DERDE HOOFDSTUK.

Waarin van een samenzwering en saliemelk verteld wordt.

Jennike had de kamer verlaten, maar was volstrekt niet van zins, om zoover buiten de stad te gaan en den steenbakker Pekeric te gaan roepen. Niet dat zij wegens de moeite en den afstand tegen deze boodschap opzag,—volstrekt niet. Al ware het nog tweemaal verder geweest en het weder nog donkerder en onstuimiger, zou zij er niet tegen opgezien hebben, den wensch van den edelman te vervullen,—maar zij vertrouwde de dingen en nog veel minder de personen niet, die haar heer omgaven. Buitendien er waren geruchten tot haar gekomen—hoe wist ze zelf niet, misschien had zij ze in een droom gehoord—dat er een samenzwering op til was tegen Heer Jan Van Arkel. Er heerschte veel ontevredenheid in de stad wegens de gedurige oorlogen en de onverzettelijkheid van Heer Jan, om met den graaf van Holland vrede te maken. Zij wist, dat Walraven Van Brederode in het geheim bijeenkomsten hield met aanzienlijke personen, onder anderen met Jan Gerardijn, proost en deken van het canonikale college dier stad, met de gebroeders Herlaars en anderen,—menschen, die een vriendelijk gelaat in zijn bijzijn aan Heer Jan Van Arkel vertoonden, maar achter zijn rug tegen hem samenspanden. Van dezen handel had zij een gruwel, te meer omdat het haar bekend was, hoe Heer Jan Van Arkel dezen Jan Gerardijn, die van arme ouders stamde, door ondersteuningen in geld in de gelegenheid gesteld had, tot zulk een hooge betrekking op te klimmen. En meer dan ooit besloot zij een waakzaam oog te houden, vooral toen het haar bleek, dat Walraven Van Brederode in de laatste dagen dikwijls uit de stad geweest was en telkens bij zijn terugkomst bijeenkomsten gehouden had met bovengemelde personen.

Jennike was in geenen deele dom, en wie haar beschuldigde van verstand ontbloot te zijn, sloeg de plank geheel mis. Zij vermoedde, dat er weder een geheime samenkomst op til was; het was alsof haar iemand zeide, dat die samenkomst in de gewelven van het benedenhuis zou plaats vinden en dat het bezoek der beide schepenen slechts diende, om Quannevan bezig te houden en zijn opmerkzaamheid op hetgeen er beneden mocht plaats grijpen af te leiden. Zij kon dus het huis niet uit, zoo zij de bewegingen der verraders wilde gadeslaan. Maar hoe zou het dan gaan met de boodschap aan den steenbakker? Zij mocht toch haar meester niet ongehoorzaam zijn. In haar angst riep zij tot God om hulp—en spoediger dan zij verwachten kon, daagde deze op. Aart kwam te huis, en wetende, dat hij een liefhebber was van saliemelk, beloofde zij hem een ketel vol, als hij voor haar de boodschap ging verrichten.

Nauwelijks was Aart weg, of haar luisterend oor meende iets onder in het huis te vernemen. Zachtjes sloop zij uit haar keuken naar een klein vertrekje, dat onmiddellijk boven het middelste gewelf gebouwd was. Zij legde zich hier plat op den grond met het oor op den estriken vloer, doch zij kon niets vernemen, dat naar eenig gesprek of woord geleek. Het baatte haar dus niets, al bleef zij hier ook den ganschen avond op de loer,—en weten moest zij wat er onder haar gebeurde. Eensklaps viel het haar in, wel eens gehoord te hebben, dat er in de kast van het vertrekje, waarin zij zich thans bevond, een deur was, die op een gang uitkwam, aan welker einde een trap naar de gewelven voerde. Wat zou zij nu doen? Zou zij zich in de duisternis van die gang wagen? Zou zij tot in de nabijheid der samenzweerders afdalen? Hevig klopte haar hart, want de vrees, dat men haar ontdekken en wellicht van het leven berooven zou, woog zeer zwaar bij haar. Eenige oogenblikken stond zij stil en dacht na wat zij doen zou, maar ook slechts eenige oogenblikken, want twee minuten later stond zij reeds in de kast, tastte langs alle reten en kieren of zij ook den verborgen ingang kon vinden, en wilde—ontmoedigd—reeds het zoeken opgeven, toen zij met haar voet tegen een klein, hard voorwerp stiet. Zij bukte zich, om dit te bevoelen, en ontdekte, dat het de knop eener veer was. Op dezen drukte zij met de volle kracht harer hand en langzaam rees de deur opwaarts, en stroomde haar de koele, vochtige nachtlucht uit de gang tegen, te gelijk met een huivering, die haar plotseling overviel. Doch zij mocht zich geen tijd gunnen tot overleggen, en eenigszins haastig, maar toch met bedachtzamen tred betrad zij de donkere gang, aan welker einde zich de steenen trap bevond. Nauwelijks had zij deze bereikt, of de stemmen, die zij straks had meenen te hooren, werden nu duidelijk verstaanbaar, en niet verder durvende gaan, zette zij zich op een der treden neder en luisterde thans met scherpe aandacht, wat zij des te gemakkelijker kon doen, daar zij in dezen haren schuilhoek door niemand kon gezien of gehoord worden. Ook zijzelf zag niemand, en het eenige, wat zij waarnam, was het zwakke licht van een paar kaarsen, welker schijnsel door eenige spleten en scheuren tot haar doordrong.

