Het was Jonker Willem Van Arkel bovenal te doen, om zich van Gorcum meester te maken. Dit kon evenwel niet door middel van een openbaren oorlog geschieden, want de stad was van een Hollandsche bezetting voorzien en al de toegangen versterkt door gewapende mannen, die van poort tot poort, zoowel binnen als buiten de vest en de grachten, de wacht hielden. Ook zou het niet mogelijk geweest zijn, met een groot leger tot Gorcum door te dringen, daar Utrecht vijandig gezind was tegen de Van Arkels en de stad van den waterkant moeilijk te naderen was. Er moesten dus andere maatregelen genomen worden, en wel om de stad bij verrassing te overrompelen. De eerste maal, toen jonker Willem dit beproefde, was het ongelukkig afgeloopen, en, door de ondervinding geleerd, wilde hij het thans op een andere wijs beproeven, vooral daar hij zich verzekerd had van de hulp van eenige getrouwe vrienden, die te Gorcum achtergebleven waren of in de nabijheid der stad op de omliggende dorpen en hoeven vertoefden.
Op ongeveer een half uur van de stad, en wel ten noordwesten, lag een eenzame hoeve, die tot de bezittingen der heerlijkheid Van Arkel behoorde. De hoeve was thans ledig en verlaten, daar de bewoners gevlucht en wijd en zijd verspreid waren. Toch zou haar ruimte eerlang weer worden gevuld en ingenomen, niet door vreedzame landbouwers noch door vee, maar door personen, die niet gewoon waren een stal tot hun verblijf of een schuur tot hun woning te kiezen.
Gedurende drie dagen en nachten had het aanhoudend geregend, en dit onaangename weder was vergezeld van storm en hevige windvlagen, zoodat de landlieden, die in de maand September 1407 nog de laatste overblijfselen van den oogst en de karige veldvruchten van het veld bijeen wilden verzamelen, niet bij machte waren dit naar eisch te verrichten. Ook zag er de lucht nog niet naar uit, dat er spoedig een verandering ten goede zou komen, want onophoudelijk dreven de donkere wolken langs het zwerk en ontlastten zich over velden en akkers, zoodat de vest en stadsgrachten tot overloopens toe gevuld waren. Onaangenaam was dit ruwe, woeste weder niet alleen voor de landlieden, maar ook voor de krijgers, die op zekere afstanden tusschen of nabij de poorten der stad, in kleine torens de wachtposten betrokken hadden, daar zij op hun hoede moesten zijn tegen den een of anderen naderenden vijand. Geen maan of ster flikkerde aan ’s hemels trans, en het was des nachts zóó donker, dat de schildwachten, zelfs op slechts eenige passen afstands, elkander niet konden zien. Niemand, die niet volstrekt buiten moest zijn, gaf dan ook de voorkeur aan het zitten buitenshuis, en zelfs eenige ruwe krijgslieden, meenende; dat er geen gevaar op handen was, zochten liever een schuilplaats in een der torens, dan zich ten bate van den Hollandschen graaf te laten natregenen.
Bij bovengenoemde hoeve zou men, zoo de duisternis van den nacht het niet verhinderd had, kunnen gezien hebben, dat van tijd tot tijd eenige mannen binnen haar wanden slopen. Van alle kanten drongen zij huis, schuur en stal in, zoodat de hoeve ten laatste bijna eivol werd. Toch hoorde men daar buiten geen geruisch, geen woord, wat trouwens ook onmogelijk was, daar de wind voortdurend langs de muren gierde en de toppen der peppelboomen deed zwiepen. Zoover de donkerheid het toeliet te zien, kon men vijf—zes mannen opmerken, die zich aan den ingang der deur geplaatst hadden en een langen, uitvorschenden blik naar de zijde der duistere stad wierpen. Zij droegen allen donkere mantels en hun rechterhand rustte op het gevest van het zwaard, alsof zij ieder oogenblik bereid waren, het uit de scheede te trekken.
„Uitmuntend weer voor onze onderneming, Willem,” fluisterde een zachte, manlijke stem.
„Uitmuntend Splinter,” was het antwoord, „het is alsof de hemel ons begunstigen wil. Mij dunkt, niemand in de stad zal er een voorgevoel van hebben, dat wij thans hier zijn, om haar—zoo mogelijk—in ons bezit te brengen.”
„Wellicht zijn zij in de meening, dat het niemand in de donkerheid gelukken zal, haar te naderen.”
