Fig. 80. Daedálea quercína (Doolhofzwam) onderzijde.

Fig. 80. Daedálea quercína (Doolhofzwam) onderzijde.

No. 176. Daedálea quercína. Doolhofzwam (fig. 80). Volgroeide exemplaren zijn door de doolhofachtige gangen (zie fig. 80), en door de kurkachtige, bleek-bruine substantie gekenmerkt. Zij zijn dik-kussenvormig of knollig en van boven ongelijk-bobbelig. Behalve deze vindt men vaak andere vormen: onregelmatige stroken of plakken als lichtbruine kurkaangroeisels, eerst dicht, later met gaatjes, die zich tot de typische gangen verwijden. Aan oude eiken, ook wel op eikenhout. Het geheele jaar. vr. a.

Fig. 81. Doorsnede van een Trametes.

Fig. 81. Doorsnede van een Trametes.


Tabel tot het bepalen der Trilzwammen-soorten.

1.
P. wit, melkachtig, later lichtbruin: Exídia álbida No. 181.
P. geel, oranje of lichtbruin 2
P. zwart, grauw of bruinzwart 3
2.
P. klein, 3–5 mM., geel tot oranje: Dacryomýces stillátus No. 180.
P. grooter, 2–5 cM., geel of licht oranje, sterk geplooid: Tremélla mesentérica No. 178.
P. 2–8 cM., sterk gekroesd, lichtbruin, bij opdrogen vuilbruin: Tremélla foliácea No. 179.
3.
P. vrijwel rond, knoopvormig, zie Bulgária ínquinans No. 9.
P. dun, schelp- of oorvormig, bruinachtig of grauw-grijs, aderig geplooid: Hirnéola Aurícula Júdae No. 177 (fig. 82).
P. dik, week, gezwollen, zwart: Exídia glandulósa No. 182.

No. 177. Hirnéola Aurícula Júdae. Judas-oor (fig. 82).

3–10 cM., schelp- of oorvormig, zittend, aderig geplooid, grauw-bruin tot zwart, van buiten fijn behaard; binnenzijde meer groenig of violetgrauw (jong lichtgrijs); taai-geleiachtig, bij uitdroging hoornachtig. Meest op oude vlierstammen, vaak in groepjes. Herfst-winter. vr. a.

Fig. 82. Hirnéola Aurícula Júdae (Judasoor).

Fig. 82. Hirnéola Aurícula Júdae (Judasoor).

No. 178. Tremélla mesentérica. Gele trilzwam.

2–5 cM., week, geleiachtig, geplooid en gewonden, helder geel tot oranje, later wit berijpt, vervloeiend. Op oude palen en takken, voornamelijk van eiken. Herfst-winter vr. a.

No. 179. Tremélla foliácea. Bruine trilzwam.

2–8 cM., eveneens sterk gekroesd en gewonden, lichtbruin en doorschijnend, opgedroogd bruinzwart, door vocht sterk opzwellend. Aan stammen, takken en palen. Herfst-winter vr. a.

No. 180. Dacryomýces stillátus. Oranjedropzwam.

Bijna rond, 3–5 mM., aanv. geel; later oranje, geplooid; week-geleiachtig. Het geheele jaar door op takken, stronken, houtwerk. a. a.

No. 181. Exídia álbida. Stijfselzwam.

2–3 cM., rondachtig, vaak meerdere versmeltend, wit, melk- of glasachtig, later bruinachtig; aanv. glad, later met ondiepe groeven. Op losse, rottende takken. Herfst-voorjaar a.

No. 182. Exídia glandulósa. Zwarte trilzwam.

3–10 cM., grauw-zwart, week-gezwollen, meest met dunnen voet en naar boven verbreed, vaak bochtig geplooid. Bovenzijde eerst glad, later wrattig, onderzijde meest wat viltig. Bij ’t opdrogen wordt het een dun glinsterend zwart korstje. Op half doode en losse rottende takken van eiken. Herfst-winter a.

Niet te verwarren met Bulgária ínquinans, zie No. 9.


Behalve de voorafgaande houtzwammen treft men nog een aantal andere aan. Zeer veelvuldig vooral eenige, die behooren tot het geslacht:

Stéreum. (fig. 9). Typische korstzwammen, hoofdzakelijk bestaande uit aangegroeide korsten. De naar buiten gekeerde zijde is vrijwel glad en draagt het kiemvlies. Bij sommige blijft ’t hierbij; bij andere buigen de randen zich om, zoodat kleine vrije hoedjes ontstaan, waarbij nu het kiemvlies van onderen komt te liggen, terwijl de zijde van de korst, die tegen ’t hout aangegroeid is tot de vrije bovenzijde van den h. wordt. (Zie fig. 9 blz. 54). Deze is meestal ± harig. Bij sommige soorten wordt het kiemvlies bloedrood als men het wrijft; dit zijn de 3 volgende:

No. 183. Stéreum sanguinoléntum. Bloedende korstzwam.

