IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD?

Verwijlen we tans nog een ogenblik bij de psychologie van oorlog,—inzonderheid bij wat ons deze „echtste” aller oorlogen daaromtrent leert—bij oorlogstemming en oorlogsdeugd: oorlogspatriottisme en oorlogsheroïsme, die ons als de beste, hoogste voortbrengselen van oorlog worden geprezen. Van stemming moeten we spreken—tot karakterwijziging is oorlog weer niet in staat: men verliest zijn egoïsme niet, maar vergeet het door oorlog... een wijle.57) Vooral kleine bekrompen zielen, voor wie in vrede geen gemenebest bestond—ze beleven in oorlogstijd een ongekende wijding en verheffing—ze worden letterlik boven zich zelf uitgeheven—zijn beter, ruimer, groter dan ze zijn. Heel die massa, die van ouds door haat en woede—de officiële krijgsterm is „heilige toorn”—eer ontvlamt dan door verering en liefde, allen die bovendien ongevoelig genoeg zijn voor het eindeloos triest en onherstelbaar leed, dat elke oorlogsdag over de duizenden gezinnen neerzwaddert—zij kunnen in oorlogsdagen een levensvolheid, een „Lebenserweiterung”, een zaligheid genieten als nooit te voren, vooral na zegepralen, wanneer de vreugde nog gekruid wordt door kontrast, kollektieve trots en leedvermaak. De besten zullen het nooit verder kunnen brengen dan tot een elegiese stemming, een weemoedige blijdschap. Maar de meesten zullen inderdaad hun eng-persoonlike belangetjes, beslommeringen en verheugingen kleiner zien dan anders, zich gedragen voelen, opgestuwd door een machtige stroom van gemeenschapsleven. De betrekkelike waarde daarvan ontkennen we niet—al is de oorlogsolidariteit slechts troebel surrogaat van zuivere kultuurgemeenschap, en al werkt deze kollektieve gemoedsberoering en aandachtbepaling als bewustzijnsvernauwing zeker niet minder ten kwade dan ten goede. Allerlei frivoliteit schijnt weggevaagd door de ernst van de tijd. Parijs en Berlijn heten „solide” geworden. Maar laat ons van de nood geen deugd maken. Het Luna-park werd lazaret. De neigingen zijn dezelfde gebleven, ook waar ze tijdelik zijn verdrongen. En dan nog... Het krantenlezend publiek zou vreemd opkijken, wanneer het las, hoe een der grote geneeskundige tijdschriften (Frans, Duits of Engels, dat doet er hier niet toe) klaagt over het schrikwekkend toenemen van geslachtsziekten onder de troepen op het oorlogspad... over het door afschuwelike cijfers geïllustreerd deernengevaar voor de strijdende legers zelf en voor de gezinnen thuis. Ook tegen alkoholuitspattingen zijn in oorlog de strengste verboden nodig—en ontoereikend. Maar met het nodig voorbehoud erkennen we, dat oorlog, als alle nood, gevaar en smart, de lust tot allerlei ijdel en wuft vermaak beneemt, allerlei klein gehaspel, gekijf en gedoe aan kant zet. Het levensgevaar stemt ernstig, het landsgevaar bovendien solidair, maatschappelik, offervaardig.—Zo levert oorlog, nog boven pest en aardbeving, vermoedelik zelfs in Nederland, de tekst voor menige waarlik niet onstichtelike preek over „het nut der tegenspoeden”. En hij heeft daarenboven z'n verheffende, soms zelfs verheven momenten. Want men offert dan toch z'n leven, z'n man, z'n kinderen menigmaal zelfs min of meer vrijwillig. Ik weet van een moeder, die vier zoons verloor en zich slechts beklaagt over de vijfde, die zich niet heeft opgegeven als vrijwilliger. Dat zijn ongetwijfeld „hoge gevoelens” ik zou niet eens durven zeggen, gelijk ik ergens geschreven zag, „van lager orde”. Laat men offeren aan een waan, blinde liefde kan groter zijn dan verstandige berekening. Toch blijft oorlogstemming zóver beneden ware grootsheid, ware wijding, dat wij geen volk er om zouden benijden, ook al was ze zonder oorlogsellende te krijg. Te zeer is ze razernij, zelfs van haar deugden, te zeer is vijandschap, haat de grondtoon, zelfs van haar solidariteit. De verhitting der gemoederen en geesten is een bewustzijnsvernauwing, die kritiekloos, uitzinnig, ontoerekenbaar maakt, als in roes, droom of hypnose. Vals en krijsend zijn de geluiden uit oorlogsland, die het volk zelf houdt voor zuivere bezielde muziek. Welk een walmen van leugen en laster, geschimp en geschamper slaan ons tegen uit de pers! Vergiftigd blijkt heel de atmosfeer. Iets poenigs is in de geesten gevaren, iets van de „miles gloriosus” onzaliger gedachtenis, met z'n chauvinisme, z'n eigengerechtigheid, z'n zelfoverschatting, „die fruchtbarste Mutter der Laster” (Steinmetz). Zo wordt het patriottisme de doodsvijand van rechtszin en objektiviteit, en culmineert in het bewust en schaamteloos right or wrong, my country!58)Objektivität wird da fast unmöglich, ja, sie gilt manchem als Verbrechen” schrijft de vrij bezonnen gebleven Kautsky in de Neue Zeit59) van 2 Oktober. De wijsgerige taal-kriticus Fritz Mauthner getuigt in een artikel over Die Philosophie und der Krieg: „Der gute Krieg ist es, der jede Sache heiligt”.... „Auch unser moralisches Urteil ist, ob wir wollen oder nicht, unwiderstehlich national und patriotisch geworden. Das angeblich[!] wissenschaftliche und unparteiische Gerede über völkerrechtliche Fragen widersteht uns”... „Die eigentliche Philosophie, die nüchterne Erkenntniskritik, hat vorläufig zu schweigen”. Maar fijner en erger is, wat Stefan Zweig schrijft in zijn bovengenoemd opstel. Voorbij nu de heerlike vriendschap, m'n lieve vrienden, ik moet met m'n volk meehaten, „was in mir deutsch ist überflutet mein ganzes Empfinden. Noch vermöchte ich, euch gerecht zu sein, aber ich finde den Willen nicht mehr, gerecht zu sein. Heute ist das Mass verwandelt” enz. (zie boven; ik cursiveerde). Blinde haat is nu nodig, ik mag m'n soldaten niet door de stem van recht en rede, die ik in mij hoor, die ge hier van mij hoort, vermurwen! „Erwartet darum nicht, dass ich heute für euch spreche, dass ich sage, Belgiens Menschen sind nicht Meuchelmörder und Schänder von Verwundeten, die solche Taten tun, gehören in jene Unterschicht, die in jeder Masse den trüben Bodensatz bilden und von den Ereignissen emporgeschüttelt das Bild einer ganzen Nation trüben. Dass ich sage, Frankreich ist friedlich und nur verleitet, und nicht jeder Engländer sei perfid und pharisäisch, [laakt niet] dass ich nichts tue, mich mit Worten jener Welle von Zorn entgegenzuwerfen, die Deutschland heute gegen ihre Bedränger schleudert. Ich weiss, es wäre gerecht, dies laut zu sagen, und weiss, wie schön es ist, auch in der Leidenschaft gerecht zu sein. Aber für die Schönheit ist heute kein Raum in der Zeit”... „Wer noch nicht mitkämpft, darf den anderen zumindest nicht in die Waffen fallen”... „Aber glaubt nicht darum, ihr Lieben, es sei mir leicht, dieses Schweigen!” Maar het moet terwille van de natie en haar eenheid. „Unsere Freundschaft ist vergeblich, solange unsere Völker in Waffen sind, aber sie wird zwiefach wertvoll nach jenem grossen Ringen. Denn dann wird statt jenes heiligen Zornes viel kleine Bitterkeit, viel niederer Groll, viel erbarmliche Gehässigkeit in der Welt sein, dann wollen wir unser Samariterwerk beginnen, die Wunden zu heilen, die unsere Brüder geschlagen haben. Wir wollen versuchen, soweit unsere Kräfte reichen, unsere menschliche Freundschaft vorbildlich zu machen für eine der Völker”... Dat is smartelike, bijna edele verzaking van recht en waarheid, waartoe het patriottisme deze voorname, nobele geest verleidt.