„En daarin konden zij ook wel gelijk hebben, Splinter,” zei Jonker Willem Van Arkel, „maar zij vergeten, dat wij een juiste opgave bezitten van al de wegen en paden. Ik althans heb ze mij zóó diep ingeprent, dat ik zelfs geblinddoekt den weg naar de poort zou kunnen vinden, ten minste tot de vest.”
„Dat is stout gesproken, Willem,” hernam Splinter steeds op fluisterenden toon, „maar gij zijt hier geboren en opgevoed, en daarenboven gij hebt Simon en de gebroeders Van der Werve bij u, die deze streek zoo goed kennen als de os zijn kribbe. Ook wordt gij, als het ware, voorgelicht door den vurigen ijver, die u drijft.”
„Zoo is het, Splinter,” zeide Willem, „en moge God alles zóó leiden, dat ik, met zoo weinig bloedvergieten mogelijk, meester van de stad word. Hoe gelukkig zou mijn vader zijn, en hoe zou ik het voorrecht van den man benijden, die, als overbrenger der gelukkige tijding, de vreugde op zijn aangezicht zou mogen lezen. O Splinter! ik kan u niet half zeggen, hoezeer ik naar het oogenblik haak, waarop ik zal kunnen zeggen: de stad is ons!”
„Ik kan mij dit verlangen zeer goed verklaren,” zeide Splinter, „maar wees voorzichtig, laat geen gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan, en zorg vooral, dat alles, voor de overrompeling bestemd, bij de hand is. Zijn de schuitjes reeds aangekomen?”
„Neen, heer,” antwoordde Simon, de zoogbroeder van Jonker Willem, tot wien deze vraag gericht was. „Wij wachten ze ieder oogenblik.”
„Zij kunnen echter onmogelijk lang uitblijven, en als het niet zoo duister ware, zouden wij ze reeds ginder zien.”
„Gij spreekt zoo stout, Willem,” zeide Splinter, „omdat gij weet, dat Otto Van Heukelom zich daarmede belast heeft. En deze is bekend als iemand, die zich nooit laat wachten.”
„Juist,” hernam Jonker Willem, „Otto Van Heukelom, dien mijn oom Reinout aan het hoofd heeft gesteld van de Gelderschen, die mij in mijn onderneming zullen bijstaan, heeft het opzicht genomen over de schuitjes, die wij straks hopen te water te kunnen laten. Doch stil, zie ik daar niet eenige schaduwen naderen? Dat zullen de verwachte voorwerpen zijn.”
Vier mannen naderden langzaam en zonder het minste gedruisch te maken de plaats, waar de hoofden der onderneming bij elkander stonden. Deze vier mannen droegen een schuitje, dat van leder gemaakt en zóó ingericht was, dat het acht of tien krijgsknechten kon bevatten. Deze vier man waren vergezeld van een vijfden.
„De overige schuitjes zijn in aantocht,” fluisterde deze, op wiens bevel de dragers het vaartuig op den grond neerzetten. „Heer Otto Van Heukelom zal oogenblikkelijk hier zijn met de andere. Het ging zoo vlug niet als wij dachten, daar de weg moeilijk, de last zwaar en de onderneming niet geheel zonder gevaar was.”
Jonker Willem beefde.
„Niet zonder gevaar!” riep hij op meer dan fluisterenden toon uit. „Heeft men dan iets in de stad gemerkt? Heeft een der voorposten u gezien of gehoord? Ach, dan ware onze onderneming mislukt!”
„Stel u gerust, edele jonker,” fluisterde Quannevan, die het eerste schuitje vergezeld had, „niemand heeft ons opgemerkt, al is het volkomen waar, dat onze last zwaar was. Maar de mannen hebben zich uitmuntend gehouden, en telkens wanneer een zwarte wolk afdreef en de lucht een weinig lichter werd, bukten zij met het schuitje ter aarde, zoodat zij onmogelijk door den vijand konden gezien worden.”
Zijn woorden werden afgebroken door de komst van andere mannen, die allen, vier aan vier, een schuitje droegen, en Jonker Willem, tevreden, dat de maatregelen tot dusver zoo gelukkig geslaagd waren, drukte met vuur de hand van Otto Van Heukelom, den bevelhebber der Geldersche benden, die met het laatste schuitje was aangekomen.
