DERDE BEDRIJF

More’s vertrek in den Tower.

More, Kingston, gevangenenbewaker. Later Grynæus en Margreet.

KINGSTON Een jonkman, die al vele malen poogde

u te bezoeke’ in uw gevangenschap,

—maar mijn bevelen bleven onveranderd:

„Laat niemand buiten zijn verwanten toe,”—

heeft eindelijk het langbegeerd verlof,

God weet door welke liste’, of lang beleg

van wie hoog wone’ in ’s konings gunst, veroverd.

Zal ik hem bij u laten?

MORE Wie is het?

KINGSTON Simon Grynæus.

MORE Dat ’s een naam die vaart

gelijk een frissche windstroom door de dompe

en muffe lucht. Laat hij gauw komen.

KINGSTON (tot den bewaker.)  Roep

mijnheer Grynæus hier....

GRYNÆUS Mijn oude Morus,

hoe dikwijls trachtte ik tot u door te dringen....

ze lieten mij nooit toe....

MORE Het doet mij goed

de warme tintelingen van uw oogen

weer over mij te zien.... Kom, zet u hier.

Zie niet zoo droef. Wel was ’t een luchtiger

verblijf, ons paviljoen te Chelsea, waar

wij samen te philosopheeren plachten,

terwijl zacht gerilte ons koelte toewoei....

maar de bloem der philosophie bloeit ook

tusschen de spleten van deze gewelven:

ruikt gij haar geuren niet?

GRYNÆUS Ik kan niet schertsen

heer Thomas: vergeef mij mijn beklemd hart.

’k Zie u, en vraag mij af: is hij het werk’lijk?

—dat sneeuwen haar, die vervallen gestalte,

dat vaal gelaat.... o wee.... heeft zoo de kerker

gevreten aan uw kracht?

MORE Mijn zoon, de kerker

kust met een adem die van ’t lijf de kloekheid

breekt als de rijp een bloem.... zoo onverlet de

geest blijft, is ’t onheil klein.... Mijn kinderen berichtten

mij over u, over uw trouwe steun

in hun verlatenheid: ik dacht niet anders

van u.... En hoe slaagde uw arbeid? hebt ge

dat manuscript ontward?

GRYNÆUS O Morus, spreek

niet van mijn arbeid: nietig schijnt mij, haatbaar

dat delven in de mijnen van ’t verleden

naar edelsteenen, terwijl in ’t vandaag

het licht van een steen dreigt gedoofd te worden

wiens flonkeringen ons verrukte’, en al

om niet, neen, erger dan om niet.... Ik bid u,

laat mij uitspreken wat al sedert maanden

schrijnt door mij, telkens wanneer mijn gedachten

beroerden uw geliefde beeld. Niet ik

alleen, al uw vrienden, de mannen wier

wille’ in één harmonie met uw wil samen

klonken, door alle levensjaren heen,

zij zijn bedrukt, niet omdat ge gaat sterven

maar om de zaak waarvoor. Het is hun zaak,

’t is d’ uwe niet. Ge moogt niet door de tijden

rijzen, een mart’laar van het roomsch geloof;

gij kunt niet willen dekken met uw dood

’t verderf, dat dadig uw leven bestreed.

Erasmus bidt u door mijn mond, nog and’ren:

laat het daartoe niet komen, ga op zij,

buig voor den koning. Zijn wil is niet louter,

’k weet het, welt uit geen zuivre gronde’ omhoog,

maar Rome’s verzet tegen dien wil stroomt uit

een lichaam, stinkend van verderf.... O keten

u daaraan niet voor alle tijden vast,

door d’ eenge daad, die men nooit kan herroepen,

nooit uitwisschen.... verwar den klaren zin

van uw leven niet door verbijsterenden

troebelen dood....

MORE Zoon, troebel en verbijsterend

zal mijn dood enkel zijn voor wie verwart

d’ uiterlijke verschijning met het wezen.

De dingen der wereld staan niet gelijk

gij meent, tot ijz’ren onverzoenlijkheden

verstard, tegenover elkaar. ’t Wanneer

en waar, vult de hoekige, harde leuzen

met warme stoflijkheid: elk oogenblik

vervluchtigt zich en wordt opnieuw geboren

die levenswarme kern.

„Tegen den koning” beduidt thans en hier

niet vòòr plundring en verdomming door Rome

maar verzet tegen.... een andere macht,

een erger dreiging voor het heil der menschen.

In dat verzet te vallen is geen logen,

tast d’ essence van mijn leven niet aan.

GRYNÆUS O ’k weet het wel, ik weet het wel dat gij

rein zijt van hart, dat uw wil naar het goede

zich richt, van zelf, als een bloem naar de zon.

Wij weten ’t, maar niet alle weten ’t; Rome

zal uw dood munten tot het losgeld om

haar eigen verdoeming mee af te koopen;

uw martlaarshoofd, zoodra de beul ’t laat vallen,

oprape’ en dragen triomfantelijk

voor zich uit, dat van die gebroken oogen

de magische blik vele vrome zielen

weer bindt aan haar....

MORE Dat moet ik dulden, zoon.

In ’t groote woelen van onze aardsche wat’ren

vloeien recht en onrecht nu alle dagen

dooreen. Er zijn geen vlekkelooze zaken

om voor te leven en te sterve’: er zijn

zuiv’re harten, die ook in zaak, bevlekt

door mensch’lijke onvolkomenheid, omhelzen

hun hoogste levensdroom. Mijn vijanden

zullen zeker saamwerpen mijn verzet

tegen den koning, met alle ongerechtig-

heden, Rome verkankerend; u brengt

de opstand tegen Rome saam, in d’ oogen

van wie niet goed onderscheiden door haat,

met de tuchtlooze wreede boerenbenden

die trokken roovend moordend Duitschland door.

Zoo kan elk van ons in verbond verschijnen

met wat hem meest mishaagt. Het mag ons niet weerhouden

te doen wat ons geweten wil.

GRYNÆUS Maar ook uw vrienden

misprijzen uw besluit. Ziet ge die blaam

van wie zoo warm u loofde’ en graag u volgden

altijd, niet vóór u, een waarschuwend teeken

dat ge nu dwaalt?

MORE De blaam der lieve vrienden

bedrukt m’ en breidt om mij een kille nevel

waardoor ik moeilijk aadmend verder ga:

Maar hij weerhoudt mij niet.

GRYNÆUS Kan niets weerhoude’ u?

MORE Niets. Al de wat’ren van mijn wezen vloeiden

naar dit punt samen, om van hier den sprong

te nemen naar de rustiger gewesten

waar nieuw hun loop begint. Een langen tijd

groeie’ onze dade’ in ons om rijp te worden;

rijp zijnd, vallen zij af. Zij rijzen uit

de verborgene wortels van ons wezen,

en worden door der wereld zon en regen

gevoed. Om ze anders te maken zou

’t zelf anders moeten zijn en al het andere.

GRYNÆUS Vaarwel dan Morus. O wee, dat de worm

van dit verdriet nu voortaan altijd knagen

zal aan ’t beeld dat ik oprichtte in mijn hart;

hem die ik levend boven allen eerde

kon ik niet eeren in zijn dood.... Dat God u make

het sterven licht....

MORE En u het leven zoet.

Bedroef u niet, omdat mijn levenswil

verwrongen zal verschijnen aan de menschen:

wij lijden nog, ook waar wij doen.—

Ik bid u, laat Erasmus weten dat

ik meende een andere te moeten schijnen

om dezelfde te zijn. Vaarwel. (Grynæus af.) Hoe zwaar

is ’t vrienden te bedroeven!—Voor het eerst

gaat hij van mij weg onvoldaan, en armer

aan vreugde dan hij kwam.... ’k zag in zijn oogen

neerstrijken op de velden van zijn hart

de zwartgevlerkte vogel die daar lang

zal broeden: doffe smart van niet te kunnen

begrijpen de daden van wie wij minnen,

omdat ze zijn één wezen, een ander wij.

„Hij was een goed man, maar hij stierf voor Rome,

zijn dood maakte op zijn leve’ een smet”—zoo zal

Grynæus mij gedenken, hij zelf zei ’t,

en de gedachte voelen als een stekel

prieme’ in zijn vleesch....

 Ja zoo denken de menschen:

hun denken kruipt behoedzaam langs de banen

van het leven en houdt diens vaart niet bij.

Het bindt de dingen samen tot een vlot

en daarop zet hun traagheid zich, tevreden

voortdroomend, onbekommerd of de stroom

des levens ongestuim de lichte balken

weer uit elkander sloeg.—Of ’t zoo moet zijn?

