Fig. 66. Lenzítes betulína (Berken plaatjeshoutzwam).

Fig. 66. Lenzítes betulína (Berken plaatjeshoutzwam).

H. eerst ei- dan klokvormig, 3 à 5 cM. geelbruin gestreept, met fijne glinsterende korreltjes bezet, die echter spoedig verdwijnen. Pl. wit, bruin dan zwart door de sporen. St. wit, een weinig zijachtig, glad hol. In grooten getale bijeen op stronken en boomen; ook op de aarde. Voor- en najaar a. a.

Lenzítes. Dit geslacht vormt in menig opzicht een overgang tusschen plaat- en buisjeszwammen. Jong vertoonen zij gaatjes, maar bij uitgroeiing vormen zich duidelijke plaatjes, die echter stijf en kurkachtig zijn. De geheele hoed is trouwens zoo; hierdoor en door hun voorkomen en groeiwijze gelijken zij veel op sommige Polyporaceën; vooral als men ze alleen van boven beschouwt, kan men ze licht daarmede verwarren. De plaatjes zijn vaak vertakt en zijdelings verbonden, waardoor soms gaatjes ontstaan, die dan echter altijd veel grover zijn, dan bij de echte buisjeszwammen. Soms vertoonen zij dicht bij hun aanhechtingspunt gaatjes en meer naar den rand toe plaatjes. De meest voorkomende zijn:

No. 143. Lenzítes betulína. Berken-plaatjeshoutzwam. (fig. 66).

H. 2–10 cM. breed, ± met banden geteekend, viltig-harig, fluweelig, grauw-bleekbruin (dikwijls ook groenig). Pl. wit tot lichtgrijs-bruin. Vaak vele bijeen, dakpansgewijs. Op stronken van berken, esschen, eiken e.a. ’t geheele jaar a.

No. 144. Lenzítes saepiária. Bruine plaatjeshoutzwam.

H. 2–12 cM., borstelig viltig, fluweelig, aanv. geel, later van uit ’t midden bruin wordend, bruin met oranje-gele rand, ten slotte geheel donkerbruin. Pl. oranje-geel, vaak vertakt en verbonden. Op oude stronken van naaldhout, en op balken, schutting, enz., daaruit vervaardigd, ’t geheele jaar vr. a.

N.B. De Nos. 112–128 en 143, 144 hebben witte sporen. Bij de andere is het afzonderlijk vermeld.


Tabel tot het bepalen der meest voorkomende geslachten der Polyporaceën of Buisjeszwammen.

1.
Vleezige gesteelde aardpaddenstoelen, waarbij de buisjeslaag zich gemakkelijk van het vruchtvleesch laat afscheiden: Bolétus. Zie tabel blz. 207 (Plaat 2 fig. IX).
Hout- of boomzwammen of anders gevormde aardpaddenstoelen 2
2.
Weeke, sappige, roode of roodbruine boomzwammen: Fistulína. No. 170 (fig. 79).
Niet tegelijk week-sappig en rood 3
3.
Aan de onderzijde doolhofachtige gangen of plaatjes (zie fig. 80) 4
Geen plaatjes of doolhofachtige gangen (of indien er iets van dien aard te zien is, dan zéér veel fijner dan de figuur vertoont); gaatjes of netvorm. plooien 5
4.
Doolhofachtige gangen (fig. 80), zwam dik-kurkachtig: Daedálea quercína. No. 176 (fig. 80).
Plaatjes, (soms hier en daar overgaande in gaatjes). Zie Lenzítes. (blz. 234).
5.
Geen echte gaatjes, maar plooien en netvormige aderen: Merúlius. No. 171–173
Echte gaatjes, grof of fijn, soms alleen met een loupe of op doorsnede zichtbaar (bv. bij Fomes) 6
6.
Taai-kurkachtige tot hard-houtige zwammen, waarbij de buisjes gewoonlijk in meerdere lagen boven elkaar geplaatst zijn: Fómes. Zie tabel blz. 248. (Plaat 2 fig. X b en fig. 74–79).
(N.B. Dit kenmerk is alleen op breuk of doorsnede te zien.)
Harde, niet te snijden zwammen, die zich slechts met groote moeite zouden laten breken of doorzagen, zoeke men onder Fomes.
Buisjes slechts in één laag, vliezige, vleezige, leder- of kurkachtige zwammen; (sommige wel later verhardend, maar niet hard-houtig) 7
7.
Op doorsnede is de buisjes-laag niet door een scherp lijntje van het vleesch gescheiden (fig. 81); het vleesch is wit, kurkachtig tot zacht houtig: Tramétes. No. 174 en 175.
Wel een scherp lijntje tusschen buizen-laag en vleesch: Polýporus. Zie tabel blz. 237. (Pl. 2 fig. Xa en fig. 69–73).

