Vorstenschool.

Strekking. Multatuli klaagt er in idee 930 over dat men de strekking van Vorstenschool niet begrepen heeft en er heel iets anders achter gezocht is dan de schrijver bedoelde. Velen meenden n.l. dat het daarin vertelde hofschandaaltje de hoofdzaak was en dat dit bovendien betrekking had op Nederlandsche toestanden. Met Koning George zou dan Koning Willem III bedoeld zijn, en men schreef het daaraan toe dat Vorstenschool langen tijd na ’t verschijnen nog nooit opgevoerd was. Multatuli zelf zegt hierover ’t volgende: „Ik verzeker dat onze Koning mij zoo min bekend is als de letterzetter Puf, en dat ik me niet bezig houd met de chronique scandaleuse van personen.” En verder: „Wie nu, in weerwil van dit alles, in den George van ’t drama, den tegenwoordigen Koning van Nederland meent te herkennen, wordt uitgenoodigd met gelijke scherpzinnigheid, te openbaren wie er dan met Louise bedoeld wordt? Met Hanna? Met den lakei die de kachel aanmaakt? Met den groom van jonker Schukenscheuer? Met den niet geschoten wolf? Zou dat beest misschien ook de gemeentewet beduiden? Of de Brielsche feesten? Of de mazelen der kindertjes van de juffrouw links-achter-boven-voor?”

Wat de schrijver wèl bedoelt blijkt uit de volgende aanhaling: „Men zegt dat onze grootouders de eerste thee die zij in handen kregen, gereed maakten als spinazie. Ik verzoek m’n drama te lezen, te gebruiken en te beoordeelen als …. ’n drama. Om hiertoe eenigermate den weg te wijzen, sla ik bij dezen ’n ondertitel voor: Vorstenschool, of vluchtige schets van ’n paar verschillende wijzen waarop hooggeplaatste personen hun roeping zouden kunnen opvatten. Dit namelijk is de hoofdzaak, en niet het povere, door Louise en mij even onachtzaam behandeld kuiperijtje.”

Bij een bespreking moeten we dus het volle licht laten vallen op het karakter en de daden van Louise en George. Het „hofkabaaltje” is bijzaak, maar dit vormt toch de intrigue waarop het heele stuk gebouwd is en daarom zullen we eerst nagaan hoe dit kuiperijtje in elkaar zit. Bij een eerste lezing is ’t niet gemakkelijk de rechte beteekenis te vatten; vooral de rol die Hesselfeld speelt is niet duidelijk, maar als men ’t stuk herleest en alle uitingen nauwkeurig nagaat, blijkt wel wàt eigenlijk de bedoeling is. De zaak is deze:

Intrigue. De eerste minister Graaf v. Weert heeft benijders die hem ten val willen brengen. De voornaamste daarvan is Hesselfeld die v. Weert haat, zooals o.a. blijkt uit ’t geen Van Huisde in ’t vijfde bedrijf zegt tegen De Walbourg. („Als niet Hesselfeld uit haat, en …. om Van Weert ….”). Om den minister onmogelijk te maken strooit men uit dat hij in ongeoorloofde verstandhouding staat met koningin Louise en de aanleiding tot dat praatje is ’t feit dat Van Weert geregeld op Louise’s Rust komt, daar de koningin met hem spreekt over staatszaken en die bijeenkomsten soms tot laat in den nacht duren.

De laster. Dat deze laster werkelijk al onder de hovelingen uitgestrooid is, blijkt uit het tweede bedrijf. Als n.l. de gasten allemaal aanwezig zijn, ziet de koning dat Van Weert ontbreekt en zegt: „Hoe, Graaf van Weert niet bij u?” De heeren fluisteren dan even onder elkaar: een bewijs dat er iets geheims is en dan antwoordt Hesselfeld:

„Hij was ’n oogenblik slechts bij ons, Sire.

Hij …. wendde bezigheden voor en ging.

Ook gisteren avond was hij niet op ’t bal.”

