VIERDE HOOFDSTUK.

Jonker Willem Van Arkel en zijn bezoekers.

Misschien bestond er weleer in Nederland geen trotscher, sterker en prachtiger slot dan dat des heeren Van Arkel, en zeer is het te bejammeren, dat er van al die heerlijkheid zelfs geen spoor meer is overgebleven. Niet door den tand des tijds noch door het geweld van stormen en onweer is het ineengestort en met den grond gelijkgemaakt, maar de verwoestende hand des gewelds, de mokers en houweelen, de brandfakkels des oorlogs hebben dit ontzaglijke gevaarte zoodanig gehavend, dat er van gezegd kan worden, dat men zijn plaats niet meer kent, gelijk een bloem, over welke de wind is heengegaan. Dit is het geval met alles op deze aarde. Hoe hecht en sterk, hoe groot en trotsch men ook heden ten dage moge bouwen, er komt eens een dag, waarop dat alles in elkander stort, omdat deze aarde den stempel der vergankelijkheid draagt.

Het is geenszins mijn voornemen, u een uitvoerige beschrijving te geven van dien prachtigen burcht, want dat zou mij te veel afleiden van de gebeurtenissen, die ik u wenschte mede te deelen. Alleen wilde ik u zeggen, dat een der voorvaderen van Heer Jan Van Arkel dezen burcht tusschen de jaren 1230 en 1267, aan de Noordoostelijke zijde van Gorcum aan den rechteroever der Linge heeft gesticht. Het gebouw, zegt een oud geschiedschrijver, was zóó aanzienlijk, dat er zijns gelijke in gansch Duitschland niet geweest is. Kemp geeft er ons in zijn beschrijving van Gorcum de volgende vermelding van: „Het hoge Hof hadt in zijnen omgang zeve onwinbare Toornen, met een hooge, lange en wijde zaal, en een schoone kapel kostelijk verciert, daar de Heeren, Vrouwen en Kinderen van Arkel den Godsdienst in hoorden. ’t Middelste Hof had vier grote, zwaare Toornen, en beide de Hoven een grote, wijde omgaande gragt. Het nederste Hof had rondom een grote, dikke, hoge cingelmuur, met veele sterke Toornen en een grote voorpoort, in ’t midden van ’t nederhof stond een grote, schone kerk met een Choor voorzien, waarin de gemeene Dienaars van de Heeren Van Arkel dagelijks den Godsdienst hoorden. Dezelve Burg had ook schone hoven en boomgaarden, en langs de steeg of Dalemsche weg, grote opgaande boomen, een werk, dat het gezigt der aanschouwers met verwondering steroogende naar zig trok.” Als de lezer vergelijken wil wat ik in voorgaande deeltjes van mijn „Historische Verhalen” ten opzichte der burgen, sloten en kasteelen gezegd heb, zal het hem niet moeilijk vallen te weten wat er onder ’t „hoge, middelste en nederste Hof” alsmede van den „Singelmuur” moet verstaan worden, en dus veronderstellende, dat hij eenigszins in zulk een burcht of kasteel te huis is, noodig ik hem uit, mij naar het plein van het „middelste Hof” te volgen, waar ik hem in kennis zal brengen met eenige belangrijke personen uit ons verhaal.

Het was in den vroegen morgen van den 31sten Maart van het jaar 1406, dat een jeugdig man, wien men het zoowel aan zijn kleeding als aan zijn voorkomen kon aanzien, dat hij tot den aanzienlijken stand behoorde, de hooge poort van het kasteel uittrad en het plein opging. Hij liep eenigszins haastig, zoodat het blauw-fluweelen en met pelswerk omboord manteltje, dat om zijn schouders geslagen was, in den wind heen en weder fladderde. Hij sloeg hier echter geen acht op, daar zijn oog gericht was naar de voorpoort, waarvan de ijzeren deur juist door een paar lijfwachten geopend werd, om den toegang te geven tot een ruiter, die langzaam de brug van de gracht overreed en zijn paard tot spoed aanzette, zoodra hij den jongen man gewaarwerd.

„Hoe verblijdt gij mij, Splinter, dat gij mij komt bezoeken. Ik zag u van den Ruiterstoren in de verte aankomen en haastte mij, u te gemoet te gaan.”

