Dadelijk ging ik nu naar een' bekwamen werkman, en liet hem van hout een' zadel maken, naar het model, dat ik hem gaf. Deze gereed zijnde omkleedde ik hem met leder, vulde dit op met haar en versierde hem met gouden passementwerk. Daarop vervoegde ik mij bij een' slotenmaker, die mij, volgens mijne opgave, een gebit en stijgbeugels maakte.

Toen alles gereed was, bood ik den koning mijn werk aan, en legde den zadel op het paard, dat hij had laten voorbrengen, om een' rid te maken. De vorst steeg, terwijl ik den stijgbeugel vasthield, volgens mijne aanwijzing op, en zette zich in den zadel. Hij was over mijne uitvinding zeer voldaan, en deed mij dit door een rijk geschenk blijken. Ik moest nu ook voor zijne staatsdienaren, en de voornaamste officieren van zijn hof zadels maken, waarvoor zij mij geschenken gaven, die mij in korten tijd tot een rijk man maakten. Ook de aanzienlijkste inwoners der stad, kwamen er mij om vragen, en behalve ruime betaling, verwierf ik bovendien eene groote vermaardheid en genoot ik de algemeene achting.

Ik bleef inmiddels den koning getrouw bezoeken. Eens zeide hij tot mij: „Sindbad! ik heb u lief, en ik weet, dat gij bij al mijne onderdanen bemind zijt. Ik heb eene bede en ik wilde gaarne, dat gij mij die toestondt.” „Sire,” antwoordde ik, „ik ben bereid alles te doen om uwe majesteit mijne gehoorzaamheid te bewijzen; haar minste wensch zal voor mij steeds een bevel zijn.” „Ik wil u uithuwelijken,” hernam de koning, „opdat gij, door dien echt aan dit land verbonden, moogt vergeten ooit een ander vaderland gehad te hebben.” Daar ik mij tegen den bepaalden wil van den vorst niet durfde verzetten, kreeg ik eene zijner hofdames van voorname geboorte, schoon, deugdzaam en rijk, tot echtgenoot. Na de voltrekking van ons huwelijk nam ik mijn' intrek bij mijne vrouw, met welke ik eenigen tijd in volkomen eendragt, leefde. Evenwel was ik met mijn' toestand niet erg tevreden, ik kon mijn' geboortegrond, ik kon Bagdad niet vergeten, een onweêrstaanbaar verlangen naar mijn vaderland en mijne achtergelaten betrekkingen en vrienden liet mij dag noch nacht rust, en ik besloot, zoodra zich de gelegenheid aanbood, in stilte te vertrekken.

Met dit denkbeeld was ik bezield, toen de vrouw van een' mijner beste vrienden ziek werd en stierf. Toen ik mijn' vriend een woord van troost wilde toespreken, vond ik hem radeloos bedroefd. „Allah zij u genadig!” sprak ik binnentredende, „en Hij schenke u troost en een lang leven!” „Helaas!” antwoordde hij, „wat wenscht gij mij toe? Ik leef geen uur meer.” „Kom!” hernam ik, „haal u zulk eene treurige gedachte niet voor den geest; men sterft zelden van verdriet, en de tijd zal ook uwe wonde wel weêr heelen. Vergeet niet, dat gij een' vriend hebt, die in uw ongeluk deelneemt, en nog jaren zich in uwe vriendschap hoopt te verblijden.” „Ik wensch u een lang leven,” hernam hij, „doch wat mij betreft, het is met mij op deze wereld gedaan, want nog heden zal men mij met mijne vrouw begraven. Dit gebruik, door onze voorouders ingesteld, is steeds ongeschonden bewaard gebleven. De levende man wordt met zijne doode vrouw, de levende vrouw met haren dooden man begraven. Niets kan mij redden; wij zijn allen aan deze wet onderworpen.”