Uit de woordenkeuze blijkt duidelijk dat de hovelingen de zaak niet pluis achten (b.v. „bezigheden voorwenden” en dat „hij er gisteren avond ook niet was!”); ze hebben onderling er natuurlijk over gesproken, waaròm Van Weert al weer weg moest en z’n niet-verschijnen op ’t bal zal ook tot heel wat veronderstellingen aanleiding gegeven hebben. Let er ook op, dat ’t juist Hesselfeld is, die dit zegt! In datzelfde bedrijf blijkt wàt ze denken. Er komt n.l. een poosje later bericht dat Van Weert niet thuis is—en dat midden in den nacht! Dan fluistert Hesselfeld zijn buurman in ’t oor, maar zoo luid dat de koning ’t hoort: „Louise’s Rust is lief gelegen!” Dàt is dus ’t lasterpraatje en Hesselfeld is weer de man die ’t zegt. De koning begrijpt de bedoeling van die woorden dadelijk, stuift vreeselijk op en vraagt opheldering. Hesselfeld maakt het nog erger door te zeggen:

„De heer

Miralde roemde ’n park bij ….. Kopenhagen,

Waar koningin Mathilde … en … Struensee …”

Want ook minister Struensee werd beschuldigd een liaison te hebben met koningin Mathilde!

Intrigues voor en tegen Van Weert. Na dit alles schijnt Van Weert voor goed onmogelijk gemaakt te zijn, maar nu beginnen de intrigues vóor en tégen den minister. Als allen vertrokken zijn blijft n.l. Van Huisde achter en deze zint op een middel om Van Weert te redden. Peinzende zegt hij:

„De nacht voor donderdag, den tienden Mei …

Een, twee, drie uur … Van Weert, ’n alibi!”

Hij wil dus trachten te bewijzen dat de graaf op dat oogenblik ergens anders geweest is.

Rol van Hesselfeld. Ondertusschen staat Hesselfeld, de vijand van Van Weert, bespiedend op den achtergrond, hij hoort wat Van Huisde zegt, maar deze ziet hem niet. Zijn doel is natuurlijk Van Huisde te dwarsboomen en zoo Van Weert tòch ten val te brengen. Dat hij Van Huisde doorziet, blijkt uit ’t geen hij in zichzelf zegt:

„Een alibi? Dáár is wat van te maken!

Die heeren van de rechten weten ’t wel …

Er gaat toch, wel beschouwd, niets boven ’t recht!

Precies, van Huisde … ’n alibi… schandaal …

Eurèka!”

Pogingen van Van Huisde. In ’t derde bedrijf zien we Van Huisde aan het werk en hooren we ook, waaròm Van Weert niet vallen mag. Dat blijkt uit het gesprek van Van Huisde en Miralde. De laatste zegt:

„Ik blijf er bij, Van Weert is impossibel,

De zaak was al te duidelijk, Huisde!”

Van Huisde wijst er op dat de minister mòet behouden blijven. Zij, de groot-grondbezitters, betalen n.l. heel weinig belasting van hun landerijen1 en nu is Van Weert „een grondbezitter van den eersten rang,” van hem zal dus nooit een wetsvoorstel te wachten zijn ter herziening van ’t kadaster. Niet dat een ander minister dat dadelijk zou voorstellen, maar men moet het zekere nemen voor ’t onzekere:

„Zoolang-i staat, blijft alles bij het oude,

Ziedaar ’n zekerheid die ’k voor de kans

Van wat er volgen kàn, niet ruilen wil.

Wij offren dus Van Weert niet op, Miralde!”

Middel om Van Weert te handhaven. En nu ’t middel om hem te redden. Het feit schijnt waar te zijn, maar „wat gister helder was, is soms vandaag wat duister.” Als men „met beleid” handelt, kan men van een blijk een schijn maken” m.a.w. de werkelijkheid moet weggemoffeld worden en iets anders er voor in de plaats worden gesteld. Dat heeft Van Huisde al gedaan, zooals uit enkele van z’n gezegden blijkt.

„Er zijn middlen!

En ’k heb reeds voor mijn deel ….

En vooral

Wanneer men … met beleid … ik deed het mijne!”

