Tabel tot het bepalen van de Geslachten der Agaricaceën of Plaatzwammen (Geen houtpaddenstoelen).

1.
Op andere paddenstoelen groeiende soorten: Collýbia tuberósa No. 88. Nýctalis asteróphora (fig. 53). Bolétus parasíticus (fig. 101).
Niet zoo: 2
2. P. met een ring en beurs (zak of knol):
a.
Pl. wit: Amaníta zie tabel blz. 175 en Lepióta No. 193–197 en 276 (Plaat 2, fig. I en II).
b.
Pl. rose: Volvária No. 259 (Plaat 4 fig. 15). (zie ook Amaníta rubéscens No. 21).
P. alleen met een beurs:
a.
H. bruinrood of grijs: Amaníta vagináta No. 19.
b.
H. geel: Amaníta junquíllea No. 20 (fig. 46).
P. zonder beurs, met een ring: Groep I blz. 166. (Plaat 2, fig. VII).
P. met een z.g.n. “gordijn” of “cortina”: Groep II blz. 167. (fig. 14).
Geen van deze kenmerken: 3
3.
Pl. bij kneuzing een wit of gekleurd melksap uitdruppelend: Melkzwammen Lactárius blz. 191. (Plaat 2, fig. V).
Niet zoo: 4
4.
P. die spoedig tot een inktachtige massa vervloeien: Inktpaddenstoelen: Coprínus Nos. 142 en 266–270. (Plaat 2, fig. VIII).
Niet zoo: 5
5.
P. met plaatjes die op den steel afloopen: Groep III blz. 167. (Plaat 2, fig. VI en pl. 3 fig. 5 en 10).
Niet zoo: 6
6.
P. met een dunnen of dikken, taaien, buigzamen, niet licht breekbaren steel: Groep IV blz. 168. (fig. 87).
P. met min of meer vleezigen, breekbaren steel: Groep V blz. 171. (fig. 54).

Groep I: Plaatzwammen zonder beurs met een ring:

1. Pl. zeer dun, samengepakt, later zwart vervloeiend,
H. wit-wollig: Coprínus comátus No. 266. (Plaat 2, fig. VIII en fig. 114).
Niet zoo: 2
2.
H. en St. blauwgroen, kleverig: Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32).
Niet blauwgroen, al of niet kleverig: 3
3.
H. klein (1.5–2.5 cM.) geelachtig ± halfbolv. Op mest en bemesten grond, meest in groepjes: Strophária semiglobáta No. 265.
H. grooter, wit of geel, ten slotte vlak: 4
4.
Pl. eerst wit, of rose, dan ± zwart: Psallióta No. 221 en 263–265. (Plaat 2, fig. VII).
Pl. blijvend wit, of geel of bruinachtig: 5
5.
Pl. zuiver wit (of zeer licht egaal geel of groenachtig): 6
Pl. wit, later vlekkig geel of bruinachtig: Armillária (zie Houtzwammen).
6.
Opperhuid met vlokjes, die gemakkelijk zonder de huid te beschadigen zijn te verwijderen: Amaníta blz. 175. (Plaat 2, fig. I en fig. 13).
Opperhuid met schubben of verhevenheden, die daarmede zijn vergroeid. Meestal echte parasolzwammen: Lepióta No. 193–197 en 276. (Plaat 2, fig. II en fig. 85).

Groep II. Plaatzwammen met een gordijn of cortina. (fig. 14)

1.
Pl. dik en grof, afloopend, wit-grijs of rose-achtig, later zwart door de sporen (vaak groen door schimmel), aanv. een slijmerig-vliezig gordijn: Gomphídius. No. 244–247.
Pl. noch dik, noch grof en afloopend: 2
2.
Pl. spoedig bruin door de bruine sporen of bloedrood: 3
Pl. spoedig grauw-violet-paarszwart door de sporen: Hypholóma (zie Houtzwammen) en No. 223.
3.
Goed ontwikkeld gordijn, vooral bij jonge exemplaren zichtbaar, bij oudere meest als bruin bepoederde vezels of kringen op den steel zichtbaar (zie blz. 63): Cortinárius zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 25–30).
Zie ook Naucoria No. 275.
Zeer vergankelijk gordijn, ten slotte hoogstens resten aan den hoedrand:
a.
H. zijdeachtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217.
b.
H. glad: Hebelóma. No. 218. (Plaat 4, fig. 20).

