Fig. 112. Groene knolzwam, Amaníta phalloídes.

Fig. 112. Groene knolzwam, Amaníta phalloídes.

De steel is hol; wèl een zak.

Fig. 113. Kampernoelje (Echte Champignon), Psallióta campéstris.

De steel is gevuld; geen zak.

Ps. camp. var. pratícola. H. bruin of rood, schubbig, vleesch roodwordend, pl. smal. vr. a. e.

Ps. camp. var. bitórquus. H. wit, glanzend, vleesch iets roodwordend. St. kort, tolvormig, riekt naar jodoform. vr. a. e.

No. 264. Ps. arvénsis. Akker-kampernoelje, Akker-champignon (Plaat 2, fig. VII).

Gelijkt op en komt voor, tusschen Ps. camp. en op dezelfde weilanden, echter meestal op hooger gelegene, drogere plekken. Hij onderscheidt zich van Ps. camp., vnl. door dat de plaatjes zelden rose zijn, reeds bij jonge exemplaren grauw-wit (zie blz. 95 en Am. phall. No. 24), dat de ring uit 2 lagen bestaat, dikwijls bedekt met geel-bruine schubbetjes. De h. wordt zelden zoo groot en is dik-vleeziger en smakelijker dan van Ps. camp. De st. wordt altijd langer, meestal gekromd en minder dik. Hij verschijnt later dan Ps. camp. en komt ook in bosschen voor. vr. a. e. Strophária.

Str. aeruginósa, blauw-groen, kleverig. No. 222.

No. 265. Str. semiglobáta. Mest-stropharia.

H. bij vocht stroogeel, kleverig, bij droogte bruin en glimmend, alsof hij vernist is; half kogelvormig, dunvleezig, 2–3 c.m. breed; pl. breed aangegroeid, wijd uitéén, eerst aschgrauw, dan zwartachtig, st. geel kleverig, 6–10 cM. hoog, bovenaan zwart-gestippeld en soms met overblijfsel van ring; onderaan gezwollen. Op mest in groepjes. Najaar-winter. a.

Coprínus. No. 266. C. comátus. Geschubde inktzwam (pl. 2 fig. VIIIb en c en fig. 114).

Fig. 114. Coprínus comátus (Geschubde inktzwam).

Fig. 114. Coprínus comátus (Geschubde inktzwam).

H. wit, (vuil of rose-wit) met groote, vlokkige, afstaande schubben bedekt, aan den top vaak met bruine kale plek, eerst rolrond en met den ring vast om den steel verbonden, later ei- of klokvormig, uitgespreid rafelend, 7–20 c.m. hoog. Pl. breed, eerst wit of licht rose, spoedig zwartwordend en in inkt vervloeiend (fig. 15). St. wit, slank, 7–20 c.m. hoog, onderaan wortelend. Zodevormend. Voorzomer-herfst. a. jong (zonder steel) e.

No. 267. C. atramentárius. Kale inktzwam. (Plaat 2, fig. VIIIa).

Komt op dezelfde plaatsen en ook zodevormend voor, evenals C. comátus, is daarvan te onderscheiden doordat de h. kaal, wit-grijsachtig of loodkleurig, glanzend en gestreept of gevoord is (soms aan den top met kleine roodachtige of bruine schubjes). De h. rand is niet met den steel vergroeid. Voorjaar-winter. a. a. e. (zonder steel)

No. 268. C. níveus. Witte mestzwam.

H. teer, sneeuwwit, donzig, eerst ei- dan klokvormig en uitgespreid, 2–3 c.m. breed, pl. eerst wit dan zwart, st. slank, wit, donzig, tot 7 c.m. hoog. Op paardenmest. Zomer-herfst. vr. a.

No. 269. C. plicátilis. Gevoorde inktzwam.

H. zeer teer, waterig, eerst ovaal, spoedig plat en gespleten, in ’t midden geelachtig-rood, aan den rand grijs-blauwachtig, diep gevoord. Pl. tot een ring vereenigd. St. glad, bleek, tot 10 c.m. hoog. In groepjes. Zomer-herfst. a.