„Men schuift—mits met beleid! iets tusschen ’t oog

En ’t voorwerp dat zoo duidelijk scheen, Miralde …

En dit heb ik gedaan!

Van Huisde hoopt dan ook te zullen slagen, maar één ding is er dat misschien alles zal verhinderen: Van Weert heeft soms zulke eigenaardige begrippen omtrent zedelijkheid, denkt niet precies als Van Huisde en zal dus misschien het aangeboden middel weigeren. Daarom moet Van Weert overtuigd worden dat hij in z’n eigen belang zoo moet handelen als Van Huisde wil. Vandaar ook dat de laatste tegen Miralde zegt:

„Ge zijt met hem bevriend … zeg gij hem … dat …”

Laster omtrent Hanna. In ’t vierde bedrijf wordt het ons duidelijk wat het doel van Van Huisde is. Hij wil ’t praatje rondstrooien dat Van Weert soms bij de naaister Hanna komt en als de minister dit middel aan wil grijpen, kan hij dus beweren, dat hij den bewusten nacht niet op Louise’s Rust is geweest, maar bij Hanna. Op deze wijze zal Van Weert zich bij den koning, die de koningin natuurlijk niet over de zaak durft spreken, kunnen verontschuldigen. Thans blijkt dat Van Huisde Van Weert werkelijk schuldig acht, want anders was dit alles onnoodig.

Het alibi. En nu wat Van Huisde al gedaan heeft om voor een alibi te zorgen. Ook dat blijkt uit het vierde bedrijf en wel uit het verhaal van Puf. Puf verhaalt dat hij ’s nachts een heer ontmoet had die juist Hanna Smit een bezoek had gebracht, en z’n portemonnaie had verloren. Samen zoeken ze en vinden ’t verlorene voor de deur van Hanna’s kamer. Ook zegt die meneer nog dat hij van het hof is. Deze man is natuurlijk Van Huisde of een handlanger van hem en dit alles dient om een getuige te krijgen die verklaren kan dat „een meneer van ’t hof” Hanna soms bezoekt. Als Van Weert dan, ingelicht door Miralde en Van Huisde, tegenover den Koning beweert dat hij bij Hanna geweest is, kan Puf getuigen! Dat is de manier waarop Van Huisde van een blijk een schijn hoopt te maken!

Dit alles wordt den Koning verteld—niet door Van Weert maar waarschijnlijk door Van Huisde of Miralde—zooals blijkt uit ’t geen deze in ’t begin van ’t vijfde bedrijf zegt:

„Maar wie kon gissen dat Van Weert … zoo raide,

Zoo’n overdeftig man, zoo’n zedepreker,

Zich inliet met ’n vrouw van lagen stand.”

Ook Herman hoort dit praatje:

„Ik weet nu iets … z’n naam: Hij heet Van Weert,

’n Graaf, of zoowat!”

Tegen-intrigue van Hesselfeld. Tot zoover is de intrigue duidelijk maar dan komt er iets schijnbaar tegenstrijdigs. Albert komt n.l. thuis met ander nieuws: „Men zegt dat de koningin de minnares is van Van Weert en dat het schandaal hier op de trap gezocht is om verdenking af te leiden.” Dit praatje kan natuurlijk niet verspreid zijn door iemand als Van Huisde of Miralde, maar door een vijand van Van Weert of Van Huisde, die op deze wijze den minister toch ten val hoopt te brengen. Deze man is Hesselfeld, die de woorden van Van Huisde op ’t eind van ’t tweede bedrijf heeft gehoord, diens bedoeling heeft begrepen en heeft nagegaan welk middel aangewend is om Van Weert te redden. Dat hij werkelijk Van Weert ten val wil brengen, blijkt uit het feit dat hij als lakei verkleed bij Hanna komt en haar aanraadt te klagen bij den Koning. Dan zal immers uitkomen dat het alibi onwaar geweest is:

„Graaf Van Weert

Was op Louise’s Rust …. er zijn getuigen.

Men wil u bijstaan, uit …. rechtvaardigheid,

Uit menschelijkheid, ja …. uit menschlievendheid,

En …. om de goede zeden ….”