Thans vormden deze hoofden een soort van krijgsraad, om nog eens zoo spoedig mogelijk, daar er geen tijd mocht verloren gaan, wilde hen de dag niet overvallen, het punt van aanval te bespreken, en toen dit vastgesteld was, werden in alle stilte de mannen uitgekozen, die bestemd waren, het eerst met de schuitjes naar den overkant der gracht te varen.
Intusschen hielden eenige krijgsknechten op het buitenste bolwerk tusschen de oude Kanse- en Arkelpoorten de wacht. Het was waarlijk geen aangenaam verblijf daar in de open lucht, blootgesteld als zij waren aan den onophoudelijken regen en de woeste rukwinden. Zij liepen heen en weder en trachtten zich nu en dan onder een vooruitspringend gedeelte van den muur te beschutten, maar ook daar bereikte hun de wind en de regen.
„Ik zou zeggen,” zei een hunner, „dat wij hier een onaangename standplaats hebben. Mij dunkt, het is ginds in den toren veel beter.”
„Dat is het ook,” sprak een ander. „Daar is vuur, licht en bovenal bier, warm bier, dat ik zeer gaarne zou lusten, want ik ben tot in mijn nieren koud en daarbij dorstig.”
„Ik zou ook niet weten,” hernam de eerste, „welk verschil er bestaat tusschen ons zijn hier en het zitten ginds? Geen muis verroert zich op het veld, en Jonker Willem Van Arkel of zijn vader liggen misschien zoo lang als zij zijn in de veeren en droomen van hun verblijf op den ouden burcht.”
„Dien zij toch nooit zullen krijgen,” viel hier een derde in, „al ware het ook, dat hun de lust bekroop, deze stad te overvallen. Daar moeten zij vroeg voor opstaan, want ik verzeker u, dat ik ze ongemakkelijk zou onthalen, als zij het waagden, hier te komen.”
„Ja, gij zijt een held, Dirk,” zeide de eerste op spottenden toon, „dat weten wij wel, vooral als gij op een bos stroo ligt te slapen.”
„Zeg dat niet!” riep Dirk, terwijl hij zijn piek tegen den arm liet rusten en zich de natte handen wreef, om warm te worden, „heb ik niet nog onlangs.… maar stil! Zie ik daar ginds niet wat? Schuift daar niet iets zwarts over den grond?”
De overige mannen namen niet eens de moeite, om te zien, en lachten den vrager uit.
„Het zal de schaduw zijn van den man, dien gij verleden te Woudrichem een piek door het hart hebt gestoken.…”
„Toen die man al dood was!” spotte een derde. „Ja, ja, onze Dirk is een held!”
„Maar held of geen held, wie gaat er met mij mede naar den toren? Daar is de stadswacht bijeen. Hier is het niet, om uit te houden, en ik ben verzekerd, dat die mannen ons met vreugde zullen ontvangen. Zij zullen denken: hoe meer zielen hoe meer vreugd. En Dirk kan hun van zijn heldendaden iets vertellen. Wie gaat mede?”
Hij behoefde niet lang te vragen. „Bij dit hondenweer denkt niemand er aan, de stad te verrassen, en nu wij Dirk bij ons hebben, kunnen wij meer dan gerust zijn,” was het algemeen gezegde. Allen begaven zich naar den toren1, en zooals zij het gedacht hadden kwam het uit: zij werden met gejuich ontvangen, en zij, die meenden, dat het toch gevaarlijk en onbedachtzaam was, den buitenpost onbewaakt te laten, werden voor lafhartigen en bevreesden uitgekreten. De krijgsknechten stookten het vuur goed op, zorgden voor een verkwikkenden drank en vlijden zich rondom het vuur neder, hopende, dat de dag spoedig zou aanbreken en zij afgelost zouden worden.
Eensklaps begint een hond, die bij de stadswacht behoorde, te knorren en te blaffen.
„Wat zou dat wezen?” vroeg Dirk, die opgesprongen was.
„Hij zal een snoek hooren, die in de stadsgracht rondspringt,” was het antwoord.
„Maar het kon ook wel iets anders wezen,” vervolgde Dirk, „als het eens.…”
„Houd u maar stil,” zeide een der stadswachters, „ik zal het luikje openzetten en naar buiten zien.”
Doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij wijkt achteruit, en zoozeer had de schrik hem bevangen, dat hij niet in staat was, een woord te uiten. Dit was echter bij de overigen niet onopgemerkt gebleven. Zij staan allen op, zien uit het luikje—.… en onder den uitroep: „Wij zijn verraden! De vijand! De vijand!” stortten zij zich naar buiten, om den vijand tegen te houden. Dirk echter verschool zich onder een bos stroo.
