VIJFDE HOOFDSTUK.

De uitkomsten van verraad en verzoening.

Het is geen vreemd verschijnsel, dat sommige menschen, wier geweten hun verwijt, dat zij gezondigd hebben, de knagingen van dat geweten zoeken te verdooven door het najagen van vermaken, aan welke zij vroeger zelfs niet eens dachten. Anderen daarentegen worden, nadat zij zich aan een grove zonde hebben schuldig gemaakt, in een geheel anderen toestand verplaatst. Als eenmaal de zonde gepleegd is, schijnen zij als het ware bewusteloos en doof voor alle vermaningen van hun geweten geworden te zijn en kunnen het maanden, ja jaren achtereen uithouden, terwijl zij van de eene zonde in de andere vallen, totdat eindelijk op een zeker oogenblik hun plotseling de schillen van de oogen afgerukt worden en zij de ontzaglijke diepte zien, waarin zij zich door een nieuwe roekelooze handelwijze gestort hebben. Niet alleen de Heilige Schrift—zooals bijvoorbeeld bij David—maar ook de ondervinding van het dagelijksch leven bevestigt bovenstaande waarheid, zoodat het goed is elkander te waarschuwen voor de eerste schrede op den weg der zonde, daar die eerste schrede gewoonlijk achtervolgd wordt door een tweede, en niemand zeggen kan, waartoe de mensch komt, die in zulk een toestand verkeert.

Jonker Willem had toegegeven aan de verleidende voorstellingen van Walraven, en schoon het blijkt, dat deze laatste al zijn krachten moest aanwenden, om Willem over te halen, toch is het niettemin bewezen, dat de jonker zich in de armen van de verraders en vijanden zijns vaders geworpen heeft. De samenzweerders hadden dus het eerste gedeelte van hun doel bereikt; zij hadden nu den zoon van zijn vader vervreemd; thans bleef hun nog over, zich van den zoon zelf te ontdoen, om tot het eindpunt te komen, namelijk Gorcum en het omliggende land in de macht van Graaf Willem VI te brengen. Dit moest evenwel op een bedekte, listige wijze geschieden, want zoodra Jonker Willem hiervan de lucht mocht krijgen, zou hij gewis met behulp van tal van aanhangers, die hem persoonlijk genegen en die velen waren, den ganschen toeleg onderstboven keeren. Om dit laatste te voorkomen, veinsden al de samenzweerders groote ingenomenheid met Jonker Willem, te meer daar hij naar hun raad luisterde en de poorten der stad deed sluiten niet alleen voor Heer Jan Van Arkel en diens aanhang, maar zelfs voor zijn beste vrienden, zoo deze niet zijn (Willems) partij hadden gekozen. Gorcum zelf werd in een goeden staat van verdediging gebracht; de poorten sterk bezet en het bevel uitgevaardigd, niemand van verdacht voorkomen binnen de stad of op den burcht toe te laten.

Het spreekt vanzelf, dat Jan Van Arkel terstond zijn toevlucht zocht bij Hertog Reinout en dat deze hem zijn bijstand toezeide, die allereerst zou bestaan in het treffen van een vergelijk tusschen Heer Jan Van Arkel en zijn oproerige onderdanen1. Jan Van Arkel’s zwager zond dan ook oogenblikkelijk eenige afgevaardigden naar Gorcum in de hoop een verzoening tusschen beide partijen te bewerken. Doch hun herhaalde zendingen liepen telkens vruchteloos af. Beide partijen waren te fel tegen elkander verbitterd, dan dat er van een verzoening sprake kon zijn. Bovendien wilden de proost, Van Goor en de gebroeders Herlaar hiervan niets weten, omdat dan de tachtig duizend Fransche kronen voor hen verloren gingen. De onderhandeling liep dus vruchteloos af voor Heer Jan Van Arkel en de samenzweerders wonnen er dit nog bij, dat zij van Jonker Willem de plechtige en met eeden bekrachtigde belofte verkregen, dat hij zonder hun toestemming en goedkeuring met zijn vader en diens aanhang in geen onderhandelingen zou treden (30 Mei 1406).

