Fig. 104. Hýdnum repándum. (Gele stekelzwam).
No. 250. H. melaleúcum. Zwart-witte stekelzwam.
Fig. 105. Hýdnum auriscálpium. (Oorlepeltjeszwam).
(Photo B. E. Bouwman).
H. gewoonlijk met anderen samengegroeid, kortgest. zwart of paarsachtig, fluweelig met witten rand, deze gegolfd, leerachtig stijf, onregelmatig; tot 6 cM. breed. St. zwart, stekels wit, geen sterken reuk. Najaar. vr. a.
No. 251. H. gravéolens. Sterkriekende stekelzwam. Gelijkt op de vorige soort, doch is er v.n.l. van te onderscheiden door den sterken reuk naar foenegriek, is verder niet gegordeld, rand iets witachtig en vlakker, niet gegolfd, de St. en stekels zijn grijs. Najaar. vr. a.
No. 252. H. auriscálpium. Oorlepeltjeszwam (fig. 105). Op afgevallen dennenkegels. H. kastanjebruin, later zwartachtig, stijfharig, gehalveerd, 1–2 cM. breed. Stekels groot, eerst grijs, dan bruin. St. geheel excentrisch, 5–8 cM. hoog, kleur als h., stijfharig en met een wortelv. verlengsel op den kegel vastzittend. Zomer-winter. vr. a.
No. 253. H. ferrugíneum. Roestkleurige stekelzwam. (Plaat 2, fig. XIb).
Fig. 106. Sparássis críspa. (Sponswam). (Photo H. A. A. v.d. Lek).
H. eerst wit of grijsachtig, bloedroode druppels afscheidend, later roestkleurig, sponzig-kurkachtig, 6 à 7 cM. breed. St. kort en dik, bruin. Stekels roestkleurig. Najaar. vr. a.
Teléphoraceën. Korstzwammen. Teléphora.
T. terréstris, roestbruin No. 225.
Claváriaceën. Koraalzwammen. Calócera.
C. viscósa, op stronken: oranjegeel, kleverig No. 189. Sparássis.
No. 254. S. críspa. Sponszwam (fig. 106).
Wit of geelachtig, soms grijsachtig, later bruin wordend tot 35 cM. breed en 12 cM. hoog. Stronk zeer kort, vleezig, takken bladvormig, veeldeelig, door elkander gekronkeld, gekroesd, bros. Aan den voet van coniferen, in ’t Z. en O. Najaar. vr. z. e.
Phalloideën. Stinkzwammen. Phállus.
Ph. impudícus No. 231. Lycopérdon.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen.
L. excípulifórme, langgest., loodkl., kaal No. 235. L. gemmátum, kortgest., wit met wratjes No. 236. L. furfuráceum, zittend, vuilwit, grauw No. 239.
Fig. 107. Geáster tríplex. (Gekraagde aardster) nog gesloten exemplaar (b). Volwassen exemplaar (a).
No. 255. G. tríplex. Gekraagde aardster (fig. 107–110).
Fig. 108. Geáster tríplex. Gesloten exempl. op doorsnede.
Fig. 109. Sporen van Geáster tríplex.
In verschen staat, grijsachtig wit met 4–8 vleezige breede slippen (onderkant bruin) (fig. d.) en met een vleezig (c) kraagje (afgescheurd van de slippen) om het binnenste, de sporen bevattende peridium, (f) dat een vlokkig kegelvormig mondje (g) heeft. Later is meestal het kraagje verdwenen en de geheele aardster bruin en leerachtig. Zij kan tot 15 cM. groot worden. Soms vindt men de nog gesloten, op tulpenbollen gelijkende exempl.
Najaar-winter. vr. a. Vindt men in de duinstreken een aardster, die in verschen staat kleiner, tot 6 cM. groot is en geen kraagje heeft, dan zal het de bijna even algemeene G. fimbriátus No. 256 zijn.
Fig. 110. Geáster hygrométricus (Hygrometrische aardster).
No. 257. G. hygrométricus. Hygrometrische aardster.