Hij drukte hem daarbij hartelijk de aangeboden hand en wenkte een der toegesnelde dienaren, om het paard, dat den ruiter gedragen had, naar den stal te geleiden en goed te verzorgen.

„Het doet mij leed, Willem, dat mijn bezoek slechts van korten duur zal zijn. Ik moet reeds over een uur vertrekken, daar ik nog een langen rit voor mij heb en gaarne morgen in Arnhem wenschte te zijn, schoon ik vrees, dat dit niet lukken zal.”

„Dat spijt mij zeer,” zeide Willem, die niemand anders was dan Jonker Willem Van Arkel, die zijn vriend Jonker Splinter Van Nieuwenroode verwelkomde, „ik had gehoopt, dat gij een paar dagen bij mij vertoefdet, om mij de eenzaamheid op dezen burcht draaglijk te helpen maken.

„Ik dacht, dat uw zwager, Heer Jan Van Egmond1, en diens broeder, Willem Van IJselstein, u gezelschap hielden. Ook verwachtte ik hier een aanzienlijk gezelschap van heeren en ridders, die uw nieuwe donderbussen wenschen te bezichtigen.

„Allen zijn reeds eergisteren vertrokken. Mijn zwager is naar Haarlem en Willem Van IJselstein wilde Otto Van Heukelom gaan bezoeken, zoodat ik moederziel alleen ben met Simon, mijn zoogbroeder, die mij soms met zijn droomerijen en bange voorgevoelens verveelt, en ik dan maar, bij gebrek aan beters, het gezelschap opzoek van pater Bernardus en van mijns vaders geheimschrijver, dien hij, gelukkig, heeft hier gelaten en die mij dan iets uit onze kronieken voorleest. Doch laat ons naar binnen gaan. De rit zal u warm gemaakt hebben en het is hedenmorgen juist niet aangenaam, om buiten te staan.”

Beide jonge mannen traden hierop het kasteel binnen en Jonker Willem geleidde zijn vriend door verscheidene gangen en langs een paar steenen trappen naar een rond vertrek in een der torens, waaruit men door een smal venstertje het uitzicht had op Gorcum, de beide rivieren en omliggende vlekken. Een goed vuur brandde er in den haard, en daar Jonker Splinter inderdaad een weinig huiverig geworden was, plaatsten zij zich beiden bij het vuur.

Het was een schoon gezicht, die beide jeugdige vrienden, wier gelaat blonk van het geluk, eenige oogenblikken elkanders bijzijn te genieten. Hoewel zij beiden even oud en pas hun twee-en-twintigste jaar ingetreden waren, won Jonker Splinter het toch in manlijke forschheid en ontwikkeling op Jonker Willem Van Arkel, die het teedere en beminnelijke van zijn vroeg gestorven moeder Johanna Van IJselstein meer had overgeërfd dan het ruwe en fiere van zijn vader. Beide jonge mannen waren bestemd, althans door hun rang en stand, om eenmaal een schitterende toekomst te gemoet te gaan, maar—ofschoon ik hier een weinig vooruitloop—zij vermoedden niet, terwijl zij daar zoo gezellig bij het vuur zaten en Willems arm op Splinter’s schouder rustte, dat zij beiden in de kracht en den bloei huns levens op hetzelfde uur en denzelfden dag zouden weggerukt worden.

Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staarden beide vrienden stilzwijgend in het vuur. Door beider ziel vlogen eenige gedachten, die zij elkander wel konden, maar niet durfden toevertrouwen. Jonker Splinter, die een scherpen blik had in de toekomst, vreesde voor Jonker Willem, en deze dacht er over, van welk gevolg het voor hem zou zijn, als hij in een nieuwen krijg tusschen zijn vader en den Hollandschen graaf gewikkeld werd.

„Gij hebt mij nog niet gezegd, Willem,” begon Jonker Splinter, die het schrikbeeld, dat zich voor zijn geest geplaatst had, trachtte af te schudden, „gij hebt mij nog niet gezegd, waar uw vader is.”

„Mijn vader bevindt zich sedert een week bij mijn oom Hertog Reinout van Gelre te Arnhem en zoo er geen onvoorziene gebeurtenissen plaats hebben, wacht ik hem eerst na de andere week hier. Ik denk, dat hij met mijn oom maatregelen neemt, om den oorlog voort te zetten. Misschien ook wil hij hem het beheer onzer bezittingen, en vooral van Gorcum, overdragen, ten einde een sterken arm te hebben tegenover de aanmatigingen van Graaf Willem.”