Maar toevallig is Koningin Louise tegenwoordig, ze begrijpt alles, straft eerst Hesselfeld af en vernedert dan Van Huisde in tegenwoordigheid van Hanna, ’t meisje dat hij belasterd heeft.

Onjuiste voorstelling door Vosmaer. Dat deze intrigue niet erg duidelijk aan ’t licht komt, blijkt uit het feit, dat zelfs Vosmaer Vorstenschool niet geheel begrepen heeft. Hij schrijft in z’n studiën over Multatuli’s werken:

„Uit een ander deel der maatschappij is een tweede groep genomen. Een meisje, Hanna, naaister voor haar levensonderhoud, verloofd aan een klerk bij een ministerie, die dichter is; een broeder, werkman, wien de onbevlekte naam zijner zuster het hoogste goed is; een dronkaard, uit wiens gezin Hanna het jongste weesje tot zich neemt en verzorgt. De laster speelt zijn rol. Aan het hof wordt de koningin verdacht gemaakt van een ongeoorloofde betrekking met graaf Van Weert. Den koning foltert de verdenking.” (Dit gedeelte is juist, maar nu komt een geheel onjuiste voorstelling, waarin het foutieve gecursiveerd is!)

„De werkelijkheid is dat de naam van graaf Van Weert door een ander heer van ’t hof, die aan Hanna wel eens een bezoek wou brengen en daartoe den dronkaard Puf aanklampt, wordt misbruikt.” (We zagen boven dat deze heer van ’t hof Van Huisde of een van z’n handlangers geweest is en dat de bedoeling niet was Hanna een bezoek te brengen, maar om in Puf een getuige te krijgen voor ’t bewijzen van ’t alibi).

„Hierdoor komt ook Hanna’s naam op de tong. De rechtsgeleerde minister van Huisde en een anderen staatsman, Hesselfeld, schijnen den dubbelen laster te willen gebruiken in dien zin dat de graaf Van Weert niet om Hanna zelve bij deze zou komen, maar om de koningin daar te ontmoeten.” (Dit is heelemaal onjuist: vooreerst is Van Huisde geen minister, maar kamerheer des Konings; ten tweede wordt het hier voorgesteld alsof Van Huisde en Hesselfeld elkaars medestanders zijn, terwijl Hesselfeld Van Huisde juist tegenwerkt; ten derde zou Van Huisde op die manier graaf Van Weert dien hij redden wil, juist ten val brengen en bovendien staat er in ’t heele stuk niets, waaruit op te maken is dat Van Weert de Koningin bij Hanna zou ontmoeten).


Thans komen we tot de hoofdzaak: de beteekenis van koningin Louise en koning George. In de eerste heeft Multatuli ons iemand willen teekenen die haar taak op werkelijk koninklijke wijze opvat, in den tweede den vorst die z’n tijd aan allerlei dingen van minder belang verbeuzelt.

Koningin Louise. Koningin Louise is een idealiste, maar tevens iemand die door hard werken tracht haar ideaal tot werkelijkheid te maken. Volstrekt geen dweepster: „in dweepzucht schuilt bedrog en zij zoekt waarheid!”

Haar doel. Haar verheven doel is, het volk op te heffen, gelukkig te maken:

— — — — — — — — „als

Ik al m’n kracht ten-offer heb gebracht

Aan ’t welzijn van m’n medemenschen …. dan,

Ja, dan noem ik mijzelve Koningin.”

Zij „wil ’n eerzuil in het hart des Volks.” Ze weet dat veel teleurstellingen haar wachten, dat het een lange, moeilijke weg zal zijn, maar zij heeft, als in haar droom, gekozen. Zij wil zijn een mensch die lijdt, gevoelt en arbeidt, geen Koningin die heerscht; door de doornenkroon tot de gouden Koningskroon; per aspera ad astra!

De plicht eens vorsten. Twee dingen zijn er vooral die een Koning altijd voor oogen moet hebben: Hooge eischen moet hij stellen aan zich zelf—„der Vorsten plicht is hoog te staan! Hem voegt de middelmaat zoo min als ’t lage,”—en hij moet het volk kennen: „de Vorsten kennen ’t Volk niet dat hen voedt. Een eerste plicht des souvereins is: weten.”

