„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen, die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner schepen, dat in deze haven zal binnenkomen.
Bedreddin Hassan van Balsora.”
De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot. „Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden? Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg, getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de zerk neder, strekte zich uit en sliep in.
Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat. „Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij: „Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en welgemaakter jongeling gezien dan deze?”
De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft, Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht, geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk. Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem: „Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd naar zijne woning terug.
Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld, en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”
Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn. Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken, in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt hebben, hem naar elders te vervoeren.”
Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond te wachten.
Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen, waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets; vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet hebben.”
De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem konden afwenden.
Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed, die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen, weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan, tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal, waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een' prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.
De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was, indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der dames hield eene brandende waskaars in de hand.
Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem; zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer, dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was, bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene teedere genegenheid in haar hart mede.
Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde, moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot zwijgen.
Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden, hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.
Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe, die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg, dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot vermaak der aanschouwers.
Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden. In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet, gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet terugkomt en u hindert.”
Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte, wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen, dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”
Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.
De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel, Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen, mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.” „Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling, mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn' vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een' schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal komen.”
Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen; maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.
Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”
De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op den grond neder, en verwijderde zich met den geest.
Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd, Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten, dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen. De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben; stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?” Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,” zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden hun' weg.
„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet, wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,” bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro, en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost, tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een' afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven, en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook, wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is geworden, die ik te Caïro had.”
Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in, gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!” Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende volksmenigte te onttrekken.
De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht, onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten, en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden, alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag, zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen vinden.
„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker, „doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”
Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden, nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn' aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en leerde het pasteibakken.
Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader, de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging, welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”
Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt, dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?” „Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld, en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,” hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.” „Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”
„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing, den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”
Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om, en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,” hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden, en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten. Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.
Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu, bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?” „Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten. Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.” Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een' viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.” Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder Noureddin Ali, en las dit opschrift:
„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”
Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een briefje, dat aan de beurs gespeld was:
„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”
En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van Bedreddin Hassan scheidde:
„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali, zaliger gedachtenis.”
Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen, welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen. Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen verzoenen.”
Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam, en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de nakomelingschap bewaard mogte blijven.
Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst overlaten.
In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit zorgvuldig weg.
Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een' zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem, in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een' leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja, somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne, om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen niet met ons medespelen.””
Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib, en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen, jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen, dat hij in tranen uitbarstte.
De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht, maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met minder trotschheid te behandelen.”
Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder, welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed, die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een' beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.
Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier, hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn' vizier uit te leveren.
Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid. Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te hebben toegewenscht.
Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.
Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier, welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude voortzetten.
Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur, een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat hem niets kwaads overkwam.
Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een' dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich. Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem, ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.
De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij ontroerde.
Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn' winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende, zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.” „Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen, waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.
Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag, en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf, aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.
Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus; maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien, hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.
Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald. De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had, die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet, en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib, „heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een' banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven, raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende, liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden. Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden, te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger waren dan hij.
Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde, ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed, „ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is, dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.” Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen, vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn' kleinzoon Agib.
De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam. Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen, dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel van Schoonheid, voorstelde.
Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn, verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen, in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende: „Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet, of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”
De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over Damaskus.
Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te bieden.
Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn' leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken. „Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”
Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord: „Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt, kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader, zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.
Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen. „Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij, dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde, en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan, zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood. Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de kom was verdwenen.
Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij: „O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus heette de slaaf) handelde even zoo.
De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”
Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan. „Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf, „wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn' winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het wangedrag van den slaaf mededeelde.
Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben, dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel, onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u. Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de waarheid gezegd hebt.”
Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef; hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn' mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af. „Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een' pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts, en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende, groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven, dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf, „ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.
Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit: „Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”
Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap, „wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.” „Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven. Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen. Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende als aangename ontmoeting te verschaffen.”
Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent, en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”
Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels, bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren. Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?” zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef niet gespaard.
Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik, en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.