Soortgelijke bewuste rechtvaardigheidsverzaking horen wij uit Frankrijk, wanneer b.v. de oud-communard Albert Goullé schrijft in zijn Le Salut Social: „Als de jonge mannen van mijn land aan het vechten zijn tegen de jonge mannen van een ander land, dan kan en wil ik niet onpartijdig zijn. De onzen zijn helden. Zij die de onzen willen doden zijn bandieten.—Ik schaam me er in het geheel niet over, dat ik te hunnen aanzien vol haat en onrechtvaardigheid ben.”

En welk een vergroving en verruwing in het algemeen, ook en juist van hen, die we gewend waren, als de grootsten en de besten van hun volk te beschouwen, welk een ziekelike zelfverheerliking, en welk een lomp smaden en schelden zonder billikheid en zonder matiging—eenzijdig, klein en bekrompen. Belangwekkend en kenschetsend in deze zijn ook de lagere regionen—zo bereiken de spotbladen bijvoorbeeld tans een mate van ordinairheid, die zelfs in het eigen land weerzin en verontwaardiging wekt—maar corruptio optimi pessima, het bederf van de besten is het ergst. Onder de geestelike keurbenden woedt een patriottiese verdwazing, die in haar al te kompromitterende uitingen (ten onzent denke men aan het geval Lasson) door eigen landgenoten als „intellektuele oorlogs-neurose” en als on-nationaal wordt gedesavoueerd, maar in niet minder beklagenswaardige vertolkingen de volksstemming maar al te zeer in 't gevlei komt. Wie had ooit van een zo universeel wetenschappelik denker als Wundt een pamflet verwacht als zijn rede „Über den wahrhaften Krieg”? Alleen de eigen groep (nu dus stellig ook Turkije) voert een waarachtige, een „heilige oorlog”—de vijanden „den unwahren, den trügerischen und lügenhaften Krieg”, hun oorlog is „ein ehrloser räuberischer Überfall, dessen Mittel Mord, Piraterie und Flibustiertum sind, nicht der offene, ehrliche Kampf mit den Waffen”. Vraagt men bij het vernemen, dat de „wahrhafte Krieg” „nur die Abwehr fremder Vergewaltigung zum Zweck hat” schuchter: dus België? dan luidt het antwoord: „Was kümmern uns demgegenüber [sc. Engeland] die Belgier, die in ihrer waghalsigen Verblendung diesen Krieg geführt haben, um vor aller Welt endgültig ihre Existenzunfähigkeit als Staat zu beweisen?” Een Wundt, de psycholoog, die geen onderzoek behoeft om de berichten „über angebliche Gewalttaten, die unseren wackeren Kriegern aufgebürdet werden” voor leugens te verklaren en van de vijanden elke laagheid te geloven: „Schweigen wir von den Greueln der Belgier, die zum Teil weinigstens auf die bestialische Wut Einzelner zurückgeführt werden mögen, wenn auch Anzeichen genug dafür vorhanden sind, dass die Mörder im bürgerlichen Rock mit ihrer Regierung und Heerführung konspirieren”.60) Een Wundt, de ethicus, die het Engels volkskarakter smaadt met een beroep op het utilisme van Bentham, hier geduid als de leer, wier grondstellingen luiden: „Jeder tue, was ihm selbst nützlich ist” en „Das Gut, das mehr Geld kostet, ist das höhere Gut”! Van deze laatste moraalregel verklaart Wundt: „Diesen Grundsatz teilen zwar keineswegs alle[!] utilitarischen Philosophen Englands, aber der Dutzendengländer lebt nach diesem Rezept, und offenbar teilt ihn auch die englische Regierung” etc. Zo staan tegenover het Engels geldzuchtig utilisme „wij Duitsers” met ons heilig „idealisme”... Een Wundt, die als doel van de door Duitsland te dikteren vrede na „die Millionen und Milliarden, die wir uns für die Not und das Elend dieser Wochen als Kriegsentschädigung zahlen lassen” allereerst stelt: het kleine Engeland te ontlasten van zijn „te veel” aan kolonies!61) Verder komen de Balten en de Russiese Polen onder Duitsland en Oostenrijk, Finland mag als zelfstandige staat Duitsland voor zijn bevrijding dank weten, een „mitteleuropäische Föderation” zal met de Verenigde Staten de vrede handhaven en zorgen, dat het Duitse volk „die führende Stellung gewinne und bewahre, die ihm gebührt”, „der Revanchegedanke muss den Franzosen für immer unmöglich gemacht werden”, terwijl België wordt overgeslagen en blijkbaar is ingelijfd.