Tabel tot het bepalen der Polýporus-soorten.

1.
Een vrijwel rond hoedje op een middenst. of wat excentrisch steeltje: 2
Andere vorm, geen of zijdelingsche steel: 3
2.
Op den grond (zandgrond) groeiend: Pol. perénnis. No. 145.
Op takken of stammen groeiend: Pol. brumális. No. 146.
3.
Poriën fraai paars (bij oude exemplaren bruin-paars). Pol. abietínus. No. 159.
Poriën hier en daar mooi oranje: Pol. auréolus. (amórphus). No. 158.
Poriën zwavelgeel, hoed geel, oranje of bruinachtig. Pol. sulphúreus. No. 150.
Poriën fraai zilver-grijs: Pol. adústus. No. 156.
Poriën anders gekleurd, wit, bleek-geel, groenig of bruinachtig: 4
4.
Vleesch ìn-bruin, rood-of geelbruin: 5
Vleesch wit of bleek geel-grijs of bruinachtig. 7
5.
H. meest kleiner dan 6 cM., meerdere bijeen, gewoonlijk boven elkaar geplaatst, bruin, met stralig geplaatste rimpels: Pol. radiátus. No. 157.
H. grooter dan 6 cM., 10 tot 30 cM. en meer: 6
6.
Dik consôle- tot kussenvormige hoeden aan boomstammen, aanv. geelbruin en week, later verhardend en roest-bruin, zwart wordend: Pol. híspidus. No. 153.
Meestal ongeveer tol- of trechtervormig, op of bij coniferenstompen: Pol. Schweinítzii. No. 154.
(Zie ook Fomes conchatus en Fomes pomaceus (vruchtboomen!))
7.
H. zadelv. geelbruin, met donkere schubben: Pol. squamósus. No. 147.
H. fraai met banden geteekend, meest vele bijeen op stronken, Pol. versícolor. No. 160 en 161. (Plaat 2 fig. X a en fig. 73).
Niet met schubben, noch met banden: 8
8.
Talrijke hoeden, gelobd en ingesneden, vormen één geheel. (Zie fig. 72). 9
Enkelv. hoeden, afzonderlijk of vele bijeen. 10
9.
H. fraai lichtbruin, met korreltjes, later schubbig: Pol. gigánteus. No. 151 (fig. 70 en 71).
H. grauw, of grijs-bruin, niet schubbig: Pol. frondósus. No. 152 (fig. 72).
(Zie ook Pol. sulphúreus, die soms met witte poriën voorkomt.)
10.
Met duidelijken steel, van onderen zwart: Pol. pícipes. No. 148.
Zittend of met zeer korten steel, kussenvormig (op berk!) zie fig. 69 Pol. betulínus. No. 149.
Vuil-witte of grauw bruine, ± taai vleezige zwammen, meestal vele bijeen en ± samenvloeiend. Pol. fumósus. No. 155.

No. 145. Polýporus (Polystíctus) perénnis. Tolzwammetje.

H. 2–8 cM., dun, leerachtig, rond, bruin, rand dun, scherp. Poriën eerst wit berijpt, later bruin. St. middenstandig, lichtbruin en fluweelig. Dikwijls vertoonen de hoeden fraai geteekende banden; men vindt ook veelal eenige exemplaren min of meer met elkaar vergroeid. Zandgrond. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 146. Polýporus brumális. Winterhoutzwam.

H. 3–8 cM. ± vleezig, dan taai-leerachtig, grijs-bruin, zonder bandv. teekening, eerst behaard, later meestal eenigszins schubbig. Poriën wit, geelachtig. Steel ± O.5 cM. dik, fijn schubbig of harig. Op doode takken en stammen, vooral van eiken. Najaar-voorjaar. vr. a.