Terwijl mijn vriend mij met deze barbaarsche gewoonte bekend maakte, en dit nieuws mij eene rilling aanjoeg, kwamen de bloedverwanten, vrienden en buren om de begrafenis bij te wonen. Het lijk der vrouw werd, als ging zij ter bruiloft, met hare kostbaarste kleederen omhuld, en men versierde het met alles, wat zij ooit bij haar leven aan goud, zilver, paarlen en diamanten had gedragen. Toen werd het lijk in eene doodkist zonder deksel, als op een praalbed, gelegd, en de stoet stelde zich in beweging. De man ging achter de lijkbaar, aan het hoofd der lijkstatie. Men sloeg den weg in naar een' hoogen berg. Daar aangekomen, werd eene zware zerk afgewenteld, die op de opening van een' diepen put lag. Hierin liet men nu de kist neder met het lijk, zonder dit van zijn' tooi te ontdoen. De man omhelsde zijne bloedverwanten en vrienden, en liet zich zonder tegenstand te bieden in eene doodkist leggen, met eene kruik water en zeven kleine brooden bij zich. Men liet hem op dezelfde wijze neder als zijne doode vrouw. Daarna werd den steen weder op den put gelegd en de begrafenis was afgeloopen. Ik was bij dit alles zeer treurig gestemd, en mogten ook de anderen weinig aandoening verraden, omdat hun gevoel door de kracht der gewoonte verstompt was, mij werd het benaauwd om het hart. Bij mijne terugkomst sprak ik met den koning over dit gebruik. „Sire,” zeide ik, „ik kan mij niet genoeg verwonderen over de vreemde gewoonte, die in uw rijk plaats heeft, om de levenden met de dooden te begraven. Ik heb veel gereisd, vele volkeren bezocht, doch nooit heb ik van eene zoo wreede wet hooren gewagen.” „Wat zoudt gij dan willen, Sindbad!” antwoordde de koning, „het is eene algemeene wet, waaraan ook ik, zoo wel als ieder mijner onderdanen, onderworpen ben. Indien de koningin vóór mij komt te sterven, zal ik levend met haar worden begraven.” „Maar, Sire,” hervatte ik, „veroorloof mij aan uwe majesteit te vragen, of ook de vreemdelingen hieraan onderworpen zijn.” „Wel zeker,” hernam de koning met een' spotachtigen lach (want hij raadde mijne bedoeling), „zij zijn daarvan niet vrijgesteld, zoodra zij hier een huwelijk hebben aangegaan.” Met dit antwoord keerde ik, alles behalve opgeruimd, naar mijne woning terug. De vrees, dat mijne vrouw eerst mogt sterven, en dat men mij dan levend met haar zou begraven, maakte mij zeer treurig. Maar wat was er aan te doen? Ik moest geduld hebben en afwachten wat Allah over mij besloten had. Evenwel was er, sedert ik met die barbaarsche wet bekend werd, geen bezorgder echtgenoot, dan Sindbad de zeeman. Als mijne vrouw maar eene verkoudheid had gevat, als ik haar maar hoorde kugchen, werd het mij reeds bang om het hart, en hadde ik vleugelen gehad, de koning zelfs, al hadde hij mij tot zijn' eersten staatsdienaar willen maken, zou mij geen uur langer op zijn eiland hebben gezien. Zonder een' traan te storten of een' zucht te laten, zou ik van mijne lieve vrouw zijn weggevlogen. Ik had mij voorgenomen te ontvlugten, maar de dood voorkwam zulks. Hij was vlugger dan ik; mijne vrouw werd ziek, en was binnen weinige dagen een lijk.

Levend begraven te worden, leek mij niet minder vreeselijk toe, dan het lot mijner makkers bij de menscheneters. Ik moest mij evenwel onderwerpen. De koning, van zijn geheele hof vergezeld, wilde mijne uitvaart met zijne hooge tegenwoordigheid vereeren; en al de aanzienlijke ingezetenen der stad woonden mijne begrafenis bij.

