Fig. 55 Bolétus granulátus melkboleet, door lijster aangepikt.

Fig. 55 Bolétus granulátus melkboleet, door lijster aangepikt.

H. 4 à 8 cM. helder geelachtig-bruin of ietwat oranje-rose, vochtig kleverig; droog glad en glanzend; poriën bij volwassen exempl. groot, hoekig en samengesteld, d.i. door dieper gelegen tusschenwandjes in kleinere verdeeld; bovendien afloopend op den steel. Zij zijn grijs-wit, geelachtig, roestkleurig of groen-bruin. De steel is meestal kort (2 à 6 cM.) en rolrond, kleur als de h. Vleesch blijvend wit. Vaak meerdere exemplaren met de stelen vergroeid. Zomer-herfst. vr. a.

N.B. Niet te verwarren met B. variegátus. Men vindt beide soorten vaak dooreen in naaldbosschen.

No. 102. Bolétus granulátus. Melkboleet (fig. 55).

H. 4 à 8 cM., helder geel tot bruin, vochtig zeer slijmerig; droog glanzend. Poriën aanv. zeer fijn, geel-wit en witte droppeltjes afscheidend; later geel, geelbruin. De steel is kort ± cylindervormig, lichtgeel, bovenaan met korreltjes bezet; deze zijn eerst geel, later bruin tot zwart. Vleesch blijvend lichtgeel. Zomer-herfst. vr. a. e.

No. 103. Bolétus lúteus.

Fig. 56. Bolétus lúteus. (Bruine ringboleet) doorsnede.

Fig. 56. Bolétus lúteus. (Bruine ringboleet) doorsnede.

Bruine ringboleet (fig. 56 en 26). H. 6 à 10 cM. bruin tot bruingeel, meest zeer slijmerig, eenigszins kegelvormig of bolrond. Poriën fijn, licht-geel. Ring aanv. wit geelachtig, later paars-bruin, ten slotte als een donkere band zichtbaar. Vleesch wit tot geelwit. Nazomer-herfst. In of bij naaldbosschen. vr. a. e.

No. 104. Bolétus élegans.

Gele ringboleet. (Plaat 2, fig. IXb).

Onderscheidt zich van de vorige door lichter, geler kleur. Zij is ook minder forsch (5 à 8 cM.), de ring wordt niet paars-bruin en is vergankelijk en ten slotte vaak alleen als eene aanzwelling aan den steel zichtbaar. Nazomer-herfst. vr. a. e.

No. 105. Bolétus cyanéscens. Indigo-boleet.

De geheele P. (h. st. en pl.) is bleek, witgeel-geelbruin en wordt door druk overal fraai blauw. H. bol of bolvlak, een weinig viltig of schubbig, 5–12 cM. breed. St. 5–7 cM. lang. Zomer-herfst. vr. a. v.

No. 106. Bolétus cálopus. Pronksteel-boleet.

H. tot 15 cM., bruin-olijfkleurig dof, fijn viltig. Poriën bleek-geel, door druk blauw. St. dik, aanv. buikig, dan rolrond, geheel, of alleen bovenaan, fraai rood en netvormig geaderd. Vleesch wit, lichtgeel, blauw wordend. Nazomer-herfst. vr. a.

No. 107. Bolétus lúridus. Heksenboleet.

H. tot 18 cM., mooi omberbruin of bruin-olijfkleurig. Poriën oranje-rood, rood, bij druk blauw. Kenmerkend is vooral de buikige steel, die geel tot oranje-rood is en er fijn fluweelig uitziet door roode schubvlekjes, soms netvormig gerangschikt. Het gele vleesch kleurt zich zeer snel blauwgroen. Waarschijnlijk niet giftig. Nazomer-herfst. vr. a. v.

N.B. Deze zwam wordt vaak verward met de volgende, de zeer giftige Satanszwam, die veel zeldzamer is.

No. 108. Bolétus Sátanas. Satansboleet (fig. 58).

In vorm en grootte ongeveer als de vorige; onderscheidt zich vooral doordat het witachtige vleesch zich eerst rood, dan blauwachtig kleurt. Ook heeft hij nooit het fraaie omberbruin van B. luridus, doch is bleeker, meer vaal oker- of ledergeel. Juli-Sept. vr. z.

N.B. Men hoede zich voor deze zwam, die een aangename geur en smaak heeft en zich slechts weinig blauw kleurt, doch in de hoogste mate giftig is.