Of mijn denkingswijs in de vuist der velen

breken zou en hen laten, gelijk blinden

rondtastend zonder staf? Behoeven zij

starre gedachte-banden om daarin

de veelheid der verschijnselen te persen,

en de verand’ring vast te leggen, zóó

zichzelf beschermend van door over-veelheid

verbijsterd te worden? Wie zal ’t mij zeggen?

Wie is er die het weet?

(Southwell, Palmer en Rich komen binnen.)

SOUTHWELL Mijnheer, wil onze komst vergeven: zij is

niet onze keus. ’t Hooggerechtshof belastte

ons met een werk waarvan wij hopen dat

gij ’t zult toerekenen die daartoe gaven ’t

bevel, niet ons.

MORE Mijnheer de procureur,

wat wilt ge van mij?

SOUTHWELL Wij kregen de last

uw vertrek te doorzoeke’ en mee te nemen

al wat wij vinde’ aan boeken en geschriften,

om ze over te leggen aan het hof.

Vergunt ge dat ik d’ onwelkome taak

seffens volvoer’?

MORE Ik heb niets te vergunnen

mijnheer. Men heeft mij niet gevraagd, toen men

mij pennen en papier ontnam, men zou

niet luisteren, zoo ik mij nu bezwaarde.

Voert gij uw opdracht uit.

SOUTHWELL Komt heeren, aan

het werk.

(Palmer en Rich zoeken in het vertrek en pakken de boeken en geschriften bijeen die Southwell doorbladert; na eenigen tijd, terwijl Palmer nog zoekt, wendt Rich zich tot More die rustig is blijven zitten.)

RICH Heer Thomas, ge zijt wijs

en in de wetten van den staat geleerd,

vergun daarom, dat ik u voorleg eene

vraag die mij zeer vervult. Zoo ’t parlement

tot koning van Engeland mij verklaarde,

zoudt gij mij dan erkennen als koning?

MORE Ja Mijnheer ’k zou u erkennen als koning.

RICH Maar stel nu ’t geval, dat het parlement

een wet maakte die mij tot paus verklaarde,

zoudt gij mij dan als paus erkennen?

MORE Of

stel dit ander geval eens, mijnheer Rich,

dat het parlement door een wet verklaarde

God niet meer God te zijn, zoudt ge u achten

gebonden door zoo’n wet?

RICH Neen toch mijnheer:

geen parlement heeft in geest’lijke zaken

te binden macht.

MORE ’t Is als gij zegt, mijnheer.

(Southwell die aan ’t einde scherp heeft toegeluisterd maakt een beweging van teleurstelling; dan wendt hij zich tot Palmer en Rich en beduidt hun dat zij kunnen vertrekken).

SOUTHWELL Wij hebben onzen last volvoerd, mijnheer,

maar vergun mij, eer ik ga, nog een woord

met u te spreken.... Ge zult weldra moeten

verschijnen voor het hof.

MORE Ik weet het.

SOUTHWELL Weet

ge ook, waarom ’t een vol jaar duurde, eer ge

werd voorgeroepen?

MORE ’k Meen het te begrijpen,

maar weet het niet.

SOUTHWELL De koning wilde u

redden, tegen u zelven u beschermen:

achter het fronsen van zijn ongenade

leeft in zijn hart nog de lach van zijn gunst.

Hij hoopte, dat g’ in eenzaamheid hervinden

u zelf zoudt, tot u inkeeren.... Zijn oor

boog gretig naar het eerst gemurmel over

dat zou stijge’ uit de lang bevroren wellen

van uwe trouw.... nog buigt hij luistrend over....

Maar ’t is nu gauw te laat.... Ge zwijgt, heer Thomas?

MORE Spreken valt te zwaar.

Ik zou den koning en mij zelven gaarne

besparen wat nu komt, maar mijn geweten

verbiedt mij te doen gelijk hij verlangt.

Is u dat nieuw?

SOUTHWELL De koning laat u weten

dat hij, wanneer het oordeel is gevallen

niets meer vermag, om....

MORE De koning kan weten

dat ik het oordeel, wanneer recht en wet nog

gelde’ in zijn rijk, met gerustheid verwacht.

(Southwell maakt opnieuw een beweging van teleurstelling en loopt eenige malen het vertrek op en neer, dan wendt hij zich op nieuw tot More.)

SOUTHWELL Ik kan zulk een halstarrigheid niet vatten,

in een vroom christen, mijnheer More, als gij:

ge staat alleen met uwe weig’ring tegen

alle bisschoppen; gij, een leek,

werpt door dit weig’re’ een blaam op hun gedrag

in geestelijke dingen; matigt u

een oordeel aan over hen wien ge zijt

gehoorzaamheid in zaken des geloofs

verschuldigd.... ik begrijp u niet....

MORE Mijnheer,

daden te oordeelen was eens mijn ambt,

het is ’t niet meer; in de harten te lezen

komt mij, een feilbaar mensch, niet toe. Ik volg

den weg, dien ’k voor den goede houd, de eeden

weig’rend, en neem aan dat de bisschoppen

ze zwerend, gaan den weg die hun geweten

hun zegt te gaan....

SOUTHWELL Weet ge wel dat uwe liefste

vrienden uw koppigheid betreuren? Zij

achten ’t onwaardig een verlichten geest,

zich zoo te klampen aan een vorm, als gij doet

in deze zaak....

MORE Mijn vrienden hebben mooglijk

mijne redenen om te weig’ren niet,

noch ik de hunne, om voor den eisch des konings

te buigen ’t hoofd.... Er zijn tijden, mijnheer,

waarin wie dachten in de levenszee

bijeen te blijven, door machtige winden

worden verstrooid en elk voor zich moet zoeken

veilige reede. Dit is zulk een tijd....

SOUTHWELL Wat waant ge toch weigerend te bereiken?

MORE En zoo alleen de vrede van ’t gemoed,

lijkt u dat zoo gering een ding, dat ik

daarvoor het restje van mijn aardsche dagen

niet ruilen zou?

SOUTHWELL Ik ben verbaasd te hooren

dat wie zoo teeder aan de zijnen hing

als gij, dien vrede proeven kan, terwijl

uw kind’ren zich om u van angst verteeren.

Zeg mij, Morus, verstoort nimmer uw vrede

gedachte aan hun onvree? Dan moet zij

zich, naar mij dunkt, hebben gehuld in dikke

mantel van zelf-genoegzaamheid....

MORE Mijn kind’ren

kunnen niet willen dat ik mijn geweten

geweld aandoe voor hen....

SOUTHWELL Uw kinderen

billijken niet uw redeloos vasthouden

aan ’t onzalig besluit. Zij kozen niet

uw zijde.... niet één hunner koos uw zijde....

uw lievlingsdochter zelve, d’ edelste

loot van uw stam, schaart zich tegen haar vader:

zij deed den eed.

MORE Ik ried haar die te doen.

Wat één betaamt, is niet voor allen goed:

zij, jonge vrouw en moeder, kon ’t niet dragen

van man en kleinen gescheiden te zijn....

SOUTHWELL (na een stilte) Ik moet nu gaan, mijnheer. Ge moogt bedenken

dat wij weer zullen samenkomen waar

mijn ambt den toon van zachte overreding

en hartelijken aandrang mij verbiedt....

Nu ik verzekerd ben van uw verstoktheid,

zal het mij lichter vallen voor ’t gerecht

de volle lengte en breedte uit te meten

van uwe schuld.... Tot wederziens, mijnheer. (Southwell af.)

MORE De laatste poging....

Heden en hier werd mijn vonnis geveld....

de plompe Rich en de geslepen Southwell....

een vreemd verbond.... Hoe velen hebben zoo

hun krachten beproefd op de taaie vezels

van dit half-stukgereten hart.... De koning

schaamt zich, ’t grijze hoofd van zijn ouden dienaar

te doen neerrollen langs de trappen van

’t schavot.... wist ik voor hem en mij een uitweg....

maar ’t moet geschieden....

KINGSTON Morus, ik ben blij

de brenger te zijn van welkome tijding;

uw dochter Margreet kreeg verlof u te

bezoeken.... zij zal daadlijk hier zijn,.... zie,

daar is zij al....

(Margreet komt binnen en werpt zich in de armen van More.)

MORE Mijn trouwe kind!

MARGREET Mijn vader!

MORE Had ik geweten dat die vrucht voor mij

te rijpen hing aan den boom van vandaag,

hoe zouden mijn gedachten lang te voren

daaraan hebben gefeest!