Toen alles tot de plegtigheid gereed was, legde men het lijk van mijne vrouw, getooid met al hare juweelen en met hare kostbaarste kleederen, in de kist. De optogt nam een' aanvang. Ik, als de tweede hoofdpersoon in dit treurspel, was de eerste achter de lijkbaar. Ik stortte vele tranen en beklaagde mijn ongelukkig lot. Vóór wij den berg bereikt hadden, wilde ik nog eene poging aanwenden om het gemoed der toeschouwers te treffen. In de eerste plaats rigtte ik mij tot den koning, en vervolgens tot allen, die mij omgaven, en met het hoofd ter aarde gebogen, den zoom hunner kleederen kussende, smeekte ik hun, medelijden met mij te hebben. „Neemt toch in aanmerking,” zeide ik, „dat ik een vreemdeling ben, die aan deze gestrenge wet niet onderworpen behoort te zijn, en dat ik in mijn vaderland eene andere vrouw en kinderen heb.” Ik mogt deze woorden op een' smeekenden toon uitspreken, niemand werd er door getroffen, integendeel, men haastte zich het lijk van mijne vrouw in den put neder te laten, en een oogenblik daarna liet men ook mij af in eene opene doodkist, met eene kruik water en zeven brooden. Naauwelijks had de kist den grond bereikt, of men trok de touwen op, en sloot de opening van den put, door er den steen weder op te leggen, zonder dat men zich aan mijne wanhopige kreten stoorde.

In het afdalen kon ik, bij het weinige licht, dat van boven door de opening viel, mij eenig begrip maken van de plaats, die mij tot een levend graf moest verstrekken. Het was eene grot van grooten omvang in eene rots van wel vijftig ellebogen hoogte. De onverdragelijke reuk der half verteerde lijken, die ik regts en links van mij op den grond zag liggen, deed mij walgen, en ik meende nog de laatste zucht te hooren van sommigen, die kort geleden levend in dit hol waren neêrgelaten. Zoodra ik beneden was, verliet ik de kist, en de neus digt houdende verwijderde ik mij van deze plaats zoo ver mogelijk, niet zonder nu en dan over een lijk of over eene geraamte te struikelen. Ik wierp mij wanhopig op den killen grond, ik schreide en zuchtte, en duizenden gedachten dwarrelden mij door het hoofd. Daarna meer geregeld over mijn rampzalig lot nadenkende, zeide ik tot mij zelven: „Het is waar, dat Allah over ons beschikt volgens de besluiten zijner Voorzienigheid; maar, arme Sindbad, hebt gij het niet aan u zelven te wijten, dat gij zulk een' ellendigen dood moet sterven? Ach, mogt het Gode behaagd hebben, dat gij bij de vele schipbreuken, waaraan gij ontkomen zijt, uw graf in de golven haddet gevonden! Gij zoudt dan niet gedoemd zijn tot zulk een' langzamen en in alle opzigten verschrikkelijken dood. Maar gij zelf hebt u dien op den hals gehaald door uwe verwenschte hebzucht. Ach! ongelukkige waarom zijt gij niet gebleven in uw land, waar gij het goed hadt, en waar gij in rust de vruchten van uwen arbeid hadt kunnen genieten!”

Van deze nuttelooze klagten deed ik de grot weêrgalmen, gaf mij aan de wanhopigste gedachten over, en sloeg mij, als een razende, met de vuisten voor het hoofd en op de borst. Evenwel, hoe rampzalig ik mij ook gevoelde, de liefde tot het leven deed hare stem in mij hooren; ik was er dus op bedacht dat zoo lang mogelijk te rekken. Ik sloop, den neus digt houdende, en als een blinde rondtastende naar de plaats waar mijne kist stond, om mijn brood en water te halen. Hoe groot ook de duisternis was, die in de grot heerschte, zoo zelfs dat men den dag niet van den nacht kon onderscheiden, vond ik echter mijne kist terug; en het scheen mij nu toe, dat de grot nog veel grooter was, en meer lijken bevatte, dan ik aanvankelijk dacht. Ik leefde eenige dagen van mijn' brood en water maar eindelijk niet meer over hebbende, bereidde ik mij voor om te sterven.

