De verzameling.

Het kwam ons voor, dat een stukje over het aanleggen van eene paddenstoelverzameling hier niet mocht ontbreken. Wij weten heel goed, dat lang niet alle natuurvrienden gunstig gestemd zijn voor het “verzamelen”, dat er wel onder zijn, die het geheel verouderd—ja uit den booze!—achten.

Het is hier de plaats niet, om deze vraag uitvoerig te bespreken. Wij zijn de laatste om te ontkennen, dat het dikwijls ernstige schaduwzijden heeft en dat vooral verschillende “ontaardingsvormen” ons antipathiek zijn. Doch aan den anderen kant blijft het voor ons een feit, dat het aanleggen eener verzameling mits met verstand en overleg gedaan, een prettig en onderhoudend werk is en bovendien een van de belangrijkste hulpmiddelen bij de natuurstudie. Híérvan moet ieder doordrongen zijn: de verzameling moet hulpmiddel blijven, niet doel worden. Eerbied en liefde voor de natuur moet ons leiden; dan zullen we steeds sparen waar dit noodig is en zonder al te veel hartzeer een groote zeldzaamheid laten staan. Liever dan maar een leemte in onze collectie—of beter nog: een goede teekening of photo—dan het besef het onze er toe bijgedragen te hebben om een interessante plantensoort te helpen uitroeien.

Hiermede zit ik ook opeens midden in mijn onderwerp, want ik bedoel hier onder “verzameling” alles samen te vatten, wat maar op een of andere wijze iets van den paddenstoel vastlegt, ieder “document” dus dat tot steun van onze herinnering kan dienen, een photo dus, zoowel als een sporenfiguur, een aquarel, zoo goed als een zwam “op sterk water.”

Bij de paddenstoelen toch is dat aanleggen van eene goede studieverzameling lang geen eenvoudige zaak, en men moet eigenlijk ieder hulpmiddel aangrijpen om iets van het vergankelijke goedje vast te houden. Die moeilijkheid van het conserveeren heeft ongetwijfeld remmend gewerkt op de studie van de paddenstoelensystematiek en is mede ook wel de oorzaak van veel verwarring op dit gebied. Vergelijk hierbij b.v. eens de kevers.

Wanneer iemand onze kevers bestudeert, kan hij met betrekkelijk geringe moeite zich een uitgebreide collectie aanleggen; hij kan zich van iedere soort langzamerhand geheele reeksen verzamelen, waaraan hij steeds zelfs uiterst minitieuse verschillen kan bestudeeren. Ten allen tijde kan hij er nauwkeurige teekeningen van maken; ruil met anderen, daardoor uitwisseling van inzichten over den juisten naam en de plaats in het systeem zijn hoogst gemakkelijk. Ieder zal onmiddellijk begrijpen, dat, wil men ditzelfde doorvoeren bij de paddenstoelen, men op zéér groote bezwaren stuit, grooter haast dan bij eenige andere groep van organismen. Hoe hier het vergankelijke wezen te conserveeren, hoe iets vast te houden van de vaak zoo wisselende gevoelige kleuren, hoe de dikwijls kenmerkende eigenschappen van de substantie, den geur en den smaak vast te leggen?

Het lijkt een onbegonnen werk; de grondleggers van de mycologie hebben dan ook weinig verzameld en zich meer bepaald tot het maken van groote plaatwerken. Hieronder zijn ware prachtwerken. Wie b.v. gelegenheid heeft in Teyler’s bibliotheek de werken van Bulliard, Bolton, Sowerby, Schaeffer, allen gegraveerde en uit de hand gekleurde platen, te gaan bezichtigen, kan ik dit sterk aanraden.

Teekenen en fotografeeren.

Het verdient aanbeveling het spoor dezer oude mycologen te volgen. Wie eenig talent voor teekenen heeft legge er zich op toe vlugge, rake, kleurenschetsen te maken, en heeft hij veel vrijen tijd, ook meer afgewerkte, nauwkeuriger teekeningen. Het groote nut hiervan om de dingen goed te zien en in zich op te nemen, behoeft geen betoog. Als “document” heeft echter misschien een goede scherpe photo nog grooter waarde. Weliswaar mist men hier de kleur, maar den vorm en de fijne details kunnen dan ook volkomen zuiver worden weergegeven. Zoo kan men b.v. op de oorspronkelijke foto van de bruine anijszwam (fig. 63) met de loupe zeer goed de fijne tandjes aan de plaatjes zien, die zoo kenmerkend voor ’t geslacht Lentinus is. De reproductie hier is natuurlijk ongeschikt om met de loupe bestudeerd te worden, doch er zijn andere procédé’s, waarbij al de fijne details goed zichtbaar blijven; dan zou echter ons boekje veel te duur worden. Dergelijke foto’s kan men alleen thuis, onder gunstige omstandigheden, die men zelf, tot op zekere hoogte, in de hand heeft, maken. Zij zijn van groote waarde en vormen m.i. een belangrijk onderdeel van de verzameling. Vooral ook stereoscoopfoto’s vind ik in dit opzicht nummer één. Afgezien van de kleur, kan men in den stereoscoop bijna den indruk krijgen den paddenstoel in werkelijkheid voor zich te zien. Een rake kleurenschets is dan een mooie aanvulling.