Dunne, lederachtige korsten, met wit tot lichtgrauwe bruine kiemvlieszijde (fig. o.z.); rand scherp, een weinig teruggebogen; b-zijde wit, aangedrukt, zijig. Hymeniun sterk bloedend, alleen op dennen, vaak groote korsten vormend. Najaar vr. a.

No. 184. Stéreum rugósum. Ruwe korstzwam. Dik-korstvormig, geheel aangegroeid of met weinig teruggebogen rand. Kiemvlieszijde (o.z.), veelal ruw bobbelig, berijpt, geelbruin of ook grijsachtig, bloedend. Op stammen en takken vooral van beuken. Najaar a. a.

Fig. 83. Calócera viscósa (kleverig koraalzwammetje).

Fig. 83. Calócera viscósa (kleverig koraalzwammetje).

No. 185. Stéreum spadíceum. Bruine korstzwam. Onderscheidt zich van de vorige, doordat hij dunner is, met bruiner niet berijpte kiemvlieszijde, meer omgebogen randen, waardoor meestal kleine h. ontstaan, 2–3 cM., afstaande, vaak dakpansgewijs bijéén; ze zijn van boven behaard, roestbruin, veelal met witten rand. Op oude stammen en stompen, voornamelijk van eiken. Najaar a. a.

Van de niet-bloedende korstzwammen vindt men meest:

No. 186. Stéreum purpúreum, de Purper-korstzwam en

No. 187. Stéreum hirsútum, de Gele korstzwam.

De eerste steeds te kennen aan het purper of wijn-roode hymenium (alleen bij oudere ex. wat bleek of bruin wordend) de tweede aan het gele hymenium (helder-, bleek- of grijsgeel). Beide hebben meestal goed ontwikkelde hoedjes (met witachtige of grijze harige bovenzijde) en worden daardoor wel verward met sommige gaatjeszwammen, die een dergelijke groeiwijze hebben. Ze onderscheiden zich daarvan door de gladde kiemvlieskant, zonder gaatjes. Beide op boomen, stronken, takken, het geheele jaar door. a. a.

No. 188. Clavária strícta. Houtkoraalzwam.

Tot 8 cM. hoog, rijk vertakt, bleekgeel, later bruinachtig, ook door wrijving. Takjes dun rond en stijf, in vorksgewijs vertakte bruinachtige puntjes eindigend. Op boomstompen, takken en dergelijken. Najaar vr. a.

No. 189. Calócera viscósa. Kleverig koraalzwammetje (fig. 83).

Tot 6 cM. hoog, rijk vertakt, goudgeel tot oranje; bij vocht zeer kleverig; takken naar boven veelal verbreed en vorksgewijs vertakt. Op oude wortels en vermolmde stronken van dennen. Juli–Nov. vr. a.

No. 190. Phlébia aurantíaca (radiáta). Oranje aderzwam.

Deze vormt fluweelige ± wasachtig-vleezige korsten, met plooien en aderen bedekt, meest fraai oranje met bleekere licht-paarse partijen, vooral naar den stralig-vezeligen rand. Op levende boomen kan zij groote, dikke plakkaten vormen, schitterend oranje; op losse, doode takken vindt men zwakkere, dunnere en bleekere exemplaren. Op oude, zieke boomen, takken en dergelijke. Sept.–Dec. vr. a.

No. 191. Sphaeróbolus stellátus. Kleine kogelwerper.

1,5–2 mM., kogelvormig oranjegeel, in 5–8 slipjes, stervormig openspringend. Binnenste peridium wit, half-kogelvormig op de puntjes van het buitenste zich verheffend. Sporenkogeltjes bruin. Op rottend hout, takjes, enz. Herfst vr. a.

No. 192. Crucíbulum vulgáre. Vogelnestjeszwam (fig. 84).

Fig. 84. Crucíbulum vulgáre. (Vogelnestjeszwam).

Fig. 84. Crucíbulum vulgáre. (Vogelnestjeszwam).

Tot 1 cM. hoog en breed, eerst kogelrond dan klokvormig, lederachtig; van buiten eerst geel en donzig, later lichtbruin, kaal; van binnen steeds kaal glanzend, witachtig, schijfjes wit. Zomer-winter vr. a.