MARGREET Het heugt mij niet

dat ik hier groeide....

MORE Een geur als van jong gras

omhing de laatste maal je haar en kleedje....

Dat was mijn zomer.... tot vandaag.... Nu ligt

zeker het versche hooi al op de weide

gespreid voor ’t huis nietwaar? Lief hart, hoe leven

de onzen?—je gezicht is klein en strak....

MARGREET O laat mij zoo nog blijven zonder spreken....

Ik voel de zwaarte der beklemming wijken,

mijn angst wordt een onwezelijke droom.

Hier is het goed en vrede.... o kon ik blijven

hier bij u, vader.... Schuilen bij u.... Vader,

ik ben uw eigen kind niet meer.... ik kon

mijn woord niet houden, de onzen te steunen,

ik had geen kracht meer, ik tast zelf naar steun....

MORE Geen stam zoo welgeworteld, of een wind leeft

die hem omwerpen kan.... geen menschehart

zoo sterk, of een smart kan het overstelpen....

Maar de ontwortelde stam blijft geveld,

en dapper richten zich weer op de harten.

Verhaal, arm kind.

MARGREET Sedert mijn kleine liev’ling

gestorven is, die ons omschaduwd leven

licht maakte met zijn zilv’ren kinderlach,

heb ik mijn kloekheid niet teruggevonden.

Mijn goede William houdt, met liefdesterke

armen, zooveel hij kan, mij op de helling

tegen naar zwart gepeins; hij draagt geduldig

dat hij mij niet over u troosten kan.

Dance heeft door angst en bezorgdheid verloren

de speelschheid die haar zoo gevallig maakte,

en sluipt een stille schim, door ’t stille huis.

.... Mercy is krank.... De jongens gaan en keeren

bedrukt van uitzicht, want de ooren blijven

doof voor hen en de deuren dicht. Onze arme

moeder weeklaagt en jammert dag en nacht:

„Thomas, Thomas, wat doet g’ ons allen aan,

hartlooze man”—in ’t huis dat voorheen zoemde

van blij arbeidsgerucht en levensvreugd

hoort men nu enkel haar snikkend geklaag

door de beklemming van de stilte scheuren....

MORE Twijfel te lijden,

lang dobb’ren op onzekerheid,

maakt harten altijd flauw. Een steun

komt nader, hij is ons al zeer nabij:

dat wat onherroepelijk is en blijvend.

Nog een weinig geduld, mijn kind....

MARGREET O vader,

zoo wij maar eenig waren, zoo maar allen

van ons als zeker zagen dat ge doet

wat goed is, al kunnen zij ’t niet doorgronden,

en om u heen vlochten een ring van trouw,

’t zou niet zoo vreeslijk zijn,—maar ’k sta alleen,

altijd alleen tegen hun klagend vragen

waarom ge toch ’t zoete leven wegstoot

van u: hun smeeken maakt mij zoo ellendig,

of ik u niet òmstemmen kan, die ’t dichtste

leefde aan uw hart, hun verholen verwijten

dat ik het nog niet deed....

MORE Mijn dierbaar kind,

’t is liefde die hen drijft: zij is niet ziende,

maar ook blinde liefde stemt zacht ons hart.

Geduld: misschien gaan hun oogen nog open.

O ’k weet het wel, het is voor jou het zwaarst....

Is er dan niemand van de oude vrienden

wiens vaste lichte hand de zwakke stengel

opbinden kan van hun slaphangend hart?

Is er niemand, Margreet?

MARGREET Ach vader, die

ons bleven trouw—en het zijn er maar wein’ge—

zuchten, en wenden ’t hoofd af als wij spreken

van u.... Zij willen onze smart niet met

het koude ijzer van hun blaam beroeren

maar zij begrijpen niet, wat u beweegt....

er is niemand meer, die u steunt....

MORE Mijn kind,

wees daarom niet verdrietig: niemands steun

kan mijn stam tegen den windvlaag beschermen

die mij omwerpen gaat. O waarom springt

je hart telkens zoo schichtig voor de waarheid

wier schaduw valt voor onzen voet, opzij?

Zie haar aan: zij is niet verschrikkelijk

zoodra je haar aanziet met vaste oogen.

Is de dood zulk een vreeslijk kwaad voor mij?

Ik ben sinds lang nog maar van hem gescheiden

door een dunne en ijle mist. Tweemaal

sedert ik hier kwam scheurde die: ik zag

zijn rustomkransd gelaat over het mijne

gebogen en voelde geen vrees.... wèl lichte

droefheid toen ’t weer verdween....

MARGREET O spreek niet zoo,

ik kan ’t niet hooren.... Vader, mijn hart is

sinds ge weg zijt, zoo dof en zwaar geworden....

ik kan niet verder leven met dat doffe

bezwaarde hart! O dat ge ’t nemen kondt

tusschen uw hande’ en met uw warme adem

weer daarin wekken d’ oude heerlijkheid

van hoogen drang en gloed. Die is nu dood.

Moed is in mij dood.... o ik bid u, help mij, vader,

geef mij een levenswoord, geef mij een woord

dat ik dag en nacht als een warme zachte

troost kan drukken tegen mijn borst, en voelen

dringen zijn kracht in mij....

MORE Zoo’n wonderwoord

groeit hier op aarde niet, dochter Margreet:

het hart wekt in de woorden warm getril

van leven, door zijn eigen levenswarmte;

is het zelf kil dan blijven z’ in hem slapen

als zaad in hard-bevroren aard.... Mijn kind,

niemand kan voor een ander wezen voeren

de worsteling tegen een smartgolf als

jou overmocht; dat moet hij zelf, zijn eigen

kracht moet hem weer oprichten.... Ik kan niets

dan zóó je handen streelend, zachtjes zeggen:

hef je hart op naar d’ oude helderheden,

zij stralen nog....

MARGREET Ik kan het niet.... ik kan

niets voelen als die doffe zwaarte, en scheurt die

de scheuten van een vreeselijke pijn....

vader.... heb medelijden met ons.... Laat

ons niet zoo achter.... morgen is de dag....

Laat ons niet zoo verloren achter, vader....

ik smeek u, doe den eed....

MORE (na een stilte)  Ook jij, Margreet....

nu breekt de laatste staf waarop ik leunde

doormidden.... waarom heb je dat gedaan....

MARGREET Vader....

KINGSTON (binnenkomend) Vrouwe Margreet, de tijd is om.

Ik liet u blijven tot het allerlaatst,

maar de poorten moeten gesloten worden:

ik bid u, maak een kort vaarwel.

MARGREET O vader,

moeten wij dan zóó scheiden....

MORE Mijn arm kind,

het moet, en langer waar alleen verlenging

van onze pijn. Kus moeder goedendag,

groet maag en vriend van mij, zeg hun te dragen

een moedig hart, en te roeme’ in de waarheid:

dat is het heil. Dank die mij diende’ in trouw,

en de geburen, wier hulpvaardigheid

mijn hart dikwijls verheugde: geef hun allen

minlijke groet.... Treur niet te zeer, mijn kind:

wij zullen elkaar weerzien waar vreugd bloesemt

uit alle droefheid, alle aardsche zwakheid

gelouterd wordt tot kracht.

MARGREET Vergiffenis....

MORE Mijn lieve hart, er valt niets te vergeven:

het moest zoo zijn.

(Margreet met Kingston af. More na lang zwijgen.)

 Kom nu, mijn laatste vriend,

kom dood en maak dit kranke hart gezond....

Ik kan niet meer.—

Mijn vrienden zoeken mij te wringen in

het enge keurs van hun partijd’ge meening;

zij wenden zich in wrevel van mij af

omdat hun wil niet mijn kompas kan wezen.

Voor de mijnen ben ik een steen geworden

waaraan hun voet zich stoot.... Mijn liefste kind

hoort als een vreemd en onverstaan rumoeren

het kloppen aan van mijn hart.... Eenzaamheid,

ik zag u lang genaken, eenzaamheid,

en voor u sidderde mijn hart terug

dat maar gedijt, wanneer het houdt één maat

met and’re harten.... sidderde terug

als het u hoorde spoken door mijn hoofd,

en kon u toch niet, kon u toch niet vliên....

ge zijt gekome’: onder uw looden hand

krimpen mijn schouders en huivert mijn hart.

O dat een vrouw nu komen mocht tot mij,

die sinds lang van mijn gemoed alle paden

kende en trad tot de gronden van mijn hart....

’t zou zoet zijn in haar oog te lezen dat

ik deed gelijk haar vertrouwen verwachtte,

haar warm begrijpen als een luwe wind

te voelen zacht mijn wang omspelen, drogend

op mijn gelaat de klamheid van den dood....

