Vergiftige paddenstoelen.

Gelijk een schok van een aardbeving, verbreidt zich de mare: de kranten berichten wederom een paddenstoelenvergiftiging van een geheel gezin, reeds enkele personen zijn gestorven!

Den liefhebbers der Mycologie, vooral den paddenstoeleneters of mycophagen, die heusch al een beetje thuis begonnen te raken in de onderscheidingskunst der zwammen, slaat de schrik om ’t hart en ze zweren, nooit meer een paddenstoel te zullen aanraken.

De “kenners” ontvangen van anonieme personen, tientallen van het uitgeknipte courantenberichtje, de bewuste passage met blauw potlood dik onderstreept.

De Ned. Mycol. Vereen., beleeft kritieke tijden; vele leden bedanken voor hun lidmaatschap en ... de paddenstoelen in bosch en veld, krijgen het éénzamer dan ooit. Kortom, de Mycologie heeft voor een poosje geheel afgedaan, en is men er na verloop van een paar jaar weer wat van bekomen, dan brengt een nieuw courantenbericht den boel opnieuw in discrediet.

Ze komen haast allen uit het buitenland die berichten, (met het treurige geval in den Haag in 1910, helaas een enkele keer ook uit ons land) en dan vergete men niet, dat,—behalve dat die verhalen meestal zeer zijn aangedikt—de paddenstoelen daar in ontzaggelijke hoeveelheden gegeten worden en dat er dan allicht eens iemand onvoorzichtig geweest kan zijn, hetzij met eenige verkeerde exemplaren er bij te hebben verzameld, of dat ze reeds oud en bedorven waren (zie blz. 110). Hoeveel menschen sterven wel niet, maar worden toch gevaarlijk ziek, dikwijls met sleepende ziekten voor hun geheele leven, door het eten van bedorven vleesch of andere voedingsmiddelen. Die berichten staan ook wel in de couranten, doch de berichtgevers die zulks inzenden, hebben niet half zooveel succes, als die de vergiftigingen, door de paddenstoelen veroorzaakt, melden. De statistieken hebben uitgemaakt, dat in verhouding er veel meer ziekteverschijnselen optraden door het eten van bedorven vleesch, dan door het eten van paddenstoelen, terwijl de gevallen van paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop, gelukkig betrekkelijk zeldzaam zijn.

Doch, nadat wij dit geconstateerd hebben, willen we toch dadelijk met nadruk erkennen, dat die paddenstoelen een gevaarlijk volkje zijn om mee om te gaan en dat we een ieder die er geen kennis van heeft en er geen bepaalde studie van maakt, niet genoeg kunnen waarschuwen er voorzichtig mee te zijn en ze niet op zijn tafel te brengen!

De giftige soorten van ons land.

Laten wij verder eens vertellen hoe het met de vergiftige paddenstoelen in ons land gesteld is. Van de ruim 800 verschillende soorten welke in ons land voorkomen, zijn er ± een 300-tal verschillende soorten eetbaar, de meesten oneetbaar, doch niet schadelijk, een 50-tal verdacht en een 10-tal soorten bepaald gevaarlijk. Deze zijn: Amaníta phalloídes (fig. 16, 48 en 112) No. 24, Amaníta citrína (fig. 16 en 49) No. 25, Amaníta pantherína No. 23, Amaníta muscária (fig. 13 en 17) No. 22, Volvária speciósa en gloiocéphala (plaat 4 fig. 15) No. 259, Bolétus Sátanas (fig. 58) No. 108, Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en 102) No. 85]240, Hypholóma fasciculáre No. 139, Lactárius torminósus (fig. 52) No. 65, Rússula rúbra en emética (fig. 54) No. 85 en 86.

Ga ik er met menschen op uit, die de paddenstoelen willen leeren kennen uit een “eet-oogpunt”, dan begin ik altijd met ze de bovengenoemde giftige soorten te laten zien en als ze zich die wat ingeprent hebben, toon ik ze díé eetbare soorten, die niet, met welke giftige soort ook, verwisseld kunnen worden. Wij zouden in dit boekje zoo graag evenzoo hebben gedaan en naast de gekleurde afbeeldingen van de eetbare soorten, die der giftige gegeven hebben doch dit was nièt mogelijk.

