Echte paddenstoelen als veroorzakers van plantenziekten.

Dit zijn v.n.l. de boomzwammen, die allen min of meer als planten-(boom)parasieten zijn te beschouwen.

Als wij, na een stormachtigen nacht, in de stad of buiten, omgewaaide boomen vinden liggen, waaronder dikwijls forsche exemplaren, dan moeten wij niet denken, dat diezelfde boomen daar gisteren nog gezond en krachtig stonden en dat alleen de storm daar een einde aan heeft gemaakt. Die storm heeft slechts voltooid, wat de draden, het mycelium van de echte paddenstoelen, jaren, misschien wel eeuwen lang hebben voorbereid.

Bekijkt men zoo’n omgevallen boom eens wat nauwkeuriger, zoo zult ge zien, dat hij bijna geheel vermolmd is, terwijl de nog in den grond zittende wortels, waarvan de boom is afgeknapt, er eveneens vergaan en verrot uitzien.

Het mycelium der boomzwammen scheidt n.l. een chemische stof af, die de houtstof of cellulose van den boom geheel doet verkruimelen of vermolmen.

En nu zult ge misschien schrikken als ik u vertel, dat er wellicht geen enkele boom bestaat die geheel vrij is van dit mycelium der echte paddenstoelen. Op een gewonde plek van stam en tak, door mensch of dier veroorzaakt, is een spoor van een boomzwam neergevallen, en daar ontkiemd, trachten die draden nu overal tusschen bast en hout door te dringen. Is nu de boom kerngezond, vooral fungeert zijn wortelstelsel goed, zoodat de vocht en voedselstrooming in de vaatbundels goed werken, dan kan hij den strijd tegen de zwam gerust aanbinden en steeds overwinnaar blijven. Mankeert het hem echter hieraan, en werken deze functiën door de een of andere reden, minder goed, zoodat door de vaten minder water en meer lucht kan toetreden, dan begint het “zwamvlok” veld te winnen, want meer lucht dan vocht heeft dit voor zijn groei in die duisternis noodig en langzaam maar zeker gaat het zijn vernielingswerk voortzetten en hoe slechter ’t er nu met den boom gaat uitzien, hoe beter krijgt de zwam het. Haar inwendige uitzuigerij is haar nu niet langer voldoende; meer slachtoffers wil zij maken en uit tak of stam gaat zij nu fraai gevormde en gekleurde vruchtlichamen uitzenden, wier sporen weer honderd andere boomen kunnen aanvallen en vernietigen.

Dat gebrek aan watertoevoer in de boomen den groei van de zwam bevordert, daarvoor leveren ons de berkenboschjes van onze, tegenwoordig zoo droog liggende duinpannetjes, wel het bewijs. Deze, vroeger een lust der oogen, vertoonen nu slechts een ruïne van omgevallen doode stammen en dor loof, waar, als frisch jong leven, alleen nog maar de mooie “berkenzwam” Polýporus betúlinus (fig. 69 No. 14) fungeert. Hoogst zelden vindt men deze zwam op een nog levenden berk.

De tijd, waarin de diverse boomzwammen haar vernielingswerk verrichten, is zeer verschillend. Zien wij aan een eik of populier de zoo fraaie, goud-gele Polýporus sulfúreus No. 150, of de, op verschillende loofboomen, vooral op iep en wilg voorkomende, Polýporus squamósus (fig. 67 en 68 No. 147) zitten, dan kunnen wij er vast van overtuigd zijn, dat die boomen hun langsten tijd geleefd hebben. Evenzoo kan de kweeker, als zijn boomgaard door de boomgaardzwam: Fómes pomáceus (fúlvus) No. 164, of door: Stéreum purpúreum No. 186, bezocht zijn, gerust zijn pruimen- en kersenboomen uit den grond halen en vernietigen.

Prijkt echter de groote, donkere “vuurzwam” Fómes igniárius (Pl. 2, fig. Xb No. 162) aan beukenstammen, dan behoeft men zich over deze volstrekt niet ongerust te maken, want haar vernielingswerk gaat zeer langzaam en terwijl zij telkens weer een nieuwen band om haar hoed zet, leeft de boom nog jaren lang ongestoord verder.

Bij deze hierboven besproken boomparasieten en nog zoo vele, vele anderen (zie blz. 217 en volgende) die uit stam en takken van de verschillende boomsoorten naar buiten komen, hebben we gezien, dat ze zich dan eerst pas goed gaan ontwikkelen, als haar gastheer in minder goede condities gaat verkeeren. Haar parasitisme heeft dus een eenigszins z.g.n. secondair karakter. Zij zijn als uitzuigers, vernielers, minder als moordenaars te beschouwen. Gelukkig dragen waarschijnlijk wel 90 % van de boomzwammen een dergelijk secondair parasitisch karakter, maar heel ongelukkig zijn er nu bij die tien andere procenten een paar soorten, die we geen vernielers maar echte moordenaars moeten noemen en deze komen helaas zeer menigvuldig in ons land voor. Men vindt ze in de natuurlijke kleur en grootte afgebeeld op de plaat der “schadelijke zwammen”, uitgegeven door het “Staatsboschbeheer”. Het zijn: Fómes annósus (fig. 74–77 No. 167) en Armillária méllea (fig. 60 No. 113). Het mycelium van deze zwammen valt in ’t bijzonder de wortels der boomen aan, vooral van naaldhout, en dan geen zieke wortels, die slecht fungeeren, maar kerngezonde. Van het zwamvlok van de honingzwam: Armillária méllea is bekend, dat het niet tevreden is, als het zijn moordend werk aan ’t wortelgestel van één boom heeft gedaan, het kruipt in den grond voort en valt den een na den anderen boom aan, zoodat uitgestrekte deelen bosch door haar vernietigd worden. Zijn er tegen vele plantenziekten door schimmels, bestrijdingsmiddelen, tegen deze slechts dit ééne, dat men de vruchtlichamen, die weer voor de voortplanting door de sporen zorgen, zooveel mogelijk vernietigt, terwijl de onderaardsche organen niet uit te roeien zijn. Het mycelium van deze zwam (zie ook blz. 40) kruipt maar zoo stilletjes in ’t duister voort, totdat zij binnen korten tijd heeft gezorgd, dat haar slachtoffer is komen te vallen. Uit de overgebleven stronken zendt zij dan, als “vlaggetjes der overwinning”, in de herfstmaanden overal troepen van haar vruchtlichamen omhoog.

Wordt het hout van, door ’t mycelium van echte paddenstoelen aangetaste, boomen gebruikt voor ’t bouwen van huizen, schuttingen, hekwerk enz., dan heeft het zijn vernielingswerk nog niet geëindigd. Integendeel, daar het hout dood is en er steeds meer luchttoevoer in is gekomen, gaat de groei van het mycelium enorm toenemen. Vandaar dat uw trapje in uw tuin, uw hekwerk om huis of weiland zoo kort geleden nog gezet, zoo spoedig geheel vermolmd is en allerlei fraai gevormde en gekleurde paddenstoeltjes (meest van Polýporus versícolor fig. 73 No. 160) uit het hout te voorschijn komen. Worden echter die trapjes en hekjes bij het zetten eens goed met carbolineum bestreken, dan moet de zwam het geheel afleggen en geen afgebroken paaltjes of fraai gekleurde “Elfenbankjes” (fig. 73) zullen meer het eigendom worden van den zorgvuldigen bezitter.