Ziedaar wat de oorlog van een Wundt heeft gemaakt, het was mij niet mogelik, het u zonder zijn eigen woorden te doen beseffen. Er mag een weinig overwinningsroes der eerste weken bij in 't spel zijn62)—het zijn nu eenmaal sterke benen, die de weelde van een zegepraal kunnen dragen en hoeveel kwaad bloed heeft niet reeds overwinnaarshoogmoed gezet sinds '70/'71—in 't algemeen hebben we hier een zuiver voorbeeld, dat met tientallen zou zijn aan te vullen, van de wijze waarop oorlog de geesten knauwt. Vertaal Wundt's oordeel over de oorlog der vijanden in het Engels—spreek dus van „a war of assassination, pillage and destruction”—en ge hebt het algemeen Engels oordeel over... Duitslands oorlog—letterlik aldus geformuleerd door Wilfrid Ward63). De Duitsers voeren „a campaign of systematic cruelty”. „Chivalry, honour, and humanity seem to have almost disappeared from the German army”... „the white flag has been constantly violated” enz. en zo is zijn slotsom: „The spirit fostered by the war has brought out in the one race an outburst of Christian virtue; in the other cruelty, excess, and treachery”, waarnaast we weer eens stellen een woord van de fijne Graecus en oud-grenadier Wilamowitz-Moellendorff64): „Ja, der Krieg ist darum etwas Grosses, weil er die Herzen wägt; er bringt ans Licht, was in jedem Herzen ist”... zo heeft hij in het Duitse volk onthuld dapperheid, eendracht en trouw tot in de dood... „Und sehen Sie, was der Krieg enthüllt hat bei den anderen! [Zie, dat wordt goed, denkt men; die heeft dus oog gehouden voor hetzelfde verschijnsel buiten de grens]. Was ist herausgekommen aus der belgischen Seele? [Bravo, men kan het kleine volk, dat men uit nood moest overrompelen, altans z'n heroïsme nageven] Wie hat sie sich offenbart als eine Seele der Feigheit und des Meuchelmordes!” enz. Ieder weet „dass unsere Krieger unfähig sind zu den Gemeinheiten, zu dem Meuchelmord, zu der Hinterlist, mit der sich die Feinde [hier zijn het weer Fransen] nicht nur an unseren Soldaten, sondern auch an unseren Ärzten und Pflegeschwestern vergreifen, und unsere Verwundeten verstümmeln und abschlachten. Wir wissen, das kann ein deutscher Soldat einfach nicht übers Herz bringen. Es ist schon schrecklich, dass er es ahnden muss. Unsere Leute erfüllt es mit Ekel, wenn sie die Bestien aufhängen müssen. Aber sie müssen es wohl oder übel tun. Gebe Gott, dass unsere guten Leute draussen duren dieses scheussliche Handwerk nicht selbst verroht werden und gezwungen niedersteigen auf den tieferen Standpunkt der Zivilisation, dessen unsere Feinde sich wohl gar berühmen.” enz. Men leze nu daarnaast weer het in December gepubliceerde officiële Franse rapport van de 23 September benoemde commission d'enquête omtrent het gedrag van de vijand in Frankrijk, een rapport, dat voor een nuchter neutraal lezer niet meer en niet minder vertrouwen verdient, dan de soortgelijke Duitse rapporten—en men weet... nauweliks wat feller tegen de oorlogsgeest getuigt, de mentaliteit die zich in zulke daden of die zich in zulke woorden uit. Hoezeer het oorlogspatriottisme de geesten bezoedelt en de stemming vergiftigt—laat ons de persoonlike voorbeelden verder sparen, alleen nog opmerken, dat de Duitsers niet minder grof beledigd worden, b.v. door een Maeterlinck of een Bergson, dan zij bij monde van een Eucken of een Sombart hun vijanden bejegenen. De grote namen vallen het meest op. Maar in alle kringen woedt de „ziekte”.