„Dat zou ik verkeerd vinden van uw vader,” zeide Splinter, „en ik geloof ook niet, dat hij hiertoe nu weder zal overgaan. Het zou immers gelijkstaan met de erkenning van zwakheid tegenover den graaf—en waarlijk uw vader is de man niet, hiertoe te besluiten, tenzij in den hoogsten nood. Wat uw oom Reinout betreft, hoe hoog ik hem ook schat, en welk een ridderlijk man hij ook zij, toch is hij niet vrij te pleiten van zelfzucht, en derhalve geloof ik, dat het plan eer van hem dan van uw vader zal uitgaan.”

„Ik stem de waarheid toe van hetgeen gij zegt,” sprak Willem ernstig, „en nu verblijd ik mij te meer, dat ik u zie, want ik kan u thans opdragen, gedurende uw verblijf te Arnhem de zaken aldaar eens te polsen, opdat gij mij dan berichten kunt, of ik mij in mijn vermoedens bedrogen heb, ja dan neen. Doch zeg mij uw gevoelen aangaande mijn vader, van wien gij weet, dat hij niet gezind is, het kwaad te laten rusten.”

„Dat behoef ik u niet te herhalen, Willem; gij kent het, en wat zou het mij baten, u nog eens te zeggen, dat ik de onverzettelijkheid uws vaders in deze prijs. Uw spreekwoord is: Medio tutissimus ibis (de middelweg is de veiligste), maar ik houd het er voor, dat een man moet weten wat hij wil, dat hij partij moet kiezen en zich niet moet laten slingeren door de gevoelens van deze en gene. Uw vader is in zijn volle recht: de Hollandsche graaf heeft hem bij gelegenheid van het tornooispel even smadelijk bejegend als wijlen Hertog Albrecht, en het moge christelijk zijn, beleedigingen te vergeven, maar een edelman heeft ook zijn eischen. Allereerst die, dat de beleediger vergiffenis vraagt. En dit heeft Graaf Willem nooit gedaan; integendeel, toen uw vader naar recht handelde, viel Willem VI in zijn bezittingen en ontroofde hem, in vereeniging met Utrecht vele schoone sterkten en steden. Zoo uw vader zich door weeke gevoelens liet leiden of door klaagbrieven de zaak op de lange baan wilde schuiven, zou hij zeer in mijn achting dalen.”

„Maar, Splinter,” viel hem Jonker Willem haastig in de rede, „denkt gij dan nooit aan het lijden onzer onderhoorigen, aan de verliezen, die de bewoners van Gorcum of Leerdam hoogstwaarschijnlijk zullen treffen, als mijn vader zijn halsstarrigheid doordrijft?”

„Zeker denk ik daaraan, en met smart stel ik mij voor, hoe zoovele menschen door een vernieuwden oorlog van leven, huis en have beroofd zullen worden—maar als het goede recht aan onze zijde is, moeten wij niet op de gevolgen letten: wij moeten kiezen of deelen. Wat mij betreft, ik heb reeds lang gekozen, en zoo uw vader den strijd hervat, zal mijn zwaard hem en uw huis gewijd zijn.”

Jonker Willem was beschaamd en wist niet anders te doen dan de hand van zijn vriend te drukken.

„Het geeft mij inderdaad een groote vertroosting, van u deze verzekering te ontvangen,” begon hij na eenige oogenblikken stilzwijgens. „Ik heb deze voortdurend noodig, geslingerd als ik word door hoop en vrees; vrees dat de oorlog weer met vernieuwde woede zal uitbreken en hoop dat er een eervol vergelijk komt tusschen mijn vader en Graaf Willem. Te weten dat gij mij en ons huis in lief en leed zult bijstaan, is mij een ware verkwikking.”

„Op mijn hulp—ik herhaal het—,” zeide Jonker Splinter, „kunt gij voortdurend rekenen; ik ben op dat punt beslist. Maar mijn hulp is slechts zwak. Bedenk, hoe vele machtige vijanden uw vader heeft: Adolf Van Kleef, de beide Van Borselens, Floris Van der Aa, Filips Van de Leck en zooveel anderen. Bovendien, gij hebt in uw eigen stad uw vijanden, sommigen die vriendschap en onderwerping huichelen, anderen die bijna in het openbaar den graaf van Holland huldigen. En onder deze is Walraven Van Brederode niet de minste.”

