De Boulous en de Bakalaïs.—Leven der dieren; slangen en mieren.
Wij laten nog eenige opmerkingen omtrent de volken aan den Gabon volgen. Hier, aan deze wijde golf, werd het verdere doordringen der Boulous of Schekianis gestuit. Zij zijn eens machtig geweest (natuurlijk volgens afrikaansche begrippen en verhoudingen), en worden nog heden ten dage door de Mpongwen tegelijk gevreesd en veracht. Want dezen, die in rechtstreeksche gemeenschap met de Europeanen staan, zijn daar trotsch op, en de Boulou, de man der wouden, gaat bij hen voor een wilde door, met wien zij ongaarne iets te maken hebben, en uit wiens stam zij slechts dan eene vrouw nemen, als daar namelijk groot voordeel door te behalen is.
De Boulou is zwarter dan de Mpongwe; zijne huid is op het gevoel kleiachtig en ruw, zijne kaken steken ver vooruit, en uit zijne gelaatstrekken spreekt zeer vaak een groote domheid; met één woord hij is uitermate leelijk. Gaarne zwerft hij van de eene naar de andere plek; hij heeft slechts weinig huisraad, bekommert zich om het bewerken van het veld bitter weinig, en kan zonder bezwaar van woonplaats veranderen; hij is landlooper en dief, en woont in kleine hutten, die hoogst ongeriefelijk en zoo smerig zijn als de bewoner zelf. De Mpongwe legt zich nog een beetje op den landbouw toe, en de zee levert hem visch; in weerwil daarvan heeft hij dikwijls gebrek: de nog tragere Boulou behelpt zich met wat het bosch hem verschaft. Griffon du Bellay verhaalt, dat de Boulou olie voor zijne spijzen wint, door in een ketel een groote hoeveelheid zwartkoppige mieren te werpen; deze zijn blauwachtig van kleur, en uit haar kookt men een olie, die zeer helder van tint, opaalgeel [150]en ook niet onaangenaam van smaak is. Onze zegsman heeft die geproefd, maar voordat hij wist hoe men die verkregen had.
De op zich zelven in de diepe bosschen rondzwervende Boulous hebben in de oogen der andere zwarten iets geheimzinnigs. Zij zijn artsen en toovenaars en groote fetischvereerders.
De Bakalaïs (Bakele) of Akalaïs wonen aan de oevers der rivieren, achter de Boufous; de vaart derwaarts is onaangenaam, wijl men, van de faktorijen uit, in de eerste plaats den breeden zoom van alluviaal slib—de streek, wier zout en zoet water in elkander vloeien,—doortrekken moet. Daar groeien heinde en verre slechts mangrovestruiken, met hunne millioenen wortels, die, als het eb is, bloot liggen; zij vormen langs de rivieren ondoordringbare muren, die allervreeselijkst eentonig zijn. Op zijn best ziet men daar een vogel; slechts nu en dan klinkt hier het geschreeuw van een papegaai, of haalt een duikervogel een visch uit het water op. De natuur schijnt stil te staan, en het klimaat is volslagen moordend, behalve voor krabben en dergelijke ondieren. Zoodra de ebbe invalt, ontwikkelt zich zwavelwaterstofgas in groote hoeveelheid uit dezen akeligen moerassigen grond, bobbelt als zeepbellen op, en verspreidt een ondragelijken stank. In den nacht is de met peststof bezwangerde lucht vochtig koud en doet den mensch huiveren, terwijl tegelijkertijd millioenen muggen in het rond zweven en bloed zuigen. Hier wordt zelfs de zwarte inboorling een prooi van de koorts.
Dieper landwaarts in erlangt de grond een ander voorkomen, en de gezichteinder verbreedt zich. De Agirigi (Avicennia tomentosa) vormt als het ware een overgang van de mangrove tot den gewonen plantengroei. Terstond daarop volgen de enimba’s. Deze groote palmboomen leveren een zeer droge en geringe hoeveelheid olie bevattende vrucht op; van dezen bouwen de Bakalaïs hunne hutten, want de takken van de enimba zijn tusschen de twintig voet lang, dik, smal, aan den eenen kant glad, volkomen recht, en zoo heeft de Bakalaï de fraaiste planken, die de natuur zonder iets meer schenkt; hij behoeft slechts de bladeren af te plukken, en deze leveren dan een voortreffelijk dak op.
Van het bouwen eener hut kan eigenlijk in het geheel geen spraak zijn; want bij het opslaan daarvan heeft men geen spijker of hamer noodig, maar men hecht het eene stuk aan het andere met behulp van een slingerplant, de ojono. De reiziger vindt de eerste dorpen der Bakalaïs in de streek dezer enimba’s. De bladen van dezen boom, benevens wat ebbenhout en sandelhout, zijn de eenige handelsartikelen en worden aan de Gabonezen verkocht. De Bakalaïs zijn gering in aantal, en als het ware de voorhoede van een in het verder voortdringen gestuiten stam, die aan den Ogobaï woont.
Tegenwoordig trekken zij zich terug, omdat de Pahuins (Fans) zich tusschen hen indringen. Zij zijn even leelijk als de Boulous, even groote vagebonden en dieven, maar niet zoo geweldig lui, want zij vlechten alleraardigste matten.