Louise’s daden. Louise doèt wat ze zegt. Uit al haar woorden en daden blijkt welk een hooge plichts-opvatting ze heeft, en de andere plicht: wèten, verzuimt ze evenmin. Iedere week houdt ze audiëntie en iedereen die iets te klagen of te verzoeken heeft, mag dan tot de koningin komen. Hoeveel belang ze in al de personen stelt, blijkt uit het gesprek met Puf en ’t geen ze na afloop daarvan zegt tot De Walbourg. Alles wordt opgeteekend en daarna onderzocht, onderstand wordt aan velen verleend. Bundels papieren liggen op tafel.

„Berichten over alles wat bij ’t Volk

Niet is zooals het wezen moest, en toch—Dat

hoop ik!—eenmaal anders wezen zal.”

Wordt Louise door ’t een of ander bizonder getroffen, zooals door ’t feit dat een buurvrouw ’t jongste kindje van Puf uit vriendschap verzorgt, dan gaat ze zelf huisbezoek doen.

Maar niet alleen de lage volksklassen hoort ze, ook van de ministers wil ze weten hoe de toestand van ’t land is. Tot diep in den nacht ondervraagt ze graaf Van Weert, nooit is haar onverbiddelijke weetlust bevredigd. Ze doorziet de heeren staatslieden volkomen: de Staat is voor hen een zetel, een carrière, ’t is allemaal sleurwerk wat ze doen, hart voor ’t volk hebben ze niet En dàt is ’t voornaamste. Daarom spreekt de idealistische koningin met Van Weert; zij hoopt „in zijn hart een vonk te werpen van geloof aan mooglijkheid op beter toekomst.”

De verhouding tot Koning George. Iets is er dat Louise veel verdriet doet: de houding van haar man. Ze wil hem zoo graag eens spreken over alles waar ze in den laatsten tijd over heeft gedacht, maar slechts zelden ziet ze hem, altijd is er wat, dan een jachtpartij, dan dit, dan dat. Ook weet ze dat George zijn taak niet vervult als ’t volgens haar meening moet, en toch gelooft ze nog in hem, hij zal eens anders worden. Ze stelt het dan ook altijd voor alsof de Koning ’t geheel met haar eens is, zoo b.v. zelfs in ’t gesprek met de Koningin-Moeder. (Einde eerste bedrijf).

„Z’n Majesteit denkt juist als ik, mama!

En mocht er soms … hij heeft ’n edel hart!

En als misschien … doch neen, dit is zoo niet!

Maar als … welnu, waartoe zou liefde dienen?”

Hoe mooi is in deze woorden de twijfel van Louise aangegeven en toch weer haar geloof in ’t goede: hij heeft ’n edel hart. En George heeft een edel hart: zendt hij de arme lui uit de herberg niet een koe als de hunne gestorven is?

In ’t laatste bedrijf doet Louise ’t zelfs voorkomen alsof ze handelt op bevel des Konings en laat dus al de aanwezigen voelen hoe ook zijn hart gruwt van laagheid. Ze maakt George als ’t ware tot haar bondgenoot in den strijd tegen Van Huisde.

„Mama, ik bid u, roep den Koning hier!

Ik voel behoefte hem te spreken, en

Te zeggen dat ik … zijn bevel volbracht!

En dat ik deed … wat hij bevolen heeft,

Stipt, stipt wat hij gelastte!

Louise’s sarcasme. Op éen eigenschap van Louise wijzen we ten slotte. nog: de vreeselijke scherpte waarmee ze onwaardigen kan afstraffen. Zoo ’t woord tot Hesselfeld:

„’t Lakeienpak flatteert je, Hesselfeld!

Het past je.”

en de straf: de voorname meneer van ’t hof moet ’t pakje oprapen, dat een arm naaistertje heeft laten vallen!

