Moge ook de waarneming in de natuur nummer één zijn, voor een meer nauwkeurige bestudeering en determinatie is het noodzakelijk de voorwerpen in te zamelen en mede naar huis te nemen. Wil men zich eene verzameling aanleggen of, (wat hoogst nuttig is en daarbij een héél prettige bezigheid), aquarellen of teekeningen er van maken, dan is het in de eerste plaats noodig te weten hoe het aan te leggen om de zwammen zoo goed mogelijk thuis te krijgen. Dit nu is niet zoo héél eenvoudig; paddestoelen zoeken, althans voor studie is vrij wat omslachtiger dan het gewone botaniseeren, waarbij men met een gewone trommel en plantenschopje al een heel eind komt. Eerst moge dus hier een en ander volgen over de uitrusting van den mycoloog.
Een flinke groote trommel kan zeer zeker goede diensten bewijzen, vooral voor kleinere soorten. Voor grootere is ze ongeschikt; een ruim korfje of mandje, bij voorkeur een klapmandje, is dan vrijwel onmisbaar. Ook een plantenschopje is er noodig om de paddenstoelen uit te steken; men breke ze nooit af: belangrijke kenmerken kunnen hierdoor verloren gaan, bovendien scheuren en splijten de stelen dan licht. Sommige soorten hebben onder aan den steel een beurs, andere zitten met een langen wortel in den grond, weer andere zijn gehecht op voorwerpen, die in den grond verborgen zijn, bijv. dennenkegels, vlinderpoppen en dergelijken. Op al die dingen dient men goed te letten.
Heeft men nu nog een goeden voorraad papier, niet te hard, b.v. kranten- of kastpapier, of wat nog beter is vloeipapier, dan is men al een goed eind op streek; de meeste paddenstoelen kunnen we nu, zoo uitgerust, inzamelen. Men neme ook nog een aantal kleine doosjes, glazen buisjes of dergelijke mede om teerdere dingetjes in te bergen. Met watteproppen of vloeipapier legt men deze vast.
Men gewenne er zich echter aan, steeds de voorwerpen, vóór men ze inpakt, goed te bekijken en zoo noodig, eenige korte notities te maken: niet zelden is het uiterlijk der paddenstoelen, na een excursie van eenige uren, al merkbaar veranderd; vooral is het noodig zich er goed rekenschap van te geven wat van onze vondsten tot éénzelfde soort behoort: buiten is dit vaak gemakkelijk te beoordeelen, terwijl men, thuis komend, zich wel eens afvraagt: wat hoort nu eigenlijk bij elkaar, wat vond ik in elkaars onmiddellijke nabijheid, bij of op welken boom vond ik ze ook weer? enz.
Wanneer het er nu om te doen is de voorwerpen zoo zuiver en ongeschonden als dit mogelijk is, thuis te brengen—en hem, die er zich aquarellen of foto’s van wil maken, moet het daar wel om te doen zijn—dient men ze met zorg te behandelen: voorzichtig uitsteken, zooveel mogelijk van aarde reinigen en dan inwikkelen in papier, liefst ieder exemplaar afzonderlijk. Zeer stevige, vaste soorten, zooals b.v. sommige Boleten kan men wel zóó in het mandje bergen, kleinere wel eens meerdere bijeen in een papier wikkelen of in een zakje doen—doch in ’t algemeen is het het beste ieder afzonderlijk in te wikkelen. Goed ingepakt kan men ze dan vrij stevig tegen elkaar aandrukken in het mandje. Zooveel mogelijk zorge men er voor, dat zware exemplaren onderin komen te leggen, de lichte daar bovenop. Men slepe vooral in het begin niet te veel soorten tegelijk mee naar huis, en neme zooveel doenlijk van iedere soort eenige exemplaren mede, liefst in verschillend stadium. Dán heeft men goede kans op succes met determineeren en men kan zich een mooie foto of teekening maken, die inderdaad een goed beeld geeft van de soort.
Dit alles geldt in de eerste plaats voor de op den grond groeiende paddenstoelen. Gaat men er op uit om ook boomzwammen, Polyporeeën en dergelijke te verzamelen dan wordt de zaak moeilijker; dit is dikwijls een ware sport, waarbij mes, zaag en zelfs bijl er aan te pas moeten komen: een stevig mes, liefst zoo een, waarvan men ’t lemmet kan vastzetten, b.v. een zoogenaamd Zweedsch mes, een korte zaag met dubbele snede, voor levend of sappig rottend hout, zijn gemakkelijk mee te dragen; als ’t ruwe geweld van de bijl er aan te pas moet komen, zooals bijv. bij de vuurzwam (F. igniárius No. 162) is er misschien een padvinder bij de hand, die zijn bijl wil afstaan. Een ladder, vaak beslist onmisbaar, geeft soms de grootste moeilijkheden en moet van de naastbijzijnde woning aangesleept worden; niet zonder levensgevaar heb ik wel eens een Zwavelzwam (No. 150) uit den boom gehaald, die met een 28-sports ladder nog juist te bereiken was. Een binocle kan dan soms zijn diensten bewijzen, om eerst eens te zien of het ding inderdaad waard is er zijn leven voor te wagen... Heeft men de boomzwammen bemachtigd, dan behoeft men er gewoonlijk heel wat minder égards voor te hebben; ze zijn meest veel vaster en steviger dan de paddenstoelen, die op den grond groeien... Men verzuime niet er goed acht op te geven, waarop men ze vond, en trachte ook bij doode stompen of palen uit te maken wat het voor hout is; ook dit kan van belang zijn voor de determinatie.
