„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer,
van den magtigen en gelukkigen Sultan, van
Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot
de hoogste eereplaats heeft verheven
na zijne voorvaderen.
Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen, voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees gegroet.”
Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan. Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.
Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde, en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn' naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan de tanden te ontnemen.
Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een' morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen, en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden, terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond, omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.
Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam. Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.
Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach! Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.” Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden, hetgeen gij nu van mij zult vernemen.
De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen. Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen, zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”
Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem, en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon niet lang geheim blijven.
De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was. Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was daartoe ook wonderlijk genoeg.
Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik, ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen, waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan; maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans geene stormen of zeeroovers te duchten had.
Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd, en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn' geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”
Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot aan het uur van uw' dood.”
Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest, opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te herinneren.
Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn, over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt, zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”
De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden, ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”
„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher, maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis, hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”
Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een' groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn' groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug. Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in, die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken, maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als sneeuw.
Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn' vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,” hernam de kalif, „denk daaraan.”
Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd, en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen, maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”
Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des hemels, met zijn leven gedaan was.
Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden voor de poort van het paleis zoude ophangen.
Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.
Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen! gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te dragen.”
Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte, kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling, wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond, gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en wil het met een' eed bevestigen, dat ik alleen deze slechte daad heb begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!” viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd, en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”
De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen, boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze: „Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,” hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”
Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende: „Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat ik het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben ik het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?” „Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,” hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon zijn verhaal op de volgende wijze.
„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar, toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven. Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam al hare wenschen.
Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste best doen, ze u te bezorgen.”
Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag. Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin van uwe majesteit te Balsora.
Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven, trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw, en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou aanwenden.
Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een' appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen, appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik, „verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.” „Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde. Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld. Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een' kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af, en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een' rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te werpen.
Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,” zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen, niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op nieuw te weenen.
Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een' ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten, dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende, drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een' leugenachtigen slaaf.
Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken; hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”
De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende, „geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats doen sterven.”
De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”
Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie, welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan, bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.
Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee sequinen verkocht.”
Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was, dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”
Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost, met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier, dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een' vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn' slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif, die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”
Giafar nam nu het woord op en ving zijn verhaal aan als volgt
„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan, regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen. Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw' vader na.”
De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun' vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde hem beurtelings een der broeders.
Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen, zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali, „dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,” zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe rekening te maken ten koste van anderen.”
Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd. „Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar het zijne.
Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven, die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en vertrok.
Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië. Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op, die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.
De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!” antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland heeft verdreven, te doen vergeten.”
Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin, en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester, verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb, zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”
Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten, en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis, en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren, nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon, dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen. Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel. Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef, boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren, en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn. Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.
Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.
Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen, en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug. Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”
Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon, dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen. Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.
Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.
Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan, op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd, daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder elders te zoeken.
Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te Caïro van eene dochter.
Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen, en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn' kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.
De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn' schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden. Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.
Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.
Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen, die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.
Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn' eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide: „Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal ik u zulks vooraf mededeelen.
Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen, en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden, ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit zult gij nimmer een goed staatsman worden.
De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en verdraagzaamheid schuldig zijt.
De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen, en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden. Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.
De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele ondeugden.
De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist, zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”
Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote pracht ter aarde besteld.
Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld, ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan voor hem te brengen.
De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij: „Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen; de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”
Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.
„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan, en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande, ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug. Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat? Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?” „Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen. Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer, zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en vertoonde die aan Bedreddin Hassan.
In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn' gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje, bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar. Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.