No. 109. Bolétus subtomentósus. Fluweelboleet.

Zeer veranderlijk van vorm en grootte; het best te herkennen aan den steel, die geel is met rood- of bruinachtige strepen of ribben, soms bijna geheel rood, vaak krom en verbogen; aan de groote hoekige poriën, die aanv. fraai goudgeel, later groenachtig zijn. H. fijn viltig, bruin-olijfkleurig, vaak met geelachtige of roode (B. chrysenteron) barsten. Zomer-herfst. a.

No. 110 en 111. Bolétus scáber, berkenboleet (fig. 57) en Bolétus rúfus, rosse boleet, beide met een ruwen fijn-schubbigen steel, gelijken veel op elkaar en komen ook veel door elkaar voor, bij voorkeur in of bij berkenboschjes, te midden van naaldbosschen. Ze onderscheiden zich van elkaar, doordat bij B. rufus de steel dikker en de hoed steeds fraai rossig is, met aan den rand vaak de overblijfselen van een vliezigen sluier, terwijl B. scaber meer grauwbruin of grijs-olijfkleurig is, zonder die overblijfselen. Zomer-herfst. vr. a. e. (vooral B. rufus).

Fig. 57. Bolétus scáber (Berkenboleet).

Fig. 57. Bolétus scáber (Berkenboleet).


Fig. 58. Bolétus Sátanas (Saransboleet).

Fig. 58. Bolétus Sátanas (Saransboleet).

Tabel voor de Aardzwammen=geslachten der overige families.

(Voor de houtzwammen zie blz. 257).

A. Polyporeën of Buisjeszwammen (Plaat 2 fig. IX).
1.
Dikvleezige, gesteelde buisjeszwammen: Bolétus (Plaat 2 fig. IX). Zie blz. 207.
2.
Leerachtige, tolvormige buisjeszwammen: Zie Polýporus perénnis. No. 145.
B.
Hydnaceën of Stekelzwammen. (Plaat 2 fig. XI). Zie No. 247254.
C. Telephoraceën of Korstzwammen:
1.
Trechter- of trompetvormige, vliezig-vleezige zwammen: Crateréllus cornucopioídes. (Plaat 2 fig. XIII b). Zie No. 258.
2.
Korstvormige, zachtvliezige, gefranjede zwammen: Teléphora terréstris (Plaat 2 fig. XIII a). Zie No. 225.
D. Clavariaceën of Koraalzwammen:
1.
P. op een spons gelijkend, vleezig: Sparássis críspa (fig. 106). Zie No. 254.
2.
P. koraalachtig vertakt, wasachtig: Clavária (Plaat 2 fig. XII a). Zie No. 226–231.
E.
Phallaceën of Stinkzwammen: (Plaat 2 fig. XIV). Zie No. 231 en 232.
F. Nidulariaceën of Nestzwammen:
Leerachtige op bekertjes of vogelnestjes gelijkende zwammen: Cýathus (Plaat 2 fig. XV b). Zie No. 233 en 234.
G. Lycoperdaceën of Stuifzwammen: (Plaat 2 fig. XVI):
1.
Er is een duidelijke afscheiding tusschen h. en st.: Tulóstoma mammósum (fig. 117). Zie No. 278.
Er is geen duidelijk onderscheid tusschen h. en st. 2
2.
Er zijn 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels, waarvan de buitenste in stervormige slippen openscheurt: Geáster (Plaat 2 fig. XV a). Zie No. 255–258 en 277.
Er zijn geen 2 duidelijk afzonderlijke omhulsels 3
3.
Het omhulsel is dik, leer- of kurkachtig, dicht met wratten bezet. P. binnenin zwart: Sclerodérma vulgáre. (Plaat 2 fig. XVI f.) Zie No. 240.
Omhulsel papierachtig 4
4.
P. zelden kogelvormig, zittend, meestal kort- of langgesteeld peervormig en met wratten of stekels bezet: Lycopérdon (Plaat 2 fig. XVI a, b en fig. 99). Zie No. 235–240 en 271 en 272.
P. altijd zittend, min of meer kogelrond, glad: Bovista (Plaat 2 fig. XVI c). Zie No. 273 en 274.
H. Hymenogastreën of Schijntruffels:
Op aardappeltjes gelijkende zwammen: Rhizopógon lutéolus (fig. 103). Zie No. 241.