Normale waardering van 's vijands karakter wordt onmogelik, of zwijgt, vermoedelik uit patriottisme, misschien ook door censuur. Wat weet trouwens de gemiddelde Duitser van de gemiddelde Engelsman en omgekeerd? Weinig meer dan niets. De taal isoleert deze volken nog op een wijze, die wij polyglotten ons nauweliks kunnen voorstellen. De onderlinge gezindheid is dus bijna uitsluitend oppervlakkig persmaaksel. Maar zie, daar verschijnt in het Septembernummer van Westermann's Monatshefte plots een artikel van Prof. Dr. Ernst Sieper (die te München Engelse filologie doceert, en jaren in Engeland heeft gewoond) over „Der Kulturwert Englands”—men verwacht weer van 't uniform-laken een pak—en het blijkt van 't begin tot het eind loutere, boven alle krijgsrumoer en vijandschappelike verdwazing verheven hoogschatting van Engelse vrijheid en self-government (boven dril en Massregelung), religieusheid en soberheid, karakterkracht, „Kultur”... met getuigenissen als: „de Duitse docent heeft meer kennis, de Engelse meer beschaving”... en waarin slechts één zinnetje aan oorlog herinnert: ik schrijf allerminst om de Engelsen komplimentjes te maken, maar ten dienste van mijn Duitsers, want ik houd het er voor, dat men zelfs van z'n vijanden kan leren... Reeds voor gewone tijden was het een weldadig-ruim, anti-chauvinisties artikel—tans leek het mij groot—en groot het volk waarvan verwacht wordt, dat het zulk een erkenning van 's vijands deugd verdraagt, als iets dat van zelf spreekt. In het Oktobernummer verklaart de Redaktie: „Prof. Ernst Siepers Aufsatz.... war, so gern wir das getan hätten, nicht mehr zurüchzuhalten, als sich Englands wahres Gesicht durch die Kriegserklärung vom 4 August vor uns enthüllte”... „nun die Tücke des Feindes sich offenbart hat, wird das Schwert die Antwort geben und mit dem Verbrechen des Gegners auch die eignen Irrtümer sühnen.” Zo spreekt oorlog. En de schrijver zelf, aangevallen als een soort landverrader, had reeds openlik zijn daad verloochend, zijn gebrek aan takt betreurd.... het was een oud artikel geweest, dat tans niet had mogen verschijnen... Sic transit...

En blijft de vergoding van eigen volk, zaak, stemming niet even klein en onsmakelik als de kleinering van wat des vijands is? In één adem wordt gewaagd van „die erhabene Weihe dieser heiligen Zeit”... „wir kämpfen für das Göttliche”... en van „Verrat, Gemeinheit, Verständnislosigkeit dreier Völker”. Alom is het patriottisme geworden, „zur Kunst, mitzuheulen... zum Anreiz, grob absichtliche Geschichtsfälschungen als Religion hinwegzunehmen und in diesem Götzendienst seine Seele zu verraten” (Sänger). Hoor ook dat valse pathos, dat in de talloze bundels „krijgspoëzie” de volksstemming vertolkt, of in de krijgsretoriek tot uitbarsting komt. Neen, van een gewijde, heilige tijd stellen wij ons ander geluid voor.

Maar halt, laat dan het oorlogspathos, laat ook de oorlogsleuzen vals en voos wezen—oorlog is geen tijd van het woord, maar van de daad, en erken, dat de daden subliem zijn, dat oorlog helden kweekt, heilige offervaardigheid en stervensmoed. „Opferfreudige, sterbensbereite Menschenliebe ist nun einmal keine Existenzbedingung unseres gesellschaftlichen Lebens, Heroismus ist dagegen, wie alle Kriege bis auf den letzten in erhöhtem Masse beweisen, die Bedingung des Sieges im Völkerkampfe” (Ph. d. Kr. 205). „Ein Heer, in welchem der Heroismus so selten wäre wie die todesfreudige Menschenliebe im Volke, ware der Niederlage gewiss, es könnte kaum zum Kriege kommen.” (ib.)

