De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen, en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had. De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou terugkomen.
Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!” sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?” „Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?” „Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed, „gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken, indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.” Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.
Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de twintig dagen, dat de reis duurde.
Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende, „wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,” antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen, terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”
Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat, mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb? Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan? Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur, waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit oogenblik stierve!”
De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit. „O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”
Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe: „Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel, die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem zonder zijn bevel te openen.
Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren, hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten, en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.
Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen moesten laten, en de deur achter zich sluiten.
Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in zich zelven, „droom of waak ik?”
Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom; dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander. „Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt; ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid, „zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen. Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?” „Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote onregtvaardigheid aandeed.”
„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak, zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.
Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij, hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles, wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst, door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen, gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem bestaat.”
Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder, zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.
Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren. Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien dag in vreugde door.”
Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid: „Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem genegen tot aan zijn' dood.
| TWEEDE DEEL. | |
| Geschiedenis van de Vijf Dames van Bagdad | |
| Geschiedenis van Zobeïde | 1 |
| Geschiedenis van Amine | 15 |
| Geschiedenis van Sindbad den Zeeman | 30 |
| Eerste Reis van Sindbad den Zeeman | 34 |
| Tweede „ „ „ „ „ | 43 |
| Derde „ „ „ „ „ | 52 |
| Vierde „ „ „ „ „ | 64 |
| Vijfde „ „ „ „ „ | 77 |
| Zesde „ „ „ „ „ | 84 |
| Zevende „ „ „ „ „ | 95 |
| De drie Appelen | 103 |
| Geschiedenis van de Vermoorde Dame | 109 |
| Geschiedenis v. Noureddin Ali en v. Bedreddin Hassan | 116 |
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
| Plaats | Bron | Correctie |
|---|---|---|
| Blz. 2 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 2 | [Niet in Bron.] | , |
| Blz. 3 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 6 | waar | maar |
| Blz. 6 | ik | ook |
| Blz. 7 | sleutelgaat | sleutelgat |
| Blz. 7 | eenklaps | eensklaps |
| Blz. 8 | geede | goede |
| Blz. 9 | zegen | zeggen |
| Blz. 10 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 11 | betreking | betrekking |
| Blz. 11 | scheeps ruimte | scheepsruimte |
| Blz. 12 | genoegzaan | genoegzaam |
| Blz. 15 | bovolen | bevolen |
| Blz. 20 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 22 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 23 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 27 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 31 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 31 | . | , |
| Blz. 32 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 32 | aanzieniijk | aanzienlijk |
| Blz. 33 | neër | neêr |
| Blz. 33 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 33 | slecbts | slechts |
| Blz. 34 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 34 | [Niet in Bron.] | .” |
| Blz. 34 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 34 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 40 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 40 | [Niet in Bron.] | , |
| Blz. 42 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 42 | gezeldschap | gezelschap |
| Blz. 44 | wijsste | wijste |
| Blz. 49 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 49 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 51 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 61 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 61 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 61 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 61 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 62 | ; | : |
| Blz. 62 | : | ; |
| Blz. 64 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 64 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 64 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 64 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 64 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 66 | , | . |
| Blz. 68 | , | . |
| Blz. 69 | , | . |
| Blz. 71 | - | , |
| Blz. 71 | . | , |
| Blz. 75 | tussshen | tusschen |
| Blz. 75 | . | , |
| Blz. 77 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 82 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 83 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 83 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 84 | ; | , |
| Blz. 84 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 84 | . | [Verwijderd.] |
| Blz. 86 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 87 | zagen | zaten |
| Blz. 88 | he ben | hebben |
| Blz. 89 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 89 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 90 | vergelijkeu | vergelijken |
| Blz. 91 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 92 | Haroun-al-Rachid | Haroun-al-Raschid |
| Blz. 92 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 92 | Haroun-al-Rachid | Haroun-al-Raschid |
| Blz. 94 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 94 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 95 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 95 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 97 | Haroun-al Rachid | Haroun-al-Raschid |
| Blz. 100 | voede | woede |
| Blz. 103 | Haroun-al-Rachid | Haroun-al-Raschid |
| Blz. 104 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 104 | : | , |
| Blz. 104 | . | : |
| Blz. 105 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 105 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 106 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 106 | onzerzoek | onderzoek |
| Blz. 106 | kaliefs | kalifs |
| Blz. 106 | kalief | kalif |
| Blz. 106 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 107 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 107 | ? | ! |
| Blz. 110 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 111 | , | . |
| Blz. 112 | , | . |
| Blz. 112 | terruggeven | teruggeven |
| Blz. 114 | antwoorde | antwoordde |
| Blz. 118 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 118 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 118 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 118 | Schemseddin-Mohammed | Schemseddin Mohammed |
| Blz. 121 | ge ijk | gelijk |
| Blz. 121 | gezeldschap | gezelschap |
| Blz. 122 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 122 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 123 | Bedreddin-Hassan | Bedreddin Hassan |
| Blz. 123 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 125 | muselman | muzelman |
| Blz. 125 | muselman | muzelman |
| Blz. 125 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 126 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 126 | onstaan | ontstaan |
| Blz. 127 | Noureddin-Ali | Noureddin Ali |
| Blz. 130 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 130 | , | . |
| Blz. 131 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 132 | mismaakste | mismaaktste |
| Blz. 133 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 133 | oogenklik | oogenblik |
| Blz. 134 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 135 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 135 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 136 | echgenooten | echtgenooten |
| Blz. 137 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 139 | ontwetend | onwetend |
| Blz. 139 | ¡ | ! |
| Blz. 140 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 141 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 141 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 142 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 143 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 143 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 143 | . | , |
| Blz. 144 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 145 | kustte | kuste |
| Blz. 145 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 146 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 146 | ’, | ” |
| Blz. 150 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 150 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 150 | dwingelaudij | dwingelandij |
| Blz. 150 | [Niet in Bron.] | , |
| Blz. 151 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 154 | voorzetten | voortzetten |
| Blz. 156 | ; | : |
| Blz. 156 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 157 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 158 | [Niet in Bron.] | de |
| Blz. 158 | Mesopotamie | Mesopotamië |
| Blz. 159 | , | [Verwijderd.] |
| Blz. 159 | kustte | kuste |
| Blz. 160 | geschikst | geschiktst |
| Blz. 160 | digst | digtst |
| Blz. 161 | moskée | moskee |
| Blz. 162 | .. | . |
| Blz. 164 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 164 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 165 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 165 | ” | [Verwijderd.] |
| Blz. 165 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 165 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 166 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 166 | [Niet in Bron.] | „ |
| Blz. 167 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 168 | „ | [Verwijderd.] |
| Blz. 168 | [Niet in Bron.] | , |
| Blz. 169 | heb | hebt |
| Blz. 169 | kaneel | kameel |
| Blz. 170 | . | : |
| Blz. 170 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 170 | [Niet in Bron.] | ” |
| Blz. 170 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 171 | diensboden | dienstboden |
| Blz. 174 | zijn | zijt |
| Blz. 174 | [Niet in Bron.] | . |
| Blz. 179 | [Niet in Bron.] | [Inhoudsopgave ingevoegd.] |