Ook kan men goede, contrastrijke foto’s met bepaalde (terpentijn-) kleurstoffen kleuren, en zoo wel aardige resultaten krijgen... Ge verwondert u, dat ik zwijg van de kleurenfotographie; ik heb er zelf nog niet aan gedaan en vind het, zoolang men er nog alleen glaspositieven van maken kan en ze niet in onbepaald aantal kan afdrukken, nog niet dát; ik kan ook niet zeggen, dat mijne verwachtingen voor de toekomst er van hoog gespannen zijn... doch ik denk daar aan den man, die, toen de eerste trein reed, beweerde, dat dit vervoermiddel nooit van groot belang zou worden voor ’t verkeer, en dat was toch niet de eerste, de beste!

Ten onrechte m.i. zijn sommigen van meening, dat het thuis fotografeeren van paddenstoelen weinig waarde zou hebben of een vervelend werkje zou zijn. Het tegendeel is waar. Het voorkomen van paddenstoelen in de natuur, meestal laag en bij den grond en niet zelden nog min of meer verborgen tusschen andere planten, dorre bladeren, enz. is oorzaak, dat men buiten zelden een goede gedetailleerde foto kan maken, wil men niet veel wijzigen en wegnemen, waardoor het beeld onnatuurlijk wordt. Thuis kan men er eenige, liefst van verschillenden leeftijd, in verschillenden stand opstellen en zoo fotografeeren. Natuurlijkheid is dan geen eisch, het is er alleen om te doen om zooveel mogelijk de kenmerken van de soort op één plaat te vereenigen.

Niettemin hebben ook goede natuuropnamen hunne waarde; geven zij gewoonlijk een minder volledig en gedetailleerd beeld van de paddenstoelen, zij hebben weer het groote voordeel, dat zij deze in hunne natuurlijke omgeving weergeven; maar dan is het ook zaak zoo weinig mogelijk te wijzigen of weg te nemen, opdat het beeld een zuivere natuuroorkonde zij. Zulke oorkonden zijn b.v. de fraaie foto’s van Dr. van der Sleen, (zie fig. 49) en van mejuffrouw Bijl (zie fig. 87).

Het beste is natuurlijk wel, als men ’t eene doet zonder ’t andere te laten. Zoo ziet men b.v. op fig. 71 de Reuzenzwam (Polýporus gigánteus) in de natuur. Hier ziet ge, hoe de zwam uit den voet van den ouden beuk komt groeien; de opengebarsten schors toont u, dat de boom niet zoo erg best meer is en de dorre bladeren wijzen op ’t jaargetijde. Deze foto is ook een van twee stereoscoopbeelden. Stereoscopisch komt alles nog veel mooier uit. Fig. 70 toont dezelfde zwamsoort (niet ’t zelfde exemplaar) nu afzonderlijk en onder de gunstigste omstandigheden gefotografeerd.

Herbarium.

Ik heb de afbeelding door teekening of foto vooropgesteld, omdat het mij voorkomt, dat dit nog eerder onder veler bereik zal vallen, dan het conserveeren van paddenstoelen. Dit toch is een werkje, dat, wil men het goed doen, heel veel tijd—en vooral veel geduld vereischt. Voor hen die daarover beschikken en het zouden willen beproeven, laat ik hier eenige korte aanwijzingen volgen: Men kan paddenstoelen droog bewaren of op vloeistoffen. De eerste methode lijkt mij om vele redenen de belangrijkste; doch ook hier geldt het weer: ze moeten elkaar zooveel mogelijk aanvullen. Vele buisjeszwammen, ook aardsterren en dergelijke kunnen zonder veel zorg in hun geheel gedroogd en zóó bewaard worden. Men komt er gauw genoeg achter, dat al die hout-, leder-, papier- en kurkachtige vormen zich goed daartoe leenen. Men bewaart ze in goed gesloten doosjes, buizen, stopflesschen of zoo iets en voegt er wat kamfer of naphtaline bij. Zit er ongedierte in, dan doet men ze in een groote stopflesch, giet er een weinig zwavelkoolstof in en laat dit eenige dagen staan.

De meeste plaatzwammen kan men zóó niet bewaren; die moet men prepareeren. Kleinere, niet al te weeke vormen, kan men, wil men er niet al te veel tijd aan besteden in haar geheel of overlangs doorgesneden, tusschen watten drogen. Zorgt men de watten dikwijls te ververschen, dan geeft dit betere resultaten dan filtreerpapier. Hinderlijk zijn weliswaar altijd de aanklevende wattenvezels, die men met pincetjes moet verwijderen. Een zacht stukje vlakgom kan hierbij ook soms goede diensten bewijzen.