Het is een illusie van de Ned. Mycol. Vereen. nog eens, evenals dit in Duitschland overal reeds gebeurt wandplaten met gekleurde afbeeldingen van de giftige zwammen uit te geven voor de scholen, want hoe jonger men ze leert kennen, des te beter komen ze er in, en naar onze meening is dit de beste manier, om het aantal vergiftigingen door het eten Van paddenstoelen veroorzaakt, te doen verminderen.

Maar zoo’n uitgave kost veel geld! Wie helpt de Ned. Mycol. Vereeniging mee dit plan te verwezenlijken? Deze tien gevaarlijke paddenstoelen worden, al naar den graad hunner giftigheid, weer in 2 groepen verdeeld. De eerste groep omvat die der doodelijk giftige, waartoe behooren: Amaníta phalloídes, Amaníta citrína, als de var. máppa het meest bij ons voorkomende, en de Volvária soorten: speciósa en gloiocéphala.

Van deze is de Groene Knolzwam of Amaníta phalloídes No. 24 de gevaarlijkste van allemaal, en dat wel omdat hij een, in ons land, in bosschen, velden en weilanden, overal veel voorkomende paddenstoel is.

Het grootste gevaar schuilt hierin, dat hij, vooral in jeugdigen toestand precies gelijkt op een jongen champignon, Psallióta campéstris of arvénsis (fig. 17 en 113). In fig. 16 en fig. 17 geven we een gekleurde afbeelding van de beide soorten, hier door de kleur en vooral door den zak om den steel van Am. phal en de rose plaatjes van Ps. camp. goed te onderscheiden doch uit eigen ervaring moet ik hier zeggen, dat verwisseling van beide soorten, vooral daar, waar ze in weilanden en bosschen (met Psal. arv.) dooréén groeien, zelfs voor kenners zeer goed mogelijk is. Laat dus een ieder bij het plukken van champignons, den paddenstoel goed uitgraven, om den zak te kunnen zien, en vermijde men (ook wanneer men ze aan de deur van champignonvrouwtjes) koopt, paddenstoelen klaar te maken, die een hoedoppervlakte hebben kleiner dan een gulden, daar bij de Groene Knolzwam de zak dan wellicht nog niet genoeg ontwikkeld is om als herkenningsmiddel te dienen en bovendien de plaatjes van Ps. camp., dan nog niet rose zijn (n.b. de plaatjes van Ps. arv. zijn nooit rose, eerst grijs-wit, dan zwart).

Het treurige geval in Den Haag en ook 95 % van de paddenstoelenvergiftigingen met doodelijken afloop zijn door die Groene Knolzwam veroorzaakt. Het gif van deze zwam is in 1890 door den Duitschen toxicoloog Kobert ontdekt en phalline1 genoemd. Dit gif schijnt een microbe-achtige, toxineerende werking te hebben; de roode bloedlichaampjes worden er geheel door verwoest en 7 à 8 milligr. van deze stof is reeds voldoende om in 1 L. bloed alle bloedlichaampjes te vernietigen en daar één exemplaar van deze zwam wel eenige centigr. ervan bevat, kan men eens zien hoe groot het gevaar is, als er ook maar één enkel hoedje van dezen paddenstoel met de champignons wordt meegekookt.

Het verraderlijkste van dit gif is nog, dat het pas na 10–12 uur zijne toxineerende werking uitoefent en dat het gif dan reeds zóó geheel in ’t bloed is opgenomen, dat voor den patiënt geen redding meer mogelijk is. De vergiftigingsverschijnselen openbaren zich in hevige flauwten, angsten, benauwdheden, hevigen dorst en brakingen, afgebroken door tijden van wel 2 uur lange kalmte, doch steeds gevolgd door meerdere en heviger aanvallen. De patiënt heeft het voorkomen van een lijder aan leverziekte. Eenige dagen kan dit voortduren, altijd gevolgd door een afschuwelijk benauwd sterven.

Bij de Gele Knolzwam, Am. citrína en máppa (fig. 16 en 49 No. 25), ook zeer algemeen in onze bosschen, schijnt het gif niet zóó schadelijk en ofschoon de patiënt hevig lijdt, is hierbij redding meestal mogelijk.