„Wat zegt gij? Walraven Van Brederode!” riep jonker Willem verwonderd uit. Houdt gij hem voor een verrader?”

„En twijfelt gij daaraan nog?” vroeg Splinter op zijn beurt.

„Zeker,” antwoordde Jonker Willem met hartstocht. „Ik weet zeer goed, dat hij met hart en ziel aan den graaf van Holland is gehecht en weleer de wapenen tegen ons huis heeft opgevat; ik weet zeer goed, dat hij nooit de partij van mijn vader zou kiezen en dat, als er wederom een oorlog ontstaat tusschen Holland en Van Arkel, hij zijn best zal doen, om onze balken te vernielen2, maar iets anders is het, hem een verrader te verklaren. Zie, Splinter, gij hebt onze partij gekozen, en het zou uw lust zijn, indien het tot een oorlog kwam, het zwaard tegen den Hollandschen graaf te keeren—maar nimmer zoudt gij er aan denken, hem door verraad in onze macht te brengen. Een verrader is in mijn oog een laaghartig mensch, en verre is het van mij, Heer Walraven Van Brederode voor zulk een te houden. Bovendien zou het schandelijk ondankbaar van hem zijn, op deze wijze de goedheid mijns vaders te vergelden, aan wien hij zijn vrijheid te danken heeft.”

„Het doet mij leed, Willem,” zeide jonker Splinter, „dat gij van een ander gevoelen zijt. Gij vertrouwt de menschen te veel en gij sluit uw oogen te lichtvaardig voor hetgeen zij bedekt of onbedekt doen.”

„Maar Brederode is een vriendelijk man,” hernam Willem. „Als hij mij zijn bezoek aankondigt en tot ons komt, dan is hij uiterst beleefd en hartelijk. Er ligt ook niets in zijn oog, dat eenigen schijn van valschheid verraadt. Gij ziet misschien te scherp.”

„En gij te weinig. Er zijn ten allen tijde menschen geweest, die de kunst verstaan hebben, hun gedachten achter hun woorden en gebaren te verbergen. Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar als Walraven tot u komt, dan heeft hij daarmede een doel, dat hij u niet laat bemerken, en terwijl hij u bezighoudt en u tot spreken uitlokt, zwerft zijn blik naar alle kanten en is zijn oor voor alles geopend, waarvan hij voordeel kan meenen te trekken.”

Jonker Willem was opgestaan. Splinter’s gevoelen had hem gemelijk gemaakt, en op korreligen toon zeide hij:

„Gij zijt ook altijd zoo wantrouwend.”

„Wantrouwend of niet,” sprak Splinter, die ook opstond, „maar zoo ik u een raad mag geven, hoed u voor Brederode. Die man is een roofdier met fluweelen pootjes, en als hij er kans toe ziet, om Gorcum en alles, wat heer Jan Van Arkel in Holland bezit, aan den graaf van Holland in handen te spelen, zal hij niet terugdeinzen voor onzedelijke middelen. Doch het wordt tijd, dat ik heenga, en het doet mij leed, dat ons gesprek, gedurende de weinige oogenblikken, die ik hier heb doorgebracht, zulk een wending heeft genomen. Vaarwel, Willem, overleg mijn woorden. Moge het nimmer bewaarheid worden wat ik vermoed.”

Hij reikte hem de hand, en Jonker Willem nam ze aan, maar drukte ze niet zoo hartelijk als weleer: hij kon niet ontkennen, dat Splinter’s woorden hem ontstemd hadden. Toch wist hij zich te bedwingen en geleidde hij zijn vriend naar buiten, gaf den bediende last, het paard te brengen, en vergezelde hem tot aan den buitensten hof, waar hij afscheid van hem nam en hem een goede reis wenschte.