Groep III. Plaatzwammen met plaatjes, die op den steel afloopen. (fig. 50).

1.
Pl. geelachtig, (later bruin), gemakkelijk zonder beschadiging van het hoedvleesch te verwijderen. H. ingerold (fig. 91). Paxillus No. 136 en 220. (Pl. 4, fig. 23).
Niet zoo: 2
2.
P. geheel dooier- of lichtgeel vleezig. Cantharéllus cibárius. No. 206 (Pl. 2, fig. VI en fig 19).
Niet zoo: 3
3.
Kleine p. met langen, dunnen steel en komvormige indeuking, pl. uitstaande als de baleinen van een parasol: Omphália fíbula No. 205 (Plaat 3, fig. 8).
Niet zoo: 4
4.
Pl. dun, wijd uitéén, h. wit, st. zwart; op plantenafval en takjes: Marásmius rótula No. 212 (fig. 90).
Pl. dik, wijd uitéén: 5
Pl. dun, dicht bijéén: 6
5.
Pl. geel, aderig verbonden, h. met holte in ’t midden: Cantharéllus infundíbuliformis No. 208 (fig. 88).
Pl. grof, witachtig, rose of loodgrijs, spoedig zwart, (ook groen) wordend, jonge exemplaren met cortina: Gomphídius No. 244–247.
Pl. zuiver wit, geel of vuurrood; wasachtige, waterige eenigszins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 88 (Pl. 3, fig. 10 en fig. 10).
6.
Geheele p. oranje, geel, slap: Cantharéllus aurantíacus. No. 207.
Niet zoo: 7
7.
Pl. eerst wit, dan vleeschkleurig, vleezig; h. glanzend wit: Clitopílus No. 215 (Pl. 4, fig. 18).
Pl. bruin; p. op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135 (Plaat 4, fig. 24).
Pl. wit, grijs, lichtbruin of ledergeel; p. op den grond groeiend: Clitócybe, zie tabel blz. 184. (Pl. 3, fig. 5).

Groep IV. Plaatzwammen met een taaien, buigzamen steel.

1.
St. niet dikker dan pl.m. 3 mM. 2
St. dikker dan pl.m. 3 mM. 13
2.
Pl. wit of grijsachtig: 3
Pl. rose, rose-rood of paars: 7
Pl. bruin: 8
Pl. zwart of bijna zwart: 10
3.
Pl. afloopend, zie Clitócybe (blz. 184) en Omphália No. 205.
Pl. niet afloopend: 4
4. St. zeer lang in vergelijking tot h. (soms breekbaar)
H. kegel-klokvormig: Mycéna No. 202 en 204. (Plaat 3, fig. 7).
Zie ook Bolbítius No. 262.
St. niet zoo lang, h. plat: 5
5.
H. met zemelige vlokjes, geel of bruinachtig: Lepióta granulósa. No. 196.
H. kaal: 6
6.
Vochtige, rottende soorten, steel bovenaan, dikwijls afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).
Opdrogende niet rottende soorten: Marásmius No. 209–215, (Pl. 4, fig. 13 en fig. 25).
7.
Pl. eerst grijs, dan rose. H. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 260.
Zie ook Mycéna. (Plaat 4, fig. 17).
Pl. dadelijk rose, rozerood of bruinrood: Laccária laccáta. No. 197 (fig. 87).
Pl. paars: Laccária laccáta, var. amethysthina No. 198 (fig. 23).
8.
Voorjaarsp. H. stroogeel, soms kleverig. St. soms met overblijfsel van ring: Pholióta práécox No. 261.
Niet zoo: 9
9.
St. lang, H. droog: Galéra hypnórum. No. 219. (Plaat 4, fig. 21).
St. lang. H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Pl. 5, fig. 29).
St. niet lang, pl. afloopend. Zie: Tubária furfurácea No. 135.
10.
Pl. met witten rand, H. klokvormig: Panáéolus campanulátus. No. 270. (Pl. 5, fig. 35).
Pl. niet met witten rand: 11
11.
Teere soorten, pl. niet vervloeiend: Psatyrélla dissemináta. No. 141. (Pl. 5, fig. 36).
Teere soorten, pl. vervloeiend: 12
12.
In dichte zoden, pl. zwart: Coprínus micáceus. No. 142.
Eenzaam of in kleine groepjes, pl. violet-zwart: Psathýra corrúgis. No. 224. (Plaat 5, fig. 33).
13.
Pl. afloopend, geel, aderig verbonden, H. met trechtervormige holte: Cantharéllus infundíbuliformis. No. 208. (fig. 88).
Pl. afloopend wit of grijsachtig: Clytócybe. Zie tabel blz. 184 (Plaat 3, fig. 5).
Pl. niet afloopend: 14
14.
St. bovenaan afgeplat, onderaan meest vlokkig: Collýbia butyrácea. No. 199.
St. bovenaan niet afgeplat: 15
15.
H. kegelklokvormig, geel, rood of bontgroen, wasachtige, eenigzins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 188.
Niet zoo: 16
16.
St. wit, lang, eenigszins gedraaid, pl. eerst wit dan rose: Plúteus cervínus. No. 129. (Pl. 4, fig. 16).
Niet zoo: 17
17.
H., st. en pl. éénkleurig, rozerood, roodbruin of paars; pl. wijd uitéén, wit bestoven: Laccária laccáta. No. 197 en 198.
Niet zoo: 18
18.
Pl. grijsachtig-violet, dichtbijeen, h. bruin-paars: Tricholóma sórdidum. No. 30.
Pl. kaneelbruin of bloedrood. Cortinárius. Zie tabel blz. 204 (Plaat 5, fig. 27).