Voor een jager leveren de bosschen dezer streek geen grooten begeerlijken buit op. Men vindt zes soorten van antilopen, van de kleine en uitermate fraaie af, die niet grooter zijn dan een haas, tot aan den wit-gestreepten bango toe, die de grootte van een damhert heeft. Op de heuvelen in den achtergrond van de groote Gabon-bocht vertoont zich hier en daar de niare, de wilde buffel, en dikwijls ook de ever met wit voorhoofd, waarvan du Bellay een tam exemplaar gezien heeft. De met wratten bedekte snuit, de met lange borstelen omzette oogen, de lange ooren, aan wier punt een lange haarbos hangt, dit alles geeft aan dat dier een allervreemdst voorkomen. Hierbij komt nog een luiaard (Perodicticus Poto) die daar te lande ekanda heet; deze is echter zeer moeielijk te vangen en komt zelden in europeesche verzamelingen voor. Voorts heeft men er pangolinen, civetkatten, ratten, mierenleeuwen, apen, panters, en nog eenige andere. Olifanten en gorilla’s vindt men nu slechts in de afgelegen wouden der Pahuins; de panter komt zeer weinig voor en valt slechts zelden menschen aan, al sluipt hij hen ook na. De talrijke slangen zijn allen giftig, uitgezonderd de groote boa-python. Zij naderen tot bij de hutten om de hoenders weg te kapen, en zitten de ratten tot op de daken na. Het merkwaardigst is de echinda gabonica, een groote adder met korte hoornen en zonder staart; dit dier bereikt een lengte van meer dan zes voet; zijne prachtige schubben vormen groote, aller sierlijkste ruiten.
Een ware plaag zijn de mieren. Sommige hunner zijn vreeselijk klein en kunnen zich in de kieren van een tafel verbergen; anderen hebben grooter omvang, en de roode soort wordt zelfs voor de dieren des wouds gevaarlijk. Men telt tot bij de twintig soorten. Een aantal hunner dringt in de huizen, de hutten en de schepen binnen, waar men ze in zooverre niet ongaarne ziet, daar zij veel ongedierte verdelgen. Anderen zijn meer dan lastig. In de bosschen vindt men een groote soort, geel van kleur, die haar nest op de boomen maakt, terwijl zij de eindbladeren der takken met groote inspanning door hare webben aan elkander verbindt en daarvan lange zakken maakt. Zulke nesten treft men bij duizenden aan. Deze dieren zijn ongemeen dapper. De groote roode mier trekt in geregelde kolommen zeer goed geordend voort. Een gedeelte vormt twee gesloten rijen, en wel zoo dat deze mieren de een aan de andere sluiten. Wanneer men met een stok in de kolonne steekt, kan men een geheelen klomp opheffen, zoo stevig houden zij elkander vast. Het leger vormt twee lange dichte muren; in de daartusschen aanwezige ruimte wemelt het dan van anderen, die allen voeder of larven dragen. Tusschen deze arbeidsters ziet men in alle richtingen mannetjes trekken, beesten met dikke koppen, die geen last dragen, maar als officieren het geheel in orde houden, met hunne sterke haken politie uitoefenen en voor de veiligheid van allen zorgen. Buiten den levenden muur gaan zij op kondschap uit, brengen vluchtelingen of achterblijvers op, en bieden ieder die hen aanvalt tegenstand. [151]Maar bezwaarlijk zal mensch of dier een aanval op hen ondernemen, daar zij terecht zeer gevreesd zijn.
Ook met betrekking tot de mieren heeft de neger zijn bijgeloof. Du Bellay trad met een opperhoofd het bosch binnen, toen juist een zwervende troep mieren voorbij trok; de zwarte bleef staan, brak een blad van den naastbijzijnden boom, legde het voorzichtig weg en deed een stap zijwaarts. Op de vraag waarom hij dit deed, antwoordde hij: „mijne vrouw is op het punt van te bevallen, en nu zal haar niets kwaads daarbij overkomen.” Toen de Europeaan daarom lachte, werd de Afrikaan korzelig en zeide: „gij blanken behoeft voor de mieren niet bang te zijn, want gij brengt uwe vrouwen hier niet mede.”
Menigmalen overvalt zulk een mierenleger een hut, en verdelgt al wat leven heeft: kakkerlakken, schorpioenen, duizendpooten, ongedierte van allerlei aard. Verwonderlijk snel maakt het alles kort en klein, maar ontziet echter al wat tot het plantenrijk behoort. De felste vijand der mieren is de termite (een nog grooter mierensoort), en dat is een geluk; want indien beiden gemeene zaak tegen een dorp maakten, zou er bitter weinig van overblijven. Onder de verschillende termiten richten eenigen grootere verwoestingen aan. Bekend is het dat een aantal dezer dieren groote heuvels opwerpen, waarbij, vergelijkenderwijs, de egyptische pyramiden toch vrij nietig zijn. Er bestaat een soort, die in de takken der boomen groote kogelvormige nesten uit hout en aarde bouwt; terwijl weder een andere op den platten grond anderhalf voet hooge cylinders opgericht, die allen een uitgerand kapiteel hebben. Deze termitenheuvels hebben het voorkomen van een geweldig grooten champignon en zijn binnenin van een aantal cellen voorzien.
In een volgend hoofdstuk zullen wij de menschenetende Pahuins schetsen, die, zonder tegenspraak, onder de volken aan den Gabon de belangrijkste zijn.