Else en ik hebben in verscheiden sfeeren

altijd gewoond.... een menscheleven lang

weet ik het, heb het zonder wrok gedragen....

arme ziel! waarom drukke’ uw enge grenzen

vandaag zoo zwaar?.... Mijn hart had één vertrouwde:

als ik mij tot haar wat’ren overboog

vond ik mijn wil verzacht, verinnigd weder

in ’t lout’re willen van mijn liefste kind....

Nu zendt de ziel van mijn Margreet omhoog

een ander beeld.... ik kan niet meer, mij spieg’lend

in haar klaarten, denken: ’t is wel met mij....

Zij en Erasmus stonden mij het naast

van alle wezens.... Nu denkt hij aan mij als

aan een afvallige; de tijding van

mijn sterven zal den stervende vervullen

met bitterheid.... ’t Is droef te weten dat

wij tweegespan die zoo lang najaagden

eenzelfde waarheid, den dood in gaan dragend

tot elkander een wrevelig hart....

Mijn leven schijnt een zinnelooze leegte

en ik kan niets denken als droefenis.

O diepe zeeën, wijd-zwellende landen,

begroeide ruigten tusschen ons, niet gij

hebt mij van mijn oude genoot gescheiden,

niet gij doet mij hem voelen ver en vreemd.

IJzeren grendels en dikke gewelven

van ongehouwen steen, en tralies die

onwrikbaar donkert tusschen mij en vrijheid—

ik ben ellendig, maar niet door uw macht.

Smaadlijke dood, die dreigend vóór mij staat,

bijl dien ik zweven zie boven mijn hoofd,

het is de vrees voor u niet, die mij martelt,

maar dat ik eenzaam sterf.

 O welk een vloed,

welk een zaligheid van zongouden licht,

zou stroomen langs de vaalheid dezer wanden,

zoo ik maar wist, dat ergens in de wereld

andere harten neigden met mijn hart;

neigden in één wil, ééne hoop, één blijheid....

Oude honger, hunkering ongestild

naar een broederschap, die ik nauw kan denken,

waar ik geen naam voor weet, doorwoelt ge tot het einde

dit dwaze hart?

 Ge wordt nu haast gestild;

ziedaar: de gemeenschap der heiligen

gaat voor u open.... zijt ge nòg niet blij?

neen nog niet gansch: de gemeenschap der menschen

die haar wortel en stam is, stoot u uit.

Welk een vreemd lot is mijn lot! Tot de menschen

voelde ik mij vroeg getrokken als een golf

getrokken voelt om tusschen andre golven

zich op te lossen in hun reidans. Maar

ik bleef altijd eenzaam onder hun scharen

in ’t allerdiepste, want ik vond er geen

die wilde met mijn wil, zag met mijn oogen,

die dacht als ik dacht dat de schande’ en smarten

niet kome’ uit God, maar uit de maatschappij,

en met mij wilde voorwaarts dringen naar

waar smart en schande overwonnen worden....

eenzame wil, eenzame golf, ga onder....

Er zijn er die zullen brande’ om mijn naam

de wierook van hun lof, en zullen stemp’len

met het merk hunner waarheid mijn gedachtenis....

Ach, zij hebben zich nooit gebogen over

de bronnen van mijn hart, nimmer hun ruischen

vermoed.... eenzame golf, eenzame wil....

Hoe droef-misvormd, Thomas More, zal uw beeld

voortleven in de spiegeling der tijden,

onkenbaar verwrongen door lof en blaam,

gelijk een onbegrepen melodie

tot zinnelooze verwardheid verkeerend

door plompe druk van ongevoel’ge hand.

Mij walgt daaraan te denken.... Eenzaam, eenzaam

ook in den dood....

Zoo ik maar wist dat eens

liefdevol-begrijpende gedachte

zou heenbuige’ over mijn herinnering,

ik zou zoo hongerig niet sterven....

 Ach,

kon ik een mensch uit d’ongeboren tijden

den sleutel reiken tot mijn binnenst hart!

Ja, had ik, gelijk dichters doen, mijn wezen

gebed tusschen bloesems van schoone droomen

waar het doorheen scheen, blinkend zacht voor wie

dieper doordringen dan de eerste blik,

en langer wijlen.... Maar dat kon ik niet....

Ik heb het diepste hunk’ren van mijn ziel

niet met der schoonheid zilverdraad doorweven

maar gestikt tot een bruin en nuchter web....

Tusschen de bladen der Utopia

daar leeft mijn wezen, als des dichters wezen

in zijn gedicht....

 En zal dan daarin niet

mij vinden wie mij zoekt? Zal hij ’t wanbeeld

niet afwerend, waartoe menschen mij maakten,

mij oproepen uit wat ik heb gewrocht?

O ja, dat zal hij.... eenmaal komt een tijd

dat wat nu schijnt een nest van speelsche droomen

voor vele’ als klare levenswaarheid staat,

waartoe hun voeten zich in maat bewegen

waarnaar hun armen zich strekke’ en hun hart....

O Kommunisme, als de wil tot u,

een stormwind, zwelt door de wouden der menschheid,

dan wordt mijn wil begrepen en bemind....

Verre vriend die mij toelacht door een mist;

ik kan uw aangezicht niet zien, de tijden

breiden hun nevel tusschen u en mij,

maar ’k voel uw hand vol mild begrijpen tasten

naar den klop van mijn hart.... ge vindt het, ge

buigt over mij zooals een ouder broeder

over zijn jonger broer; ge leest mij, onze harten

neigen te zaam.... O zoet geluk, ge komt,

zoete broederschap, ge komt eens voor mij....

De eenzaamheid, die mijn denken omhuifde

met looden kap, is weg, mijn bloed stroomt vrij.

Door de donkere schaduwhoeken zie ’k

de lichte, vriend’lijke gestalten zweven

van maag en vriend.... Zoete herinneringen

omzoemen mij, uit uren dat ik voelde

in liefde met de menschen zoetst-verzaamd.

O zacht-geoogde vriend dier verre tijden,

gij hebt den steen der eenzaamheid getild

van mijn gemoed.... Ja de gedachte aan u

zond God mij, dat niet met dat hongerknagen

in ’t hart, ’k zou scheiden van zijn lichte aarde.

Nu ben ik weer blij, dat ik heb geleefd....

Mijn ziel verkwikt een wonderzoete vrede,

die ik in lang niet had gevoeld....

KINGSTON Mijn oude

makker, het eind van uw gevangenschap

is eind’lijk—o zij ’t einde goed—gekomen;

ge moet morgen verschijnen voor het hof.

MORE Het eind wordt zeker goed, Kingston: ’k zie morgen

dagen met een gerust en vrolijk hart.

VIERDE BEDRIJF

De Theemskade bij Londenbrug. Nacht. Aan gindsche zijde van de brug aan den anderen oever, ziet men flauw de omtrekken der stadspoort.

William, Grynæus, later Kingston, Margreet en de nar.

WILLIAM Hier zijn wij waar wij moeten wezen: dit is

de afgesproken plek.

GRYNÆUS Kingston is er

nog niet....

WILLIAM Maar hij komt zeker: dat ’s er een

van het soort die hun woord gestand doen. Hij

en gij Simon, bevriende’ ons nog; al d’anderen

verstoven na dien slag.... De nacht is geurig....

GRYNÆUS Ja, door de zoelte hangt een geur van vlier....

WILLIAM Hoe genoot hij de zomerzoete geuren

van zulke nachten.... Ach Simon, ik kan

het niet gelooven....

GRYNÆUS En toch is het waar:

van ginds-af ziet, verschole’ in fulpen duister

zijn bloedeloos hoofd op ons neer....

WILLIAM Afgrijslijk....

o dat we enkel d’arme geknotte romp

begraven mogen, en moete’ overlaten

het edelste ten prooi....

GRYNÆUS Stil, ik hoor schreden.

Wie komt daar?

KINGSTON William Kingston. Zijt gij het,

mijnheer Grynæus? Is niet William Roper

met u?

WILLIAM Hier ben ik Kingston. Dank dat gij

gekomen zijt.... wij hunkeren te hooren....

En toch.... mijn hart huivert.... O Kingston,

hoe ging hij op?

KINGSTON Blijde als een kind, dat huiswaarts

naar moeder keert, en even gerust.

Maar o vrienden, de schande.... o de schande....