Groep V. Plaatzwammen met min of meer vleezigen, breekbaren steel.

1.
Pl. bij kneuzing melksap gevend: Lactárius. Zie tabel blz. 191. (Plaat 2, fig. V).
Niet melkgevend: 2
2.
St. en pl. zeer bros. Pl. wijd uitéén, zeer regelmatig: Rússula, zie tabel blz. 196, (Plaat 2, fig. IV, plaat 3, fig. 12 en fig. 54).
St. en pl. niet zeer bros: 3
3.
H. en st. wit met roode vlekjes: Collýbia maculáta. No. 242.
Niet zoo: 4
4.
Pl. bochtig aan den steel gehecht (plaat 3, fig. 4), wit, geel, grijs of paars, doch nooit bruin gekleurd. Tricholóma. Zie tabel blz. 180.
Pl. bruin: 5
5.
H. zijde-achtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217.
H. kaal: Hebelóma. No. 218.

Groep IV en V der Plaatzwammen nog te bepalen volgens de kleur der sporen en plaatjes.

Pl. blijvend wit, geelachtig of bleekbruin (sporen wit). Afd. 1.
Pl. rose of grijs, rose wordend (sporen rose of wit). Afd. 2.
Pl. heldergeel, oranje, groenachtig, vuurrood of paars (sporen wit of bruin). Afd. 3.
Pl. bruin of bruinwordend (sporen bruin). Afd. 4.
Pl. zwart of violet-zwart, of zoo wordend (sporen zwart). Afd. 5.

Afdeeling 1.

1.
Eenigszins teere p. met langgest. kegelv. hoed: Mycéna No. 202–204. (Plaat 3, fig. 7).
Taaie, droge, niet rottende p.: Marásmius No. 209–215 (Plaat 4, fig. 13 en fig. 25).
Taaie, vochtige, rottende p.; st. bovenaan meest afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6).
Vleezige p.: 2
2.
Pl. bochtig aan den steel vastgehecht: Tricholóma.
Zie tabel blz. 180. (Plaat 3, fig. 4).
Pl. zonder bochtje aan den st. verbonden, bros: Rússula, zie tabel blz. 196. (Plaat 2, fig. IV, Pl. 3, fig. 12 en fig. 54).

Afdeeling 2.

1.
Sporen wit: 2
Sporen rose: 3
2.
Pl. lichtrose, teere p. met lange st., kegelv. hoed, zie Mycéna.
Pl. helrose, witbestoven h. en st. van dezelfde kleur: Laccária laccáta No. 197.
3.
Pl. eerst witachtig dan rose, geheel vrij, st. forsch. gedraaid: Plúteus cervínus No. 129. (Plaat 4, fig. 16).
Pl. eerst grijs dan rose, bijna vrij; h. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 268. (Plaat 4, fig. 17).

Afdeeling 3.

