene andere tot deze cardamomsoort behoorende planten, wier specerijachtige zaden in den handel onder den naam van guinesche peper, paradijszaad enz. bekend zijn, en vaak in Europa voor keuken- of geneeskundig gebruik gebezigd worden. Een boom van het geslacht der anonacaeën, de ogama, brengt peulen voort, die vrij grof van smaak zijn.
De muskaatnootboom bestaat, geloof ik, in dit land niet; toch vindt men er twee soorten, den combo en de niohue, wier noot zeer olierijk maar zonder geur is. De vanilleplant is er zeer overvloedig, maar de vanille niet. Dikwijls, zoo zegt onze berichtgever, heb ik deze orchidaeën aangetroffen, zonder ooit de vrucht gezien te hebben.
De vrouwen, die de bladeren als toiletartikel gebruiken, kennen de peul noch den geur dezer plant. Het is dus waarschijnlijk, dat de natuurlijke vruchtbaarheid en de ontwikkeling van de bloem en vrucht dezer plant hier nog zeldzamer zijn dan de in Amerika voorkomende soorten. Al deze voortbrengselen worden den Gabonees door de bosschen geleverd, in wier midden zijn gronden gelegen zijn. Ook zijn zijne bosschen rijk aan hout, dat voor den scheepsbouw geschikt is.
Allerbekoorlijkst is het rijke groen, waarmede dit land onophoudelijk is bedekt. De weinig buitengewone dierenwereld is voor den onderzoeker lang zoo bevredigend niet. De menschen zelven hebben weinig dat de belangstelling van den vreemdeling boeit; bij nauwkeuriger kennismaking wekken zij bijna niets anders dan onverschilligheid. Alleen de natuur, zoo geheel van de europeesche en bij iederen tred van zich zelve verschillend, levert een inderdaad indrukwekkend schouwspel op voor de oogen, die zoowel het stille als het trotsche, de wildernis als den plantenrijkdom weten te waardeeren, en die ook daarin willen lezen de majesteit van Hem, die in alle oorden der wereld de pracht en de weelde strooit zijner onuitputtelijke volheid.