Jonker Willem was naar zijn vertrek teruggekeerd en had zich weder bij het vuur nedergezet. Zijn gewoonlijk opgeruimde stemming bleef thans achterwege en verdrietig staarde hij in het vuur, volgde het spel der vlammen en trachtte den indruk, dien Splinter’s woorden op hem gemaakt hadden, uit te wisschen. Terwijl hij daar zoo alleen zat, werd zachtjes een deur geopend en het hoofd van een jongen man zichtbaar, die, na zich verzekerd te hebben, dat niemand anders dan de jonker hier aanwezig was, stil en behoedzaam de kamer binnentrad en de deur weer achter zich sloot. Hoe stil dit ook geschied was, toch was het door Jonker Willem niet onopgemerkt gebleven. Hij wendde het hoofd naar den kant der deur en toen hij den binnenkomende gewaarwerd, keerde hij weder den blik naar het vuur, alsof hem het bezoek geheel onverschillig was. Er was, wat jaren betreft, weinig verschil tusschen Jonker Willem en den binnenkomende, maar ook slechts een vluchtige vergelijking tusschen hun kleeding was voldoende, om te doen zien, dat die van den laatste van minder gehalte was dan van den rijken erfgenaam der Van Arkels. Hij droeg de kleuren van het Arkelsche huis, donkerblauw en lichtrood, en bewees hierdoor reeds, dat hij tot de onderhoorigen of dienstbaren van Heer Jan Van Arkel behoorde. Toch was er een verschil tusschen hem en de lijfknechten, die wij daar straks bij het bezoek van Jonker Splinter opmerkten, daar zijn kleeding fijner was en hij aan den gordel een kleinen dolk droeg, ten teeken dat hij een der wapendragers was van Jonker Willem.

„Gij moet mij niet storen, Simon,” zeide Jonker Willem op stuurschen toon, zonder het hoofd naar den binnentredende te wenden. Al zijt gij ook duizendmaal mijn zoogbroeder en geniet gij het voorrecht met mij in denzelfden toren te wonen, toch verlang ik niet, dat gij mij zoo dikwijls lastig valt.”

Een ander dan Simon zou misschien bij het hooren dezer woorden schielijk de kamer verlaten en zich verontschuldigd hebben, maar Simon scheen aan dergelijke bejegeningen gewoon te zijn of wist uit ondervinding, dat zulk een booze bui spoedig overwoei en dat het spreekwoord: de aanhouder wint, waarheid bevatte. In plaats van heen te gaan, deed hij nog een paar stappen vooruit, zoodat hij vlak achter den jonker kwam te staan, en zeide:

„Ik wist niet, dat gij verdrietig waart, jonker—maar al waart gij het nog erger en nog langer, toch zou mij dit niet teruggehouden hebben, u kennis te komen geven van een bezoek, dat ik daar straks heb ontvangen van.…”

„Mij gaan uw bezoeken volstrekt niet aan, Simon,” viel hem de jonker in de rede.

„Een bezoek van Aart,” vervolgde Simon hardnekkig.

„Al was het een bezoek van uw overgrootvader, die reeds vijftig jaar dood is,” bromde de jonker. „Houd uw bezoeken maar voor u.”

„Van Aart,” ging Simon voort, „gij weet wel, jonker, den lijfknecht van den edelman Quannevan, bij wien mijn zuster Jennike.…”

Jonker Willem zette de beide ellebogen op zijn knieën en hield de handen voor zijn ooren ten teeken, dat hij naar niets wilde luisteren. Simon, die dit opgemerkt had en reden scheen te hebben voor den wensch, dat de jonker het toch hooren zou, versterkte nu zijn stem en riep luid:

„Hij kwam vanwege mijn zuster en verzocht mij, u te mogen spreken. Toen ik hem vertelde, dat gij een vriend bij u hadt en hem verzocht, mij de boodschap slechts op te dragen, antwoordde hij, dat Jennike hem gezegd had, dat het een groot geheim was en hij het aan niemand anders mocht openbaren dan aan u.”

Jonker Willem bleef doof.

„Een groot geheim,” herhaalde Simon, nog luider sprekende.

„Ik wil de geheimen uwer zuster niet weten,” zeide de jonker. „Zij gaan mij niets aan.”

„Maar zij konden wel eens zeer gewichtig zijn. Gij weet het, jonker, mijn zuster is zeer aan uw huis gehecht, en als zij eens iets gehoord had, dat voor u noodig was te weten.…”

„Ik blijf er bij, Simon,” sprak Jonker Willem opstaande, „dat mij de geheimen uwer zuster niets aangaan. Het zullen keukenpraatjes zijn, of misschien heeft zij weder kibbelarij gehad met den driftigen heer Quannevan.… Kom, ga heen, en laat mij alleen!”