Nu vierde Gorcum feest; zoowel burgemeesters en schepenen als de kerkelijke overheid deden alles, om van hun vreugde te doen blijken, en het geringe volk, dat zich steeds laat leiden naar de willekeur der overmacht, juichte mede. Misschien was het Jonker Willem zelf, die dit vreugdebetoon in de hand werkte, en wellicht was het door zijn tusschenkomst, dat er zoowel op den burcht als in de stad allerlei feestelijkheden plaats vonden. Dit moet ons geenszins verwonderen. Jonker Willem had geen vrede; zijn geweten klaagde hem aan als een ontaarden zoon, die de liefde zijns vaders met ondank beloond had, en te zwak zijnde, om openlijk schuldbelijdenis te doen en zich weder aan de zijde zijns vaders te scharen, moest hij allerlei dingen bedenken, om dat geweten—zoo het mogelijk ware—tot zwijgen te brengen. En hoe zou hij dat anders kunnen doen dan door het rumoer van feesten?

Ik heb eens een parabel gelezen van een prins, die zijn vriend in een hartstochtelijk oogenblik van het leven had beroofd en deswege ter dood zou gebracht worden, zoodra hij binnen acht dagen insliep. Hij moest dus op middelen bedacht wezen, het acht dagen zonder slaap uit te houden, en hij scherpte zijn vernuft, om zulke vermaken te verzinnen, die hem gedurig bezighielden. Danspartijen, tooneelvoorstellingen en jachtpartijen wisselden elkander onophoudelijk af, en twee—drie dagen hield de jonge prins het zonder slapen uit. Maar de natuur liet spoedig haar rechten gelden. Toen hij op het punt stond van in te slapen, beval hij, dat men hem knijpen, in het water werpen en met gloeiende naalden prikken zou, zoodra hij slechts de oogen sloot. Doch ten laatste baatten ook deze middelen niet meer. Nu liet hij een hoog koord over een water spannen en begon zich te oefenen er overheen te loopen; als hij een misstap deed, door den slaap bevorderd, viel hij in het water. Dit hielp één dag, maar zóó machtig werkte de slaap, dat hij zelfs in het water zou zijn ingeslapen. Om dit te verhinderen, liet hij een ander koord boven een vuur spannen, en bij zijn val brandde hij zich deerlijk. Maar zelfs het vuur kon den slaap niet weren, en hij zou onder diens geweld eindelijk bezweken zijn.… toen hem een vriendelijke stem van de straf onthief.

Bijna, zou ik zeggen, was deze parabel van toepassing op Jonker Willem. Hij wilde de knagingen van zijn geweten, die voor hem als zoovele doodsteken waren, tot zwijgen brengen en wierp zich nu in den stroom der genietingen, en wellicht zou de ongelukkige jongeling er toe gekomen zijn, dat geweten als met een brandijzer toe te schroeien, zoo zich God niet over hem ontfermd had.

Op zekeren avond bevond zich Jonker Willem in dezelfde kamer, in welke wij hem voor het eerst hebben aangetroffen. Hij zat op een bank bij het diep inloopend venster, van waar hij een prachtig vergezicht had over de omstreken zijner vaderlijke bezittingen. Maar zijn oog staarde in de verte zonder iets te zien. De bloeiende boomen, die zijn tuinen versierden, bestonden voor hem niet; het rimpelen der wateren van de Linge en Merwede was voor hem een ijdele vlakte; de blauwe hemel boven zijn hoofd was een zwart doek—hij zag niets, of liever hij zag slechts één donker punt en hij hoorde slechts één woord: ondankbare! Zijn hart klopte hevig, en niettegenstaande het buiten zeer warm was, brak hem het koude zweet uit van angst, vrees en onrust. Eindelijk sloeg hij beide handen voor het gelaat en barstte uit:

„Neen, deze toestand is onverdraaglijk. Al gelukt het mij ook, te midden van ingebeeld genot de kwellingen mijns geweten te verdrijven—zoodra ik alleen ben, is het mij, alsof ik vóór en naast mij het beeld mijns vaders zie. Hij spreekt geen enkel woord: hij staart mij slechts zwijgend aan. Ik tracht hem te ontkomen, maar in de kerk, op de trappen van het hoogaltaar, bij het dragen eener gewijde kaars, bij het stamelen mijner gebeden, bij het opstaan, bij eten en drinken, naast mijn legerstede, in mijn droom.… staat daar mijn vader, op wiens gesloten lippen ik de woorden lees: ontaarde zoon. Neen, ik kan dit niet uithouden. Er moet een einde aan komen. Maar hoe? Zal ik het aan Walraven Van Brederode, aan Jan Gerardijn, aan burgemeesters en schepenen, ja zelfs aan Graaf Willem doen weten, dat ik.…”

Hij kon niet voortgaan. Een rilling, een huivering overviel hem, alsof hem een slang aangeraakt had.