Fig. 67. Polýporus squamósus (Zadelzwam).

Fig. 67. Polýporus squamósus (Zadelzwam).

No. 147. Polýporus squamósus. Zadelzwam. (fig. 67 en fig. 68).

H. tot 40 cM., taai vleezig, geelbruin met donkere schubben. Poriën aanv. klein, later vrij groot en hoekig, wit tot lichtbruin. Steel kort, zijdelingsch of excentrisch, van onderen zwart. Loofboomen, en stronken. Voor- en najaar. a.

No. 148. Polýporus pícipes. Peksteel.

Fig. 68. Polýporus squamósus (Zadelzwam).

Fig. 68. Polýporus squamósus (Zadelzwam).

H. tot 8 cM., taai-vleezig, later hard, bruin, glad. St. sterk excentrisch, geheel zwart tot aan de afloopende poriën, deze zijn wit tot bleekbruin, klein, op stronken meest van wilgen. Najaar. vr. a.

No. 149. Polýporus betulínus. Berkenzwam. (fig. 69).

H. 6 à 20 cM., vleezig tot kurkachtig, ± rond of niervormig, zittend of met zeer korten steel aangehecht, kaal, glad, bruingrijs; vleesch zuiver wit, buisjes kort, poriën wit. Uitsluitend op berken. Het geheele jaar. vr. a.

No. 150. Polýporus sulphúreus. Zwavelzwam.

Fig. 69. Polýporus betulínus (Berkenzwam).

Fig. 69. Polýporus betulínus (Berkenzwam).

(Photo Dr. Garjeanne.)

H. meestal vele tot groote complexen vergroeid, zwavelgeel met oranje. Poriën geel. Vleesch wit of geelachtig, aanv. week kaasachtig, later hard, als brosse kaakjes. Op loofboomen, soms zeer hoog; schadelijke parasiet! vr. a.

No. 151. Polýporus gigánteus. Reuzenzwam. (fig. 70 en fig. 71).

Deze vormt aan den voet van oude boomstammen groote zoden, die meer dan 1 M. breed kunnen worden, mooi lichtbruin met korreltjes en schubjes geteekend (vooral later); de bleeke poriën kleuren zich bij druk zwartig. Vooral aan den voet van beuken. Augustus–October. vr. a.

Fig. 70. Polýporus gigánteus (Reuzenzwam) ½ nat. grootte.

Fig. 70. Polýporus gigánteus (Reuzenzwam) ½ nat. grootte.

Photo H. A. A. v. d. Lek.

No. 152. Polýporus frondósus, “De eikhaas” (fig. 72), onderscheidt zich van de vorige door zijn meer grauwe of grijsbruine kleur; ook is hij meer ingesneden tot kleinere, meer rondachtige lappen. Aan den voet van oude boomen, vooral eiken. n. a. e.

No. 153. Polýporus híspidus. Ruige boomzwam.

H. 10–30 cM. dik, consôle- tot kussenvormig, aanv. geel-bruin en vrij week, later hard, bruin en zwart. Van boven ruig-harig. Poriën aanv. bleek groenig geel, fijn gewimperd, later bruinachtig. Aan stammen van levende boomen. Juli-winter. vr. a.

Fig. 71. Polýporus gigánteus (Reuzenzwam), aan den voet van een beuk.

Fig. 71. Polýporus gigánteus (Reuzenzwam), aan den voet van een beuk.

Photo H. A. A. v. d. Lek.

N.B. Deze zwam is éénjarig; gedurende den geheelen winter kan men de harde bruinzwarte (doode) zwammen vinden.

Fig. 72. Polýporus frondósus (Eikhaas).

Fig. 72. Polýporus frondósus (Eikhaas).

No. 154. Polýporus Schweinítzii. Sparrehoutzwam.

Deze zwam, uitsluitend in naaldbosschen, op of bij stompen te vinden, is aan de fraai-bruine, ruw-viltige bovenkant, en de groen-gelige (later bruine) poriën te kennen. De h., 6–25 cM., zijn ± tol- of trechtervormig, alleenstaand of eenige ± vergroeid. Herfst. In ’t Z. en O. vr. a.