C. micáceus, eivormig, geel-roestkleurig met glinsterende korreltjes. No. 142.

Panáéolus.

No. 270. P. campanulátus. Klokvormige Panaeolus. (Plaat 5, fig. 35).

H. grauw, rookkleurig, naar ’t midden bruin of roodachtig, dunvleezig, droog en eenigszins glanzend, klokvormig, soms bultig, 2–3 c.m. breed. Pl. talrijk, aangehecht, zwart met grijs gevlekt, st. tot 10 c.m. hoog, gestreept, rossig, bovenaan zwart, bepoederd. In groepjes op mest en op de aarde. Voorjaar-herfst. vr. a.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen.

Lycopérdon. No. 271. L. Bovísta. (Bovísta gigántea). Reuzenbovist. (fig. 116).

H. wit of geelachtig, kaal, eenigszins glanzend, zittend, ballonvormig, tot ½ m. in omvang wordend. Jong, massief met wit vleesch, bij ouderdom sponzig, van binnen en buiten bruin of groenachtig, onregelmatig openscheurend. Mei-winter. vr. a. jong e.

No. 272. L. caelátum. Ruitjes-bovist (fig. 115).

Fig. 115. Lycopérdon caelátum (Ruitjes-bovist).

Fig. 115. Lycopérdon caelátum (Ruitjes-bovist).

Deze paddenstoel gelijkt op jong exemplaar van de vorige soort, doch is daar dadelijk van te onderscheiden door dat het bovengedeelte van de tot 12 c.m. breede bol, in geschubde (geciseleerde) vakjes verdeeld is en spoedig een grauwe kleur krijgt. Het bovenste gedeelte brokkelt bij rijpheid geheel af, het onderste blijft tijden lang als een beker in den grond zitten. Zomer-herfst. vr. a.

L. gemmátum kort gest., wit met wratjes, No. 236.

Bovísta. No. 273. B. nigréscens. Zwartwordende bovist. (Plaat 2, fig. XVIc).

Zittende, bolvormige paddenstoel, eerst wit en eenigszins vleezig, spoedig papierachtig en zwart-bruin wordend, tot 6 c.m. breed. Op dezelfde plaatsen als L. Bovista. Zomer-najaar. a.

No. 274. B. plúmbea. Loodgrijze bovist.

Als vorige doch loodgrijs glanzend, kleiner, tot 3 c.m. breed en bijna dadelijk papierachtig wordend. Zomer-najaar. vr. a.

Sclerodérma. S. vulgáre. No. 240.

Áscomyceten. Zakjeszwammen.

Pezizaceën. Bekerzwammen. Pezíza.

P. aurántia, rood, groot. No. 1.

Fig. 116. Reuzenbovist (Lycoperdon Bovista).

Fig. 116. Reuzenbovist (Lycoperdon Bovista).

Soorten voorkomende aan wegranden (van bosschen en wegen).

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).

A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, lichtgeel of wit. A. muscária, vuur-rood of oranje-rood. A. rubéscens, vleeschkleurig of bruinachtig. A. vagináta, bruin-rood of grijs. Lepióta.

L. procéra, crême, met bruine, opstaande schubben, No. 193. L. rhacódes, crême, met bruine, platte schubben, No. 194. Tricholóma. (zie tabel blz. 180).

T. núdum, paars. T. sórdidum, bruin-paars. T. melaléúcum, roetgrauw tot zwart of bruinachtig. Clitócybe. (zie tabel blz. 184).

C. dealbáta, wit of beige. C. odóra, groen (sterke anijsgeur). C. nebuláris, grijs of aschkl., meelachtig bestoven, groot. Laccária.

L. laccáta en amethýstina, rose of roodbruin en paars, No. 197 en 198. Collýbia.

C. butyrácea, grijs of geelachtig bruin, vettig, No. 199. C. dryóphila, bleek-bruin, ledergeel, No. 200. Mycéna.

M. epipterýgia, h. grijs of groen-geel, st. geel, kleverig, No. 202. Omphália.

O. fíbula, bruin of geel-oranje, No. 205. Hygróphorus. (zie tabel blz. 188).

H. cónicus, geel-oranje-rood, zwart wordend. H. níveus, wit, doorzichtig. H. virgíneus, wit, vochtig-vettig. Rússula. (zie tabel blz. 196).