„Neen, neen—duizendmaal neen! Dat kan ik niet. Ik wil hun niet toonen, dat ik zwak, dat ik lafhartig ben. Liever wil ik den strijd tegen mijn geweten blijven voeren tot het uiterste.…”

„Tot het uiterste?” herhaalde, zacht bewogen, een andere stem.

Jonker Willem keerde verschrikt het hoofd om naar de zijde, van waar dit geluid kwam, en zag een monnik vóór zich staan, die hem met een medelijdend oog aanstaarde.

„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” riep de jonker, moeite doende, om moedig te schijnen.

„Ik wil niets,” antwoordde de monnik zachtmoedig, „ik vraag slechts. Gij spraakt daar van een strijd tot het uiterste tegen het geweten te willen voeren. Zou het ook mogelijk zijn, dat gij tegen God streedt en gij in dien ongelijken kamp bezweekt?”

„Wat gaat dat u aan!” riep Jonker Willem uit.

„Wat mij dit aangaat? en kent gij mij dan niet in deze vermomming? Ik heb sedert drie dagen beproefd, tot hier door te dringen. Uw krijgslieden hebben mij met hun pieken teruggedreven. Ik ben bij nacht den stroom overgezwommen, heb mij, bij dag zonder eten of drinken tusschen steenhoopen verborgen en telkens naderbij komende, gelukte het mij, dezen burcht te bereiken, waar nog een man is—uw zoogbroeder—, die u waarlijk liefheeft en die mij, op gevaar van uw ongenade, hier gebracht heeft.”

„Maar wie zijt gij dan?” vroeg Jonker Willem opstaande, daar hij de stem, die de monnik iets veranderd had, meende te herkennen.

De monnik wierp het grove kleed weg, en daar stond vóór hem Jonker Splinter Van Nieuwenroode.

Jonker Willem week een paar stappen achterwaarts en wendde het hoofd af: hij schaamde zich voor zichzelf, voor alle menschen, maar het allermeest voor zijn vriend.

Splinter zag dit als een goed teeken aan, en de hand op den schouder zijns vriends leggende, zeide hij:

„Ik ben blijde, dat ik dit monnikskleed eenige dagen gedragen heb. Het werd mij geleend door een vroom man, dien ik heilig zou verklaren, als ik er de macht toe had. Hij heeft mij menig merkwaardig woord gezegd, dat ik nooit te voren gehoord heb, en één dier woorden zal ik thans voor u herhalen, Willem. Als ik u en uw huis niet liefhad, als ik niet gezworen had, u en uw vader tot aan mijn laatste uur met het zwaard in de vuist te verdedigen tegen verraad en geweld—waarlijk, ik zou niet tot u gekomen zijn. Gij hebt u.… maar neen, ik wil u liever het woord toefluisteren, dat die vrome monnik tot mij sprak: „God geeft mildelijk en verwijt niet. En waar Hij niet verwijt, waar hij niet doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden, maar integendeel ons zegent en weldoet—daar moet ook de mensch, de Christen, zijn voorbeeld volgen. Neen, Willem, ik ben niet gekomen, om u iets te verwijten. Gij draagt den grootsten verwijter binnen in u. Zie, Willem,” vervolgde hij, diens hand teeder drukkende, terwijl de jonker met een gebukt en afgewend gelaat vóór hem stond, „ik was te Arnhem bij uw oom. Daar was ook uw vader. Daar bevonden zich ook Egmond en IJselstein. Zal het noodig wezen, u te schetsen, hoe ik uw vader aantrof? Maar neen, dat gevoelt gij beter dan ik het u schilderen kan. Laat mij u zeggen, dat allen besloten hebben, het zwaard tegen u aan te gorden, de oom tegen den neef, de zwager tegen den zwager.… de vader tegen den zoon. Allen zeg ik—behalve één, behalve uw oom Hertog Reinout. Deze kwam tusschenbeide, en niettegenstaande zijn afgevaardigden tot dusver hoonend werden weggezonden, niettegenstaande al zijn voorslagen afgewezen werden, meende hij nog één middel te moeten beproeven. Dat middel was, om te pogen rechtstreeks tot u door te dringen en te trachten u tot een verzoening met uw vader te bewegen. De keuze viel op mij—en zie, Willem, hier ben ik. Nog eens, ik kom tot u, zonder verwijt, maar slechts met deze vraag:

„Wilt gij den strijd tegen uw geweten, tegen God tot het uiterste volhouden? Wilt gij nog langer de speelbal blijven van oproermakers, goddelooze priesters, ontrouwe raadslieden, van menschen, die zich door goud laten omkoopen, evenals Judas, die voor eenige penningen den Zaligmaker verkocht? Zijt gij zóó door valsche eerzucht verblind, dat gij niet inziet, hoe uw huidige vrienden u morgen ook zullen verraden, verkoopen en zelfs om het leven brengen, als zij meenen, dat hun belang dit vordert? En wilt gij het hart breken van hem, die, zwaar beleedigd en getergd als hij is, nochtans een hart bezit, waarin liefde voor u woont? Zeg mij, Willem, wilt gij dit?”

Splinter had in het vuur zijner rede de rechterhand van Willem gegrepen en schudde deze alsof hij hem uit zijn droom wilde wekken.

Jonker Willem was evenwel te beschaamd en te ontroerd, om te spreken, en Splinter moest dezelfde vraag nog eens herhalen. Eindelijk gaf de jonker aan zijn gevoel lucht: heete tranen druppelden langs zijn wangen, en met al de teekenen van berouw en verbreking des harten stamelde hij:

„Zou mijn vader zich nog wel met mij willen verzoenen?”

„Twijfel daaraan volstrekt niet, Willem,” zeide Splinter. „Uw vader is wel een streng, maar geen ongevoelig man, en zoodra hij uit uw mond verneemt, dat gij berouw hebt, zal hij de eerste zijn, die u de hand van vergiffenis aanbiedt.”

„Dan maar hoe eerder hoe beter!” riep Jonker Willem haastig, als vreesde hij, dat hij te laat mocht komen—een wijze van handelen, die men meer bij zwakke karakters opmerkt.

„Ik ben bereid met u te gaan,” zeide Splinter, „maar vergun mij vooraf een enkele opmerking. Gij begrijpt, dat aller oogen op u gevestigd zijn en dat gij van geheime vijanden omringd zijt. Nu weet gij wel, dat mijn leus is in alles recht te handelen, maar een man, die recht en gerechtigheid liefheeft, handelt ook voorzichtig. Het zou der goede zaak meer kwaad dan goed doen, zoo gij plotseling heengingt en den burcht verliet. Ik raad u aan, dat gij in stilte, dat is zonder opzien te baren, van hier vertrekt. Gij kunt immers een wandelrit in den omtrek doen, en bij die gelegenheid staan u alle wegen open naar ’s-Hertogenbosch, waarheen zich uw vader heeft begeven en waar hij u wacht.”

Jonker Willem vond dezen voorslag zeer goed, en na eenige overwegingen werd besloten, reeds den volgenden dag uitvoering aan hun voornemen te geven.

Op dit oogenblik meldde Simon de komst van den edelman Quannevan, die den jonker dringend wenschte te spreken. Willem Van Arkel zag Splinter aan.

„Gij kunt hem gerust laten binnenkomen,” zeide deze. „Hij is een oprecht man en een vurig aanhanger van uw huis.”

Jonker Willem gaf een wenk en een paar minuten later trad Quannevan binnen. Hij was gekleed in al den opschik van zijn Bourgondisch gewaad. Een korte groene mantel, doorwerkt met groote bloemen, bedekte zijn schouders en was om den hals met een dik koord bevestigd. Van voren hingen de slippen open en lieten een rijk geborduurden lijfrok zien; zwart fluweelen kousen, met gouddraad gestikt, omsloten de knieën en reikten tot aan de spits uitloopende schoenen; een fluweelen baret rustte op de grijze haren en aan zijn linkerzijde was een kort zwaard gegespt.

„Vergeef het mij, edele heer jonker,” zeide hij, met drift op Willem Van Arkel toeloopende, dat ik u wellicht op een ongelegen uur stoor, maar al zou ik door het water moeten gewaad hebben, om tot u te komen,—ik had het niet kunnen nalaten. Twee dingen beletten mij sedert acht dagen en nachten, om behoorlijk te denken en te slapen. Ten eerste mijn dienstmaagd en ten tweede uw persoon. Vergeef het mij, edele jonker, zoo ik door den hartstocht, waarmede ik spreek, het eerst mijn dienstmaagd heb genoemd. Maar inderdaad, die meid, die Jennike!” vervolgde hij in toenemende drift, „met haar is het niet, om uit te houden. Zij luistert naar geen woord, geen bedreiging en zelfs naar geen vloek, nog minder naar het opheffen van mijn karwats. Het is of ze.… vergeef het mij—van den duivel bezeten is!”

