Wat zijn Paddenstoelen?

Planten zonder bladgroen.

Het schijnt toch wel, dat ze iets met het rijk der duisternis hebben uit te staan: Overal heeft men ze in verband gebracht met duivels, met heksen en elfen, met kabouters en padden... heel dat obscure volkje van den Blocksberg. En zij, die zich aangetrokken voelen tot die sprookjeswereld, zullen ook telkens met vreugde weer de paddenstoelen zien verschijnen en er gaarne mede omgaan. En vaak kunnen zij zichzelf er moeilijk rekenschap van geven, waarom zij ze eigenlijk nog verkiezen boven de frissche, bloeiende zomerkinderen.

Het is waar:

Er is iets geheimzinnigs aan de paddenstoelen; het is vooral wel hun snelle opbloeien, schijnbaar uit niets, meestal haast zonder zichtbaren wortel uit ’t rottend loof of uit vermolmde stronken, wat iets ondoorgrondelijks en mysterieus heeft. En wanneer dan zoo’n ding daarbij, zooals de zooveel voorkomende vliegenzwam, zeer giftige of dol-makende eigenschappen bezit, dan is ’t duidelijk dat het duivelswerk is! Ja, het zijn kinderen der duisternis, daar gaat niets van af, “die niet leven dan van stelen en van rooven, geneerende zich met rottig vuil en uitwerpsels van andere planten of van derzelver overblijfsels.” Dit schreef Houttuyn, die als rechtgeaard Hollander den paddenstoelen ook al geen goed hart scheen toe te dragen.

Ik heb een zeer knap geleerde gekend, die zich ook veel met paddenstoelen bezig hield en die graag de stelling verdedigde, dat paddenstoelen in ’t geheel geen planten zijn, maar gansch andere wezens. “Dieren, planten en paddenstoelen,” zei deze—“alle goede dingen gaan in drieën.” Nu zijn dat van die questies, waar je lang over kunt vechten; zoo zijn er menschen, die zeggen, dat sponzen geen dieren zijn; die zeggen dus: planten, sponzen en dieren—en als het nu in drieën móét, dan voel ik meer voor het laatste, want m.i. staat het wel volkomen vast, dat paddenstoelen plantaardige organismen zijn, zij ’t ook van een bijzonderen aard.

Men kan het geheele plantenrijk in twee groote groepen verdeelen, n.l. de groene en de niet-groene planten. Dit verschil in kleur, dat velen op ’t eerste gezicht niet zóó belangrijk zal voorkomen, wijst toch op een diep, een fundamenteel onderscheid. De groene planten bevatten vooral in hunne bladeren het bladgroen of chlorophyll, een hoogst belangrijke stof, die in de geheele natuur haar wedergade slechts vindt in de roode kleurstof der bloedlichaampjes. Door het bladgroen zijn de planten in staat uit eenvoudige, anorganische grondstoffen hun levend plantenlichaam op te bouwen: Met hunne bladeren nemen zij het koolzuur uit de lucht op; zij weten het te ontleden, nemen er de koolstof uit en scheiden het andere bestanddeel, de zuurstof, weer (voor een groot deel) af; met hunne wortels zuigen zij de sappen op uit den bodem en de verschillende zouten, die daarin zijn opgelost; voortdurend gaat een stroom van dit “mineraalwater” door de plant, door de wortelspitsen opgenomen, door de wortels en de stengels omhoog gevoerd en in de bladeren weer voor een groot deel afgegeven. Men noemt dit den “transpiratie-stroom.” De bladeren “transpireeren”; zij geven waterdamp af aan de omgeving. Duidelijk is dit te zien aan planten, die onder een glazen klok geplaatst zijn, waar de damp, tot druppels verdicht, zich aan den binnenkant tegen de klok afzet. De beteekenis van dezen transpiratie-stroom moet men niet onderschatten; men heeft berekend, dat b.v. een flinke vruchtboom dagelijks wel ± 100 L. water door de bladeren “transpireert”. Grooter nog is dan de hoeveelheid, die door de wortels uit den bodem wordt opgenomen, want een deel van het water met al de daarin opgeloste zouten wordt vastgehouden en in de bladeren verwerkt tot de stoffen, waaruit de plant zijn lichaam opbouwt, zooals ’t zetmeel, cellulose, eiwitstoffen en dergelijke. Men noemt deze stoffen, die voor een deel zeer samengesteld zijn “organische stoffen”, omdat men langen tijd meende, dat zij niet anders dan door de werking van levende organismen konden gevormd worden, en dat zij zich hierdoor principieel van de andere anorganische zouden onderscheiden. En al is het ook gelukt een aantal dezer stoffen kunstmatig, buiten alle levensprocessen om, samen te stellen, toch blijft het waar, dat een groot deel, waaronder zeker wel de voor het leven allerbelangrijkste, in de natuur niet anders ontstaan, dan door het geheimzinnige proces in de groene bladeren. Hier vormt de plant uit de koolstof, die zij aan het koolzuur van de lucht onttrekt, te zamen met het water, dat uit den bodem wordt opgenomen, de suikers, die als meer eenvoudige organische stoffen, het uitgangspunt zijn voor de vorming van de meer samengestelde.