“Poor-man’s weather-glass” (fig. 110).
Platte aardster met een grijsbruin, bol binnenste peridium en met een in 7–20 roodbruine, dikke slippen scheurend buitenst peridium. Bij droog weer rollen zich de slippen over het binnenste peridium heen. Grootte tot 12 cM. Najaar-winter in ’t Z. en O. vr. a.
Sclerodérma.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Pezízaceën. Bekerzwammen.
Pezíza.
Helvéllaceën. Helvella-achtigen.
Leótia.
Soorten voorkomende in eikenbosschen.
Basidiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Léucosporeën. Witsporigen.
Amaníta. (Zie tabel blz. 175).
Lepióta.
Tricholóma. (Zie tabel blz. 180.).
Clitócybe. (Zie tabel blz. 184).
C. fláccida, rossig-geelbruin. C. infundibulifórmis, ledergeel. C. odóra, groen (naar anijs riekend). C. suavéolens, beige (naar anijs riekend). C. clávipes, bruin, steel knotsvormig. C. nebuláris, grijs of aschgrauw. Laccária.
L. laccáta en amethýstina, rose, roodbruin of paars. No. 197 en 198. Collýbia.
C. butyrácea, grijs of bruin-geelachtig, vettig. No. 199. C. dryóphila, bleek-bruin-ledergeel. No. 200. Mycéna.
M. púra, rose, witachtig, licht-lila. No. 204. M. galópoda, donkerbruin of aschgrauw; st. melkgevend. No. 203. Omphália.
O. fíbula, bruin of geel-oranjeachtig. No. 205. Hygróphorus.
H. limacínus, lichtbruin, zeer slijmerig (zie tabel blz. 188). Lactárius. (Zie tabel blz. 191).
L. deliciósus, oranjegeel met gordels, melksap oranje. L. theiógalus, geelachtig-rose met gordels, melksap spoedig geel, scherp. L. torminósus, oranje-rood, rose of witachtig met sterk behaarden rand, melksap wit, scherp. L. velléreus en piperátus, wit. L. túrpis, bruin-zwart, groot, st. kort. L. viétus, grauw-groen met rozeroode tint, (scherp.) L. subdúlcis, rood-bruin. Rússula. (Zie tabel blz. 196).
R. nígricans, lichtbruin, later zwart, vleesch eerst rood, dan zwart wordend. R. citrína, citroengeel. R. ochroléúca, geel (smaak scherp). R. fóétens, bruingeel, (scherpen reuk). R. heterophýlla, groen. R. lépida, rood. R. emética, rood, paars of bruin (smaak scherp). R. frágilis, wit met rood, paars- of groen-bont, (smaak scherp). R. furcáta, groen of geel-groen (smaak scherp). Cantharéllus.
C. cibárius, geheele paddenst., dik-vleezig, dooier-geel. No. 206. C. aurantíacus, geheele paddenst., slap-vleezig, oranjegeel. No. 207. Nýctalis.
Zie Russ. nigr. No. 68. Marásmius.
M. úrens, bruin-rossig, verbleekend, (smaak brandend) No. 210. M. oréades, eerst bruin, later bruinachtig-beige. No. 211. M. rótula, h. wit, st. zwart; op bladeren, takjes enz. No. 212. M. androsáceus, bruinachtig, st. zwart, op bladeren, takjes enz. No. 214. M. scorodónius, bruin (reuk naar knoflook) No. 213. M. cónfluens, beige, versch. exempl. met elkaar vergroeid. No. 209.
Rhódosporeën. Rosesporigen. Clitopílus.
C. orcélla, wit. No. 215.
Óchrosporeën. Bruinsporigen. Inócybe.