Beide jonkers moesten onwillekeurig glimlachen.

„Wat is er dan met uw dienstmaagd,—de zuster van Simon?” vroeg jonker Willem.

„Wel, die meid,” antwoordde de edelman, vuurrood van drift, „begint mij al te kwellen, als de dag nog nauwelijks aan den hemel is, en houdt niet op, mij voor te spiegelen, in welken stroom van ellende Walraven en zijn aanhang Gorcum en het doorluchtige huis van Arkel gebracht hebben, sedert het hun gelukt is, den zoon van den vader af te scheuren. Met de scherpste kleuren heeft zij mij het gepleegde onrecht geschilderd en mij toegeroepen: „Ja, schop en trap mij zooveel gij verkiest, maar dit zal mij niet beletten, zóó lang aan te houden, totdat gij u naar Jonker Willem begeeft en hem smeekt en beweegt, de zijde van die goddelooze oproermakers te verlaten. Ik kan het niet doen, want mij—arme dienstmaagd—geeft hij geen gehoor.…” En op deze wijze gaat de meid elken dag voort. Maar ik moet zeggen, zij heeft geen ongelijk—vergeef het mij, edele jonker! Mij had men tot dusver onkundig gelaten van alles, wat er voorgevallen is, en in mijn oprechtheid ontving ik nog steeds eenige avonden in de week de schepenen en vrienden van Walraven Van Brederode bij mij,—doch plotseling zijn mijn oogen geopend en heb ik ingezien, hoe gij, edele jonker, u hebt laten misleiden door menschen, die voor goud het land aan Graaf Willem VI willen verkoopen. Sinds dat oogenblik heb ik zelfs geen rust meer, en gehecht aan uw huis en uw persoon als ik ben, waag ik het.…”

„Ik erken uw goede bedoelingen, mijn waarde heer Quannevan,” viel hem Jonker Willem in de rede, „en ik haast mij u gerust te stellen. Wetende hoezeer gij ons een goed hart toedraagt, en dat gij, waar het te pas komt, kunt zwijgen, durf ik het u wel toevertrouwen, dat ik mij morgen met mijn vriend Splinter naar mijn vader begeef, om mij met hem te verzoenen. Ik dank u voor uw goede bedoeling!”

„Dat verheugt—dat verheugt mij!” riep Quannevan uit, terwijl zijn oog van vreugde straalde. „Het verheugt mij om uwent- en om mijnentwil. Nu krijg ik rust van mijn dienstmaagd, en kan ik mijn wapenrusting in orde brengen, want ik voorzie thans een zwaren strijd, daar alle Hoekschen, met Graaf Willem VI en Walraven Van Brederode aan het hoofd, tegen u zullen opstuiven. Doch geen moed verloren, edele jonker! Zeg uw vader, dat, schoon ik oud en grijs ben, mijn kracht nog niet verzwakt en mijn zwaard evenmin verroest is. Hij kan op mij rekenen!”

Jonker Willem, nog bewogen door het tooneel, dat straks plaats had gehad en levendig getroffen door de vurige en oprechte betuiging van den edelman, die van geestdrift blaakte, legde zijn hand op diens schouder, dankte hem met hartelijke woorden en bood hem een verfrissching aan, die deze dankbaar aannam.

Den volgenden middag begaf zich Jonker Willem naar ’s-Hertogenbosch, gevolgd door Splinter, die, om geen argwaan op te wekken, eenige uren later wegreed.


Wij willen de beide edellieden niet op hun tocht naar ’s-Hertogenbosch vergezellen. Genoeg zij het, dat het, onder Gods zegen, gelukte den verscheurden band weder te bevestigen, en vader en zoon zich eenstemmig verbonden, om hun rechtmatig verkregen goed tegen alle aanranders te verdedigen. Hertog Reinout evenwel had nog een ander belang dan zijn zwager. Jan Van Arkel toch was het hoofdzakelijk te doen, om in het bezit van zijn erfgoed te blijven, en zoo hij dit verloor, dan kon het hem eigenlijk onverschillig zijn, wie de overweldiger was, die het hem ontroofd had. Maar Reinout was een regeerend vorst; hij was hertog van Gelre en zijn landen grensden onmiddellijk aan die van den Hollandschen graaf, die derhalve een machtige en gevaarlijke nabuur was en wien, door toenemende macht, wel eens de lust kon bekruipen, zich van Gelre meester te maken. Om dus hieraan paal en perk te stellen, was het voor Reinout van groot belang, zich van Gorcum te verzekeren, de stad en den burcht te overvallen en de verraders aan leven en bezittingen te straffen.