Hoe kan één van ons die daarbij was, nog

het licht verdrage’.... Een getuig’nis, gevlochten

uit dikke en drieste leugens hebben zij

gedraaid tot den strik, om mee te verworgen

den nek, die het nobelste hart van England

bond aan het beste brein.... Hoordet g’ op welke

gronden het vonnis werd geveld?

WILLIAM Alleen

geruchten. Men zegt, een gekocht getuige

zwoer, dat hij vader had gehoord betwisten,

en honen ’s konings kerkelijk opperrecht.

Is dat waar, Kingston?

KINGSTON Ja, Judas’ geslacht

is nog niet uitgestorven.... ik wil trachten

geregeld te verhalen, maar de woorden

stokken mij in de keel.

WILLIAM Zeg eerst of vader

’t band zijner zwijgzaamheid verbroken heeft.

Opende hij hun, waarom zijn geweten

te zweren hem verbood?

KINGSTON Ja William, en

de reden was als wij konden verwachten

van een man gelijk hij.... Kon ik in woorden

uitdrukken welk gevoel alle, ook de rechters

deed opstaan toen hij binnen werd gebracht!

Het was geen deernis met zijn lijdend wezen,

zijn gebogen gestalte, moeizaam gaande

geleund op eenen stok.... het was ontzag

voor een milde majesteit, uitgerezen

boven het leed.... Toen mijnheer Audley alvoor

d’ aanklacht te lezen Morus heuschelijk

begroette, en bood voor ’t laatst in naam des konings

vergiffenis, hoopte ik even dat hij

had toegestemd te zweeren, en ’t zoo tusschen

hen was gekomen overeen. Maar rustig

klonk reeds zijn antwoord door de zaal:

„Mijnheeren rechters,

ik ben den koning zeer erkentelijk,

maar bid tot God, dat hij in zijn genade

mij helpe in mijn gezindheid te volharden

tot dit flakkerlicht wordt gebluscht.”

 Toen wist ik

dat hij zijn leve’ in handen van de rechters

legde, en niets hem redden kon, dan mooglijk

hun manhafte moed.... ik oude dwaas hoopte

daarop....

GRYNÆUS Ge wist toch dat de koningin

zijn ondergang gezworen had.... haar willen

reikt ver.

KINGSTON De rechters zetten zich, en mijnheer Southwell

las d’ aanklacht voor.... Gij kent de punten?

WILLIAM Ja.

KINGSTON Toen hij gedaan had, kreeg uw vader ’t woord

tot zijn verdeed’ging, zittend, want hij had een

zetel verzocht, zeggend zich te gevoelen

te zwak om lang te staan.... Langs d’ eerste punten

gleed hij met korte woorden heen; gekomen

tot de hoofdzaak,

zei hij nadrukkelijk, nimmer te hebben

gezocht, één mensch met woorden te bewerken

den eed te weigeren, noch één ontsloten

de gronden van zijn weig’ring. God kwam het toe

en God alleen, de gedachten te richten,

geen aardsche rechters mochten ’t doen. Daarom

bestreed hij, dat hij door te zwijgen zich

verraderlijk tegen zijn koning keerde,

en zou het bestrijden zijn leven lang.

Hier zag hij rond; zijn stem was weeker toen hij

voortvoer: „Ik heb in deze eigen zaal

veel jaren recht gesproken, vele malen

in menschelijke zwakheid mij vergist.

Maar nooit—hier zocht de oogen van zijn rechters

zijn vrije blik—heb ik bewust gebogen

onrecht tot recht: dit maakt mij stout, een woord

tot u uit innerlijken drang te spreken.”

Hij rees op, zijn gestalte strekte zich,

zijn vaal, ingezonken gelaat bezielde

de blos van heilgen ijver; warmte trilde

door de diepere tonen van zijn stem,

toen hij riep „Rechters, ik bezweer u, rechters,

o buigt het recht niet krom.”

 Toen ging hij kalmer

weer voort, hun toonend hoe gemeenschap vergt

om vast te staan, zede en recht, als de steenen

de kalk behoeven, te vormen een bouw;

hoe zoo zij, van wie op aardsche rechters

was geen beroep, nu ’t recht krombogen, dit

zou zijn den bouw der maatschappij ontwrichten

zoodat geen mensch meer veilig wonen kon.

Rustig en zacht besloot hij: „ge weet wel

dat ik mijn leven niet terug wil winnen

als in een kansspel uit uw hand. Ik heb

mijn anker reeds gelicht, en merk den stroom

mij voeren naar de wijde wateren

der eeuwigheid. Maar gij blijft en het volk

van Eng’land blijft: voor u zelf pleit ik, en voor

dat volk. Moog God van uw hoofden afwenden

dit erge doen.” Toen zonk hij in zijn zetel

terug, en sloot d’ oogen....

GRYNÆUS Leken de rechters

ontroerd?

KINGSTON Een mompelen ging tusschen hen

en ik ving enk’le woorden op die deden

opscheemren voor mijn hart een zweem van hoop.

„Wij kunnen niet”.... „er is geen grond”.... „het schuldig

sterft op de tong”.... maar mijnheer Southwell trad

naar voren, en ik zag op zijn gluipgezicht

een lachje van boosaardig triomfeeren

en voelde mij verstijven, want ik kende

hem voor een nijdaard, Morus slecht gezind.

Met effen stem vroeg hij het hof verlof

hun alsnog voor te stellen een getuige

die zelf gehoord had ’t schennend woord ontvallen

aan Morus’ lip. Ik geef mijn hoofd, Grynæus

zoo die getuigenis niet was te voren

bekonkeld tusschen hen....

GRYNÆUS ’t Is zeer waarschijnlijk,

maar ik bid u, ga voort....

KINGSTON De getuige

werd vóórgebracht, een zek’re Rich. Hij zwoer

waarheid te zeggen, en dischte op den rechters

dit dwaas verhaal. Hoe hij onlangs in opdracht

tot Morus ging, met Southwell en een klerk,

zijn kerker te doorzoeken naar geschriften;

en terwijl d’ anderen zochten, vroeg hij

More tot een vraag verlof, te weten:

zoo ’t parlement hem, Rich, tot koning maakte,

of More hem dan erkennen zou. En Morus

zeide van ja. Toen vroeg Rich verder, of

zoo het parlement hem tot paus verklaarde

More hem als paus erkennen zou. Maar Morus

antwoordde, vragend op zijn beurt, of zoo

het parlement God niet meer God verklaarde

te zijn, hij Rich, zich reek’nen zou gebonden

aan zoo’n besluit. En Rich „wel zeker niet,

geen parlement had macht dat te bepalen.”

Waarop More „evenmin, een wereldsch vorst te maken

tot hoofd der christenheid.”

GRYNÆUS En deze plompe leugen

nam het hof aan als een bewijs van schuld!....

Niet te gelooven.... Wat antwoordde Morus?

KINGSTON Hij bracht den rechters in herinnering

hoe hij alree verklaard had, en ’t bezworen,

nooit te hebben aan eenig mensch ontsloten

in deze zaak, de gronden van zijn hart,

en bad hen te bedenken, dat zoo hij

een man was, die met eeden speelde als waren ’t

ballen, hij niet vóór hen zou staan, maar zeet’len

tusschen hen in „Immers slechts een eed scheidt mij

als u bekend is, van mijn ouden staat.”

Ik zag bij ’t woord sommigen van de rechters

de oogen neerslaan, als beschaamd.

Toen, zich wendend naar waar Rich stond, sprak hij

verder, niet in toorn, maar gestreng van wezen:

„Ik heb eeden altijd gehouden heilig,

en daarom mijnheer Rich, bedroeft mij meer

uw meineed nu, dan mijn bedreigde leven.

Ik ken u sinds de dagen van uw jeugd,

—wij woonden immers in hetzelfde kerspel—

als een lichtzinnig mensch, een erge speler,

en nimmer hield ik u voor eenen man

dien ik, of dien een ander zou verkiezen

tot zijn vertrouweling.”

WILLIAM Antwoordde Rich?

KINGSTON O neen, met een uitdagend lachje hoorde

hij ’t streng-klinkend woord van uw vader aan,

en haalde, toen die zweeg, de schouders op

als vond hij zich te goed hem te weerspreken.

WILLIAM Verdorven hart, is in u alle schaamte

dan dood?

KINGSTON Schaamte? ’k wed, hij zal morgen pralen

met zijn meineed als zijn verdienste.... Mompelt

men niet, dat hij eerstdaags geadeld wordt...