Polýporus fumósus en adústus.

Bijna alle vuil-witte, grijze of grauw-bruine zwammen, niet met banden geteekend, die men in groote getale bijeen, zodevormend of dakpansgewijze op stammen of stronken aantreft, behooren tot een van deze soorten.

No. 155. P. fumósus, de rookzwam, is gew. dikker, vleeziger, vertoont op doorsnede zônen in ’t vleesch, heeft vuil-witte of bruinachtige poriën, die door wrijving zich donkerder kleuren. a.

No. 156. P. adústus, de grijze gaatjeszwam, is dunvleezig, zonder zônen, en heeft mooi zilvergrauwe poriën; ook zijn hier de hoedjes meest meer half-cirkelvormig en fijnviltig. Herfst-winter. a. a.

No. 157. Polýporus radiátus. Elzenzwam.

H. 4–6 cM., meest vele bijeen ± dakpansgewijs; bruin met stralige rimpels, aanv. fluweelig-glanzend. Poriën aanv. met zilverachtigen weerschijn. Vooral goed te kennen aan het geel-bruine, stralig-vezelige vleesch. Bij voorkeur op elzen, doch ook op beuken, berken, e. a. Het geheele jaar. vr. a.

No. 158. Polýporus auréolus (= amórphus). Oranje dennezwammetje.

Witte, ± vleezige, zijdeachtige zwammetjes, vele bijeen, dakpansgewijs of onregelmatig uitgespreid, met oranje of oranje-rose poriën. Op dennenstronken. Najaar. a.

No. 159. Polýporus (Polystíctus) abietínus. Paarse dennenzwam.

Fig. 73. Polýporus versícolor (Elfenbankjes), onderaan rechts eenige Mycena’s.

Fig. 73. Polýporus versícolor (Elfenbankjes), onderaan rechts eenige Mycena’s.

Vindt men op naaldhout zwammetjes met fraai paarse poriën, dan is het deze. Overigens is de vorm zeer veranderlijk en wisselt tusschen breed-uitgespreide korsten en wit-grijze, harige hoedjes, onduidelijk met banden geteekend. De poriën zijn ook onregelmatig in tandjes uiteengescheurd en kunnen door verbleeking bruin-paars tot bruin worden. Niet te verwarren met Stéreum purpúreum (geen poriën!). Zie blz. 56. Zomer-herfst. a.

No. 160. Polýporus (Polystíctus) versícolor. Veelkleurige zwam. Elfenbankjes. (fig. 73).

De meest algemeene zwam op allerlei stammen en stronken is wel deze: kenbaar aan zijn fraai met banden geteekende hoed, die zijïg-glanzend en glad is, en waarvan men er meestal vele bijeen vindt. Men vindt ze in allerlei kleuren, witachtig, bruin, blauwachtig tot zwart. De poriën zijn aanv. wit, later worden ze bruinachtig.

N.B. De eenige zwam die hiermede soms wel verward wordt is Lenzítes betulína (blz. 234), doch deze is aan de onderzijde direct te kennen.

No. 161. [Als Polýporus (Polystíctus) zonátus worden onderscheiden de vormen, die zachtfluweelig, dikker, meestal grauw bruin en onduidelijk gezôneerd zijn met dikkere, vaak witte rand; hierbij zijn de hoeden gewoon met een breede, ineenvloeiende basis vastgehecht.] Beide vormen op stronken enz. ’t geheele jaar. a. a.


Tabel tot het bepalen der Fómes-soorten.