R. heterophýlla, groen met blauw of roodgetint. R. emética, bont of bruin-rood (scherp). R. frágilis, wit met rood of bont (scherp). R. depállens, roodachtig of purper-violet. Cantharéllus.

C. cibárius, dooiergeel, vleezig, No. 206. Marásmius.

M. oréades, geelbruin of beige, No. 207.

Rhódosporeën. Rosesporigen. Volvária.

V. speciósa, wit, kleverig, pl. rose, No. 259a. V. gloiocéphala, grijs, glanzend, pl. rose, No. 259b. Clitopílus.

C. orcélla, wit, glanzend, No. 215. Nolánea.

N. páscua, grijs of bruin, glanzend, No. 260.

Óchrosporeën. Bruinsporigen. Pholióta.

Ph. práécox, stroogeel, voorjaar, No. 261. Inócybe.

I. rimósa, zandkl., gespleten, No. 217. I. geophýlla, wit of lila, glanzend, No. 216. Hebelóma.

H. crustulinifórme, bruin met witten rand, No. 216. Naucória.

No. 275. N. semiorbiculáris. Halfcirkelronde Naucoria.

H. geelachtig-bruin, bij vocht een weinig kleverig, eerst bolrond, dan uitgespreid, 2½–6 cM. breed. Pl. breed, eerst bleek, dan roestkleurig. St. bleek roestkl., iets glimmend, pijpachtig 8–11 cM. hoog. In groepjes, voorjaar-winter. vr. a. Galéra.

G. hypnórum, bruinrood, No. 219. Paxíllus.

P. involútus, donkerbruin met ingerolden rand, No. 220. Cortinárius.

C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig, (zie tabel blz. 204). Bolbítius.

B. vitellínus, geel of bruin, kleverig, No. 262.

Melánosporeën. Zwartsporigen. Psallióta.

Ps. arvénsis, wit of geelachtig, ring dubbel, No. 264.

Ps. campéstris, wit; ring enkel, No. 263. Ps. camp. var. bitórquus, wit, glanzend, st. tolvormig, vleesch roodachtig, No. 263. Ps. camp. var. pratícola, bruin of roodgeschubd, vleesch roodachtig, No. 263. Ps. sylvática, vuilwit, bruingeschubd, No. 221. Strophária.

Str. aeruginósa, blauw-groen, kleverig, No. 222. Str. semiglobáta, bolv., geel of bruin, kleverig, op mest, No. 265. Psathýra.

Ps. corrúgis, teer, vuil-wit met rood of bruin, No. 224. Coprínus.

C. comátus, wit met vlokkige schubben, No. 266. C. atromentárius, grijsachtig-wit, kaal, No. 267. C. níveus, wit, donzig, op mest, No. 268. C. micáceus, geel-bruin, No. 142. C. plicátilis, teer, grijs met blauw en rose, No. 269. Panáéolus.

P. campanulátus, grijs-bruin, No. 270. Psathyrélla.

Ps. dissemináta, grijs, of geelachtig, teer, No. 141.

Polýporaceën. Gaatjes of buisjeszwammen. Bolétus. (zie tabel blz. 207).

B. edúlis. B. félleus. B. rúfus (versipéllis). B. lúridus. B. cyanéscens.

Claváriaceën. Koraalzwammen. Clavária.

Cl. cristáta, wit, No. 226. Cl. formósa, goud-geel, No. 230. Cl. cinérea, grijs, No. 228.

Phállaceën. Stinkzwammen. Phállus.

Ph. impudícus, groot, st. wit, h. groen of wit, No. 231. Ph. canínus, klein, st. wit, h. rood of groen, No. 232.

Niduláriaceën. Nestzwammen. Cyáthus.