Nog erger wordt Van Huisde gestraft: zijn marteling duurt zooveel langer. Telkens maakt de Koningin toespelingen op zijn schandelijk gedrag, terwijl ze schijnbaar over heel gewone zaken spreekt. Ze heeft veel gehoord van zijn roem als rechtsman! Dan in eens ’t gesprek over entomologie: ’t opprikken en martelen van een onschuldigen vlinder, zoo heeft Van Huisde door zijn laster de arme Hanna gefolterd. Ook de Koningin zal iemand op een plank nagelen, maar geen onschuldigen vlinder: een skorpioen, ’n adder is ’t! Van Huisde weet wel wie die adder met z’n vergiftige tong is! Ten slotte ’t als toevallig bladeren in een Latijnsch woordenboek: ’t opnoemen van enkele woorden, waaronder alibi en dan plotseling de vraag:

„Wat is ’n alibi? Komaan, laat hooren,

Wat is ’n alibi? m’nheer Van Huisde?”

Ook van Huisde, „die nog altijd niet weet wat Recht is,” wordt gestraft als Hesselfeld: op Louise’s bevel valt hij met gebogen hoofd op de knieën voor Hanna neer. Zoo heeft de Koningin

„in ’t rijk gemoed

Het middel (gevonden), om te doen verstaan

Ook wat niet rein genoeg is voor haar lippen!”

Wèl mag ze zeggen, als Van Huisde in boete-houding voor Hanna ligt: „Een exekutie, moeder!” En dan als slot de vlijmende woorden tot den onwaardige:

„Ge kunt vertrekken. Wisch uw knieën af,

En wat er verder aan u vuil mag zijn.

’t Tragische in Vorstenschool is dat juist deze edeldenkende Koningin ’t slachtoffer van den laster wordt, een bewijs hoe weinig de hovelingen haar hoog karakter begrijpen.

Koning George. Van Koning George is waar wat Louise zegt: hij heeft ’n edel hart en dat redt op ’t tooneel z’n heele figuur. Hij moet—en dat deed Haspels die ’t eerst deze rol speelde—volkomen ernstig genomen worden: de Koning méént n.l. dat al de beuzelarijen waarmee hij zich lang bezig houdt, zaken zijn van groot gewicht. De schouderweren berooven hem wérkelijk van z’n slaap en als hij spreekt van ontspanning „na zware dagtaak, na een nacht vol studie” is dat geen frase. De kleermaker heet niet voor niemendal Lands-heil!

George is dus iemand van goeden wil, maar wat de taak van een vorst eigenlijk is beseft hij niet: ’t ideaal van Louise is nog niet het zijne. Hij kènt Louise niet: hoe zou ’t anders mogelijk geweest zijn, dat hij ook maar een oogenblik aan Hesselfelds laster geloof kon slaan? Er is een harde les voor hem noodig om zijne oogen te openen en dat juist doen de lasterpraatjes. Hoe klein voelt George zich tegenover Louise, hoe kwelt het berouw hem over z’n schandelijken argwaan. Nu en vooral nadat de Koningin-Moeder hem alles gezegd heeft, ziet hij in, welk een edeldenkende, hoogstaande vrouw Louise is, hoeveel haar grootsche opvatting van de taak eens Konings verschilt van de zijne. Zoo heeft het idealisme van Louise in George’s hart „een vonk geworpen van geloof aan mogelijkheid op beter toekomst.” Voortaan zullen ze sámen werken voor ’t volk en zoo zal eens George Louise waardig worden. De Koningin heeft het schoonste bereikt wat ze kon wenschen: ze heeft van George een beter mensch gemaakt en daardoor tevens voor haar geliefd volk meer gedaan dan ze ooit had kunnen denken.

Hanna. Naast Louise staat een andere sympathieke vrouw: de naaister Hanna. Ook zij handelt koninklijk. Als de vrouw van Puf gestorven is, neemt Hanna ’t jongste kindje tot zich.

„Ik kon het arme schaap

Niet vruchtloos krijten hooren om z’n moeder.