Gedurende eenige minuten vernam zij niets dan eenig gemompel, doch straks hoorde zij een stem, die zeide:

„Is heer Bruyn Woutersz. nog niet gekomen?”

„Neen,” was het antwoord.

„Ik ken die stemmen,” fluisterde Jennike. „De vrager is Jan Gerardijn, de proost onzer kerk. Die Judas! Onder zijn heilig gewaad verbergt hij het verraad tegen zijn weldoener. Maar God zal hem te zijner tijd wel vinden! De andere stem is die van Arend Van Goor.”

„En is Heer Walraven Van Brederode verwittigd, dat wij te zeven uren hier zouden bijeenkomen?” vroeg Jan Gerardijn.

„Ja, eerwaarde heer,” antwoordde Arend Van Goor. „Maar het is mogelijk, dat hij eenig oponthoud heeft gehad en een weinig later zal komen, daar hij zijn weg herwaarts over Utrecht wilde nemen, ten einde nog met den bisschop eenige zaken nader te overleggen.”

„Als hij ons dan maar niet tevergeefs laat wachten want op zijn verzoek zijn wij immers hier saamgekomen, en zou hij ons de noodige bescheiden van Graaf Willem—de heilige Maagd behoede onzen vorst!—medebrengen. Gij begrijpt dus wel, dat wij van onzen kant wel te huis hadden kunnen blijven, als wij zeker wisten, dat hij oponthoud gekregen heeft.”

„Heer Walraven is anders voortvarend genoeg,” zeide een andere stem.

„Dat is de stem van Gerrit Herlaar,” fluisterde Jennike. „Ik herken hem aan zijn grove spraak.”

„En niet alleen voortvarend,” zeide Van Goor, „maar ook ijverig. Wat hij onderneemt zet hij met alle kracht door, en ik zou mij zeer moeten bedriegen, als wij hem niet binnen weinige oogenblikken in ons midden zagen.”

„Het beste is, dat wij dan maar met geduld wachten. Weet ook iemand uwer, hoe het hierboven gesteld is en of de ingang van dezen kelder goed bewaakt wordt?”

„O, daarop kan ik u het beste antwoord geven,” sprak een stem, die door Jennike als van Rutger Van der Haar, een der schepenen, herkend werd. „Zooals Uw Eerwaarde bekend is, heb ik dezen kelder in gebruik als bergplaats van koopmansgoederen, en mijn knecht Dirk, die zoo trouw is als goud, staat aan den ingang en laat niemand door, die het wachtwoord niet weet. Hij heeft van mij den last ontvangen, ons door een schel gefluit kennis te geven van naderend gevaar, daar wij toch op onze hoede moeten wezen. Mocht dat gevaar waarlijk bestaan, welnu dan nog geen nood. Wij blazen eenvoudig de lichten uit en vluchten. Ook moet ergens een trap uitkomen, die—ik weet niet waar—heen geleidt.”

Jennike’s hart klopte hevig bij het hooren dezer woorden.

„Ik bemerk, dat gij uw voorzorgen goed genomen hebt,” zeide de proost, „maar mijn vraag: hoe het hierboven gesteld is, hebt gij nog niet beantwoord.”