C. striátus en ólla, No. 233 en 234.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.

L. excipulifórme, lang gest., loodgrijs, No. 235. L. gemmátum, kort gest., wit met wratjes, No. 236. L. bovísta, zittend, wit, glad, No. 271. L. caelátum, zittend, wit met vakjes, No. 272. Bovísta.

B. nigréscens, eerst wit, later zwart-bruin, No. 273. B. plúmbea, loodgrijs, glanzend, No. 274. Sclerodérma.

Scl. vulgáre, No. 240.

Áscomyceten. Zakjeszwammen.

Pezízazeën. Bekerzwammen. Pezíza.

P. aurántia, rood, groot, No. 1. P. vesiculósa, licht-bruin, groot, No. 4. Helvélla.

Helvéllaceën. Helvella-achtigen.

H. críspa, wit of geelachtig, No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs, No. 11. Morchélla.

M. esculénta, h. bruin, st. wit, No. 12. Vérpa.

V. digitalifórmis, st. wit, h. vingerh. vorm., geel of rood-bruin, No. 13.

Soorten voorkomende in parken en tuinen, kweekerijen, enz.

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).

A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, licht geel of wit. A. pantherína, chocolade bruin. Lepióta.

L. procéra, crême, met bruine opstaande schubben, No. 193. L. rhacódes, crême, met donkerbruine platte schubben, No. 194. L. clypeolária, wit, zijdeachtig met bruine wratjes, No. 195. L. granulósa, ledergeel met gele vlokjes, No. 196.

No. 276. L. acutesquamósa (Áspera). Spitsschubbige Parasolzwam.

H. dicht bezet met eerst vlokkige dan opstaande en spitspuntige bruine schubben, onder de schubben witachtig; eerst kegelvormig dan uitgespreid bultig, tot 10 c.m. breed, ring vliezig, zijdeachtig, afhangend. St. roestkleurig met in spiralen loopende schubben, bovenaan berijpt, onderaan knollig, tot 10 cm. hoog. Scherpen onaangenamen reuk en bitteren smaak. In groepjes. Herfst. vr. a. v. Tricholóma. (zie tabel blz. 180).

T. núdum, paars. T. sórdidum, h. bruin-paars, st. dun. T. melaléúcum, roetgrauw of zwart-bruinachtig. Hygróphorus. (zie tabel blz. 188).

H. cónicus, scharlakenrood, zwartwordend. H. psittacínus, bont, groen, geel of steenrood, slijmerig. H. níveus, wit, klein, doorzichtig. Marásmius.

M. oréades, geel bruin of beige, in kringen of groepjes, No. 207.

Rhódosporeën. Rozesporigen. Volvária.

V. speciósa, wit, kleverig, pl. rose, No. 259a. V. gloiocéphala, grijs, glanzend, pl. rose, No. 259b. Clitopílus.

C. orcélla, wit, glanzend, No. 215. Nolánea.

N. páscua, grijs of bruin, glanzend, No. 260.

Óchrosporeën. Bruinsporigen. Pholióta.

Ph. práécox, stroogeel, No. 261. Inócybe.

I. rimósa, zandkleurig, gespleten, No. 217. Hebelóma.

H. crustulinifórme, bruin met witten rand, No. 216. Naucória.

N. semiorbiculáris, geel-achtig-bruin, No. 275. Galéra.

G. hypnórum, bruin-rood, No. 219. Bolbítius.

B. vitellínus, geel of bruin, kleverig, No. 262.

Melánosporeën. Zwartsporigen. Psallióta.

Ps. arvénsis, wit of geelachtig, ringdubbel, No. 264. Ps. campéstris var. bitórquus, h. witglanzend, vleesch roodachtig, st. tolvormig. Ps. camp. var. pratícola, bruin of rood geschubd, vleesch roodachtig. Ps. sylvática, vuilwit, bruin geschubt, No. 221. Strophária.

Str. semiglobáta, bolvormig, geel of bruin, kleverig, op mest, No. 265. Psathýra.

Ps. corrúgis, teer, vuilwit met rood of bruin, No. 224. Coprínus.