Maar gij verlangt verder te hooren.... Als

merkte hij niet het ergelijk gebaar

van den ellend’ling, wendde tot de rechters

Morus zich weer, met vaste klare stem

vragend, of dit hun toescheen geloofwaardig,

dat hij, een oud man, in de school des levens

geoefend in lange geslotenheid,

zou hebben geopend ’t geheime boek

van zijn geweten, dat hij niemand toonde

—ook niet den trouwste’ en meest vertrouwden vriend—

aan een nietswaardig mensch, dobb’laar en drinker,

dien hij laag achtte en waartoe niets hem dreef.

Hij bracht hun in herinnering, hoe de koning

had uitgezonden tot hem, in zijn kerker,

veelmalen, mannen van beproefd verstand,

opdat hun schranderheid hem zou ontlokken

zijn welbewaard geheim—maar steeds vergeefs.

„Houdt ge het dan voor mogelijk,” besloot hij,

„dat waar zoovele goede schutters waren

afgedeinsd, en hadde’ alle ’t doel gemist,

zoo plomp een hand zou zijn bij d’ eerste poging

geslaagd?”—O vrienden ik had het wel willen

uitschreeuwen, willen roepen tot de rechters:

zie waarheid op dit voorhoofd zeet’len, hoor

haar klank die hartgrondige stem doorgulden;

en zie dan daarheen, naar dat driest gezicht,

waar alle lage drifte’ op achterlieten

hun slijm’rig spoor.... Kunt ge in trouwe ’t een

getuigenis tegen het ander wegen?

Maar ach, ik zweeg....

WILLIAM Wat had het ook gegeven!....

Sprak een der rechters nog aan de getuig’nis

van Rich zijn twijfel uit?

KINGSTON Geen. Mijnheer Audley

rees, zeggend dat nu uw vader de faam

van den getuige aantastte, hij moest vragen

Southwell, of die iets had gehoord....

WILLIAM Maar Southwell

had gewis niets gehoord....

KINGSTON Southwell bezwoer

zijn aandacht was hij zoo bij zijn taak geweest,

dat niets tot hem drong van hun beider spreken.

Maar snel rees Morus op, en weder klonken

zijn strenge woorden door de dompe zaal:

„Southwell, waarom bevlekt gij uw geweten

met valsch te zweren?”; en hij verhaalde hoe

hij den leugenaar had gemerkt, begeerig

happend naar ’t woord, dat hem More zou verderven,

gespannen luistren, en toen ’t uitbleef, den

schurk had gezien met een gebaar van wrevel

zich afwenden, of hij ’t niet kroppen kon.

WILLIAM Zei Southwell iets?

KINGSTON Hij veinsde niet te hooren,

verdiept in zijn papieren, maar ik zag

zijn gezicht vertrekken en zich verharden

tot een masker van haat.... Het was de beurt

nu aan zijn slangenrede.... ik bid u, laat

mij u bespare’ en besparen mijzelven

dat glinst’rend web van boosaardige leugens

weer uit te spreiden.... ’t walgt me....

WILLIAM Enkel dit:

waagde hij het, zich te beroepen op

de Judas-getuig’nis van dien meineedge?

KINGSTON Hij waagde het. Schaamteloos was de wijze

waarop hij uw vader hoonde, met woorden

groen van venijn. Zie die spotter, sprak hij,

staande bij hen die Rome felst bestookten

weleer vooraan.... maar nu zijn koning, die

twintig jaar lang met de room zijner gunsten

hem heeft gevoed, zijn hulp behoeft, zie, nu

verschuilt hij achter Rome en haar geboden

zijn verraderlijk hart....

WILLIAM Ellendeling!

GRYNÆUS Ik vreesde dit.... Antwoordde Morus nog

op deze rede?

KINGSTON Hij verklaarde

dat hij eerst na het oordeel spreken zou.

De rechters trokken zich terug tot hunne

beraadslaging.... een doffe zwaarte lag

over de broeiing van den heeten noen

waar vliegen droomerig doorgonsden.... soms

hoorde men even een gedempt gefluister

als was er tusschen ons een doode.... More

had het gelaat in de handen verborgen

en peinsde of bad.... Ik weet niet of het lang was

dat wij wachtten.... de tijd bestond niet meer,

niets bestond als een doffe

knaging van onrust en benauwenis.

Eindelijk hoorden wij schreden, de rechters

keerden door de holle gangen terug.

Stappen naderden, deuren sprongen open,

en ’k las op de schuldbewuste gezichten

hun eigen schande. Audley stelde de vraag,

en zesmaal spitsten zich de droge lippen

tot het gruwelijk onverzoenbaar woord

dat toonloos zonk in de beklemde stilte:

„schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—

schuldig.”—Zes malen kromp mijn hart ineen.

Ik zag naar uwen vader, waar hij zat:

een licht van troosting, vrede en klaarheid straalde

van dat ontspannen rustig-mild gelaat.

Toen kwam het vonnis, en wij huiverden

bij de klank van die vreeselijke woorden:

„zal met gloeiende tangen eerst genepen

dan ’t hart hem worden uitgerukt,” maar toen

volgde dat de koning in zijn genade

het tot onthoofding had verzacht;—hoe licht

getroost is toch de mensch in zijn ellende:

wij voelden iets verruimd.

WILLIAM En vader?

KINGSTON Hij

rees op, en met zachte heldere stem,

als waren wij allen bijeen in vrede,

begon hij te spreken, zeggend alleen

zoolang met zwijgzaamheid te hebbe’ omsloten

zijn lip, uit vrees dat vervolging hem vinden

mocht zwak, en klein van hart,

want hij voelde ’t in zich niet onvervaard

gelijk de martelaren die getuigend

uitlokken lijde’ en gaan ten jubeldood,

en ’t scheen hem hoogmoed toe door eigen doen

op zich te laden, wat hij tot het einde

misschien niet standvastig zou dragen....

WILLIAM O vader,

dat ’s uw ootmoed’ge zin.... Ach, Kingston, wij

vielen hem hard, omdat hij zijn vertrouwen

weghield voor ons....

KINGSTON Na die bekentenis

verklaarde hij met mannelijke woorden

waarom hij niet kon zweeren, sprekend uit

wat nu in Engeland alle rechtschapen

harten denken, maar niemand zegt:

hoe koning Hendrik de hervorming niet

tot stand wil brengen om de kerk te rein’gen,

maar uit belustheid op het goed der kerk,

en hoe de geestelijken die hem steunen

als hem beweegt begeerlijkheid—of vrees.

Hier zweeg hij even, over zijn gezicht

trok donk’re schaduw toen hij voortvoer: „nu

zullen de kloosters worden opgeheven,

der armen wett’lijk erfdeel, hun geschonken

tot de verlichting van hun lange nood,

wordt hun ontgrist door gewelddaad’ge handen;

de borsten waaraan ’t arme volk zich laafde

verdrogen: hoor ze krijten van den dorst.”

Weer zweeg hij; zijn wezen versomberde

een nieuwe vlaag van aanstormende smart:

hij sidderde, zijn wijd-gesperde oogen

schenen achter de hoofden van de rechters

een ontzetting te zien; en haar bedreiging

beefde in ’t schrille stijgen van zijn stem:

„ik zie de duizenden, die veilig leefden

op ’t kloostergoed, worden door nieuwe heeren

verjaagd om plaats te maken voor de schapen;

ik zie ’t reed’looze vee vreten de menschen,

ik zie de troepen hongerige zwervers

dolen over ’t land;—ik zie de zweepen dalen

en weer opspringen in der beulen vuist,

en de galgen niet ophouden te dragen

hunner verschrikking vreemd-bengelende bloem”:

en, als den hemel nemend tot getuige

hief hij de armen hoog „dat heet hervorming,

o monsterlijke, monsterlijke leugen,

hemeltergend onrecht, zaad van langen haat”....

WILLIAM O vader, vader, liefde tot de armen

dreef u in den dood....

GRYNÆUS Ja dat was het,

en ik merkte het niet....

KINGSTON Toen hij ’t gemoed ontlast had

effende zich zijn weze’ opnieuw tot vrede;

een klare zilvervlam brandde zijn stem.

Hij wist wel, zei hij, dat één steen niet stuiten

kan losgebroken stroom: hem overstelpen

de wateren. En hij, die schier alleen

zich stelde in den weg van ’t vorstlijk willen

moest zoo worde’ overstelpt en ondergaan.

Maar dat men onrecht niet kon keeren was

nooit rede om niet tegen onrecht te strijden:

„niet alle strijders kunnen zegen oogsten,

maar alle kunne’, onrecht weerstaande, nader

brengen uw dag, gerechtigheid, op aard.”

Hij zei dit zacht, als beschaamd voor de and’ren

die niet hadden weerstaan.