I. rimósa, zandkl., gebarsten. No. 217. I. geophýlla, wit of lila. No. 216. Hebelóma.
H. crustulinifórme, bruin met lichteren rand. No. 216. Galéra.
G. hypnórum, bruinrood. No. 219. Tubária.
T. furfurácea, bruinrood. No. 135. Paxíllus.
P. involútus, bruin, met sterk ingerolden rand. No. 220 Cortinarius. (Zie tabel blz. 204).
C. elátior, bruin-paars, kleverig, st. met paarsen ring. C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig. C. cinnamómeus, kaneelkleurig. C. cinnabarínus, h. kaneelkl., pl. bloedrood. C. armillátus, bruinrood, droog; st. met 2–4 roode ringen. C. hinnúleus, bruin met witten rand.
Melánosporeën. Zwartsporigen. Strophária.
S. aeruginósa, blauwgroen, zeer slijmerig. No. 222. Hypholóma.
H. Candolleánum, wit of geelwit. No. 223.
Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen. Bolétus. (Zie tabel blz. 207).
B. lúteus. B. granulátus. B. bádius. B. subtomentósus. B. cálopus. B. edúlis. B. lúridus. B. versipéllis (rúfus). B. cyanéscens. B. félleus. Fistulína.
F. hepática. No. 170. Polýporus.
P. frondósus. No. 152. Hýdnum.
Hydnaceën. Stekelzwammen.
H. repándum, geelachtig-wit. No. 248.
Teléphoraceën. Korstzwammen.
Crateréllus. No. 258. C. cornucopioïdes. Hoorn van overvloed (fig. 111).
Fig. 111. Crateréllus cornucopioïdes (Hoorn van overvloed).
H. bruin of aschgrauw, (van binnen donkerder,) fluweelig, in den vorm van een trompet of hoorn van overvloed. 3–6 cM. hoog, vliezig, gerimpeld met gegolfden rand. St. hol, zwartachtig. In troepjes bijeen op kalkgrond. In ’t Z. en O. z. e.
Claváriaceën. Koraalzwammen. Clavária.
Cl. cinérea, licht of donkergrijs. No. 228.
Treméllaceën. Trilzwammen. Exídia.
E. glandulósa, zwart, op eiken takken. No. 182. Tremélla.
Tr. mesentérica, geel, op eiken takken. No. 178.
Phállaceën. Stinkzwammen. Phállus.
Ph. impudícus. No. 231. Ph. canínus. No. 232.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.
L. excipulifórme, lang gesteeld, bleekbruin of loodkleurig. No. 235. L. gemmátum, kort gest., wit met wratjes. No. 236. L. furfuráceum, ongest., grijsachtig-wit. No. 232. Sclerodérma.
S. vulgáre. No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Pezizaceën. Beker zwammen. Pezíza.
P. onótica, geel. No. 7. P. vesiculósa, bruin. No. 4. P. haemispháérica, van buiten bruin, van binnen grijs. No. 6. P. fructigéna, op eikeldoppen. No. 8. Bulgária.
B. ínquinans, zwart, knoopvorm., op eiken takken of stam. No. 9.
Helvellaceën. Helvella-achtigen. Helvélla.
H. críspa, wit. No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs. No. 11. Morchélla.
M. esculénta, h. bruin, st. witachtig. No. 12. Leótia.
L. lúbrica, geel-groenachtig, kleverig. No. 15.
Pýrenomyceten. Kernzwammen. Córdiceps.
C. militáris, op doode rups of cocon, oranje. No. 18.
Soorten voorkomende in beukenbosschen.
Basidiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agàriaceën. Plaatzwammen.
Léucosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).
A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, lichtgeel of wit. A. pantherína, bruin. A. muscária, vuur-rood of oranje-rood. A. rubéscens, vleeschkleurig of bruinachtig. Armillária.
Arm. múcida, wit, op beukenstam en takken. No. 112. Tricholóma. (zie tabel blz. 185).
Tr. gambósum (Geórgii), wit-of geelachtig (voorjaar). Tr. columbétta, wit. Laccária.