C. comátus, wit met vlokkige schubben, No. 266. C. atromentárius, grijsachtig-wit, kaal, No. 267. C. níveus, wit, donzig, op mest, No. 268. C. micáceus, geelbruin, No. 142. C. plicátilis, teer, grijs met blauw en rose, No. 269. Panáéolus.

P. campanulátus, grijs-bruin, No. 270. Psathyrélla.

Ps. dissemináta, grijs of geelachtig, teer, No. 141.

Phállaceën. Stinkzwammen. Phállus.

Ph. impudícus, No. 231.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.

L. Bovísta, zittend, wit, glad, No. 271. L. caelátum, zittend, wit of grauw met vakjes, No. 272. Bovísta.

B. nigréscens, eerst wit, later zwartbruin, No. 273. Sclerodérma.

Scl. vulgáre, No. 240.

Áscomyceten. Zakjeszwammen.

Pezízazeën. Bekerzwammen. Pezíza.

P. aurántia, rood, groot, No. 1. P. fusispóra, rood, klein, No. 2. P. vesiculósa, groot, bruin, No. 4.

Helvéllaceën. Helvella-achtigen. Morchélla.

M. esculénta, h. bruin, st. wit, No. 12.


Soorten voorkomende in vochtige huizen onder en uit vloeren, plafonds, kelders enz.

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáriacaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen. Armillária.

A. méllea, No. 113. Lentínus.

L. lépideus (squamósus), No. 125. L. tigrínus, No. 126.

Melánosporeën. Zwartsporigen. Hypholóma.

H. fasciculáre, No. 139. Coprínus.

C. micáceus, No. 142. Psathyrélla.

Ps. dissemináta, No. 141.

Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen. Daedálea.

D. quercína, No. 176. Merúlius.

M. lácrymans, No. 173.


Soorten voorkomende in de duinen,

Niet in duinbosschen of pannen, zie hiervoor de verschillende bosch-rubrieken.

Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.

Agáricaceën. Plaatzwammen.

Leúcosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).

A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, licht-geel of wit. Lepióta.

L. clypeolária, wit, zijdeachtig met bruine vlokjes, No. 195. L. granulósa, ledergeel met gele vlokjes, No. 196. Tricholóma.

T. núdum, paars, (zie tabel blz. 180). Clitócybe.

Cl. obbáta, grijs of bruinachtig, (zie tabel blz. 184). Laccária.

L. laccáta, roodbruin, No. 197. Marásmius.

M. oréades, geel-bruin of beige, No. 207.

Óchrosporeën. Bruinsporigen. Pholióta.

Ph. práécox, stroogeel, voorjaar, No. 261. Inócybe.

I. rimósa, zandkleurig, gespleten, No. 217. Hebelóma.

H. cristulinifórme, bruin met witten rand, No. 216. Galéra.

G. hypnórum, bruinrood, in mos, No. 219. Tubária.

T. furfurácea, op takjes, licht of donkerbruin, No. 135. Crepidótus.

C. móllis, op populier, grijs-wit, week, No. 131.

Teléphoraceën. Korstzwammen. Teléphora/

T. terréstris, roestbruin, No. 225.

Phállaceën. Stinkzwammen. Phállus.

Ph. impudícus, No. 231. Ph. canínus, No. 232.

Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.

L. coelátum, zittend, wit, met vakjes, No. 272. L. furfuráceum, zittend, grauw of bruinachtig, No. 239. L. gemmátum, kortgest., wit met wratjes, No. 236. Bovista.

B. nigréscens, eerst wit, dan zwart-bruin, No. 273. B. plúmbea, loodgrijs, glanzend, No. 274. Geáster.

G. tríplex, No. 255.

No. 277. G. Schmidelii. Kleine aardster. (fig. 118.)

Kleine Aardster, ± 3 cM. groot, met een meest in 4, grijswitte, eerst vleezige, spoedig papierachtige, opstaande slippen scheurend buitenste omhulsel en een kogelvormig gesteeld, eerst grijs- dan bruingekleurd binnenste omhulsel. Najaar, Winter, plaatselijk vr. a. Tulóstoma.

No. 278. T. mammósum. Gesteelde stuifzwam.