Tabel tot het bepalen van de families der Basidiomyceten of Steeltjeszwammen.

(Plaat 2, fig. I–XVII).

Buikzwammen—Gasteromyceten. (zie ook tabel blz. 215).

A. Onderaardsch groeiende, bij rijpheid boven de aarde komende, op kleine aardappels gelijkende paddenstoelen:

SchijntruffelsHymenogastreën (fig. 103) zie No. 241.

B. Paddenstoel ter grootte van een kippen- of duivenei uit den grond komende; daaruit groeit een vingerhoedvormige hoed, gezeten op een langen, witten, poreusen steel. Het ei blijft als een zak het ondereinde van den steel omgeven:

De rijpe p. verspreidt meestal een walgelijken stank.

StinkzwammenPhalloideën. (Plaat 2, fig. XIV). Zie No. 231 en 232.

C. Kleine op de aarde of op hout groeiende paddenstoelen, in den vorm van een bekertje of vogelnestje, waarin op eitjes gelijkende witte, ronde schijfjes:

NestzwammenNidularieën. Zie No. 233 en 234. (Plaat 2, fig. XVb en fig. 84).

D. Paddenstoelen, die als men er tegen aan stoot een wolk van bruin poeder doen omhoog stuiven. Papier- of leerachtige soorten, van peer-, bol- of stervormige gedaante, veelal meelachtig bestoven of met wratten en stekels bezet:

StuifzwammenLycoperdaceën. Zie blz. 216. (Plaat 2, fig. XVa en XVI en fig. 99).

E. Paddenstoelen die op geen der vorige soorten gelijken:

VlieszwammenHymenomyceten. (Plaat 2, fig. I–XIII).

Deze groep, waartoe de meeste der in Nederland groeiende soorten behooren, wordt verdeeld in de volgende families:

1. Hoed aan de onderzijde met plaatjes (lamellen fig. 11 en 53). Op den grond en ook op hout (boomen, stronken, palen enz.) groeiende, meest vleezige paddenstoelen:

PlaatzwammenAgaricaceën. Zie tabel blz. 165 en blz. 219. (Plaat 2, fig. I–IX en plaat 3–6).

2. Hoed aan de onderzijde met groote of kleine gaatjes of poriën (bij doorsnede buisjes Pl. 2, fig. IX en X). Vleezige, gesteelde op de aarde, maar meest taaie, houtige, ongesteelde op boomen en hout groeiende soorten:

Buisjes- of GaatjeszwammenPolyporeën. Zie tabel blz. 235 en blz. 207 (Plaat 2, fig. IX en X).

3. Hoed aan de onderzijde met stekels (fig. 104). Meest gesteelde, taai-vleezige op de aarde of op dennenkegels groeiende soorten: StekelzwammenHydnaceën. Zie No. 248–254. (Plaat 2, fig. XI).

4. Hoedonderzijde, die dikwijls naar boven gekeerd is, (fig. 9) glad of ten hoogste gerimpeld. Leerachtige of houtige, meest ongesteelde op de aarde of op hout groeiende soorten in den vorm van een korst, schelp of trechter:

KorstzwammenTelephoraceën. Zie tabel blz. 259 en No. 225 en 258 (Plaat 2, fig. XIII).

5. Geen duidelijk onderscheid tusschen steel en hoed, paddenstoel in den vorm van een koraal, knots of spons. Wasachtig-vleezige, meestal op de aarde groeiende soorten:

KoraalzwammenClavariaceën. Zie blz. 261 en de No. 226–231 (Plaat 2, fig. XII). (Zie ook Telephoraceën).

6. Geleiachtige, gekroesde, alleen op hout groeiende paddenstoelen:

Trilzwammen.—Tremellaceën. Zie tabel blz. 257 (fig. 82).