L. laccáta en amethýstina, rose, rood-bruin of paars. No. 197 en 198. Omphália.
O. fíbula, bruin of geel-oranjeachtig. No. 205. Hygróphorus
H. ebúrneus, wit (zie tabel blz. 188). Lactárius. (zie tabel blz. 191).
L. viétus, grijs-groen met roseroode tint. L. theiógalus, geelachtige rose met gordels (melksap spoedig geel, scherp). L. blénnius, grijs, (melksap scherp). L. túrpis, donker-bruin of zwart. L. velléreus en piperatus, groot wit (melksap scherp). L. subdúlcis, rood-bruin. Rússula. (zie tabel blz. 196).
R. nígricans, lichtbruin, later zwart, vleesch eerst rood dan zwart wordend. R. pectináta, bruin, gestreepten rand. R. ochroléúca, geel (smaak scherp). R. heterophýlla, groen. R. viréscens, groen of grijsgroen. R. cyanoxántha, grijs met blauw of oranje. R. lépida, rood. R. rúbra, rood (smaak scherp). R. émetica, rood, paars of bruin (smaak scherp). R. alutácea, paars of rood. R. frágilis, wit met rood of paars-bont (smaak scherp). R. furcáta, groen of geel-groen (smaak scherp). R. depállens, roodachtig op purper-violet, slap-vleezig. R. ochrácea, geel. Cantharéllus.
C. cibárius, dik-vleezig, dooiergeel No. 206. C. aurantíacus, slap-vleezig, oranje-geel No. 207. Nýctalis.
Zie Rúss. nigr. No. 68. Marásmius.
M. úrens, bruin-rossig, verbleekend (smaak brandend) No. 210. M. rótula, h. wit, st. zwart op bladeren, takjes enz. No. 212. M. androsáceus, h. bruinachtig, st. zwart op bladeren enz. No. 214. M. scorodónius, bruin (reuk naar knoflook) No. 213.
Rhódosporeën. Rosesporigen. Clitopílus.
C. orcélla, wit No. 215.
Ochrosporeën. Bruinsporigen. Pholióta.
Ph. squarrósa, uit- of aan den voet van beukenstammen, h. en st. schubbig No. 133. Galéra.
G. hypnórum, bruinrood No. 219. Paxíllus.
P. involútus, bruin met sterk ingerolden rand No. 220. Cortinárius. (zie tabel blz. 204).
C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig C. cinnabarínus, h. kaneelkleurig, pl. bloedrood. C. cinnamómeus, kaneelkleurig. C. hinnúleus, licht-rood-bruin, gebarsten. C. armillátus, bruinrood, droog, st. met 2–4 roode ringen.
Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen. Bolétus. (zie tabel blz. 207).
B. edúlis. B. félleus. B. subtomentósus. B. cyanéscens. B. lúridus. B. cálopus. Polýporus.
P. gigánteus, aan den voet van beuken, bruingeel of bruin No. 181. Fómes.
F. igniárius, op beukenstam, hoefvorm., donker bruin, hard No. 162.
Hydnaceën. Stekelzwammen. Hýdnum.
H. repándum, geelachtig-wit No. 248. H. gravéolens, bruinzwart met witachtigen rand, stekels grijs No. 251. H. ferrugíneum, roestkleurig.
Teléphoraceën. Korstzwammen. Teléphora.
T. terréstris, roestbruin No. 225.
Claváriaceën. Koraalzwammen. Clavária.
C. botrýtis, stam wit, takken rose. Zie blz. 285. C. formósa, stam en takken geel. C. cristáta, stam en takken wit. C. amethýstina, stam en takken paars. C. cinérea, stam en takken licht of donker grijs.
Phállaceën. Stinkzwammen. Phállus.
Ph. impudícus, No. 231.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.
L. gemmátum, kort gest., wit met wratjes No. 236. L. pyrifórme, aan voet van beukenstam, peervormig, witachtig No. 238. Sclerodérma.
S. vulgáre No. 240.
Ascomyceten. Zakjeszwammen.
Pezizaceën. Bekerzwammen. Pezíza.
P. vesiculósa, licht-bruin, No. 4. P. aurantíaca, rood, groot, No. 1. P. fusispóra, rood, klein, No. 2. P. scutelláta, klein-rood met zwart gewimperd randje, No. 3. P. bádia, donker-bruin, No. 5.