Ik voel het, nuchtere kritiek doet hier, als zo dikwerf, aan als heiligschennis. Maar laat ons hier als elders niettemin de moed der waarheid hebben. En ik weet, gij mannen, die uw jonge levens en gij ouders en vrouwen, die uw jongens hebt moeten offeren aan de oorlogsmoloch, gij zult het mij niet euvel duiden, wanneer ik mij er tegen verzet, dat hij uw offers zelf gebruikt als propaganda voor zijn zaak.

Laat dan heroïsme één van de voorwaarden zijn van overwinning—ik begin met de opmerking, dat alle oorlogen tot en met de allerlaatste in verhoogde mate bewijzen, dat heroïsme zonder de nodige middelen het aflegt tegen de nodige middelen zonder heroïsme, dat een kanon eer een held of zelfs tal van helden uit de weg kan ruimen, dan dezen een kanon. Al waren al die 800 mannen van het fort Loncin stervensvaardige helden, de paar man, die het mortier bedienden, dat hen met één schot verpletterd heeft, hadden geen heroïsme daarbij nodig.

En vanwaar dan, moet Steinmetz zich toch afvragen, bij zo weinig offervaardige mensenliefde in het volk, al die helden, al die opoffering in de legers? Doet gevaar, doet nood wonderen? Neen. Nood leert bidden—wie niet vroom is, nood leert geven wie niet gul is, nood leert durven aan wie laf is. „Selber den Feigen erzeugt er den Mut” zegt Schiller terecht van de krijg. En Steinmetz zelf heeft indertijd eens opgemerkt: „Vele... militairen zouden geen helden zijn, als zij maar laf dorsten wezen”—waarbij men denkt aan een gezegde van Th. Gautier: „Peu de gens ont le courage d'être lâches devant témoins”. Zo is oorlogsmoed dan voor een deel de moed der lafheid, die het niet gebracht heeft tot de lafheid van de moed. En voor de rest geeft oorlog ook hier geen ander karakter, geen andere neiging, maar ander motief en ander gedrag. Wie geen held is vóór de oorlog wordt geen held door de oorlog—en wie een held was van te voren hoeft het door oorlog niet te worden. Helden worden niet gekweekt, maar geboren... en gedood. De enige helden, die oorlog kweekt, zijn de dode helden van de luguber-panegyriese verlieslijsten, familieberichten en grafschriften. En de levende helden, die we zo nodig hebben, zijn nog zeldzamer dan te voren. Het is moeiliker, heroiek te leven, dan heroiek te sterven. Het vereist soms meer moed, zich te laten uitlachen, dan zich te laten sneuvelen. Doodsverachting is levensverachting. En levensverachting kan een zeer hoge—maar ook een zeer lage trap van zedelikheid bewijzen. Levensverachting kan het natuurlik gevolg zijn van een verachtelik leven, van een leven, dat het leven niet waard is. De desperado's met hun „moed der wanhoop”, de verloren levens, zij die niets meer te verliezen hebben, die niets of niet veel zaaks op het spel zetten, wanneer zij hun leven op het spel zetten, dat reeds verspeeld en verspild is, die bij wijze van uitgestelde zelfmoord uitgaan op supreem avontuur en dienst nemen ergens in den vreemde—dat zijn de heldhaftigste soldaten, de dappersten der dapperen. Van het vreemdelingenlegioen zegt de deskundige Pierre Mille: „Tout le monde y est brave, et la lâcheté le seul crime impardonnable”. Hoe dieper de levensernst en dus de levensvreugde wordt en hoe rijker en inniger de levensbanden, des te minder wordt er met het leven—ook van anderen!—gespeeld. Hoe lager het peil van een volk, des te groter, naar het schijnt, zijn doodsverachting, d.w.z. de verachting en onverschilligheid voor eigen en anderer leven. Hoe jong is in de geschiedenis de eerbied voor het leven van het kind, van de vrouw, van de arbeider. Wanneer wij ons trachten voor te stellen, welk een erbarmelik waardeloos ding het leven voor de grote massa bij tal van volken nog is in onze dagen, en daarbij denken aan de rol van het geloof, dat verlossing belooft en eeuwige hemelse zaligheid, dan begrijpen we de wellust, de vervoering van die inlandse poepoetans waarvan ons van Kol vertelt, die opperste doodsverachting van de barbaarse Derwisjen, waarvan Steevens („With Kitchener to Khartoum”) verhaalt bij Norman Angell, die voor hun Mahdi even prachtig sterven als zij hem schandelik verraden en beroven. En ik herinner aan het Russiese „nitsjewo”, „het doet er niet toe”, die berustende, fatalistiese levensonverschilligheid, die zich gedwee de krijg en de dood in laat drijven, waaromtrent Steinmetz zelf citeert (126): „Es ist unnütz, sich dem Willen Gottes zu widersetzen, und auch eine Sünde... Sind wir nicht auf der Erde zu einer kurzen und schmerzlichen Prüfung? Selig der, den der Himmel zu sich ruft. Warum lebt man, arbeitet man, geht in den Krieg, tötet, gehorcht? Wer befiehlt alles? Wer kann das wissen? Die Vorgesetzten wissen es... So ist der Russe; so haben sie ihn gemacht”. „Für ihn ist alles verboten. Etwas unternehmen, verboten! Wünschen, verboten! Denken, verboten! Was hat er dafür zum Ersatz? Den Himmel”... „Er weiss zu sterben, sonst nichts”.