Een eerste vereischte om dit te kunnen doen is licht; in het duister staat dit vormingsproces onmiddellijk stil, het zonlicht is de stille kracht, die dit werk drijft. Zoo hebben wij dus in de breede bladerkruin van een boom in de eerste plaats eene inrichting te zien om het licht zooveel mogelijk op te vangen en dienstbaar te maken aan het leven.

Van deze vorming van organische stoffen in de groene bladeren toch is het leven van alle andere wezens afhankelijk. Geen enkel dier vermag zich te voeden met zoo’n slappen kost als de groene planten: koolzuur en sterk verdunde oplossingen van zouten; de dieren eten planten, d.i. dus, voeden zich met de stoffen, die de planten hebben bereid of, zooals de roofdieren, zij vreten planteneters en zijn dus ook indirect van de planten afhankelijk.

Saprophyten of afvalsplanten.

En ook de niet-groene planten, de talrijke schimmels, zwammen en paddenstoelen, ook zij zijn afhankelijk van de bladgroen-planten. Ook zij missen het vermogen uit eenvoudige, minerale grondstoffen hun lichaam op te bouwen. Zij zijn òf aangewezen op in ontbinding verkeerende overblijfselen der groene planten: dit zijn afvalsplanten of saprophyten; òf wel, zij onttrekken de voedingsstoffen aan levende organismen, hetzij planten of dieren—deze noemt men parasieten of woekerplanten. Zoo vindt men ze dan ook in groote hoeveelheden op het rottend loof in de bosschen, op mest van planteneters of op de weiden, die doortrokken zijn met de sappen daaruit... Hiermede vervullen zij ook weer hun rol in de natuur: bacteriën, schimmels en al dat “lagere” zwammengoedje doet de afgestorven plantendeelen in vertering, rotting overgaan, breekt de samengestelde stoffen, door de plant opgebouwd, weer af en geeft ze weer terug aan den bodem. En het leidt wel geen twijfel, dat ook de echte “paddenstoelen” hier sterk aan meedoen; wanneer we dus zien, hoe een groote vleezige paddenstoel vaak spoedig geheel doorvreten is van kleine larfjes en na korten tijd overgaat in een vieze pappige massa, waarvan al spoedig niets meer te vinden is, dan krijgen we een blik in den kringloop der stof en we begrijpen dan, dat de bladgroen-planten en de kleurlooze schimmels elkaar noodig hebben, dat de laatste leven van de producten van de eerste, doch dat deze op hun beurt niet zouden kunnen tieren, als het groote zwammenleger niet voortdurend weer de afgestorven planten hielp opruimen, afbreken en verteren... En niet alleen in het rottend loof der bosschen en op de met mest doortrokken weiden, neen, overal kunnen we dit waarnemen. Overal waar doode organische stoffen aanwezig zijn, zijn ook aanstonds deze bleeke gasten er bij. Doen wij slechts in een glas wat water, en voegen daarbij een weinig plantenafval, doode plantenstengels of dergelijke en laten we dit eenige maanden staan, dan zullen deze tenslotte geheel worden ontbonden en verdwijnen door de werking van “splijtzwammen” (bacteriën), die overal in de lucht aanwezig zijn, en zich, als zij een geschikten voedingsbodem gevonden hebben, verbazend snel vermenigvuldigen en alle rottende stoffen verbruiken. Precies wat in dat glas gebeurde, vindt ge eenige mijlen van de afvoerbuizen en riolen in de wateren en rivieren bij de groote steden. Den pot met stijfsel, dien ge een paar dagen vergeten hadt laten staan, vindt ge terug, overdekt met een weelderige vegetatie van schimmels, bonte, roode en groene vlekken wijzen op bacteriekolonies; ook hier is het verteringsproces in vollen gang.

Onnoodig hier nog meer voorbeelden van aan te voeren, ze liggen overal voor het grijpen en ieder is er mee vertrouwd.

Parasieten of woekerplanten.

Minder sterk dringen zich de gevallen van parasitisme aan ons op; toch zijn ook deze uiterst talrijk.

Een ieder heeft wel eens in den nazomer tegen een vensterruit een doode vlieg zien kleven, omgeven door een witte melige massa. Men is geneigd het er voor te houden hier eenvoudig met een vlieg te doen te hebben, die na zijn dood door schimmel is aangetast. Doch inderdaad is ’t heel anders: Deze vlieg is levend en wel door een kwaadaardige schimmel, Empusa muscae, aangetast; een spore is tusschen haar haren terecht gekomen, daar gekiemd en de kiemdraad is naar binnen gedrongen. Hier heeft deze zich verder ontwikkeld en heeft de geheele vlieg doorwoekerd, ten koste van haar sappen. De vlieg gaat dood en is spoedig geheel met de schimmel opgevuld. Nu gaat deze weer draden vormen, die door de chitinehuid naar buiten dringen en aan hun vrije uiteinden de tallooze sporen vormen, die wij als het witte poeder op de ruit waarnemen. Hierin hebben we dus een voorbeeld van een woekerplant, van een, althans voor de vlieg, uiterst kwaadaardige parasiet.