Ik verwachtte ook niet anders dan den dood, want reeds werd ik op eene vreeselijke wijze door den honger en door den dorst gekweld, toen ik den steen van den put hoorde afnemen. Men liet een doode en eene levende af. De doode was een man. Het is niet onnatuurlijk, dat men op uiterste redmiddelen bedacht is, als men in zulk een' toestand verkeert als de mijne. Terwijl men de vrouw liet zakken, naderde ik de plek, waar de kist moest nederkomen, en zoodra ik bemerkte dat men den steen weder op den put legde, bragt ik de ongelukkige twee of drie zware slagen op het hoofd toe met een groot doodsbeen, dat ik had opgeraapt. Zij bleef ogenblikkelijk dood. Ik nam vervolgens de kruik met water en het brood uit hare kist, en kon mij nu daarmede weder eenige dagen voeden. Na verloop daarvan liet men weder een lijk af, ditmaal eene vrouw; de levende man volgde, die ik op gelijke wijze doodde. Tot mijn geluk heerschte er toen in de stad eene buitengewone sterfte. Ik nam steeds tot het zelfde middel mijne toevlugt, en had bij gevolg geen gebrek aan levensmiddelen. Eens, toen ik weder eene vrouw gedood had, hoorde ik in mijne nabijheid blazen en loopen. Ik ging naar den kant van waar het gerucht kwam, dat bij mijne nadering verdubbelde. Het kwam mij voor, als of ik iets zag vlugten. Ik volgde deze soort van schim, die nu en dan stil stond, doch als ik naderde, al blazende verder liep. Na lang geloopen te hebben, schemerde mij een licht als eene ster in de oogen. Op dat licht ging ik nu af; meermalen verloor ik het uit het oog, doch telkens zag ik het terug. Eindelijk naderde ik eene opening in de rots, ruim genoeg om mij een uitgang te verschaffen.

Bij deze ontdekking was ik zoo aangedaan, dat ik eenige oogenblikken roerloos bleef staan. Daarop liep ik snel naar de rotsspleet, wrong er mij door, en bevond mij in de vrije lucht aan het strand der zee. Mijne vreugde was zoo groot, dat ik bijna mijne oogen niet geloofde, en meende dat het slechts een droom was. Eindelijk kwam ik tot de overtuiging dat het geen spel mijner verbeelding, maar werkelijkheid was, en dat ik waarschijnlijk mijne vrijheid te danken had aan het een of ander zeedier, dat door de rotsspleet in de grot kwam, om zich aan de lijken te vergasten. Ik onderzocht nu den berg, en bevond dat deze gelegen was tusschen de zee en de stad. Het strand was aan de landzijde geheel door steile rotswanden afgesloten, en lag alleen open aan den zeekant. Ik wierp mij met het gelaat ter aarde, om Allah te danken voor de genade, die hij mij had bewezen. Na dit dankgebed keerde ik naar de grot terug om van daar brood te halen, waarmede ik in de vrije lucht mijn' maaltijd deed, met een' eetlust, zoo als ik dien sedert mijne begrafenis in dit doodshol niet gekend had.

Ik ging vervolgens nogmaals in de grot, en nam uit de doodkisten al de juweelen, al het goud en al de kostbare kleederen, die ik in handen kreeg. Ik bragt dit alles aan het strand, maakte er balen van, en bediende mij daartoe van de touwen, die bij het aflaten der doodkisten gebruikt werden, en dus in groote menigte voorhanden waren. Ik liet mijne goederen aan het strand, tot dat zich, gelijk ik hoopte, een schip zou vertoonen en mij aan boord nemen; want ik behoefde niet bang te zijn, dat mijne waren door den regen bederven zouden, daar het den tijd van den droogen mousson was.