Zo kan dus levensopoffering alles wezen—van het verhevenste martelaarschap tot de genotzuchtigste spekulatie en de lafste levensontvluchting—moedeloosheid en zwakheid evenzeer als moed en kracht. Doodsverachting is derhalve geen bewijs van zedelike grootheid en karakter. Allerminst in oorlog, met zijn fataal moeten, zijn kollektieve zelfvergeten bezinningloosheid en zijn atmosfeer van levensgevaar, waarvan de druk ten slotte niet meer wordt gevoeld. Al verdienen ongetwijfeld tal van vrijwilligers onze volle bewondering—wij moeten ons hoeden voor de romantiese overschatting van het krijgsheldendom. Een volk van helden sans peur et sans reproche is evenzeer krijgslegende als een volk van huichelaars of van onmensen.65) Gelukkig worden ons van alle strijdende legers tans ongeveer dezelfde deugden en ondeugden gemeld—hoe minder reden voor verhovaardiging en verwijt, des te meer kans op verzoening sans rancune. Oorlog en romantiek zijn van ouds verwante leugenmachten geweest. Wee de dubbele leugen der oorlogsromantiek! Want oorlog is waarlik een te ernstige zaak om ons te laten verblinden en verzoenen door de schone, de demonies schone schijn.

En laten wij het rustig dragen, wanneer men ons matig ontzag voor het oorlogs-heroïsme en zelfs ons tegenstanderschap van oorlog in het algemeen duidt, gelijk men pleegt te doen, als gebrek aan eigen moed. Zo schrijft Steinmetz van de reeks denkers, die oorlog hebben veroordeeld, dat zij dat mogelik deden „aus eigenem Mangel an den von uns angeführten Kriegsqualitäten(sc. een zekere graad van egoïsme en van meedogenloosheid benevens „Mut und Wagelust”), „was öfter als man meint der Fall sein wird”. Een ander vurig oorlogsvriend noemt de tegenstanders „alte Weiber in Männerhosen, die den Krieg fürchten und darum jammern, er sei grausig oder hässlich66) of „Stubenhocker, die uns den Krieg verleiden wollen”, of „Friedensseuchler”, „weibische Pazifizisten”... We willen hierop alleen antwoorden, dat de vrouw de kunst, heldhaftig te leven, waarschijnlik beter verstaat dan de man, dat harer is dat minder opzichtig, minder roemrucht, maar zuiverder en verhevener heroïsme van het dageliks leven, het heldendom van de stille glimlach, die andere moed, die ook in oorlog van haar wordt gevergd en verwacht, „l'autre courage, dont le génie n'est qu'une longue patience”, naar Sarcey's fijne variant. En voorts, dat „Stubenhocker” soms meer moed behoeven en betonen dan ooit het „veld van eer” vereist—dat mogelikerwijze bijvoorbeeld Luther zijn stellingen of Giordano Bruno, „de martelaar der nieuwe wereldbeschouwing”, zijn denkbeelden achter de warme kachel heeft uitgebroed.


