Meest voorkomende soorten der Ascomyceten of Zakjeszwammen.

Pezizazeën, Bekerzwammen (Plaat 1 fig. Va). Pezíza.

No. 1. P. aurántia. Groote oranje bekerzwam.

Vruchtlichaam beker- of napvormig tot 8 cM. breed, van binnen levendig oranje gekleurd, van buiten lichter en berijpt, kortgesteeld, eenigszins vleezig. In groepjes bijééngroeiend, op zand- en leembodem. Najaar in ’t O. en Z. vr. a.

No. 2. P. fusispóra. Kleine oranje bekerzwam.

Kleine, tot 2 cM. breede schotelvormige, eenigszins vleezige, zeer kort- of ongesteelde schijfjes of napjes van een oranje- of menieroode kleur, met gladden rand, middenin iets geplooid. In dichte groepjes bijéén, meest in mos. Herfst vr. a.

No. 3. P. scutelláta. Harige bekerzwam.

Kleur als vorige, doch niet grooter wordend dan 1, 2 cM. en aan den rand van het bekertje (later schijfje) met een rij stijve, opstaande, zwarte haartjes. In troepjes bijéén van voorjaar tot Herfst in ’t O. en Z. vr. a.

No. 4. P. vesiculósa. Vroege bekerzwam.

Tot kleine zoden vergroeide, kort of niet gesteelde bekers of napjes, die 2–12 cM. breed worden, met meestal gekerfden en ingescheurden rand. Kleur van binnen donkerbruin-geelachtig, van buiten lichter en fijnvlokkig bestoven. Op zandgrond, ook in kassen. Mei-Sept. vr. a.

No. 5. P. bádia. Groote bruine bekerzwam.

Eerst napvormig, later meer uitgespreid schotel- of oorvormig in troepjes bijéénzittend, van buiten en binnen meest donkerbruin, bros en wasachtig tot 12 cM. Zomer-Najaar vr. a.

No. 6. P. hemispháerica. Kleine bruine bekerzwam.

Napjes- of bekertjesvormig met eerst ingerolden rand, later uitgespreid, van buiten bruin en stijfharig, van binnen licht-grijs, tot 1.5 cM. breed. Eenzaam of in kleine troepjes op de aarde, hout en plantenafval. Herfst vr. a.

Fig. 39 Pezíza fructigéna (Eikeldopzwam). Photo B. E. Bouwman.

Fig. 39 Pezíza fructigéna (Eikeldopzwam). Photo B. E. Bouwman.

No. 7. P. onótica. Varkensoortjes.

Oorvormig, kraakbeenachtig, gesteeld, in groepjes bijéén (soms eenzaam), okergeel, soms licht-roodachtig, bij ouderdom bruin wordend, tot 13 cM. hoog. St. ongelijk, eenigszins geribd, meest onderaan donzig. Zomer-Najaar vr. a. e.

No. 8. P. fructigéna. Eikeldopzwam (fig. 39).

Kleine, gesteelde, gele schijfjes vr. a. voorkomende gedurende Zomer-Najaar op leege eikeldoppen, hulsels van beukenootjes enz. Bulgária

No. 9. B. ínquinans. Zwarte knoopzwam.

Knoopvormig, ju-jubesachtig, zwart of donkerbruin, in groepjes bijéén, zittend of kortgest. tot 3 cM. breed. Op dood hout van eiken en beuken het geheele jaar door a.

Fig. 40. Helvélla lacunósa (Zwarte kluifjeszwam).

Fig. 40. Helvélla lacunósa (Zwarte kluifjeszwam).

Helvéllaceën Helvellaächtigen (Pl. 1 fig. III, IV en Vd). Helvélla.

No. 10. H. críspa. Witte kluifjeszwam. (fig. 41).

H. wit tot geelachtig, dunvliezig, uit onregelmatig gelobde lappen bestaande, die tegen den steel aan gelegen zijn, 2–5 cM. breed. St. aan den voet soms iets buikig, gegroefd met diepe en ondiepe voren, wit of geelwit tot 8 cM. hoog. Meestal in meerdere exemplaren bijéén. Voorzomer-najaar vr. a. e. (Zie Helvella-zuur, morieljes).

No. 11. H. lacunósa. Zwarte kluifjeszwam. (fig. 40).

Als vorige, doch de H. zwartachtig donkergrijs en de St. grauwgrijs, meestal kleiner exemplaren. Deze soort is meer algemeen dan de vorige, e. Morchélla.

No. 12. M. esculénta. Morielje. (Pl. 1. fig. IIIa en fig. 20)

Fig. 41. Helvélla críspa (Witte kluifjeszwam).