Na verloop van twee of drie dagen zag ik werkelijk een schip, dat zoo even de haven had verlaten en het strand, waar ik mij bevond, op niet grooten afstand voorbij zeilde. Ik maakte het linnen van mijnen tulband los, waaide daarmede, en schreeuwde uit alle magt om mij te doen hooren. Men had mij spoedig opgemerkt, en de sloep werd uitgezet om mij af te halen. Op de vraag der matrozen door welk ongeluk ik mij op die eenzame plaats bevond, gaf ik ten antwoord, dat ik voor vier dagen op deze kust schipbreuk had geleden, en dat ik met mijne goederen, die aangespoeld waren, hier moest blijven, omdat ik niet over de steile rotsen kon komen. Gelukkig voor mij, stelden deze eenvoudige lieden zich hiermede tevreden, en namen mij, zonder eenig onderzoek te doen, met mijne balen in hunne sloep op.

De kapitein, die het druk had met zijne bevelen uit te deelen, nam mij aan boord, zonder mij met vragen lastig te vallen, die mij in groote verlegenheid hadden kunnen brengen. Hij betuigde mij alleen zijne blijdschap, dat hij aan een' schipbreukeling eene dienst had kunnen bewijzen, en hij was onbaatzuchtig genoeg, om de juweelen, welke ik hem voor mijne reiskosten aanbood, niet aan te nemen.

Wij zeilden voorbij verscheidene eilanden en ankerden onder anderen bij het Klokken-eiland, gelegen omstreeks tien dagreizen van Serendib en zes dagreizen van het eiland Kela. Op dit eiland vindt men loodmijnen en uitmuntende kamfer.

De koning van het eiland Kela is zeer rijk en magtig; hij is tevens gebieder van het geheele Klokken-eiland, dat eene uitgestrektheid, heeft van twee dagreizen, en welker bewoners nog zoo barbaarsch zijn, dat zij menschenvleesch eten. Wij dreven daar echter een' aanzienlijken handel, gingen toen weder onder zeil en deden nog verscheidene andere havens aan. Eindelijk kwam ik behouden te Bagdad in het bezit van onschatbare rijkdommen, te veel om hier op te sommen. Ten einde Allah mijn' dank te betuigen, dat hij mij uit zoo vele doodsgevaren gered, en behouden in mijn vaderland en bij mijne betrekkingen had terug gebragt, deelde ik groote giften uit, zooveel aan de moskeeën als aan de armen. Ik wijdde mij nu geheel en al aan mijne bloedverwanten en vrienden, vermaakte mij met hen en maakte goede sier.

Met deze woorden besloot Sindbad het verhaal van zijne vierde reis, dat de verbazing van zijne hoorders in nog hoogere mate opwekte, dan dat zijner drie voorgaande reizen. Hij deed aan Hindbad op nieuw een geschenk van honderd sequinen uitreiken, en noodigde hem uit den volgenden dag terug te komen om bij hem te eten, en het verhaal van zijne vijfde reis aan te hooren. Toen het gezelschap den dag daaraan zich weder ten zijnen huize bevond en de maaltijd was afgeloopen, ving Sindbad aldus aan:

VIJFDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Het genoegelijke leven, dat ik met mijne vrienden leidde, wischte weldra de vermoeijenissen en rampen, die ik had doorgestaan, uit mijn geheugen, zoodat ik na eenigen tijd reeds weder lust gevoelde om nieuwe reizen te doen. Ik kocht alzoo weder eene menigte koopwaren, die ik in balen pakte en op wagens liet laden, en waarmede ik mij naar de naaste zeehaven begaf. Om niet van den kapitein afhankelijk te zijn, liet ik op eigen kosten een schip dusdanig bouwen en uitrusten, als ik dit verlangde. Zoodra het schip gereed was, deed ik mijne goederen daarin laden en begaf mij aan boord, eenige kooplieden met hunne waren medenemende.