1.
Vleesch wit of licht geelachtig 2
Vleesch bruin of bruingeel 3
2.
Zwam geheel wit of lichtgrijs, ook de bovenzijde van den hoed; meest op popel: Fómes connátus. No. 168.
Bovenzijde bruin, op den wortel of den boomvoet, meest van coniferen: Fómes annósus. No. 167 (fig. 74–77).
3.
Zwam korst- of schelpvormig met dunnen rand, poriën helder geelbruin: Fómes conchátus. No. 169 (fig. 77 en 78).
Zwam knobbel-, hoef-, of consôlevormig 4
4.
Zwam dik, hoef- of kussenvormig, van boven grijs, grauw tot zwart; poriën grijs berijpt of licht kaneelkleurig 5
Zwam meer afgeplat, consôlevormig, van boven bruin bruinzwart; poriën wit, bij druk bruin: Fómes applanátus. No. 165.
5.
Zwamweefsel hard, houtig, donker roestbruin, naar boven geleidelijk in de zeer harde buitenlaag overgaande; deze is (vooral bij oudere exemplaren) voorzien van groeven en barsten: Fómes igniárius. No. 162–154. (Plaat 2 fig. X b).
(In hoofdzaak hiermede overeenstemmend, doch met lichter goudbruin weefsel is Fomes robustus, op eik.)
Zwamweefsel zachter, kurkig-zwammig, van boven begrensd door een harde buitenlaag, van onderen door de zeer lange buisjes. Hoed bruinachtig, grauw of grijs: Fómes fomentárius. No. 166.

No. 162. Fómes igniárius. Vuurzwam. (Pl. 2 fig. X b.)

Aanv. bol-knobbelvormig, licht bruin-grijs berijpt. Later beginnen zich boven- en onderzijde te onderscheiden; de zwam wordt hoefvormig, de bovenzijde bruin-grijs-zwart, zeer hard (vaak wat groenig), met concentrische groeven en barsten; de poriën zeer fijn (als speldeprikken), licht grijs tot kaneelkleurig. Het “vleesch,” dat hard en roestbruin is, bestaat bijna geheel uit de lagen van buisjes. De vuurzwam, die men meest op abelen en wilgen vindt, kan soms zeer oud worden en wel ± 30 cM. breed; de groei, door dat er telkens een nieuwe laag tegen de onderzijde wordt aangezet, is er fraai aan waar te nemen. Het geheele jaar. a.

[Deze zwam is ongeschikt om tonder van te maken, maar wordt, waar ze veel voorkomt, veel als brandstof gebruikt vndr. de naam.]

Nauw verwant aan deze zijn:

No. 163. Fómes robústus, veel op eiken, met meer goudbruin vleesch en meestal geelbruinen rand en

No. 164. Fómes pomáceus, de Boomgaardzwam, veel op vruchtboomen te vinden; meestal kleiner, meer scherp gerand en vaak aangegroeide plakken vormend, met meestal wijdere poriën.

No. 165. Fómes applanátus. Platte tonderzwam.

Deze is meer afgeplat, consôlevormig; van boven bruin, meestal onregelmatig-bobbelig en rimpelig. De poriën zijn wit of geel-wit, bij druk bruin verkleurend. Op doorsnede of breuk kan men gewoonlijk het fluweelige bruine zwamweefsel en de lange buisjes goed onderscheiden. Op verschillende boomsoorten. Het geheele jaar. a.

Fig. 74. Fómes annósus (dennenmoorder) op wortels; (overeind geplaatst) om de onderzijde te toonen.

Fig. 74. Fómes annósus (dennenmoorder) op wortels; (overeind geplaatst) om de onderzijde te toonen.

Fig. 75. Fómes annósus (dennenmoorder) doorsnede.

Fig. 75. Fómes annósus (dennenmoorder) doorsnede.

No. 166. Fómes fomentárius, de echte Tonderzwam, die hoef- tot kussenvormig is, meestal bruinachtig grauw, van binnen zwammig-kurkachtig, met stompen rand, en poriën, die eerst grijs berijpt, later bruinachtig zijn, schijnt bij ons te lande zeldzaam te zijn.

No. 167. Fómes annósus, (Trametes radiciperda.)

Fig. 76. Fómes annósus (dennenmoorder). Bovenkant op wortel.

Fig. 76. Fómes annósus (dennenmoorder). Bovenkant op wortel.

Dennenmoorder (fig. 74 tot 76). Zeer veranderlijk van vorm, korstvormig of gedeeltelijk afstaand, soms vrij groote hoeden vormend, en dan meestal vele vergroeid, van boven helder bruin en rimpelig; poriën wit of licht okerkleurig. De zwam is nog ’t best te kennen aan het taai-kurkachtige vleesch, op doorsnede wit of licht geelachtig en met meerdere lagen van buisjes. Op de wortels en aan den voet van boomen, vooral coniferen. Zeer schadelijk. ’t Geheele jaar. (zie blz. 23). a.