Maar ik voelde wereldsche eere, praal

van weidsche daden en wapenenluister

verbleeke’ en zinken naast dit simpel woord,

zich stil ontvouwend als een zilv’rig bloeisel

hoog aan den stengel der recht-oppe daad.

WILLIAM Sprak hij nog meer?

KINGSTON Zijn rechters aanziend met

een glimlach die zoet als olijventwijg

boven de bitterheid van dat uur zweefde

zei hij hun mild vaarwel. Hij bad hen, hem

te willen gedenken in hun gebeden

niet als den man dien zij daar vonnisten,

maar als den makker, wiens beeld vóór hen rees

uit heugnis van veel zacht-gesleten uren

die mensch binden aan mensch. Eens zouden zij

en hij weer samenkomen waar de draden

van hun verwarde willen zeker gingen

zich effenen tot glanzend vreugde-web.

WILLIAM Niet meer?

KINGSTON Ja toch: hij liet den koning weten

dat Morus, met dankbaar hart oude dagen

gedenkend, zonder wrok ging in den dood.

Dat was het laatste.

WILLIAM Hij heet een verrader!

KINGSTON En toen gaf mijnheer Audley mij bevel

om More terug te voeren naar den Tower

te lijden daar den dood als ’t vonnis wou.

De rechters gingen heen....

WILLIAM Mijn arme Kingston,

moest gij dat zijn?

KINGSTON William, ik weet niet of

hemelsche boodschappers nog tot de menschen

dalen om hen te sterken met hun aêm.

Maar zoo ’t geschiedt stond zulk een hemelling

vast, door ons ongezien, achter uw vader

hem toewuivend op blanke wiek genâ.

Want toen ik tot hem trad, en droefheid mij

zoo overmande, dat ik luid uitsnikte

of dit zou zijn de laatste dienst dien ik

ging aandoen den beminden man, de laatste

bloem die veeljaarge plant van vriendschap dreef,

sloeg hij zijn arm vertroostend om mijn hals,

en lachte mij mild-bemoedigend toe.

„Kingston,” zei hij „wees welgemoed man, laat

uw hart zich niet bezwaren om uw last;

mij behaagt wèl dat gij me zult geleiden,

oude vriend, naar de poort der eeuwigheid.

Ik ga, zegenend onze goede aarde,

maar blijde dat het is mijn tijd te gaan,

want ik heb uitgestaan veel moeienissen”.

Toen omhelsde hij mij, en wie ons beide

daar zag, die had gezworen hem den trooster,

en mij, afwachtend smadelijken dood!

WILLIAM Wij zijn ’t die troost behoeven, niet meer hij....

KINGSTON Ach, een afscheid is hem nog zwaar gevallen....

Vrouwe Margreet verhaalde u wis, hoe zij

opwachte zijn terugweg, en zich wierp

tusschen de mannen van de wacht? Ik wist niet

dat zulke kloekheid wonen kan in ’t schuchter

gemoed van een teedere vrouw....

WILLIAM Margreet

heeft haars vaders wezen geërfd; ook zijne

groothartigheid.... wij alle steune’ op haar....

ik kan niet denken wat mijn leven wezen

zou zonder dezen steun.... Zeg mij, Kingston

hoe was het mooglijk dat zij tot hem drong

ondanks de wacht, dat al die hellebarden

haar niet stuitten, een wapenlooze vrouw?

Was het verrassing? Weken z’ uit erbarmen?

Zij zelf weet niets, zegt ze, als dat vaders aanschijn

riep tot haar, van ver, en zoo’n grooten drang

haar overmocht, om hem nog ééns te kussen

dat vrees en schuwheid van haar lieten, en zij

gezogen werd naar waar hij stond....

KINGSTON Ik kan

u dit alleen maar zeggen, William; wij

hoorden, toen wij onder den Tower landden

een stem die riep „vader,” en weer „vader.”

Zulk een angst van verlangen zwol daarin

dat allen stilhielden en het hoofd wendden,

naar dien roep als van een verschrikte vogel

die om zijn jongen krijt. Ik zag haar staan,

de armen voor zich uitgestrekt, en naast haar

uws vaders oude nar met het vroegwijze

kindergezicht, toen vreemdvertrokken grijnzend

in smartelijken lach. Ik hoorde hem

schreeuwen: „nu vrouwe,” en zag hem voorwaarts storten

tusschen de pieken, zij hem na. Maar even

verdween z’ in wriemling van wapens en lijven,

toen zag ik haar weer, ijlings verder schietend

als tusschen gouden flikk’ringen een visch.

Zij dook op aan de zijde van uw vader

hing als een drenkeling hem om den hals....

Mijn oude oogen loopen weder over

bij de herinnering....

GRYNÆUS Meent ge dat Morus

blij was zijn lieveling nog eens te zien,

of viel ’t hem zwaar?

KINGSTON Mij scheen ’t dat vreugde en droefheid

streden in hem. Toen zij viel in zijn armen

zag ik een glans verhelderen zijn edel

ontvleescht gelaat, en een oneindig-teed’ren

blik uit zijn milde grijze oogen glijden

over haar zachtgebogen hoofd. Maar plots

doorschokte hem een siddering, hij klemde

de lippen saam, als een man die verbijt

een felle pijn. Toen schudde hij meewarig

het hoofd, en streelde haar en kuste haar

en maakte haar armen voorzichtig los

van om zijn hals. Hij hield haar van zich af

rondziende, als zocht hij wie haar weg kon voeren.

Maar toen zij voor de tweede maal zich klampte

aan hem, zacht-kreunend, zag ik op zijn voorhoofd

de druppels paarlen van den bangen strijd

en aan zijn wimpers hingen zware tranen.

Even aarzelde hij, toen overbuigend

tot haar, fluisterde hij dicht aan haar oor

wat geen onzer verstond, maar met een schok

kwam z’ overend, kuste hem en verdween

als zwolg de grond haar op.... Wij gingen verder.

WILLIAM Hij vroeg haar een belofte te gedenken

die zij hem eenmaal deed.... Haar grootste schat

is een verfrommeld briefje, in haast geschreven

dat hij haar deed zenden, vlak voor het end.

Hij roemt haar daarin zijn dappere kind

die hij nooit zóó als in het uur beminde

dat zij voor het laatst hem hing om den hals,

want hem behaagde boven maat als liefde

alle wereldsche bloôheid overwint.

Er komt over haar een wondere blijheid

als zij ’t herleest....

KINGSTON Het heeft zoo moeten wezen,

maar waarom is voor ’t hart een duist’re zee....

Het ziet de vrucht niet blinken van zijn lijden,

en vruchtloos lijden van goeden en wijzen

onthutst het hart.

GRYNÆUS Misschien dat vruchten rijpen

die wij niet zien....

KINGSTON Zeg mij William, is ’t waar

dat gij het vaderlijk erf moet verlaten?

Beval de koning ’t waarlijk?

WILLIAM Hij beval ’t.

Kingston, wij mogen niet meer wonen waar

zijn beeld oprijst uit de vertrouwde steenen

en alle dingen spreken met zijn stem.

De wraak der machtigen verslaat ons, maar

één troost houdt mij staande in het bitter zwerven

dat nu begint: ik wil het aardsche doen

van onzen heilige gaan nederschrijven

in een getrouw relaas: zoo zal zijn geest

voortleven, en de komende geslachten

ten voorbeeld zijn....

GRYNÆUS Maar zult ge ook vermogen

d’ eigenste kern en klankkleur van dien geest

in woord te beelden? ’k voel in hem een wezen

dat ons allen ontgaat.

KINGSTON Ja, niemand onzer

doorziet hem gansch. Onze zielen begrijpen

van zijn ziel ’t stuk, waar eigen kracht toe reikt;

zoo zult ook gij, mijn goede William, beelden

wat ge van hem verstaat.

GRYNÆUS Zijn eigen werken

beelden hem beter dan een onzer ’t kan.

WILLIAM Kingston, ge weet, de koning gaf verlof

dat wij zijn arme romp begraven mogen....

zij noemen ’t gunst.... Vrouwe Margreet verweent

haar oogen van verlangen, eens te koest’ren

nog, en te bedden zacht zijn wreedgeschonden hoofd.

Weet gij een weg, Kingston?

KINGSTON Mijn beste William,

ik heb daartoe geen macht. Kom: ’k hoor de hanen

de komst verkonden van den nieuwen dag.

Hoe leeg en kil rijst hij, hoe arm aan vreugde!

Ja, leven is somtijds een zware vracht.