Met den eersten gunstigen wind ligtten wij het anker, en bevonden ons weldra in de ruime zee. Wij waren reeds eenige weken onder zeil geweest, toen wij gebrek aan drinkwater kregen, en voor een onbewoond eiland het anker lieten vallen om onze watervaten te vullen. Hier vonden wij een ei van gelijke grootte en omvang als dat, wat ik u vroeger heb beschreven. Het bevatte een' jonge rok, die spoedig zou uitkomen, en waarvan de bek reeds zigtbaar was. De kooplieden, die zich aan boord van mijn schip bevonden, en met mij aan land waren gegaan, hakten met een' bijl in het ei en maakten daarin eene opening, waardoor zij den jongen rok bij gedeelten te voorschijn haalden, en dien zij daarna lieten braden. Ik had hen ernstig gewaarschuwd, dat zij het ei onaangeroerd zouden laten, maar zij wilden naar mijn' raad niet hooren.

Naauwelijks hadden zij hunnen maaltijd geëindigd, of er vertoonden zich in de lucht op een' vrij grooten afstand twee donkere wolken. De kapitein, dien ik gehuurd had om mijn schip te besturen, bij ondervinding wetende, wat dit te beduiden had, zeide dat het de vader en de moeder van den jongen rok waren. Hij drong er op aan, dat wij terstond aan boord moesten gaan om, zoo mogelijk, het ongeluk, dat hij voorzag, te voorkomen. Wij volgden zijn' raad en gingen dadelijk onder zeil.

Intusschen naderden de twee rokken met een groot geschreeuw, dat nog verdubbelde toen zij bemerkten in welken toestand zich het ei bevond. Daarop vlogen zij weder weg naar den kant, van waar zij gekomen waren. Wij verloren hen voor een' korten tijd uit het oog, en de kapitein liet alle zeilen bijzetten, ten einde het gevaar te ontkomen, dat ons bedreigde.

De beide vogels kwamen terug, en wij bemerkten, dat elke rok een stuk rots, zoo groot als een' kleinen berg, in zijne klaauwen medebragt. Toen zij vlak boven mijn schip waren, staakten zij hunne vlugt, en op hunne wieken drijvende, liet de eene zijn stuk vallen, doch door de handigheid van den stuurman, die het roer omwierp en het schip deed zwenken, viel het in zee. Het water week, zoodat wij bijna den grond konden zien. Tot ons ongeluk liet echter de andere rok zijn stuk rots zoo juist op het midden van het schip vallen, dat het aan duizend stukken werd geslagen. De matrozen en de kooplieden werden allen door de rots verpletterd en zonken in de diepte der zee. Ook ik zonk eenige vademen diep, doch hield mijn' adem in, kwam weder boven, en had het geluk mij vast te klemmen aan een in mijne nabijheid drijvend stuk van het wrak. Mij nu eens met de eene, dan weder met de andere hand vasthoudende, werd ik, daar wind en stroom mij gunstig waren, eindelijk op een eiland geworpen. De kust was hoog en steil, doch ook deze zwarigheid kwam ik te boven. Ik zette mij in het gras om een weinig van mijne vermoeijenis te bekomen; en zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde, stond ik weder op en ging dieper landwaarts in, om het eiland te verkennen. Dit viel mij mede; want overal bevond ik mij te midden van een' lusthof, vol van de schoonste vruchtboomen, allen beladen met rijp en half rijp ooft, de grond geleek een bloemtapijt, waardoor zich beekjes van het helderste water kronkelden. Ik plukte en at van de heerlijke vruchten, dronk van het heldere water, en ik gevoelde mij, zelfs in mijn ongeluk, gelukkig.

Toen ik mij aldus verkwikt had en mijne wandeling verder voortzette, zag ik aan den oever van ene beek een' grijsaard zitten, die mij toescheen zeer gebrekkig te zijn. Ik dacht in het eerst dat hij, gelijk ik, hier schipbreuk had geleden. Ik ging naar hem toe, en groette hem, waarop hij alleen met eene hoofdbuiging antwoordde. Ik vraagde hem vervolgens, wat hij daar deed, doch in plaats van te antwoorden, gaf hij mij een teeken, dat ik hem op mijne schouders nemen en door de beek zou dragen, ten einde aan de overzijde, zoo als hij verder te verstaan gaf, eenige vruchten te gaan plukken.