No. 168. Fómes connátus. Witte populierzwam.

Geheel wit of wit-grijs, ook het vleesch wit en op doorsnede duidelijk meerdere lagen van buisjes toonend. Meestal meerdere hoedjes boven elkaar met breede basis vergroeid. (De bovenzijde is dikwijls met mos en algen begroeid.) Meest op populieren. a.

No. 169. Fómes conchátus. Bruine houtzwam (fig. 77 en fig. 78).

Fig. 77. Fómes conchátus (bruine houtzwam). × ¼. Groot, oud ex.

Fig. 77. Fómes conchátus (bruine houtzwam). × ¼. Groot, oud ex.

Photo H. A. A. v. d. Lek.

Fig. 78. Fómes conchátus (bruine houtzwam). Klein ex. op wilg.

Fig. 78. Fómes conchátus (bruine houtzwam). Klein ex. op wilg.

Zeer verschillend van vorm, van kleine aangegroeide korsten tot schelpvormige, meest dakpansgewijs geplaatste hoeden. Het best te kennen aan de poriën, die mooi-bruin zijn, ongeveer als Brusselsche aarde. Goed uitgegroeide hoeden zijn van boven zwart; voorzien van concentrische groeven. Op wilgen, populieren, enz. vr. a.

No. 170. Fistulína hepática. Biefstukzwam. (fig. 79).

Groote, vleezige, bruine- of bloedroode, sappige zwam (10 à 20 cM.); zittend of met korten steel. Vleesch week, rood met lichtere stralen; buisjes ± los van elkander; poriën roomkleurig, later rose of bruinachtig. Op eiken, in holten, aan den voet, of een weinig hooger. Zomer-herfst. vr. a.

Fig. 79. Fistulína hepática (Biefstukzwam) in een boom-holte.

Fig. 79. Fistulína hepática (Biefstukzwam) in een boom-holte.

Photo Dr. W. G. N. v. d. Sleen.

No. 171. Merúlius córium (papyrínus). Papierzwammetje. Zeer dunvleezig, door droogte spoedig ± papierachtig, wit, bijna geheel vlak uitgespreid of, door terugbuiging van den rand, met kleine hoedjes. Deze zijn van boven wit en fijn vlokkig-viltig. De onderzijde der h. en de naar buiten gekeerde kant der aangegroeide korst is met vlakke, netvormige plooien voorzien en wit of licht oker- of vleeschkleurig. Op stronken enz. Herfst en winter. vr. a.

No. 172. Merúlius tremellósus. Weeke aderzwam. Zeer week-vleezig, meest met boven elkaar geplaatste “hoeden”; deze zijn van boven grof-viltig wit of grijs en met stralig getanden rand; de onderzijde met gekroesde aderige plooien, ± poriën vormend, wit, oranje- of roodachtig. Soms op den grond groeiend. Herfst. vr. a.

No. 173. Merúlius lácrymans. Huiszwam. Volwassen vormt de huiszwam groote, zwammig-vleezige gele of bruine lappen, meestal met witten verdikten rand en met dikke, gewonden, aderige plooien, vaak ook met uitstekende tanden. In dit stadium zweet de zwam vochtdruppels uit, vndr. “lacrymans”, d. i. de weenende. Hieraan vooraf gaat echter een stadium, waarin de zwam alleen bestaat uit witte, weeke zwamvlokmassa’s; opgedroogd vindt men deze wel als glanzende, grauwe vliezen op ’t hout. Op oud, vochtig hout, hoofdzakelijk in slecht geventileerde ruimten, b.v. onder vloeren.

No. 174. Tramétes suavéolens. Witte anijszwam. Zittend, 5–10 cM., kurkachtig, van buiten en van binnen wit, van boven vlokkig-viltig, gaatjes vrij groot met stompen rand, wit, sterken anijsgeur. Op oude wilgen. Herfst-winter. n. a.

No. 175. Tramétes gibbósa. Witte bultzwam (fig. 81). Onderscheidt zich van de vorige vooral door ’t gemis van geur en door de smallere, kort-lijnvormige poriën. Aan oude stammen en stompen. Herfst-winter. vr. a.