God sterke u, William, en de uwen allen;

ge ziet mij spoedig weer.

WILLIAM Dank voor uw komen,

Kingston, en steun ons verder met uw trouw. (Kingston af.)

Kom keeren wij ook huiswaarts Simon: wis

waakt mijn Margreet, wachtend van mij te hooren

wat Kingston heeft verhaald.

(William en Grynæus af—Margreet en de nar komen van de andere zijde op; de nar spiedt behoedzaam rond.)

DE NAR Vrouwe Margreet,

zet u hier, en wacht totdat ge zult hooren

driemaal herhaald, het krassen van een uil.

Kom dan en stel u rechts onder de poort

en houdt uw voorschoot op.... wij zullen slagen.

Wees niet vervaard: wie ons bevrienden houden

wacht op de brug....

MARGREET Goede nar, wees gerust.

Mijn hart bonst, maar niet in vervaardheid, enkel

van verlangen, en dat wordt dra gestild.

Ga, haast u: voor de tweede maal al kraaiden

de hanen en de nacht wordt dun. (de nar verdwijnt.)

 Ik dank u

God, dat het liefste hoofd nog eens zal rusten

gelijk het deed zoo vaak, in dezen schoot.

EINDE

HISTORISCHE AANTEEKENING
OVER THOMAS MORE

Op het einde der 15de en het begin der 16de eeuw vonden in Engeland ingrijpende veranderingen plaats in het ekonomische en sociale leven. De oude feudale verhoudingen raakten in verval, het voornaamste bestaansmiddel, de landbouw, werd gerevolutioneerd door het opkomen van een stand van vrije kapitalistische pachters en door den snellen overgang van graanbouw tot veeteelt, die voor den adel voordeelig was. Het vroegere feudale landbouw-bedrijf had behoefte gehad aan zooveel mogelijk arbeidskrachten, aan vele menschen op het land, het nieuwe kapitalistische bedrijf had behoefte aan zooveel mogelijk land en zoo min mogelijk menschen, aan het uitsparen van arbeidskrachten. De heeren stalen op groote schaal de gemeente-landerijen, verklaarden deze tot privaatbezit en verdreven de boeren; in korten tijd verdwenen tienduizenden boerenbedrijven. Ten gevolge van deze geweldadige onteigening ontstond een talrijk overtollig proletariaat. Er was geen industrie in-opkomst, dus geen behoefte aan arbeidskrachten, er waren geen koloniën die dit proletariaat konden opzuigen, het vond geen ander bestaansmiddel dan bedelen of stelen. Een barbaarsch-strenge wetgeving trachtte de landloopers uit te roeien door ze onmenschelijk streng te straffen; gedurende de regeering van Hendrik VIII werden 72.000 groote en kleine dieven ter dood gebracht. Maar door bloedwetten kon het vraagstuk der armoede als sociaal verschijnsel niet worden opgelost.

De algemeene nood gaf nieuw voedsel aan de oud-christelijke overlevering van gemeenschappelijk bezit der verbruiks-middelen, de kettersche communistische sekten der Lollarden en der Wederdoopers vonden vele aanhangers onder de arme klassen. Maar dit vage communisme geboren uit vertwijfeling over de ellende des levens, bevatte geen enkel element van maatschappelijken vooruitgang noch van aanpassing aan de maatschappelijke omstandigheden.

Slechts één man was er in Engeland, één enkele die te midden van de algemeene radeloosheid een uitweg zag. Die man was Thomas More. Zijn algemeene kennis op philosophisch, ekonomisch en politiek gebied, zijn doorzicht in de behoeften en de hulpmiddelen van den tijd, zijn geniale intuïtie en zijn brandende begeerte de armen en verdrukten te helpen, hadden hem het spoor doen vinden van een nieuw communisme, van het gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen en de planmatige organisatie der produktie op nationale schaal.

More werd in 1478 geboren; hij studeerde in Oxford en werd daar een geestdriftig aanhanger van de „nieuwe richting” in de wetenschap: het humanisme (de studie der latijnsche en grieksche oudheid). Deze richting bestreed de misbruiken in de roomsche kerk, maar wilde vredige hervorming, geen scheuring. Nadat hij zijn studie voltooid had werd More advocaat en kreeg veel praktijk onder de Londensche kooplieden, de klasse die toen meer dan welke andere ook, den ekonomischen vooruitgang belichaamde. Hierdoor verkreeg hij theoretische en praktische kennis op maatschappelijk gebied. In 1504 werd hij tot lid van het Parlement gekozen; daar kwam hij al spoedig in konflikt met de willekeur van den koning (Hendrik VII) en was genoodzaakt zich uit het openbare leven terug te trekken. Toen in 1507 Hendrik VIII, een kweekeling der humanisten, den troon beklom, scheen het of een nieuwe koers ging beginnen; More die in groot aanzien stond bij den jongen vorst, werd koninklijk ambtenaar en een man van invloed aan het hof.

In 1515 maakte hij als gevolmachtigde der kooplieden deel uit van een gezantschap dat naar Vlaanderen ging om te trachten een handelstraktaat tot stand te brengen. Daar schreef hij de Utopia, het werk dat zijn naam onsterfelijk zou maken. Het bevat zoowel een doordringend-scherpe kritiek van de maatschappelijke misstanden zijner dagen als een uitvoerige beschrijving van den socialistischen heilstaat.

Van een hersenschim: vage hoop, of herinnering aan ver verleden, is het communisme in de Utopia voor de eerste maal tot een wetenschappelijke gedachte geworden, geboren uit doorzicht in de maatschappelijke behoeften en de maatschappelijke hulpmiddelen.

Eén hersenschimmig bestanddeel bevatte het communisme van More echter nog: hij zag geen ander middel het te verwezenlijken dan door het initiatief van een wijs en machtig vorst. Dit hersenschimmig bestanddeel, de verwachting namelijk dat de heerschende klassen (vorsten of kapitalisten) voor het socialisme gewonnen zouden kunnen worden en het verwezenlijken, kon eerst verdwijnen na het ontstaan van het moderne proletariaat, de klasse wier positie in het produktie-proces de socialistische inrichting der maatschappij voor haar maakt tot den eenigen weg ter ontkoming aan ellende en bestaans-onzekerheid.

Drie eeuwen lang volgden alle socialistische denkers de banen, waarin More hun was voorgegaan; toen eerst waren de tijden rijp voor een nieuwen grooten stap van het menschelijk denken, den stap van utopisch tot wetenschappelijk socialisme.

De Utopie had geen invloed op More’s verhouding tot den koning. De tijdgenooten beschouwden het werk als de luimige vrucht van luimige uren, een fantastisch gedachtespel. Hij steeg al hooger in ’s Konings gunst, werd minister en rijkskanselier. Maar zijn onbuigzaamheid van geweten en zijn liefde tot het volk moesten hem in konflikt brengen met het algemeene streven naar machtsuitbreiding van den vorst. Om een tegenwicht te vormen tegen de spaansche monarchie, wilde Hendrik zich verbinden met Frankrijk en een fransche prinses tot vrouw nemen. Maar daartoe moest hij zich van Catharina, de spaansche prinses waarmee hij gehuwd was, laten scheiden en de paus, die geheel in de macht van Spanje was geraakt, weigerde die scheiding te bekrachtigen. Toen besloot Hendrik met Rome te breken, hij verklaarde de engelsche kerk voor onafhankelijk en zichzelven tot haar hoofd. De geestelijkheid waagde het niet tegen deze „Hervorming” in verzet te komen, ook hoopte zij er voordeel van te halen. Hendrik onteigende kloosters en kerken op groote schaal. Spekulanten en gunstelingen maakten zich meester van de kerkgoederen, uit wier inkomsten voorheen duizenden behoeftigen gespijzigd waren. Zoo stond de „Hervorming” van Hendrik in lijnrechte tegenstelling tot de behoeften van het volk.

More trachtte in den strijd tusschen paus en koning onzijdig te blijven, maar dit bleek op den duur niet mogelijk. Een jaar nadat de engelsche geestelijkheid Hendrik als hoofd der kerk van Engeland erkend had legde hij het ambt van rijkskanselier neer. De koning beschouwde deze daad als rebellie en hoogverraad; More werd in den Tower opgesloten en na een lange gevangenschap door de laffe rechters met hulp van een omgekocht getuige veroordeeld en den 6den Juli 1535 ter dood gebracht.

Er zijn verschenen van
HENRIËTTE ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK

Stempels van S. H. de Roos.

Verder verscheen

Prijs ƒ 0,85 ingenaaid.

Bij de Wereldbibliotheek zag het licht