Inmiddels hadden de saamgezworenen ook niet stilgezeten. In een samenkomst van Walraven van Brederode, Jan Gerardijn en de overige verbondenen werd overeengekomen, om zoo spoedig mogelijk den graaf van Holland van het gebeurde kennis te geven en hem de heerlijkheid van Gorcum aan te bieden, vooral daar Jonker Willem, vergezeld van eenige getrouwen, het gewaagd had de stad te verrassen. Maar zijn aanval mislukte en men hield thans zoowel voor vader als zoon de poorten gesloten. Van beide zijden werden er nu toebereidselen tot een krijg gemaakt, doch het schijnt, dat Hertog Reinout niet geneigd was tot een aanval van zijn zijde. Misschien waren zijn legerbenden niet slagvaardig, misschien ook waren er andere staatkundige redenen, die hem noopten het voeren van een openbaren oorlog tot een meer gelegen tijd uit te stellen. Wel had hij eenigen zijner edelen en de poorters van Nijmegen, Tiel en Bommel ter heirvaart opgeroepen, met bevel, om dadelijk te Gorcum in te rijden2, maar tevens trad hij in onderhandeling met Utrecht en Holland, om een verdrag, of liever een wapenstilstand te sluiten, hetwelk hem ook gelukte en waarbij overeengekomen werd, dat deze laatste zou duren tot het Pinksterfeest van het volgend jaar. Jan Van Arkel en diens zoon waren echter van dit verdrag uitdrukkelijk buitengesloten.

Het had dus allen schijn, dat Hertog Reinout langs staatkundigen weg, dat is niet met het zwaard, en in lengte van tijd een verzoening tusschen den graaf van Holland, de Arkels en Gorcummers zou bewerkt hebben,—maar de mensch wikt en God beschikt, en het zou geheel anders loopen dan het in de bedoeling van Hertog Reinout lag. Ik heb u daar straks medegedeeld, dat de verraders besloten hadden, Graaf Willem de heerlijkheid van Gorcum op te dragen. De graaf van Holland ontving die opdracht, toen het verdrag reeds tot stand gekomen was, en het zij nu, dat hij hiervan spijt had, of dat de saamgezworenen zeer bij hem aandrongen, of dat hij meende machtig genoeg te zijn, Hertog Reinout het hoofd te kunnen bieden,—genoeg, hij liet zich verleiden, het bestand te schenden, nam de opdracht van Gorcum aan en vertrok derwaarts, om zich als landsheer binnen de stad te doen huldigen.3 Hij nam zijn tocht over Woudrichem, vergezeld van vele ridders en edelen, en stak van daar over naar Gorcum, waar hij—gelijk een kroniekschrijver het uitdrukt—zijn optocht nam tusschen den burcht en de stad, op een plaats, de Quelling genaamd.4 Inmiddels hadden de verraders, die wel degelijk vooraf er op aangedrongen hadden, de tachtig duizend Fransche kronen van Graaf Willem ontvangen, welk geld, benevens de kosten der inhuldiging, uit den verkoop van lijfrenten ten laste van Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda en Rotterdam gevonden werd. De Hollandsche graaf werd zeer plechtig en feestelijk ingehaald. De geestelijkheid met Jan Gerardijn aan het hoofd ontving hem aan de poort, en de Hollandsche banieren wapperden van burcht, kerktoren en stadhuis, terwijl er van tijd tot tijd met donderbussen geschoten werd, om de vreugde te vergrooten. In de kerk komende, nam de proost Graaf Willem VI den eed af, om de stadshandvesten, vrijheden en rechten te zullen beschermen en onderhouden, en vervolgens trok de nieuwe landsheer naar den burcht, waar hij ook gehuldigd werd. Graaf Willem meende echter nog iets te moeten doen, om zijn getrouwe Gorcummers—de verraders—te beloonen, en sloeg de vier gebroeders Herlaar, Ambrosius, Woutersz en Jan Van Donk tot ridders. Maar toen hij, in gezelschap van deze nieuwe ridders, naar Leerdam reed, om zich ook aldaar te doen huldigen, zeide hem de heer Van Asperen, die over Leerdam het bevel voerde en met minachting op deze verraders nederzag: „Edele, machtige vorst. Gij hebt deze kooplieden tot ridders gemaakt, maar in plaats van een vergulden halsband zou hun als verraders en dieven beter elk een bast (strop?) om den hals passen. Wacht u, om bij hen te vernachten, want wat zij hun geboren landsheer gedaan hebben, zullen zij u ’t avond of morgen ook nog doen. Stel geen vertrouwen op zulke kooplieden.” De graaf antwoordde hierop niets; hij vergenoegde zich met eens te glimlachen, daar hij misschien meer het verraad dan de verraders beminde.5