„Ook daaromtrent kan ik u geruststellen, eerwaarde Heer,” hernam Rutger Van der Haar. „Mijn beide medeschepenen Jacob Roelofsz. en Boudewijn De Ledige houden den ouden edelman gezelschap, en om hem nog meer afleiding te bezorgen, en vooral om de meid—die looze feeks—uit het huis te krijgen, zullen zij Quannevan overhalen haar naar buiten te zenden tot Willem Pekeric den steenbakker. Ha! ha! ha! Het zal haar op dien duisteren weg niet invallen, dat wij haar die poets gebakken hebben.… Maar daar komt iemand.”

„Het is Heer Walraven Van Brederode!” zeide Jan Gerardijn, naar voren gaande en den binnenkomende de hand reikende. „Welkom, Heer! Ik moet zeggen, gij zijt een man, die uw tijd kent.”

„En zoudt gij meenen, eerwaarde Heer,” sprak Brederode, eenigszins driftig, „dat een Brederode zijn woord kon breken? Neen, ik zou gekomen zijn, al had ook Van Arkel den geheelen weg met palen laten afzetten. Een vroom edelman springt over alle bezwaren heen. En ik verzeker u, ik heb er niet weinige gehad,” vervolgde hij, zich het zweet van het voorhoofd wisschende. „Maar daarover later. Thans ben ik hier en mijn eerste vraag moet nu zijn, of de vrienden allen weten waartoe deze bijeenkomst strekt.”

„Ik heb het hun daar zooeven juist herinnerd, edele Heer,” gaf Jan Gerardijn ten antwoord, „en ik behoef u dus niet te zeggen, hoe wij allen begeeren te weten, welke de uitslag is geweest van uw pogingen bij den graaf.”

„Ja, wij allen verlangen hoe eer hoe beter van het gehate juk van Jan Van Arkel ontslagen te worden,” riepen sommigen der aanwezigen.

„Welnu dan, mijn vrienden, ik ben verblijd, dat ik u, die zulke trouwe aanhangers van onzen vorst zijt, goede tijding kan brengen. Ik had de eer, den graaf te spreken en uit zijn hand een brief te ontvangen, dien ik u voorlezen zal, terwijl hij mij opdroeg, u allen van zijn hooge toegenegenheid te verzekeren.”

„Leve onze graaf Willem VI!” schreeuwden sommigen, maar Jan Gerardijn wenkte hun met de hand en verzocht hun, hun geestdrift een weinig te matigen, hun het spreekwoord in herinnering brengende, dat sommige muren ooren hebben.

„Ik wenschte echter vooraf een vraag te doen,” zeide Arend Van Goor, „voordat de heer Van Brederode ons den brief voorleest.”

„En welke is die vraag?” vroeg Walraven.

„Deze: hoe denkt Graaf Willem over Jonker Willem Van Arkel? Gij weet het allen, ik ben een gezworen vijand van Jan Van Arkel, maar tegen zijn zoon heb ik niets dan spijt, dat hij zijns vaders naam draagt. Welke zijn de gevoelens van den graaf omtrent jonker Willem?”

„Graaf Willem,” antwoordde Brederode, „heeft mij meer dan eens gezegd, dat hij zeer welwillend omtrent Jonker Willem denkt en dat hij niets liever zou zien, dan dat er tusschen hen beiden vrede en vriendschap bestond, maar dat, zoolang de zoon partij kiest voor zijn vader tegen den graaf, er geen sprake van kan zijn, om in vrede en vriendschap met Jonker Willem te leven.”

„Braaf gedacht van den graaf,” zeide een der gebroeders Herlaar, „en daarom zou het, zoowel voor den graaf, voor Jonker Willem, als voor ons zeer wenschelijk wezen, dat er een scheiding bewerkt werd tusschen vader en zoon.”

„Hoe schandelijk!” fluisterde Jennike op de trap.

„Ik zie er het nut niet van in,” zei Jan Gerardijn, het voorbeeld volgende van menschen, die weldaden ontvangen en hun weldoeners ondankbaar zijn, „wat gaat het ons aan, of Jan Van Arkel in vrede dan wel in twist leeft met zijn zoon! Ons doel is, het land van de Arkelsche heerschappij te bevrijden.”