Maar het was te laat. Met de grootste behoedzaamheid en met inachtneming van alle stilte hadden de Arkelsche mannen en de Gelderschen de schuitjes, bevracht met krijgslieden en ladders, te water gelaten, waren de gracht overgekomen, en de gebroeders Van de Werve, met Jacob Luytgensz, den boer, wien de bovengemelde hoeve behoorde, waren de eersten, die, gevolgd door een trompetter, Jonker Willem Van Arkel, Splinter en de anderen, den muur beklommen. Tegen zulk een overmacht was nòch stadswacht nòch buitenpost bestand. Zij wierpen de pieken weg, en onder het geschreeuw „Van Arkel! Van Arkel!” vluchtten zij naar de Kanzepoort, waar een afdeeling Hollandsche soldaten lag.
De toren werd aanstonds genoegzaam bezet, en de arme Dirk, die hier veilig meende te wezen, krijgsgevangen gemaakt.
„Blaas—blaas victorie, trompetter!” riep Quannevan uit, die niet achtergebleven was. „Die oproermakers daarbinnen moeten het hooren, dat wij er zijn!”
En eer Splinter, die bedachtzamer was dan Jonker Willem en de driftige edelman, het verhinderen kon, blies de trompetter victorie, zoodat de tonen wijd en zijd langs bolwerk en wallen weerklonken. Gelukkig had het geen ongunstige uitwerking. Integendeel, de Gelderschen, van wie nog een gedeelte aan den overkant stond, kregen meer moed en haastten zich met de terugkeerende schuitjes over te komen, terwijl de bezetting, in de verbeelding dat de Van Arkels zeer talrijk waren, van schrik niet wist of zij vluchten dan wel zich verdedigen moest. Jonker Willem en Splinter voeren thans hun manschappen naar de Kanzepoort, terwijl Otto Van Heukelom bij den toren blijft, en zóó snel was de overrompeling geschied, dat zij weldra meester waren van de buitenpoort.
Inmiddels begon de dag aan te breken en geraakte de bezetting, opgewekt door het geschreeuw en het rumoer van de naderende benden, op de been. Jonker Willem meende nu geen oogenblik te moeten verliezen en besloot stoutmoedig de krijgsknechten van den Hollandschen graaf tegen te trekken, voordat deze den tijd hadden, zich geregeld te verzamelen. Quannevan, Simon, de gebroeders Van de Werve en verscheidene krijgsknechten, die de vluchtelingen achtervolgd hadden, braken de poort met bijlslagen open, en voordat het morgenrood de spits van den kerktoren bestraalde, mocht Jonker Willem de eerste schreden in zijn vaderstad zetten. Thans ging het met vroolijk trompetgeschal voorwaarts; de Arkelsche mannen en Gelderschen, aangevuurd door hun jeugdige bevelhebbers, rukten juichend de stad binnen, terwijl van alle kanten de stadswakers en de krijgsknechten van den graaf de vlucht namen. In de Kruisstraat evenwel kwam het tot een stilstand. Van Goor had in allerijl de bezetting bijeengeroepen en was besloten Jonker Willem den voortgang te betwisten, doch Quannevan, die vuur en vlam was van woede op de oproermakers, stortte zich met het zwaard in de vuist vooruit, en geholpen door tien—twaalf dappere mannen, deed hij de bende uiteenstuiven als kaf voor den wind.
„Blaas! Blaas,—blaas, victorie!” riep hij den trompetter toe, die wederom de trompet aan den mond zette en met al de kracht zijner longen de overwinning verkondigde.
Gorcum was in de macht van Jonker Willem Van Arkel. De vijand was buiten de stad gevlucht, om de treurige tijding aan den graaf van Holland te gaan verkondigen; anderen hadden zich naar den burcht gewend, om niet alleen daar een toevlucht te zoeken, maar ook de bezetting te versterken, wel voorziende, dat Jonker Willem straks met zijn Arkelsche mannen de vaderlijke bezitting zou trachten te heroveren.