De nieuwe ridders en de overige verraders waren niets over deze woorden gesticht, en spoedig bleek het, hoezeer zij door vele weldenkenden met minachting werden aangezien, zoodat zij het eindelijk niet meer in de stad konden uithouden, en met het loon des verraads naar elders de wijk namen, terwijl Jan Gerardijn, Broens De Verwer en Arend Van Goor als de heftigste tegenstanders van de Van Arkels in de stad bleven.

Gij kunt u evenwel voorstellen, hoe Hertog Reinout te moede was, toen hij het voorgevallene vernam. Deze schending des bestands toch werd door hem ten hoogste euvel opgenomen, maar hij draalde nochtans, om den Hollandschen graaf den strijdhandschoen voor de voeten te werpen,—en van de gevolgen eener samenkomst der ridderschap en steden van Gelre, om over een krijg tegen Holland te raadplegen, hoorde men niets.

Maar mocht Jan Van Arkel stilzitten? Mocht Jonker Willem het lijdelijk aanzien, dat zijns vaders bezittingen zoo wederrechtelijk door den Hollandschen graaf werden buitgemaakt? Mocht hij even besluiteloos handelen als zijn oom Reinout? Neen, hij wilde goedmaken wat hij bedorven had, en zoo geen ander heer of vorst zich aan zijn zijde schaarde, wilde hij het alleen op zich nemen, om—zoo het mogelijk ware—Gorcum weder te bemachtigen.

Wij zullen in het volgende hoofdstuk zien, of hem dit gelukte. Intusschen willen wij nog iets ten gunste van Hertog Reinout zeggen. Deze vorst, meer diplomaat dan krijgsman, trachtte nog steeds door middel van de pen te verkrijgen wat het zwaard met ongelijke kans zou moeten najagen. Toen echter alle wegen afgesloten bleken, om tot zijn doel te geraken, was hij het wellicht zelf, die Jonker Willem en diens vader tot den krijg aanspoorde. Maar of hij er niet een list bij verborg, is nog niet uitgemaakt. Althans schijnt het, dat hij Jonker Willem gebruikte, om aan zijn eigen eerzucht te voldoen, ten einde van de mogelijke mislukking van diens plannen voordeel te kunnen trekken.


1 Eenige kroniekschrijvers deelen de zaak eenigszins anders mede. Zij doen het voorkomen, dat de dienstmaagd van Quannevan onmiddellijk aan Jan Van Arkel van de samenzwering had kennisgegeven, die daarop daags daarna, uit de kerk komende, zijn zoon te gemoet treedt en hem op vaderlijken, teederen toon zijn gedrag verwijt, waardoor Jonker Willem zóó getroffen zou geworden zijn, dat hij aan zijns vaders voeten nederzonk. Jan Van Arkel zou vervolgens zijn zoon bij de hand genomen en ter kerk geleid hebben, waarop de samenzweerders zich uit de voeten gemaakt hebben. Ik houd het er voor, dat zoo iets wel gebeurd kan zijn, maar niet bij gelegenheid van de samenzwering ten huize van Quannevan. Immers Jan Van Arkel bevond zich toen te Arnhem en niet te Gorcum. Hij kan dus onmogelijk den dag na het verraad met zijn zoon naar de kerk gegaan zijn. 

2 Zoo drukt zich Arend uit in zijn Alg. gesch. des Vaderlands III, bladz. 437, maar deze lezing is mij niet duidelijk. 

3 6 April 1407. 

4 Zie van Zomeren’s beschrijving van Gorcum, bladz. 312. 

5 Van Zomeren, bladz. 313.