Evenzoo is het bij de Volvária-soorten, die in zooverre zeer gevaarlijk zijn, omdat zij door de rose plaatjes nog meer op den echten champignon: Ps. camp. (fig. 17) gelijken dan de Groene Knolzwam.

Het geheel ontbreken van een ring en den zak, dien deze paddenstoel om den steel heeft, ook de kleverige oppervlakte van den hoed, zijn echter weer goede onderscheidingsteekens.

De Volvária-soorten zijn echter lang niet zoo algemeen als de Groene Knolzwam, zelfs betrekkelijk zeldzaam, doch zij groeien ook op dezelfde plaatsen als de champignons (zie blz. 311).


De 2e groep omvat de niet doodelijk, maar gevaarlijk giftige zwammen. Hiertoe behooren de panterzwam: Amaníta pantherína No. 23, een in onze bosschen veelvuldig voorkomende paddenstoel, en de bekende vliegenzwam: Am. muscária (fig. 47, No. 22). Over de giftigheid van deze laatste is al heel wat geschreven en de geleerden zijn het nog niet eens of zij nu werkelijk bij de giftigen thuis hoort of niet. De wonderlijkste verhalen zijn omtrent haar toxineerende werking in omloop, waarvan het wel de moeite waard is, iets te vertellen. Algemeen schijnt het gif, dat zich in de roode opperhuid bevindt, en dat, behalve uit andere toxineerende stoffen, v.n.l. uit het muscarine bestaat, een bedwelmende uitwerking te hebben van aangenamen aard, gelijkende op die van opium.

De Korjaken en Tschuktschen gebruiken haar als z.g.n. “Muchador”, als bedwelmingsmiddel. Na de waanzinsgevoelens eerst, geraken zij in vasten slaap met heerlijke droomen, waar het hun v.n.l. om te doen is. Zij geven gaarne pelswerken in ruil voor één zwam.

In een andere streek weer, kauwt eerst de vrouw de zwam voor haar man en deze eet haar daarna als pil op, waarna het visioenen-spel optreedt. Ook in Frankrijk schijnt zij, daar Faux-oronge genoemd, wel als bedwelmingsmiddel gebruikt te worden en nog wel door de upper-ten!

En onze Geldersche en Overijselsche boeren gebruiken dat roode huidje, met wat suiker bestrooid op een schoteltje gelegd, voor “vliegendood” en er komen heel wat lijkjes op, dat kan ik u vertellen. In de geneeskunde schijnt dit muscarine met gunstig gevolg te worden aangewend bij “vallende ziekte.”

Michaël, de schrijver van die aardige boekjes met prachtplaatjes: “Führer für Pilzfreunde” heeft de zwam zonder opperhuidje gegeten en het is hem goed bekomen, doch hij smaakte volgens hem niet naar meer. Het is dus maar het beste, dat we de Vliegenzwam, vanwege haar min of meer verdachte reputatie, in de groep der gevaarlijke zwammen laten en dat wij haar op eenigen afstand, als een gevaarlijke schoone, alle hulde brengen, die zij om haar schitterende verschijning afdwingt. Want daarover zal een ieder het eens zijn: mooi is zij!

Dezelfde gifstof, die muscarine, schijnt te huizen in de aardappelen-bovist of Sclerodérma vulgáre (fig. 101 en 102 No. 240) een paddenstoel, die uiterst algemeen is in ons land, doch die niet met een ook in ons land groeiende eetbare soort te verwisselen is. Zij wordt echter in ’t buitenland wel eens tusschen de truffels, waar het inwendige harde, zwarte gedeelte van deze zwam op gelijkt, verkocht en daardoor schijnen ernstige ongesteldheden te zijn voorgekomen. Ook het gif van Bolétus Sátanas, de Satanszwam (fig. 58 No. 108) schijnt een muscarineachtige stof te zijn. Deze zwam is niet algemeen en overvloedig in ons land verspreid. Zij heeft de eigenschap bij het doorbreken sterk blauw en rood te kleuren, en als men nu maar alle boleten vermijdt te eten die dit doen, behoeft men geen angst te hebben, ooit door een dergelijke zwam vergiftigd te worden.