Wie aandachtig het voorafgaande hoofdstuk gelezen heeft en zelf eens goed rondkijkt in de paddenstoelen, zal er gauw genoeg oog voor krijgen, waarop hij zooal acht moet geven, om ze goed te leeren kennen en te determineeren. Ook vindt de lezer in de inleiding tot het gebruik der tabellen een en ander wat hem op weg zal helpen—wij kunnen hier dus volstaan met enkele korte aanwijzingen. In de eerste plaats late men zijn paddenstoelen niet lang ingepakt staan; thuis gekomen, is het zaak, mand en bus spoedig te ontpakken en den inhoud op een tafel uit te leggen. Het spreekt vanzelf, dat het wenschelijk is het vergankelijke materiaal zoo gauw mogelijk onderhanden te nemen; moet men dit echter eenigen tijd uitstellen, dan is het beter, dat de paddenstoelen uitgepakt zijn, daar ze anders zeer snel schimmelen en tot rotting overgaan. (Daarom is het ook noodig bij verzending de paddenstoelen niet in te pakken in vochtig mos of iets dergelijks maar eenvoudig goed ingewikkeld in dun papier). Men lette er op, of soms op de pakpapiertjes sporen gevallen zijn; het is gemakkelijk als men de kleur daarvan reeds aanstonds kan beoordeelen. (Zie ook blz. 141, inl. tot de tabellen). Is dit niet het geval, dan plaatst men de exemplaren, waar men sporen van wil hebben, met den hoed horizontaal op papier; het is niet noodig hiertoe den steel af te snijden: Men knipt eene opening in het papier en steekt den steel daardoor en plaatst dan dezen in een flesch of iets dergelijks. Is dit bijv. door een dikken knol bemoeilijkt dan maakt men er een insnijding in op deze wijze (fig. 15a) en plaatst nu den paddenstoel met het papier er onder in een stopflesch of tusschen een paar doozen, stapels boeken of iets dergelijks. Verwacht men gekleurde sporen, dan is wit papier het aangewezene, voor witte sporen blauw of zwart; heeft men in ’t geheel geen vermoeden, dan maar half om half. Wil men “de sporen-figuren” fixeeren en bewaren om ze in de verzameling te brengen, dan dienen ze nog met meer zorg opgesteld te worden (zie blz. 81). Komt het er niet op aan om een exemplaar te verliezen, dan is het ’t eenvoudigste den steel er af te snijden en den hoed zoo op ’t papier te leggen. Behalve de kleur, is ook de vorm en grootte der sporen een zeer belangrijk kenmerk. Om dit te kunnen beoordeelen is echter—evenals voor alle microscopische kenmerken der paddenstoelen—een zeer goed microscoop noodig. Terwijl men bij de studie der mossen al heel veel pleizier kan hebben van een heel eenvoudig instrumentje, is dit bij de paddenstoelen geheel waardeloos. Daar nu een goed, sterk vergrootend microscoop slechts in het bezit van weinigen is, hebben wij uit dit boekje alle “microscopie” geweerd; wij willen hier alleen nog even zeggen, dat deze in de laatste jaren ook voor de studie der paddenstoelen van groot belang geworden is. Doch ook zonder dit kan men het een heel eind sturen—mits men vier van de vijf zintuigen flink aan ’t werk zet; alleen de ooren kan je er wel bij missen. En dan geldt verder in hoofdzaak wat we al vroeger gezegd hebben: als ’t kan niet op één exemplaar blijven hangen, jonge en oude vergelijken, geur en smaak met aandacht beoordeelen, geaardheid van het vleesch en verder al die, min of meer vage kenmerken, die juist bij de paddenstoelen-studie van zooveel belang zijn.
Fig. 15a.
Tast-, smaak- en reukwerk is ’t in hooge mate en daarom vreemd voor hem, die gewend is meeldraden te tellen, verspreide van overstaande bladeren te onderscheiden enz., maar juist in dit ietwat vage en ongrijpbare ligt voor menigeen een eigenaardige bekoring. En het is wel of de voldoening nog veel grooter is, wanneer je dan ten slotte de zekerheid hebt er nu werkelijk goed achter te zijn.
Een heel belangrijk ding is voorts bij de studie het maken van gekleurde teekeningen. Hierover echter in het volgende hoofdstuk.