„En wat moet ik dan tegen Aart zeggen?” vroeg Simon.

„Alles, wat gij wilt,” antwoordde Jonker Willem, die naar de deur ging als wilde hij het vertrek verlaten.

Op dit oogenblik liet zich trompetgeschal vernemen ten teeken, dat iemand den burcht naderde en begeerde binnengelaten te worden.

„Ga eens zien, wie daar komt,” zeide Jonker Willem.

„Maar Aart.…?” vroeg Simon weifelende.

„Loop rondom met uw Aart!” riep de jonker uit.

„Hij heeft mij echter gezegd, dat, zoo hij u niet kon spreken, hij onverwijld uw vader moest opzoeken, daar zijn boodschap geen uitstel gedoogde.”

Deze laatste woorden brachten den jonker Van Arkel toch tot eenig nadenken, zoodat hij staan bleef en zeide:

„Wat zou hij mij dan toch te zeggen hebben? Misschien kan ik hem van avond of morgen spreken. Misschien ook kan ik hem nu.…”

Op dit oogenblik kondigde een bediende het bezoek aan van Heer Walraven van Brederode. Jonker Willems gelaat helderde op en zijn schreden richtende naar den uitgang, om den bezoeker te verwelkomen, zeide hij tot Simon:

„Gij ziet, ik kan thans dien knecht niet spreken. Als zijn boodschap zóó belangrijk is, laat hem dan mijn vader opzoeken, die te Arnhem of op reis herwaarts is.”

Met deze woorden verliet hij het vertrek.

Helaas, deze gril heeft Jonker Willem vele onaangenaamheden gebracht. Had hij Aart toegelaten en de boodschap aangehoord, die deze kwam brengen, gewis zou hem dan veel leeds gespaard zijn gebleven. Mijn lezer vermoedt reeds wat Aart te zeggen had. Jennike, bevreesd, dat het Walraven gelukken mocht, overwicht op Jonker Willem te krijgen, had Aart naar den burcht gezonden, om den zoon van Heer Jan te waarschuwen, en slechts diens onstandvastig, wispelturig karakter droeg schuld, dat de boodschap niet tot hem kwam. Aart, getrouw aan zijn opdracht, sloeg den weg in naar IJselstein, in de hoop Heer Jan daar te vinden. Jonker Willem ontving Walraven Van Brederode en den raad van Splinter in den wind slaande en slechts zijn eigen oppervlakkig gevoel raadplegende, viel hij, bevreesd als hij was voor den ondergang van zijn huis, in den gespannen strik zijner vijanden en werd de verrader zijns vaders. Niet bestand tegen de vloeiende en klemmende redenen van Brederode, trad hij in een verbond met de samenzweerders, die hem kwansuis het bezit van Gorcum en het omliggende land waarborgden, maar eigenlijk slechts een tweespalt tusschen vader en zoon beoogden, om daarvan ten voordeele van den graaf van Holland partij te trekken. Jonker Willem, zeg ik, viel in den strik, en de zoon, die nog een dag geleden vol liefde was voor zijn vader, kwam binnen de muren van Gorcum en liet de poorten sluiten voor den ouden Jan Van Arkel, die, zoodra hij bericht ontvangen had van hetgeen er tegen hem gesmeed werd, in allerijl naar Gorcum trok en tevergeefs beproefde binnengelaten te worden. Evenzoo geschiedde dit te Leerdam, werwaarts de samenzwering zich verplaatst had, en schoot er voor Jan Van Arkel niets over, dan tot zijn zwager Reinout Van Gelre te keeren.

Het was een schandelijke daad van Jonker Willem, die door geen tranen ooit kon uitgewischt worden.


1 Deze Jan Van Egmond was gehuwd met de dochter van Jan Van Arkel, Maria, die in 1415 stierf, nalatende twee zoons, Arend en Willem Van Egmond. Arend werd later hertog van Gelre. 

2 Jonker Willem zinspeelt hier op het Arkelsche wapen: twee roode balken op een zilveren veld. Vroeger voerden de Van Arkels in hun wapen twee ronde torens met een blauw dak op een gouden veld.