„Toch geloof ik, eerwaarde Heer, dat er in de woorden van Herlaar een diepere en goede zin ligt,” zeide Brederode. „Ik heb over dit onderwerp reeds verscheidene malen met Herlaar en Van Goor gesproken, en ons gevoelen zoowel als dat van vele vroede mannen in Holland en Utrecht is, dat een scheuring tusschen Jan Van Arkel en zijn zoon voor ons uitermate voordeelig zou zijn. Maar er is nog meer: Zooals gij weet, is Hertog Reinout van Gelre, vooral wegens bloedverwantschap, zeer op de hand van Jan Van Arkel en zal hij nooit dulden, dat Gorcum aan de heeren Van Arkel ontrukt wordt. Wij kunnen ons verzekerd houden, dat, zoodra Graaf Willem Gorcum op deze wijze in zijn bezit brengt, Hertog Reinout onmiddellijk al zijn edelen en steden met Kleef en Meurs ter heirvaart zou oproepen en Gorcum voor zijn zwager en neef ontzetten, ten minste zou trachten te ontzetten. Het zou van onze zijde een staatkundige fout en ten nadeele van Graaf Willem zijn. Ik zal u zeggen, hoe naar mijn oordeel de lijn moet wezen, die wij te volgen hebben. Wij moeten een scheuring bewerken tusschen vader en zoon, met belofte aan den laatste, dat hij in het bezit van het Arkelsche grondgebied en deze stad zal gehandhaafd worden, zoo hij, met onze hulp, zijn vader het land uitdrijft of desnoods gevangenzet.”

„Dat zal moeilijk van den zoon geëischt kunnen worden,” zeide Rutger Van der Haar, „en gewis zal hij dit ver van zich afwijzen.”

„Zeg dat niet—zeg dat niet,” sprak Brederode eenigszins haastig. „Jonker Willem heeft wel een edel gemoed, maar hij is zwak van karakter, en bovendien, als het hem klaar voor oogen gesteld wordt, dat hij nimmer zijn vader in het bezit van Gorcum en het Arkelsche zal kunnen opvolgen, ja, dat hij wellicht alles zal verliezen, zoo hij de partij zijns vaders houdt—dan geloof ik, dat hij er wel toe te bewegen zal zijn, om aan de stem der eerzucht meer gehoor te geven dan aan die der kinderlijke liefde.”

„Ik zie evenwel nog niet in, dat dit ons veel zal baten,” zeide de proost. „Wij willen met de Van Arkels niets uitstaande hebben.”

„Ik heb u reeds gezegd, eerwaarde Heer,” antwoordde Brederode, „dat wij geen oorlog tusschen Graaf Willem en Hertog Reinout moeten uitlokken. Beiden zijn zeer machtige heeren en ons land zou daardoor het grootste nadeel lijden. Maar bovendien, heer Reinout wordt oud—en als hij gestorven is, hebben wij een vijand minder te duchten. Eerst de eene partij tot vriend gemaakt, en dan de andere verslaan; op deze wijze komen wij tot ons doel, en Graaf Willem, al is het ook niet onmiddellijk, in het bezit van Gorcum.”

„Als ik het plan wel begrijp,” zeide Jan Gerardijn, „dan is het dit: eerst een scheuring tusschen Jan Van Arkel en Jonker Willem; daarna Hertog Reinout voor ons doel te winnen, en, door hem de eene of andere strook lands te beloven, gezamenlijk Jonker Willem uit het grondgebied te verjagen en Graaf Willem als heer des lands te huldigen.”

„Zoo is het—zoo is het!” zeide Brederode. „En ik wil er nog dit bijvoegen, dat ik voor een en ander weinig zwarigheden zie, zoo wij maar trouw blijven aan ons verbond en geen woord buiten deze muren brengen.”

„Ik zal wel zorgen, dat het buiten deze muren komt,” fluisterde Jennike.

„Wat mij betreft,” vervolgde Brederode, „ik neem het op mij, Jonker Willem te belezen, onzen voorslag aan te nemen, en wat Hertog Reinout aangaat, ik reken op diens heerschzucht. Hij houdt meer van een schoone stede en nieuwe vesting dan van een neef, die in de verlegenheid zit. Mij dunkt, Hertog Reinout zal wel te vinden en te winnen zijn.”

„De Heilige Maagd en al de engelen te zamen mogen het u doen gelukken,” zeide de proost, „maar.…”

„Ik weet reeds, wat uw eerwaarde wil zeggen,” viel Brederode hem in de rede, terwijl hij den duim zijner rechterhand eenigszins snel over den wijsvinger wreef, „gij herinnert u de tachtig duizend Fransche kronen, die Graaf Willem u en uw vrienden toegezegd heeft voor het geval, dat gij hem de stad in handen speelt. Nu, gij kunt gerust zijn, de graaf zal niet vergeten, wat hij u verschuldigd is voor de moeite, die gij doet. Hij weet, dat het geld u niet onverschillig is.”