We moeten het er zelfs op wagen, te ontkennen, dat een grote oorlog vanzelf betekent een „grote” tijd. Zeker, titanies zijn de krachten, tans ontketend, tot verdelging, maar ook tot redding en behoud. Wat titanies is, groot van afmetingen, wekt bewondering, imponeert. Groot en groots, hoog en verheven hangen ook psychologies ten nauwste samen. Maar hoeden wij ons wederom voor de schijnverhevenheid van wat alleen door zijn afmetingen groot is en geweldig. Waarlik groot en groots is een tijd van geestelik nieuw leven, nieuwe bezinning, nieuwe verrijzenis, nieuwe schepping, nieuwe bevrijding—groot was de Renaissance, de Hervorming, de Revolutie—maar niet een geesteloze tijd van nieuwe verbittering, nieuwe verdwazing, nieuwe gebondenheid, die geen hoger en ruimer idealen meer kent dan die van een verwoed geprangd patriottisme. Zulk een tijd „heilig” te noemen is van een soortgelijke frivoliteit als de hedendaagse fabricering van „heilige oorlog”. Neen, groot is deze oorlogstijd nog lang niet, trots zijn grote momenten, die we dankbaar erkennen67). Zeker, het is een tijd van katastrofe, van ommekeer. Er kàn uit deze woeling en dit wee, uit deze baaierd groots en blijvends te voorschijn komen... maar helaas, zowel ten kwade als ten goede! Dat vergeet ons onverbeterlik illusionair, misschien beminnelik maar stellig gevaarlik optimisme maar al te gaarne—en het verkondigt al vast het hymnies geloof, „dat deze ontzettendste van alle oorlogen een nieuwe aarde ons zal brengen, vernieuwing en verjonging op elk gebied... uit georganiseerde krankzinnigheid, georganiseerde gezondheid...”. Het kan zijn. Maar het kan ook zijn, dat tientallen van jaren de volken op zichzelf en in hun onderling verkeer niet weer kunnen brengen op het peil van vóór deze oorlog. Het kan ook zijn, dat haat en wrok en wraakzucht blijven, wanneer de noodsolidariteit al lang weer spoorloos is verdwenen. Het kan ook zijn, dat deze oorlog voldoende verwikkelingen brengt (met het verre Oosten bijvoorbeeld) voor tal van nieuwe oorlogen... Het kan ook zijn, al klinkt het nog zo hard, dat al het bloed vergeefs is vergoten, dat voor al wat onherroepelik verloren ging geen andere vergoeding ons wacht, dan het trieste voordeel, dat deze oorlog ons altans verlost heeft—van deze oorlog. Het kan zijn, zeer zeker, dat deze oorlog nu eens een waarlik grote volksbeweging ontketent tegen die minderheidsmachten, die de vreedzaam verkerende, stoffelik en geestelik wedijverende volken in oorlog en vijandschap hebben gedreven: een aan vrede ziekend militarisme, een feodale geheime onverantwoordelike diplomatie, een „blint, van staetzucht aengevoert” chauvinisme, een veile stookpers en last not least een deels dynastiek-militair, deels groot-kapitalisties imperialisme. Maar het kan ook zijn, dat de volken de sukkels blijven, van wie Steinmetz profeteren kan: „nur ein bischen politische Aufregung, die so leicht gemacht wird, und die Kriegsstimmung ist da!” (337). De sukkels, die hun wereld door oorlog niet alleen met hun bloed, maar telkens ook weer rijkelik met nieuwe oorlogskiemen laten bezaaien voor kind en nageslacht. Nog altijd was oorlog het koren op de molen van het militarisme; vulgair betekent nederlaag vóór alles: beter bewapening, revanche—zegepraal: legerverheerliking. Zal het ditmaal anders gaan? Zal men tans uit oorlogsroes en vijandschapswaanzin ontwaken met een stille beschaming zonder overwinnaarsverwatenheid en overwonnelingenwrok, tot een vrede, die geen wapenstilstand, maar vergiffenis en verbroedering betekent? Zal er tans een machtig verzet rijzen tegen oorlog als instelling, die met recht en geweten vloekt, die hand en ziel bezoedelt met onschuldig broederbloed—tegen de parasiet, die de volkskracht erger uitmergelt, jaar in jaar uit, dan dat andere slechts voor de belanghebbenden „versterkende middel”, de alkohol, en die van de resterende krachten dan nog het beste deel verslindt in „krachtmetingen”, door onuitroeibaar redeloos „toeval” bedorven? Zullen de volken, zal het volk eindelik waarborgen eisen en nemen tegen overrompeling met „door niemand gewilde” krijg? Zullen zij eindelik inzien, dat niet hun vijandschap of belangenstrijd oorlog verwekt, maar juist omgekeerd oorlog alleen, oorlogsvoorbereiding en oorlogskliek, hun belangen en hun gemoederen scheidt en hun geesten verblindt voor hun wezenlike, bij stijgende kultuur steeds klaarder besefte stoffelike en geestelike solidariteit? Ja, dàn zou dit waarlik een grote tijd kunnen worden! Maar zulk een grote tijd eist een groot geslacht—eist edelmoedigheid en wijsheid. En is niet oorlog de vijand van deze deugden? Laat ons dus onze verwachtingen niet te hoog spannen. Deze oorlog zal stellig niet de laatste zijn. Maar even stellig zal oorlog wijken voor rechtsgemeenschap. Dat waarborgt ons heel de ontwikkelingsgeschiedenis van enkeling en mensheid, die leidt „van versnippering en strijd tot organisatie en eenheid”. Internationale eenheid en organisatie is op komst in het ekonomies leven der mensheid—internationale eenheid en gemeenschap straalt over de wereld uit het rijk van de wetenschap (al verleidt oorlog zelfs hier tot enkele persoonlike kleingeestigheden), van de kunst (al stempelt oorlog waardering van een Van Gogh, Cézanne, Hokusai tot „vaterlandsvergessene Schwächlichkeiten”), van de wijsbegeerte, van zedelikheid en recht: internationaal en één is de Objektieve Geest. Die zal de oorlog doden. En het zal geen vloek zijn, maar een zegen.

„Dan zal hij scheidsrechter zijn tussen talrijke volken,
en sterke natiën hoe ver zij ook wonen terechtwijzen
en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden
en hun speren tot sikkelen,
niet meer zal volk tegen volk het zwaard opheffen
en zij zullen de krijg niet meer leren—
maar ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom
en niemand meer zal hen verschrikken”.
Micha IV: 3, 4.

57) Vgk. Steinmetz, 206: „Nie wird der natürliche Egoismus durch Hunderttausende so vollständig vergessen als eben im Kriege.

58) Toch twijfelt bij de keuze tussen gerechtigheid en patriottisme het zedelik besef geen ogenblik: het heeft van ouds de gerechtigheid gemaakt tot attribuut van de Godheid en het patriottisme zelfs voor een stam- of krijgsgod niet goed genoeg geacht. Ook de God van Duitsland of van Rusland of van Turkije zal wel een God zijn van „waarheid en gerechtigheid”.

