Literatuur.

Ofschoon in ons land, vooral in Brabant ook al sinds de middeleeuwen de in ’t wild gezochte paddenstoelen vrij algemeen gegeten werden, zoo is het nog geen 50 jaar lang, dat men zich met de studie der zwammen bezig houdt. De groote baanbreker hiervan is Prof. C. A. J. A. Oudemans geweest, van wiens hand in 1892 in de Verhandelingen der Kon. Akademie van Wetenschappen, verscheen zijn: “Révision des champignons tant supérieurs qu’inférieurs trouvés jusqu’à ce jour dans les Pays-Bas”, gevolgd door zijn: “Catalogue Raisonnée des Champignons des Pays-Bas” (1905).

Ook de Heeren Kok, Ankersmit en Fred. v. Eeden Sr., hebben de Nederlandsche fungi bestudeerd, echter zonder speciale werken daarover te hebben nagelaten. In 1902 gaf de Ned. Botanische Vereeniging het eerste Nederlandsche determineerboekje voor Paddenstoelen uit, vervaardigd door Mej. Caroline Destrée en getiteld: “In Nederland groeiende Hoogere Zwammen”.

De Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging organiseerde eenige paddenstoelententoonstellingen en in de Levende Natuur verschenen van de hand van Mej. Car. Destrée en de Heeren Heimans, Thijsse en Jaspers, aardige artikelen over de zwammen, die het hunne er toe bijdroegen om langzamerhand ook de liefde tot de studie voor deze natuurgewrochten op te wekken.

Zoo werd dan in 1908 op initiatief van Dr. M. Greshoff, in navolging van de in Frankrijk zoo bloeiende Société de Mycologique, te Haarlem opgericht de Ned. Mycologische Vereeniging, die zich ten doel stelt, het bevorderen der kennis, de waardeering en het gebruik van hoogere en lagere zwammen in Nederland en zijn Koloniën.

Deze vereeniging (secretariaat Haarlem, Jordensstr. 68) heeft sinds hare oprichting ieder jaar eenige mededeelingen het licht doen zien, en in verschillende deelen van het land, uitnemend geslaagde paddenstoelententoonstellingen georganiseerd. Ook heeft zij reeds een begin gemaakt met het aanleggen van een standaardcollectie van in Nederland groeiende hoogere zwammen.

Van de hand van haren voorzitter den Heer Joh. Ruys, verscheen in 1909 een meer uitgebreid boek, naar een bewerking van Prof. Oudemans’ “Révision des champignons”, getiteld: “De Paddenstoelen van Nederland”.

Behalve de reeds door ons genoemde paddenstoelen-litteratuur over de morphologie en physiologie der paddenstoelen (zie blz. 67) over de planten-ziekten (zie blz. 22) over vergiftige en eetbare paddenstoelen (zie blz. 101) en over het kweeken (zie blz. 129) geven wij onze lezers nog de volgende titels van determineer- en plaatwerken:

Een van de beste [buitenlandsche determineerboeken over paddenstoelen, en zeker wel het allerbeste bestaand] determineerwerk is dat van Constantin et Dufour: “Nouvelle Flore des Champignons,” met 4265 figuren. Ook de volgende determineerboeken zijn zeer aan te bevelen: Bigéard: “Flore des Champignons supérieurs de France”; Rieckel: “Die Blätterpilze Deutschlands”; Lindau: “Die Höheren Pilze”; Wünsche: “Die Pilze”; Gotthold Hahn: “Der Pilzsammler”.

Hun, die het minder om determineer- maar meer om boeken met gekleurde afbeeldingen te doen is, raden wij aan in de eerste plaats: de 3 mooie boekjes van Michaël: “Führer für Pilzfreunde” (3 dln.); “Die Pilze unserer Heimat”, von E. Gramberg (Agaricaceae) 1913 ƒ 3.55. Voor een meer bescheiden portemonnaie zijn ook de goedkoope (35 cts. per deeltje) en aardige boekjes met gekleurde plaatjes van Blüchner: “Practische Pilzkunde”, 2 dln. (Miniatur Bibliothek) en de Engelsche photo-boekjes: “Toadstools at Home,” 2 dln. (Goswan’s Nature Books) (35 cts.), zeer aan te bevelen.