Jan Gerardijn beet zich op de lippen. Het was algemeen bekend, dat de proost een minnaar was van het klinkend metaal, en er waren zelfs onder zijn vrienden, die hem verdacht hielden, dat hij geen oneerlijke middelen schroomde, als het gold zijn schat te vermeerderen.

„Ik wilde maar zeggen,” hernam Jan Gerardijn, zich bedwingende, „dat ik toch liever uit den mond van den graaf zelf de verzekering ontving zijner gunst en daarom heb ik reeds met vriend Van Goor de afspraak gemaakt, naar Den Haag te trekken en den graaf op te zoeken.”

„Gij kunt doen, wat gij wilt, eerwaarde Heer,” zeide Brederode, die zich een weinig gekwetst gevoelde in zijn eigenliefde, „en wanneer denkt gij er heen te gaan?”

„Eerstdaags.”

„Nog voordat ik met Jonker Willem gesproken en de scheuring bewerkt heb.”

„In het laatste geval zou ik immers een boodschapper van goede tijding zijn,” zeide Gerardijn, „en de graaf …”

„Zal u dan niet met ledige handen laten gaan,” viel hem Brederode, die een kleine wraak wilde nemen, in de rede.

„Mag ik u beiden herinneren,” liet zich Rutger Van der Haar hooren, „dat wij op deze wijze veel kostbaren tijd verliezen. Ik geloof, dat wij moeten handelen en tot een besluit komen.”

„Goed gesproken,” zeide Gerrit Herlaar, „en ik geloof, dat zich beide zaken best laten vereenigen: de eerwaarde heer proost vertrekt met Van Goor naar Den Haag, om nog eenige punten met den graaf vast te stellen, b.v. verzekering van zijn bescherming tegen een mogelijken aanval van Van Arkel of tegen een niet gewenschte mislukking onzer plannen. Middelerwijl kan Brederode Jonker Willem een bezoek op den burcht brengen en hem trachten over te halen, onze partij te kiezen, hetgeen hem, bij het wankelmoedig karakter van den jongen man, wel gelukken zal. Willen wij dit zoo voor afgesproken houden?”

„Goed, zeer goed!” antwoordden verscheidene stemmen, en Brederode knikte met het hoofd ten teeken, dat hij hierin bewilligde. Middelerwijl had deze een papier uit een plooi van zijn lijfrok te voorschijn gehaald en, na het ontvouwd te hebben, op een tafel gelegd.

„De brief van den graaf! de brief van den graaf!” riepen Van Goor en Gerardijn. „Heer Brederode zal zoo vriendelijk zijn, ons den brief voor te lezen.”

„Dat is mijn voornemen,” sprak Brederode, „en gij zult daarin bevestigd zien, dat de graaf uw ijver voor zijn zaak op den rechten prijs stelt. Hij belooft u allen aanzienlijke posten, groote voorrechten en.… aan geld zal het niet ontbreken.”

Al de samenzweerders drongen thans rondom Walraven Van Brederode, die zich gereedmaakte, bij het licht der kaars den brief voor te lezen, toen plotseling allen hevig ontstelden en den blik naar een duisteren hoek richtten.

„Wat is het?” fluisterde de proost, bleek van schrik, en zich achter Heer Walraven plaatsende. „Wat is dat? O! O! Daar is het weer!”

Nu kan ik juist niet zeggen, dat datgene, wat de personen, die in den kelder waren, hoorden, zoo akelig was en zoozeer om te ontstellen, maar wij moeten in het oog houden, dat niet alleen het oponthoud in die donkere gewelven, maar ook het doel der samenkomst weinig geruststellends en bemoedigends had, en ten volle werd de spreuk uit een der psalmen van David bevestigd: „de goddeloozen vlieden, waar geen gevaar is.”

„Daar is het weer!” fluisterden de samenzweerders.

„Houdt u stil!” zeide Van Goor, zoo zacht mogelijk, „en blaast het licht uit, opdat ons niemand verrasse!”

Op hetzelfde oogenblik, terwijl aller lippen bezig waren de kaarsen uit te blazen, hoorde men—misschien reeds voor de tiende maal—een geroep, dat blijkbaar van de trap kwam, die Rutger Van der Haar daar straks had aangewezen. Thans was het evenwel zóó duidelijk, dat men zijn ooren niet behoefde te spitsen, om te vernemen, dat er iemand boven in het huis „Jennike!” riep.

„Jennike! Jennike!” herhaalde dezelfde stem, thans lager komende.