Dit was ook inderdaad het plan van den jonker, maar zijn krachten schoten vooralsnog te kort; eerst moest hij zich overtuigen, dat het grootste deel der burgerij en inwoners op zijn zijde was, en als dan Hertog Reinout of zijn vader Jan Van Arkel hem een nieuwen toevoer van krijgsknechten zond, wilde hij een aanval op den burcht ondernemen. Wat het eerste betreft, spoedig smaakte hij de voldoening, dat hij meer aanhangers en vrienden in de stad had dan hij wist, en inderdaad, de Gorcummers waren in lang niet tevreden, dat hun stad door verraad in de macht van Graaf Willem VI gekomen was. Zoodra Jonker Willem zijn trompetter en eenige soldaten in de straten uitzond met den uitroep: „Wie zich onder de banier van Van Arkel schaart, dien zal niets misdaan worden!”2, stroomden van alle kanten de inwoners uit de huizen, juichten den moedigen overwinnaar toe en vervulden de lucht met hun gejubel. Alle mutsen vlogen omhoog en de kreet galmde wijd en zijd: „Leve onze nieuwe landsheer!” Al juichende trok het volk voorwaarts en verlangde, dat de jonker zijn intrek op het stadhuis zou nemen, maar hiertegen verzette zich Quannevan, die zich de eer niet wilde laten ontnemen den zoon zijns weldoeners in zijn huis te ontvangen.
Jonker Willem, vergezeld van zijn bevelhebbers en voorafgegaan door Quannevan, begaf zich thans naar de Krijtstraat, en mijn lezer gist reeds, dat Jennike zich boven op het steenen bordes bevond, om den jeugdigen veroveraar toe te juichen, die, van Quannevan vernomen hebbende, welk een levendig aandeel de zuster zijns zoogbroeders in zijn lot genomen had, de hand der getrouwe dienstmaagd hartelijk drukte.
„Sta mij toe, edele heer,” zeide zij, „dat ik u, voordat gij met mijn heer een beker wijn drinkt op het welslagen uwer onderneming en God dankt voor de overwinning, die Hij u geschonken heeft,—sta mij toe, dat ik u vooraf drie der ergste en valschte vijanden van u en heer Quannevan toon.”
„Kom, kom!” riep Quannevan uit, „wij hebben nu geen vertooning meer noodig. De edele jonker is moede en verlangt naar rust. Luister niet naar haar, edele heer, want als gij dat doet, zijt gij verloren. Zij geeft nooit iets op en zet haar plannen met een hardnekkigheid door, die mij soms razend gemaakt heeft. Als ik er nog aan denk, dan.…”
Hij balde in zijn drift de vuist, meenende, dat hij zijn karwats in de hand had.
„Maar haar aanbod is toch welgemeend, Heer Quannevan,” zeide Jonker Willem glimlachend. „Ik wil wel eens mijn ergste vijanden zien—vooral als overwinnaar!”
„Ik niet,” riep Quannevan uit. „Als ik mijn ergste vijanden in mijn macht heb, laat ik ze, zonder dat ik ze zie, ophangen. Men moet korte metten maken met oproermakers!”
„De schoonste taak van een overwinnaar is te vergeven,” zeide Jonker Willem.… „Kom, toon mij eens mijn ergste vijanden en die van uw heer. Misschien kan ik ze tot mijn vrienden maken.”
„Nieuwerwetsche grillen!” bromde Quannevan, „in mijn goeden ouden tijd ging het beter. Toen liet men het vergeven aan de priesters over en hing de booswichten op.”
Jonker Willem, vergezeld van Splinter, eenige krijgsknechten en den trompetter, volgde Jennike, die hem door allerlei vertrekken naar de kamer bracht, waar de kast was met de verborgen deur. Hier gaf zij Aart een wenk, die een paar fakkels ontstak, waarop zij allen door de geheime gang de trappen afdaalden naar het gewelf.
Toen zij dit bereikt hadden, bleef Jennike een oogenblik stilstaan en zeide:
„Dezen morgen vroeg, terwijl mijn hart vroolijk klopte, toen ik de juichtonen van het trompetgeschal vernam en mij naar het bordes begaf, in de hoop u spoedig te zien, zag ik drie mannen in allerijl herwaarts vluchten. Zoodra zij mij gewaarwerden, vlogen zij de trappen op en smeekten mij, ter wille van de trouw en liefde, die ik mijn heer toedroeg, hen te verbergen. Ik wilde hun dit eerst weigeren, toen eensklaps zich een betere gedachte van mij meester maakte. Ik kende u, edele heer, ik wist, dat een edelmoedig hart in uw boezem klopt, en daar straks mocht ik daarvan weder een nieuw bewijs hooren. Welnu, die drie mannen zijn de grootste vijanden van u en Heer Quannevan. Zij hebben mijn heer vriendschap gehuicheld en samenspanningen tegen u gesmeed. Thans zijn zij in uw beider macht. Daar zijn zij! Doe met hen gelijk gij meent, dat een Christen doen moet.”