Helvéllaceën. Helvella-achtigen. Helvélla.
H. críspa, wit of geelachtig, No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs, No. 11. Morchélla.
M. esculénta, h. bruin, st. witachtig, No. 12. Geoglóssum.
G. glábrum, zwart, No. 14.
Soorten voorkomende in berkenbosschen.
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Léucosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).
A. phalloídes, groenachtig. A. citrína, lichtgeel of wit. A. muscária, vuur-rood of oranje-rood. Clitócybe.
C. odóra, groen (sterke anijsgeur) (zie tabel blz. 184). Laccária.
L. laccáta en amethýstina, rose, roodbruin of paars No. 197 en 198. Collýbia.
C. butyrácea, bruin-geelachtig of grijs, No. 199. C. dryóphila, rood of geelachtig-rood, No. 200. Lactárius.
L. torminósus, oranje-rood, rose of witachtig met sterk behaarden rand, melksap wit, scherp (zie tabel blz. 191). L. túrpis, donker-bruin of zwart. Rússula.
R. nígricans, lichtbruin, later zwart, vleesch eerst rood later zwart wordend (zie tabel blz. 196). Marásmius.
M. rótula, h. wit, st. zwart; op bladeren, takjes enz. No. 212. Lenzítes.
L. betúlina, op berkenstronken, h. zittend, houtig, fluweelig, No. 143.
Óchrosporeën. Bruinsporigen. Inócybe.
I. rimósa, zandkleurig, gebarsten, No. 217. Paxíllus.
P. involútus, bruin, met sterk ingerolden rand. No. 220. Cortinárius.
C. albo-violáceus, lila, zijdeachtig (zie tabel blz. 204).
Polýporaceën. Gaatjes- of buisjeszwammen. Bolétus. (zie tabel blz. 207).
B. scáber. B. rúfus (= versipéllis). B. edúlis. B. félleus. B. cyanéscens. B. Sátanas. B. lúridus. B. bádius. Polýporus.
P. betúlinus, h. ongesteeld, van boven bruin, van onderen wit, vleezig, meest aan doode berkenstammen, No. 149. P. brumális, h. gest., van boven bruin, van onderen wit, No. 146.
Claváriaceën. Koraalzwammen. Clavária.
C. cinérea, licht of donker grijs, No. 228. C. amethýstina, paars, No. 229. C. cristáta, wit, No. 226.
Lycopérdaceën. Stuifzwammen. Lycopérdon.
L. gemmátum, kortgest., wit met wratjes, No. 226. Sclerodérma.
S. vulgáre, No. 240.
Áscomyceten. Zakjeszwammen.
Helvéllaceën. Helvella-achtigen. Helvélla.
H. críspa, wit of geelachtig, No. 10. H. lacunósa, zwart of donkergrijs, No. 11.
Soorten voorkomende in weilanden.
Basídiomyceten. Steeltjeszwammen.
Agáricaceën. Plaatzwammen.
Léucosporeën. Witsporigen. Amaníta. (zie tabel blz. 175).
A. phalloídes, groenachtig. A. vagináta, roodbruin of grijs. Lepióta.
L. procéra, crême, met dikke, bruine, opstaande schubben, No. 193. L. rhacódes, crême, met donkerbruine, platte schubben, No. 194. L. clypeolária, wit, glanzend met bruine schubjes. No. 195. Tricholóma. (zie tabel blz. 180).
T. sórdidum, bruin-paars. T. gambósum (Geórgii), wit of geelachtig. (Voorjaar). T. núdum, paars. Clitócybe.
Cl. dealbáta, wit of beige, dikwijls in heksenkringen. (zie tabel blz. 184). Collýbia.
C. butyrácea, grijs of geelachtig bruin. No. 199. Mycéna.
M. epipterýgia, h. grijs of groengeel, st. geel, kleverig. No. 202. M. púra, rose, wit of lila-achtig. No. 204. Hygróphorus. (zie tabel blz. 188).
Cantharéllus.