59) Dit tijdschrift heeft merkwaardig weinig van de oorlogstemming geleden. Zie b.v. hoe Eckstein er het befaamde manifest der 93 in beoordeelt onder het motto: Der Fachmann als Laie (16 Okt. '14).

60) Omtrent de dum-dum-kogels: „England und Frankreich benutzen diese Geschosse”... enz. enz.

61) Ik spot niet. „Von England freilich wird es wohl heissen: wem viel gegeben ist, von dem kann man viel fordern. England trägt ausserdem für einen kleinen Inselstaat allzu schwer an seinem kolonialen Besitz. Es wird uns reichlich zahlen müssen von dem, was es zu viel hat, wenn aus diesem Krieg eine gerechte Verteilung der kolonialen Kulturarbeit der Nationen hervorgehen soll”.

62) Maar over „waarheid” en „leugen” treft ons uit alle oorlogslanden dezelfde verblinding. En nu pas nog, in Januarie, zegt Prof. Rein uit Jena, dat dit een „Krieg höherer Art” is, waarin Ormoezd, de heilige geest van licht en waarheid, staat tegenover Ahriman, de geest der duisternis en des leugens, een oorlog, die dus „die Entscheidung bringen soll über Wert und Unwert, Sinn und Unsinn, Kraft und Ohnmacht dieser Welt”.

Precies zo, maar natuurlik in omgekeerde zin, noemen b.v. Engelse theosofen als Annie Besant dit een oorlog van de „witte” tegen de „zwarte” krachten, van „Right against Might, Law against Force, Freedom against Slavery, Brotherhood against Tyranny”.

63) The war spirit and Christianity, Fortnightly Review, XII '14.

64) Zwei Reden: Krieges Anfang, Die geschichtlichen Ursachen des Krieges.

65) Hoe er met het „heldendom” gesold wordt in oorlogstijd blijkt het best, wanneer b.v. een officier schrijft over de „heldendood” van de... paarden, of de hofdichter Joseph von Lauff zelfs een krijgspoëem aldus besluit:

„Wird gewiss die fleissge Berta
Unsre grösste Heldin sein!”

66) Deze schrijver zegt: „Nein, der Krieg ist schön”—en behoort tot die ophitsers, die naar deze oorlog gesnakt hebben. In de „Jung-deutschland Post”, Wochenschrift für Deutschlands Jugend, schreef hij in het artikel van 25 Jan. 1913, waaraan het tekstcitaat is ontleend: Heidendom en Christendom leren, dat de zielen der doden geen rust hebben „bis ein Kampf mit Sieg und Triumph unserer Waffen geendet hat.” ....„Darum ist der Krieg die hehrste und heiligste Aeusserung menschlichen Handelns”... „Auch uns wird einmal die frohe, grosse Stunde eines Kampfes schlagen. In Tagen zweifelnder, vorläufig nur heimlich frohlockender Erwartung” klinkt dan de Ruf zur Schlacht en het volk zingt ‚Es braust ein Ruf wie Donnerhall’... „Ein echter Schlachtenchoral ist das Lied und doch klingt jauchzend des Deutschen Freude an Krieg und Heldensterben hinein”... „Ja, das wird eine frohe, eine grosse Stunde, die wir uns heimlich wünschen dürfen. Der laute Wunsch nach Krieg wird oft zu eitlem Prahlen und lächerlichem Säbelrasseln. Aber still und tief im deutschen Herzen muss die Freude am Krieg und ein Sehnen nach ihm leben”.... het is heerliker „auf der Heldentafel in der Kirche ewig fortzuleben, als namenlos den Strohtod im Bett zu sterben.” Volgt geestdriftig relaas van een soldatenlied, hoe de oude Fritz „im Wolkensaai droben” de gevallen helden met „Präsentiermarsch” ontvangt.... „Das sei Jungdeutschlands Himmelreich. So sehne es sich, an unseres Herrgotts Tür zu klopfen.” (Aangehaald uit: Der deutsche Chauvinismus van Prof. Dr. O. Nippold, Veröffentlichungen des Verbandes für Internationale Verständigung, Heft 9).

67) Groot is bijvoorbeeld het antwoord van de Belgiese regering en het Belgiese volk op het ultimatum van de Duitse regering. Want „De [Duitse] Waarheid over den Oorlog” heeft gelijk (bl. 67): „De Belgen zouden wijs gehandeld hebben, als zij vrijwillig den doortocht van de Duitsche troepen hadden toegestaan. Zij hadden daarmede de ongereptheid[?] van hun gebied verzekerd, en met de goed en contant betalende Duitsche troepen geen slechte zaken gedaan.” Heil de Belgen, die de dwaasheid van de plicht, al kost die het land en het leven, hebben verkoren boven de wijsheid van de goede zaken.


INHOUD.


Blz.
I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE 5
II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.
1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies 13
2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie 18
III. DE KEPER.
1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog 22
2. De kollektieve selektie 25
A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en selektieverbetering zonder oorlog 26
B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft 32
a. Geen groepsuitroeiing meer 32
b. Contraselektieve faktoren? 33
c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval 36
d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern 44
3. Oorlog als hervormer en opvoeder 47
4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen? 49
5. Oorlog als Genotmiddel 58
6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog 59
IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD? 70