„Het wordt tijd, dat wij zoo schielijk en zachtjes mogelijk deze plaats verlaten,” fluisterde Van der Haar, „want zoo wij hier nog langer toeven, zou het best kunnen gebeuren, dat de roepende ons hier verraste, en dit zou ons geen van allen lief zijn.”

Die raad werd opgevolgd, en zoo stil mogelijk slopen de samenzweerders heen, de een na den ander, doch niet zonder zich hier en daar aan een vooruitspringenden steen of ander voorwerp te stooten, daar het thans volslagen duister in den kelder was.

Voor ons is het geen raadsel, van waar en van wien de stem kwam. Gij zult u nog wel herinneren, dat Jennike, die reden had van te huis te blijven, Aart naar buiten had gezonden, om de boodschap te verrichten, welke de edelman haar opgedragen had. Aart was teruggekomen en hoopte nu de beloofde saliemelk te genieten, die hem in dit gure weer zeer welkom zou zijn, maar in de keuken komende, vond hij nòch Jennike, nòch eenig spoor van saliemelk. Teleurgesteld zette hij zich bij den kouden haard en rakelde de glimmende kolen bijeen, ten einde een vuur te ontsteken, ieder oogenblik Jennike hopende te zien. Maar Jennike kwam niet. Hij wachtte en wachtte, zette zich op een laag bankje bij het nu flikkerend vuur en viel in slaap. Hij begint te droomen en in zijn droom is het hem alsof iemand hem een slag geeft op den rug, nog een slag, twee—drie—vier. Hij wil schreeuwen, wordt wakker—en daar staat de edelman Quannevan, met een van drift bloedrood gelaat voor hem, die hem een hagelbui van karwatsslagen op den rug toedient en hem toeroept:

„Zoo luiaard! Dwingt gij mij, u hier op te zoeken, rekel! Ik heb reeds twintigmaal u en die draalkous van een meid geroepen. Waar is zij?”

„Ik weet—ik weet het niet,” stotterde Aart, zijn rug wrijvende.

„Weet gij het niet!” riep Quannevan woedend uit en paf! daar kreeg Aart weer een streek over den rug, „dat moet gij weten. Zij is toch voor een half uur te huis gekomen, nadat zij den steenbakker Pekeric bij mij ontboden had, en dus moet zij hier zijn. Weten wil ik het waar zij is, en nu zeg ik u, als gij mij niet binnen drie minuten nog een kan wijn brengt en binnen vijf minuten zeggen kunt waar die draalzak is, dan sla ik deze karwats op uw rug stuk. Ik heb thans geen tijd meer, om mij met u in te laten, daar mijn drie gasten mij wachten.”

Hij hief nog eens dreigend de karwats op en verliet de keuken. Aart gunde zich geen oogenblik tijd, om te bedenken, waar hij zich het meest moest wrijven,—hij haastte zich, den wijn te brengen, en bleef ook geen minuut langer, om toe te zien, hoe de dobbelsteenen over de tafel rolden en de schepenen met den nieuwen gast den beker ledigden;—de vurige oogen van den edelman waren voldoende, om hem tot spoed aan te manen. Zoo snel hij kon, spoedde hij zich weer naar de keuken en van daar naar ieder vertrek in het huis, waar hij vermoedde, dat zich Jennike kon bevinden. Eindelijk kwam hij ook in de ons reeds bekende kast, en niet wetende wat die opgeschoven deur en die donkere gang beteekenden, begon hij eerst zacht en daarna steeds harder „Jennike!” te roepen. Jennike had hem wel gehoord, maar daar zij hoopte, dat hij spoedig stil zou zwijgen, verried zij haar schuilplaats niet, waarvoor zij reden meende te hebben,—doch toen zijn geroep niet bedaarde en zij ook geen geluid meer uit den kelder vernam, haastte zij zich, hem te gemoet te gaan, en fluisterde hem in: „houd u stil en zeg niemand, waar gij mij gevonden hebt. Tot belooning zal ik u ook een dubbele portie saliemelk bereiden, goede Aart.”

Aart was inderdaad goed. Hij had reeds op de lippen haar te zeggen wat hij om harentwil geleden had, maar het uitzicht op een dubbele portie saliemelk verzoette alles, en nadat hij den edelman bericht had gegeven, dat Jennike in de keuken was, zette hij zich op zijn bankje neer, wachtende op de dingen, die daar komen zouden, terwijl de lieflijke saliegeur zijn neusvleugels deed zwellen.