C. cibárius, dooier-geel, dik-vleezig. No. 206. C. aurantíacus, oranje, slap-vleezig. No. 207. Rússula.
R. depállens, roodachtig of purper-violet (zie tabel blz. 196). Marásmius.
M. oréades, jong bruin, kegelvormig, later geel-bruin of beige in groepjes, veel in heksenkringen. No. 211.
Rhódosporeën. Rosesporigen.
Volvária. No. 259 a. V. speciósa. Witte Volvaria. (Pl. 4, fig. 15).
H. wit (in ’t midden soms iets grijs), vleezig, zacht, kleverig, eerst klokvormig dan uitgespreid, 7–14 cM. breed. Pl. rose of vleeschkl., vrij. St. wit tot 20 cM. hoog, onderaan knolvormig verdikt en met een zak of beurs, die in slippen verdeeld is. Zomer-najaar. Ook bij vuilnishoopen. vr. z. d. g.
N.B. Haar gelijkenis (vooral door de rose plaatjes) met Psalliota camp. No. 263, heeft tot vergiftigingsgevallen aanleiding gegeven; de groote zak (goed uitgegraven) geeft echter een kenmerkend verschil.
No. 259 b. V. gloiocéphala. Grijze Volvaria.
Gelijkt in alles op de vorige soort, heeft echter een h., die eerst grijs, glanzend, later roestkleurig is. Najaar, nog minder algemeen dan V. speciósa z. d. g. Clitopílus.
C. orcélla, wit, glanzend. No. 215. Nolánea.
No. 260. N. páscua. Weide Nolanea. (Plaat 4, fig. 17).
H. glanzend, verschillend van kleur: grijs, zwartachtig-grijs of bruinachtig, dunvleezig, eerst kegelvormig dan uitgespreid met gestreepten rand, 3–5 cM. breed. Pl. dicht bijeen, breed, eerst grijs, later roodachtig-grijs. St. 5–8 cM. hoog, zijdeachtig, vezelig, gestreept, bruinzwart of grijs, zeer broos. Mei-winter. vr. a.
Óchrosporeën. Bruinsporigen. Pholióta.
No. 261. P. práecox. Voorjaars pholiota.
H., stroogeel, 4–8 cM. breed, in ’t midden donkerder, bij vocht iets kleverig, eerst bol dan uitgespreid, bultig. Ring wit, meestal spoedig verdwijnend. St. 5–8 cM. hoog met gezwollen voet, meelachtig donzig. Mei–Oct. vr. a. e. Hebelóma.
H. crustulinifórme, bruin met witten rand. No. 216. Naucória.
N. semiorbiculáris, geel-bruinachtig. No. 275. Bolbítius.
No. 262. B. vitellínus. Dooiergele mestzwam (Pl. 5, fig. 29).
H. jong, ei-vingerhoedvorm., dooiergeel, kleverig, later bruin, klokvormig of uitgespreid met gespleten rand, 2–5 c.m. breed. Pl. kleikleurig, okergeel. St. wit- of geelachtig, schubbig bepoederd, tot 8 c.m. hoog. Mei–Nov., op mest en op aarde. vr. a.
Melánosporeën. Zwartsporigen. Psallióta.
No. 263. Ps. campéstris. Weide-kampernoelje, Weide-Champignon (fig. 113 en fig. 17 en 18).
H. wit- of geelachtig, fijn schubbig of glad, eerst bol, jong met ingerolden rand, later plat, dik-vleezig tot 20 c.m. breed. Pl. bij jong exemplaar reeds rose, later koffiebruin, dan zwart en vochtig. St. met manchet, wit, dik gevuld, kort, 6–8 c.m., dikwijls aan den voet eenigszins knollig. Juni–Nov. Vooral op eenigszins vochtige weilanden waar paarden grazen. vr. a. e. (Zie vooral Amaníta phalloídes (fig. 16 en blz. 85)).
Van dezen paddenstoel komen nog de volgende variëteiten voor:
Ps. camp. var. vaporárius, H. bleek-bruin, schubbig, dunvleezig, steel dun; vr. a. e.