Pl. bloedrood (sporen wit) wijd uitéén: Hygróphorus, zie tabel blz. 188. (Plaat 3, fig. 10).
Pl. bloedrood (sporen bruin) dicht bijéén: Cortinárius cinnabarínus No. 95.
Pl. paars (roodekoolkleurig) wit bestoven, wijd uitéén: Laccária laccáta var. amethýstina. No. 198 (fig. 28).
Pl. paars (violet) dicht bijeen: Tricholóma núdum No. 29.
Pl. groenachtig-geel: Hygróphorus psittacínus No. 55.
Pl. geel, dik, wasachtig of vochtig: Hygróphorus ceráceus No. 54.
Pl. geel, droog, bochtig aangehecht aan den st.: Tricholóma sulfúreus, equéstre en rútilans. Zie tabel blz. 180.

Afdeeling 4.

1.
H. kegelvormig: 2
Niet zoo: 4
2.
St. pijpachtig dun: 3
St. eenigszins vleezig, h. schubbig of zijdeachtig: Inócybe No. 216 en 217.
3.
H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Plaat 5, fig. 29).
H. droog: Galéra hypnórum No. 219. (Plaat 4, fig. 21).
4.
H. ledergeel, voorjaarsp.: Pholióta práécox No. 261.
H. anders van kleur: 5
5.
Pl. eenigszins afloopend. H. bruin; op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135. (Plaat 4, fig. 24).
Niet zoo: 6
6.
H. glad met omgeslagen witten rand: Hebelóma crustulinifórmis No. 218. (Plaat 4, fig. 20).
H. meest fijn geschubd: Cortinárius, zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 27).
Zie ook Naucória No. 275.

Afdeeling 5.

1.
Pl. spoedig vervloeiend tot een inktachtige vloeistof: 2
Pl. niet vervloeiend, opdrogend: 3
2.
Pl. eerst wit, spoedig zwart: Coprínus No. 142 en 266–270. (Pl. 2, fig. VIII en fig. 114).
Pl. eerst grijs, dan violet-zwart: Psathýra corrúgis No. 224. (Plaat 5, fig. 33).
3.
Pl. geheel zwart, teere kleine p. in dichte zoden: Psathyrélla dissemináta No. 141. (Plaat 5, fig. 36).
Pl. met lichteren rand, in kleine troepjes: Panáéolus campanulátus No. 270. (Plaat 5, fig. 35).

N.B. Van de volgende geslachten vindt men de tabellen: Amaníta (blz. 175), Tricholóma (blz. 180), Clitócybe (blz. 184), Hygróphorus (blz. 188), Lactárius (blz. 191), Rússula (blz. 196) en Cortinárius (blz. 204).

Voor de andere geslachten, zoeke men, al naar de plaats waar men de paddenstoelen verzameld heeft, onder één van de rubrieken: gemengde bosschen, naaldbosschen, enz.

Tabel tot het bepalen der Amaníta-soorten. (Plaat 2 fig. I.)

1. Steel zonder ring (manchet):
a.
steel zonder knol, doch met wijden zak of scheede: h. bruinrood of grijs: Am. vagináta. No. 19.
b.
steel met knol zonder zak; hoed geel: Am. junquíllea. No. 20. (fig. 46).
Steel met ring: 2
2.
H. rood (licht of vleeschrood) of roodbruin met witte wratjes; het vleesch kleurt bij verwonding rood: Am. rubéscens. No. 21.
Hoed vuurrood of oranjerood, meestal met witte plakjes bedekt. ’t Vleesch kleurt niet rood: Am. muscária No. 22 (fig. 47).
H. anders gekleurd. 3
3.
H. chocoladebruin met witte of grijze wratjes: Am. pántherina. No. 23.
H. wit, geel of groen. 4
4.
Steel met door een zak omgeven knol, h. groen, meest kaal: Am. phalloídes. No. 24 (fig. 48).
Steel met knol zonder zak; h. lichtgeel of wit met witte of bruine plakjes: Am. citrína var. máppa. No. 25 (fig. 49).

No. 19. Am. vagináta. Slanke Amaniet.

H. klokvormig, later vlak, roodbruin of grijs; 3–10 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend, kaal of met enkele witte plakjes bedekt; St. lang, slank, wit; het ondereinde besloten in een scheede, die teer en wit is. Zomer-Najaar in ’t Z. en O. van ons land. a. e.

No. 20. Am. junquíllea. Gele Amaniet (fig. 46).

H. citroengeel, 5–6 cM. breed, met gestreepten rand, glanzend met witte plakjes bedekt. Plaatjes wit. St. 7–9 cM. hoog, wit-vlokkig en bij jonge exemplaren soms met een teeren, vergankelijken ring. Zomer-najaar op diluvialen grond. vr. a.