Paddenstoelen... ze zijn altijd nog maar weinig in
tel. “Duivelsbrood” is en blijft het voor de meesten en
daarmede is al heel duidelijk gezegd hoe men er over denkt:
weerzinwekkend duister goedje, nergens voor te gebruiken, alleen goed
voor hongerige duivels.
’t Is en blijft ons een raadsel, waardoor ze juist
hier zoo weinig in tel zijn, ja vaak zoo verfoeid worden—echte
verschoppelingen!—terwijl ze bijna overal elders ijverig gezocht
en bestudeerd worden en op hunne juiste waarde geschat; in de eerste
plaats wel, omdat ze een gezond en smakelijk voedsel opleveren, doch
dan ook—minder baatzuchtig—als heel bijzondere en mooie
dingen, die ieder jaar met vreugde begroet worden, wanneer ze weer als
oude bekenden op dezelfde plekjes verschijnen. Zoo goed als de eerste
sneeuwklokjes in Februari, die het begin van de lente inluiden, of de
bloeiende waterleliën, die je zoo echt doen voelen, dat je weer
volop in den zomer zit!
En waarom dan de paddenstoelen niét, die laatste
wonderschoone opbloei der herfstbosschen, die een kleurenrijkdom en een
pracht vertoonen, welke, in onze gewesten, die der bloemen nog
overtreft in gloed, in volheid, in afwisseling! Doch wij willen ons
hoofd niet verder met dit raadsel breken. Het schijnt anders te worden. Uit alles blijkt dat de
belangstelling in den laatsten tijd sterk is toegenomen. Zoo hebben wij
ons dan tot het schrijven van dit boekje gezet met de zekerheid, dat er
door velen met verlangen wordt uitgezien naar een eenvoudig Hollandsch
werkje over paddenstoelen. Geen hooggeleerd werk, om de ontelbare vormen te determineeren
en hun plaats in een wetenschappelijk systeem te leeren kennen, doch
een handig boeksken waarin men de hoofdzaken omtrent de paddenstoelen
kan vinden, iets over hun leven en hun bouw; waarmede men de
belangrijkste soorten kan leeren kennen en vooral ook waardoor men
giftige en eetbare soorten kan leeren onderscheiden.
Ten slotte dan ook, hoe men de laatste moet verzamelen
en toebereiden.
Wij zijn er ons volkomen van bewust, dat wij met dit
laatste een groote verantwoordelijkheid op ons nemen en daarom willen
wij reeds hier onmiddellijk zeggen: Ook zonder alle eet-bijbedoelingen
verdienen de paddenstoelen onze aandacht, zoo goed als andere
dieren en planten, waarbij men toch ook niet altijd in de eerste plaats
vraagt of ze giftig en eetbaar zijn. Evenals bij alle
andere planten, is maar een betrekkelijk gering aantal eetbaar, en zijn
enkele bepaald vergiftig.
Wij zullen dit alles in een afzonderlijk hoofdstuk
uitvoerig behandelen, doch willen het hier aanstonds vooropstellen: Men
beschouwe de paddenstoelen net als andere planten en bloemen en ga
er niet toe over er van te eten, dan alvorens men volkomen zeker weet
met een goede eetbare soort te doen te hebben, en vóór
men zich de kenmerken der weinige zeer vergiftige soorten goed heeft
ingeprent.
Is men nog in twijfel, dan zende men een exemplaar op;
wij zijn beiden ten allen tijde bereid, onze lezers voor te
lichten.
Doch wij moeten er onmiddellijk bijvoegen: de overdreven
angst en afkeer, die sommige lieden er van hebben, is geheel ongegrond.
Men kan gerust iederen paddenstoel in zijn handen nemen, nauwkeurig
onderzoeken, er aan ruiken en er een klein snippertje van proeven (zie
blz. ); dat is nooit ofte nimmer
gevaarlijk en het is de eenige manier om er mede vertrouwd te
raken.
De overtuiging, dat er behoefte was aan een eenvoudigen
wegwijzer in ’t land der
paddenstoelen—voor zoovelen nog volkomen “terra
incognita”, is ons een prikkel geweest om dit boekje zoo goed
mogelijk aan zijn bedoeling te doen beantwoorden. De taak was niet
gemakkelijk; zij, die zich reeds met paddenstoelen hebben
beziggehouden, zullen dit ongetwijfeld begrijpen. Vooral was het niet
zoo eenvoudig uit de oneindige verscheidenheid van vormen, diegenen uit
te kiezen, die inderdaad voor den wandelaar en natuurliefhebber van
belang zijn. Wij hebben hieraan de grootste zorg besteed en wij
vertrouwen, dat hij zelden zijn gids te vergeefs zal raadplegen, als
hij iets vindt wat zijn aandacht trekt.
Voor een dieper doordringen en nauwkeuriger studie is
natuurlijk ons boekje niet voldoende. Wij hebben daarom eenige
literatuuropgaven er in gevoegd. Ook de Hollandsche namen,—o. i.
onmisbaar in een populair werkje—hebben ons vaak veel
hoofdbrekens gekost. Wij hopen er in geslaagd te zijn een stel
bruikbare namen te hebben gegeven; verder gaat in dit opzicht onze
eerzucht niet en wij zouden niets liever zien, dan dat onze lezers zelf
langzamerhand hier verbeterden en vervingen waar hun dit wenschelijk
voorkwam.
Liever dan uit te weiden over de moeilijkheden, waarmede
wij te kampen hebben gehad, willen wij met dankbaarheid erkennen, dat
wij van vele zijden steun ondervonden bij de bewerking.
In de eerste plaats danken wij den heer Dr. J. S.
Meulenhoff, te Zwolle, die ons zijn hulp verleende met de samenstelling
van een der moeilijkste determineertabellen, die van het geslacht
Russula. Voorts den heer Jan M. Hulsken, die, bekend met de praktijk
van het champignonkweeken, zoo vriendelijk was een stukje daarover voor
ons te schrijven. Dan ook den heer Joh. Ruys, die met zooveel zorg de
doorsneden teekende, die op Pl. 3, 4 en 5 afgebeeld zijn.
Wat voorts de illustratie van het boekje betreft, wij
hebben vooral geput uit de afbeeldingen in “De Lev.
Natuur”. Het was ondoenlijk bij iedere figuur de herkomst aan te
geven. Wij hebben ons er daarom toe bepaald, bij de photo’s den
naam van den vervaardiger, voor zoover ons
bekend, te vermelden.
Wellicht zullen vele paddenstoelenvrienden in dit boekje
een teekening of photo terugvinden, die zij voor jaren zelf
vervaardigden. Van harte hopen wij, dat het boekje hun er des te liever
om zal zijn en dat het hun—en velen anderen—een bruikbare
gids moge blijken.
CATH. COOL, Haarlem.
H. A. A. v. d. LEK, Hilversum.
Sept. 1913.