Fig. 41. Helvélla críspa (Witte kluifjeszwam).

Fig. 42. Geoglóssum glábrum. (Aardtong). Photo B. E. Bouwman.

Fig. 42. Geoglóssum glábrum. (Aardtong). Photo B. E. Bouwman.

H. eivormig of langwerpig met gaten als een spons, okerkleurig of bruin, soms roestkleurig of zwartachtig gevlekt, tot 12 cM. breed. St. geelachtig wit, soms iets gegroefd, onderaan meestal gezwollen. Onder iepen, populieren, eiken enz., ook wel in de kale duinen. April–Juni plaatselijk vr. a. e. (Deze padd. mag nooit rauw gegeten worden, daar hij, evenals de Helvella’s, een giftig zuur, het helvellazuur bevat, dat vluchtig is en bij koking onmiddellijk verdwijnt.) Verpa.

No. 13. V. digitalifórmis Vingerhoedje (Pl. 1, fig. Vd).

H. vingerhoedvormig, van buiten geelbruin, van binnen lichter, eenigszins gerimpeld, geplooid, 3–5 cM. breed, slechts aan den top met den steel verbonden. St. geelachtig-wit, rolrond, poreus met fijne korreltjes bedekt, 3–6 cM. hoog. Voorjaar, plaatselijk vr. a. e.

Fig. 43. Links eenige exemplaren van Leótia lúbrica (Groene glibberzwam). Rechts jonge exemplaren van Bolétus granulátus (melkboleet).

Fig. 43. Links eenige exemplaren van Leótia lúbrica (Groene glibberzwam). Rechts jonge exemplaren van Bolétus granulátus (melkboleet).

Geoglóssum

No. 14. G. glábrum. Aardtong (fig. 42). Spatel- of tongvormig, bovenaan zwartbruin en dof, onderaan witachtig, in groepjes bijeen, buigzaam, tot 7 cM. hoog. Zomer-najaar vr. z.

G. hirsútum, als vorige, is echter met ruige haren bedekt.

Fig. 44. Xylária hypóxylon (Geweizwam). Photo B. E. Bouwman.

Fig. 44. Xylária hypóxylon (Geweizwam). Photo B. E. Bouwman.

Fig. 45. Córdiceps militáris (Rupsendooder) op een pop. Photo B. E. Bouwman.

Fig. 45. Córdiceps militáris (Rupsendooder) op een pop. Photo B. E. Bouwman.

Leótia.

No. 15. L. lúbrica. Groene Glibberzwam (fig. 43).

H. glibberig, iets doorschijnend groen-geel of geelbruin, bol of gewelfd met darmvorm. gekronkelden, ingerolden rand; iets van den steel afstaande, tot 1.5 cM. breed. St. geel of groenachtig, kleverig, hol, tot 8 cM. hoog. In groepjes bijéén. Najaar-winter vr. a.

Pyrenomyceten. Kernzwammen. Xylária.

No. 16. X. hypóxylon. Gewei-zwam (fig. 44).

Geweiachtig vertakt, taai, houtig, meestal plat, van boven wit bestoven (door conidiën) van onderen zwart, stijfharig. Dáár bevinden zich de peritheciën of ascusvruchten; tot 10 cM. hoog. Op hout of aan palen, stronken enz. het geheele jaar door. aa.

No. 17. X. polymórpha. Knotszwam.

Kurkachtige of houtige in dichte groepjes bijéén-groeiende knotsjes, zeer onregelmatig van vorm; vinger-, spoel-, eivorm. of kogelrond, dikwijls handv. vertakt, tot 12 cM. hoog en 2.5 cM. dik, leikl. of bruin-zwart (op doorsnee wit), geheel met fijne wratjes (de peritheciën) bedekt. Groeiplaats als vorige. Herfst-Voorjaar vr. a. Córdiceps.

No. 18. C. militáris. Rupsendooder (fig. 45).

Oranje-roode zwammetjes in den vorm van een knotsje, 3–6 cM. lang. Het bovenste deel is het dikst, eenigszins huzaren-mutsachtig en fijn-wrattig. Hierin bevinden zich de asci. Naar onderen zet het zich voort in den dunnen en gladden steel. Graaft men het zwammetje voorzichtig uit, dan blijkt het te zitten op de leege pop of op de doode rups van een bepaalde vlindersoort v.n.l. op die van Agrotis pronuba (hooivlinder.) De levende rups wordt door de zwam geïnfecteerd, die daarin ten koste van haar gastheer haar vruchtlichaam opbouwt. Najaar vr. a.