Ik meende, dat hij er werkelijk behoefte aan had, dat ik hem deze dienst bewees, en daarom nam ik hem zonder dralen op mijnen rug, en waadde met hem door de beek, die zeer ondiep was. „Klim af,” zeide ik nu, en kromde mij om hem het afstijgen gemakkelijk te maken. Doch in plaats van zich te laten afglijden (ik moet nog lagchen zoo dikwijls ik er aan denk), sloeg deze verduivelde grijsaard, dien ik voor gebrekkig had aangezien, zijne beide beenen met vlugheid om mijn' hals, en ik zag nu, dat het vel daarvan veel geleek op eene gedroogde koehuid. Terwijl ik deze opmerking maakte, zette hij zich op mijne schouders, gelijk een schoenmaker op zijn' driestal, en wrong mij de keel zoo digt, dat ik niet anders dacht, of hij verworgde mij. Een plotselinge schrik beving mij, en ik viel in zwijm. De lastige grijsaard bleef altoos aan mijn' hals hangen; alleen ontsloot hij zijne beenen een weinig, ten einde mij gelegenheid te geven om weder tot mij zelven te komen. Toen drukte hij den eenen voet krachtig tegen mijne maag, en schopte mij met den anderen zoo lang in de lenden dat ik, mijns ondanks, verpligt was op te staan. Zoodra ik weder overeind was, dwong hij mij voort te gaan en vruchten voor hem te plukken. Hij verliet dien geheelen dag mijne schouders niet, en toen ik mij des nachts ter ruste wilde begeven, legde hij zich met mij op den grond neder, zonder mijn' armen hals een oogenblik los te laten. Elken morgen wekte hij mij, door mij met de hielen in de lenden te schoppen, en dwong mij dan, door mij den hals bijna toe te knijpen, om op te staan, en hem te dragen, waarheen hij wezen wilde. Stelt u mijn' toestand voor, mijne heeren! dag en nacht zulk een' last te moeten dragen, zonder er mij van te kunnen ontslaan.

Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een' boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam. Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht op den rug meer danste dan liep.

Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot, toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer, toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet aan land durven zetten.

Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen, die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.

Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis, ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen. Hij gaf mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.

Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen, wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.

De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik, dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe, die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had, keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had medegebragt.

„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen betalen. Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo veel verpligting had, en ging scheep.

Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle uitspattingen te onthouden.

Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan, die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten. Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip, dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen in een genoegelijk leven te vergeten.

Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.

ZESDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik, na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust, maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af te brengen, het was te vergeefs!

Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden. Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet. Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze graven te maken en te sterven. Deze woorden van den kapitein stortten ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo onherbergzaam strand had geworpen.

De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden, zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte; hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden, opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander zwijgend en wanhopig aan te staren.

Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld, en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne lotgenooten.

Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen, dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was, door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen, die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat. Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te vergoeden.”

Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware, op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen. Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende, gaf ik mij aan den stroom over.

Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen, maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.

Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het kwade van u afwenden en u het goede geven.”

Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken, naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen. Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.

Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: Dit is eene hoogst wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een' anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn om alles te doen, wat zij van mij verlangden.

De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan deze zijde der kust genaakbaar.”

Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom, welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die daarbij was te vergelijken.

Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u, daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,” antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan, zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen, en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen. Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan ontbrak.

Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd, die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.

Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief, en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste onderscheiding te bejegenen.

De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:

„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan,
die in een paleis woont, waarvan het dak schittert
van den glans van honderd duizenden robijnen;
en die in zijne schatkamer heeft twintig
duizend kroonen, verrijkt met
diamanten, aan den Kalif
Haroun-al-Raschid.

Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn, zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven. Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”

De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een' enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren, ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met edelgesteenten als bezaaid was.

Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij opgedragen last.

Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik: „Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven, dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn' rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger, dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd met luider stem:

„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”

Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:

„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet sterven!

De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:

„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”

Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met een rijk geschenk vertrekken.

Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en laatste reis.

ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif, zeide hij, „heeft mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst. Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!” zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn' brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!” zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal, maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe, dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik, na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag, waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield, en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;