Gevaarlijk giftig schijnt ook Lactárius torminósus (fig. 52) No. 65 te zijn, en de Rússulasoorten rúbra (fig. 54) No. 85, en emética No. 86, eveneens het zoo veelvuldig voorkomende “Zwavelkopje”, Hypholóma fasciculáre No. 139, ofschoon deze laatste den laatsten tijd gerehabiliteerd schijnt te zijn en alleen verweten wordt buikpijn te geven. De vergiftigingsverschijnselen van de soorten dezer gevaarlijk, doch niet doodelijk giftige paddenstoelen, treden meestal reeds na 1–2 uren op en zijn, als er geen complicaties optreden, allen te genezen. Dan zijn er ten slotte nog eenige paddenstoelen, die een giftig zuur bevatten zooals het helvella zuur bij de morieljes (fig. 20) No. 12 en de helvellasoorten (fig. 40 en 41) No. 10 en 11 en het blauwzuur o.a. bij Marásmius oréades (fig. 25) No. 211.

Rauw gegeten, zouden deze paddenstoelen hoogst schadelijk voor de gezondheid kunnen worden, doch, daar deze beide zuren zeer vluchtig zijn en bij het koken van de paddenstoelen geheel er uit verdwijnen, kan men ze zonder eenig bezwaar aldus nuttigen.

Wat te doen bij paddenstoelenvergiftigingen.

Evenals in alle boeken over paddenstoelen, mag ook in het onze, iets over dit onderwerp niet achterwege blijven, ofschoon het eigenlijk wel wat verouderd is. Want huismiddeltjes en zelf-dokteren bij ernstige gevallen zijn, sinds er op de 50 huizen in iedere stad of gemeente een dokter woont, geheel overbodig geworden. Men kan echter niet weten of iemand, niettegenstaande de vele waarschuwingen in dit boekje gedaan, toch nog niet eens (met dit boekje in den zak) ergens op de “hei” zit en het er eens op gewaagd heeft van de onbekende paddenstoelenvrucht te proeven en onlekker wordt, werkelijk onlekker, want ik ken enkele menschen, die uit angst, dat ik ze misschien verkeerde paddenstoelen te eten zou hebben gegeven, uit zenuwachtigheid wat onpleizierig werden.

Er zijn voorts menschen, die zelfs niet tegen ’t eten van goede soorten kunnen en bij wie daarna toxineerende verschijnselen optreden, zooals anderen ’t hebben met het eten van visch.

Als iemand verkeerde paddenstoelen gegeten heeft, schijnt de keel het ’t eerst te moeten ontgelden; hevige kriebelingen en benauwdheden treden op, gevolgd door brakingen enz. Het innemen van een flinke dosis wonderolie of lavementen van water, olie of glycerine, schijnt tegenwoordig meer toegepast te worden dan braakmiddelen en ’t traditioneele kietelen van de tong daarvoor. Men geve den patiënt veel te drinken, water, vooral spuitwater of melk en is de patiënt slaperig en suf dan geve men sterke koffie of thee, is hij in tegendeel opgewonden (b.v. na ’t eten van de Vliegenzwam), een broomnatriumdosis van 1–2 gram. Dit alles en daarbij compressen zoo heet mogelijk op de pijnlijke plaatsen gebracht en een warm zitbad, schijnen onschadelijke pijnstillende middelen te zijn die kunnen worden aangewend, indien het bezoek van den dokter wat lang uitblijft. Want: in elk geval, als men maar eenigszins vreest verkeerde paddenstoelen te hebben gegeten, moet men onmiddellijk geneeskundige hulp inroepen en behalve wanneer men met de zoo doodelijk giftige Amaníta phalloídes te doen heeft, zal deze u weer kunnen beter maken.


1 Bij het ter perse gaan van dit boekje lazen wij de volgende publicatie:

In het genootschap voor vergelijkende ziektekunde te Parijs heeft dr. Oliviero, een scheikundige, nu medegedeeld, dat het hem gelukt was het vergif uit paddenstoelen (phalline) voor het menschelijk bloed onschadelijk te maken door er wei (serum), die uit schapenbloed was afgezonderd, aan toe te voegen. Men mag dus aannemen, dat inspuiting met deze bloedwei door paddenstoelen vergiftigde patiënten zal kunnen genezen. De ondervinding zal spoedig leeren, of dit werkelijk zoo is.