Bij deze woorden schoof zij een grendel weg, trok de deur op en een koele, vochtige lucht woei hun tegen. Wat zagen zij bij het walmende fakkellicht?
Daar lag Jan Gerardijn, de proost en deken der kerk, op zijn knieën, met gevouwen handen, terwijl de beide schepenen, Roelofsz en Boudewijn De Ledige, bijna dood van schrik en angst op den grond uitgestrekt lagen.
„Vergiffenis—vergiffenis!” stamelde de proost.
„Die zij u geschonken!” riep Jonker Willem, „onder voorwaarde, dat gij die ook van God begeert en dat gij u voortaan, niet meer bemoeit met dingen, die uw heilige bediening niet aangaan. Heer Quannevan, sta toe, dat ik dezen man eerst eenige verkwikking doe toedienen, voordat hij van hier gaat!”
„Nieuwerwetsche grillen! nieuwerwetsche grillen!” pruttelde Quannevan. „Had ik slechts mijn karwats! Dan zou ik het wel weten!”
Hij durfde zich evenwel niet tegen het verzoek verzetten en beval Aart, den proost naar binnen te geleiden en hem een beker wijn in te schenken, waaraan deze ook voldeed.
De beide schepenen, wier ooren niet gesloten waren, hadden eensklaps door dit goede voorbeeld moed gekregen; zij stonden op en riepen ook de lankmoedigheid van Jonker Van Arkel in.
„Wij hebben dwaselijk gehandeld, edele heer!” zeide Roelofsz. „Dat zien wij thans duidelijk in.”
„Ja, dat zien wij thans duidelijk in,” stamelde Boudewijn De Ledige.
„Hadden wij geweten, dat gij zulk een edelmoedig heer waart, wij zouden ons nimmer tot zulke booze daden geleend hebben. Maar wij hopen, dat gij het ons vergeven zult.”
„Wij hopen, dat gij het ons vergeven zult,” herhaalde zijn echo.
„Kerels!” riep Quannevan uit, die meende ook een woordje te moeten meespreken en beefde van drift, „kerels! hoe is het mogelijk, dat gij tot zulke goddelooze dingen in staat zijt geweest!”
„Dat kan ik u wel verklaren, Heer Quannevan,” zeide Jonker Splinter, die den driftigen edelman zachtjes op den schouder sloeg: „ons hart is geen bron van rein water; daaruit komen alle ongerechtigheden en wandaden te voorschijn, en hoe meer zich de mensch van God en Zijn dienst vervreemdt en den toegang voor hemelsche invloeden afsluit, des te sterker treden deze boosheden naar buiten!”
„Dan ware het maar het beste, dat men die kerels, die zulke booze harten hebben, hoe eer hoe beter uit de wereld hielp!” riep Quannevan.
„En dan?” vroeg Splinter kalm.
„En dan? Ja, dat moge de Heilige Maagd weten wat zij met die kerels doen wil. Wij zijn ze kwijt—en daarmede basta!”
„Dat mag ons niet genoeg zijn, Heer Quannevan!” zeide Splinter. „Die menschen toch hebben schuld beleden en onze vergiffenis ingeroepen, en wij mogen niet minder doen dan God, die—ik herhaal wat ik vroeger tot Jonker Willem zeide—mildelijk geeft en niet verwijt. Ik ondersteun dus hun verzoek en hoop, dat de jonker hen ontslaan zal.”
„Altemaal nieuwmodische instellingen!” pruttelde Quannevan. „Ophangen is maar de baas!”
„Gij erkent slecht gehandeld te hebben?” riep Jonker Willem den beiden schepenen toe.
„Ja,—ja!” antwoordde Roelofsz.
„Ja,—ja!” galmde zijn echo.
„Welnu, dan voort van hier! Gaat naar het stadhuis en verkondigt daar aan allen, die het hooren willen, dat Jonker Willem Van Arkel de verovering zijner stad niet wil vieren met het plengen van bloed, maar met het bewijzen van liefde en vergevensgezindheid!”
Dit zeggende, verwijderde hij zich, terwijl Jennike, blijde als zij was, naar de kelderdeur onder het bordes liep, deze wijd openzette en de beide schepenen naar buiten geleidde.