Dat doet zoo zeer mevrouw.”

zegt ze tot Koningin Louise. Altijd denkt ze aan dat kindje: als Albert zijn gedicht zal opzeggen is ’t dadelijk: „Niet te luid, denk aan m’n kindje …. sjt!” en als ’t even begint te huilen terwijl de Koningin en de Walbourg bij haar zijn, gaat ze oogenblikkelijk kijken. Zelfs als de dronkenlap Puf haar diep beleedigd heeft, zegt ze fier:

„Die wieg blijft hier:

Ik zorg als vroeger voor je kind!”

Koninklijk is vooral haar houding tegenover Louise, als deze haar zegt dat ’t haar plicht is tot den Koning te gaan. Dan wordt het haar bewust welke kracht het hart des menschen opheft, wèlke de gloed is, die alles kleurt, die ’t lage hoog maakt.

„O nu begrijp ik poëzie! Ik wil niet laag,

Niet klein, gemeen zijn … ik wil niet!

Heeft zij misdaan die arme koningin,

Dan zal ’t besef haar foltren zonder mij.

Ik wil mijn deel niet aan de marteling

Die zeker eens ’t gevolg is van haar fout.

En als ze eens jammerend haar val vervloekt,

Zal niet mijn naam gemengd zijn in dien vloek!”

Zelfs voor Van Huisde, den man die haar eerlijken naam beklad heeft, vraagt ze genade, ze kan niet hebben dat iemand om hàar moet lijden.

Herman. Haar broer Herman is een ruwe werkman, maar iemand met een hart van goud. Hij heeft Hanna, z’n eenige zuster, zielslief; geen wonder dat hij opbruist van woede bij ’t hooren der lasterpraatjes. En toch welk een vrouwelijk-teer gemoed blijkt onder die ruwe schors verborgen, als Herman van Koningin Louise als aandenken de roos vraagt!

Het karakter van de meeste heeren uit de omgeving des Konings is bij ’t bespreken der intrigue gebleken; over twee hunner willen we echter nog iets zeggen: Van Schukenscheuer en Spiridio.

Schukenscheuer. Schukenscheuer is een zot, die door allen beetgenomen wordt en de hovelingen toch goede diensten bewijst:

„Men heeft hem noodig voor wat schaduw. Dat

Verhoogt de tint der middelmatigheid!

Wat is Van Huisde knap, en Hesselfeld,

En graaf van Weert … bij zùlk een man gezien!”

’t Komische in deze figuur is juist dat hij volkomen ernstig is en werkelijk méent, heel wijze dingen te doen. Zoo b.v. z’n jachtbericht. Multatuli gaf bij den tweeden druk een naschrift waarin hij over Schukenscheuer de volgende kostelijke woorden zegt. „Jonker Schukenscheuer overdrijve niet! De akteur die hem voorstelt als clown, zou den gek te veel eer aandoen. Hij behoort vooral geen blijk te geven dat-i zich zijner dwaasheid bewust, en dus …. wijs is.”

Spiridio. Tegenover Schukenscheuer staat de geestige Spiridio dien den jonker allervermakelijkst in het zonnetje zet: ’t Leukste is dat deze van de heele zaak niets snapt! Maar Spiridio is niet alleen geestig, hij durft ook, zelfs in ’t bijzijn van den koning, harde waarheden zeggen, zooals z’n parodie op de troonrede,—„een speech vol lamme laffe leugens”—bewijst. En wat hem heel wat in onze achting doet stijgen, is ’t feit, dat hij de Koningin het heele schandstuk blootlegt en met de daad bewijst „geen deel aan schelmerij te hebben”.

Ten slotte wijzen we nog op ’t buitengewoon geestige van vele uitdrukkingen en op ’t rake van den dialoog, zooals in ’t gesprek tusschen Louise en Hanna. We treffen hier weer van die echt Multatuliaansche zinswendingen aan, die vooral op ’t tooneel moeten inslaan en die zeker niet weinig tot het succes van Vorstenschool hebben bijgedragen.


1 Multatuli zegt in een noot bij idee 930: „ik erken evenwel, met de toespeling op een schandelijk lagen aanslag van grondeigendom—geheel afgescheiden natuurlijk van die lijst waarin ik die plaatste—het oog gehad te hebben op Nederlandsche toestanden. Die uitval is inderdaad aan het adres van onze Eerste-kamerleden.”