Gaan we dit geval nauwlettend na, dan zien we, dat we feitelijk twee tijdperken kunnen onderscheiden; eerst is de schimmel parasietisch; zij voedt zich ten koste van de levende vlieg. Doch eerst als deze dood is, gaat de schimmel zich voortplanten, “fructificeeren”; nu leeft zij van de doode stoffen en is dus saprophytisch. Bij vele schimmels kunnen we deze beide stadiën waarnemen. Niet altijd zijn ook parasieten en saprophyten scherp te onderscheiden en vaak is het moeilijk met zekerheid uit te maken, met welke van beide gevallen we te doen hebben.

Er zijn meer van die insektendooders onder de schimmels: Niet zelden vindt men in den herfst tusschen mos of dorre bladeren kleine oranje of roode knotsjes, 5 à 6 cM. lang. Naar onderen toe loopen deze in een wat dunner steekje uit. (Zie fig. 45.) Ik herinner mij nog goed mijne verbazing, toen ik voor het eerst waarnam, dat dit steeltje uit een oogenschijnlijk gave pop voor den dag kwam. De pop is echter hard en stijf en geheel gevuld met een vast zwamweefsel en natuurlijk nog veel dooier dan een pier. In andere gevallen vindt men een min of meer misvormde rups aan het steeltje. Ook hier wordt de levende rups door de sporen van een schimmel overvallen, die zich binnen in haar lijf sterk vermenigvuldigt en het ten slotte met een hard zwamweefsel vult. Hieruit ontwikkelen zich dan de knotsvormige paddenstoeltjes, die weer de venijnige sporen voortbrengen.

Schadelijk zal wel niemand deze insectendooders noemen, of hij moest zich wel geheel op een vliegenstandpunt plaatsen. Er zijn er zelfs onder, die zich soms zeer nuttig maken. Wanneer geheele rupsenlegers van dennenrups, Trachea piniperda, de bosschen dreigen te vernielen en niets meer het gevaar schijnt te kunnen afwenden, zijn het soms deze schimmels (Empusa Aulicae), die snel daaronder voortwoekerend, hevige epidemieën veroorzaken en zoo het onheil stuiten. Ook hebben listige koppen er wel eens over gedacht of het niet mogelijk zou zijn de vliegenplaag, die sommige jaren vooral op ’t land zoo verschrikkelijk kan zijn, te bestrijden door bovengenoemde kamervliegschimmel.

Er zijn echter andere schimmels, die een “dierlijken gastheer” hebben, en die wel degelijk zeer schadelijk kunnen worden.

Zoo zijn er b.v. die in de huid van visschen leven, op de vinnen, op het hoornvlies van de oogen enz. Ook dringen zij meer naar binnen, tusschen het spierweefsel en in de kieuwen en veroorzaken zoo den dood. Deze schimmels richten soms groote verwoestingen aan in karper- en goudvischvijvers en kunnen vooral zeer schadelijk worden in de broedplaatsen der visschen.

Fig. 1. Splijtzwammen of bacillen. 2 à 3000 ×.

Fig. 1. Splijtzwammen of bacillen. 2 à 3000 ×.

a. diphtheriebacillen; b. tuberkelbacillen; c. typhusbacillen; d. cholerabacillen.

Ook de mensch moet zich de rol van schimmel-gastheer wel eens laten welgevallen. Zoo is een goede kennis van mij al jaren lang op een bepaalde plek van zijn huid behebt met een schimmel (Trichophýton tónsurans), die daar ondanks jodium en kwik taai stand houdt. Gelukkig heeft hij er weinig last van en behoeft hij in ’t minst niet te vreezen gemummificeerd te worden, zooals de rups door de cordiceps, want deze schimmel blijft beperkt tot de buitenste huidlaag. Toch zou hij er wel graag af wezen, want het is een onpleizierig idee, zoo bij levende lijve min of meer beschimmeld te zijn.—Ook het hoofdzeer wordt door een schimmel veroorzaakt.

Alles samengenomen is echter de beteekenis van deze parasietische schimmels en het gevaar, wat zij voor het leven van mensch en dier opleveren gering, oneindig geringer dan van de bacteriën. Deze uiterst kleine eencellige organismen werden vroeger onder den naam van “splijtzwammen” met de andere schimmels en zwammen in een groote groep vereenigd. Zij komen er mede overeen door het gemis aan bladgroen en dus ook van koolstofassimilatie, doch wijken er overigens zeer van af. Daarom en ook om hunne buitengewone beteekenis op allerlei gebied van kennis en techniek, zijn zij tot een onderwerp van een afzonderlijke wetenschap geworden: de bacteriologie. Wij geven hier een afbeelding van enkele van de meest geduchte onder deze microörganismen, doch gaan ze verder met stilzwijgen voorbij.