Grootere paddenstoelen eischen veel meer werk. Hier begint men met ze overlangs door te snijden en van beide helften een dunne coupe af te nemen. Deze, met zorg gedroogd, geeft een goed beeld van den vorm van den paddenstoel; daartoe heeft men haar slechts in zijn gedachten om de as te laten wentelen; dikte van het vleesch, vorm en breedte der plaatjes, al die dingen zijn er aan te zien. Van de beide helften maakt men habitusbeelden; hiertoe holt men zoowel de hoed- als de steelhelft geheel uit, tot er slechts een dun laagje vleesch met het buitenste huidje overblijft; meestal snijdt men daartoe eerst de hoed- van de steelhelft. Eenige verschillend-gevormde, vlijmscherpe mesjes zijn bij dit werkje onmisbaar.

Deze verschillende stukken droogt men nu tusschen fijn filtreerpapier, hetgeen men zeer vaak, aanvankelijk wel telkens na eenige uren moet ververschen, want het wordt natuurlijk doornat. Zorgt men daarvoor, dan kan men goede resultaten verkrijgen; dikwijls blijft er dan van de kleuren nog veel meer over dan bij de conserveering of vloeistof.

De uitgeholde stukken zijn, doordat zij eene kromming hebben wel eens moeilijk te drogen; dan moet men aanvankelijk de holten met een propje watten of iets dergelijks opvullen; langzamerhand worden ze dan wel vlak. Wanneer nu deze stukken goed droog zijn (zij zijn dan bros en moeten voorzichtig gehanteerd worden) moet men ze “opzetten”, bij voorkeur op stevig wit carton. Hierop plakt men ze met de geheele onderzijde vast; als plakmiddelen zijn geprepareerde stijfsel (Titanol of iets dergelijks) en voor dikkere, moeilijker-hechtende deelen tubenkit (bv. Syndeticon) te gebruiken. De doorsneden heeft men zonder meer er op te plakken; den hoed en steel moet men een zoodanigen vorm geven, dat ze zoo goed mogelijk den paddenstoel weergeven. Heeft men een teekening of een foto, dan kan die daar goede diensten bij bewijzen.

Deze wijze van conserveeren is wel zeer bewerkelijk en tijdroovend, doch indien men wat aanleg heeft voor fijn peuterwerk, wat smaak en vooral veel geduld, kan men er zeer goede resultaten mede bereiken. Een dergelijke verzameling, aangevuld met teekeningen, foto’s en notities, kan langzamerhand een hoogst waardevol hulpmiddel worden bij de studie der paddenstoelen. Ook sporenfiguren mogen hierbij niet ontbreken.

Op blz. 73 heb ik al in hoofdzaak aangegeven, hoe deze gemaakt moeten worden. Is het er om te doen om een zuivere afbeelding van de onderzijde van den hoed te krijgen, dan moet men dezen horizontaal opstellen en zorg dragen, dat het papier er zooveel mogelijk overal tegen aansluit. Ook moet men dan vermijden, dat luchtstroomingen het rustig vallen der sporen verstoort, waardoor het beeld onzuiver wordt. Men plaatst dus den paddenstoel op een rustig plekje, in een gesloten ruimte, doos, of klok.

De gekleurde sporenfiguren fixeert men door er van onderen met een penseeltje fixatief (dezelfde vloeistof, die gebruikt wordt om teekeningen te fixeeren) tegen te strijken. Deze dringt dan door het papier heen en fixeert de sporen aan de bovenzijde. Witte sporen kan men zoo niet fixeeren, deze worden bij deze bewerking onzichtbaar. Eene goede fixeervloeistof hiervoor is mij nog niet bekend.

Over het conserveeren op vloeistof

kan ik kort zijn; voor de meesten toch zal een dergelijke verzameling te omslachtig en te duur zijn. Men kan de paddenstoelen bewaren op alcohol, waarbij het dikwijls gewenscht is met vrij slappen ± 50 % te beginnen en dezen langzamerhand te versterken tot ± 80 %. Of ook kan men eene formalineoplossing gebruiken (1 deel van de handelsoplossing, verdund met 20 deelen water).

In formol blijven de kleuren meestal wel wat langer bewaard dan in alcohol; op den duur verdwijnen zij echter toch ook en bovendien worden de voorwerpen slap en week. Het is echter veel goedkooper dan alcohol en kan vooral voor kleinere voorwerpen wel gebruikt worden. Wil men er notities bijvoegen, dan kan men deze, met O.-Ind. inkt op perkamentpapier geschreven, bij ’t voorwerp in de flesch doen.

Fig. 16. Amanita Mappa.—Amanita Phalloides.

Fig. 16. Amanita Mappa.—Amanita Phalloides.

Fig. 17. Psalliota (Pratella) Campestris.

Fig. 17. Psalliota (Pratella) Campestris.