(1) Een kadi is een Turksche regter of regtsgeleerde.


GESCHIEDENIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

Onder de regering van denzelfden Haroun-al-Raschid, leefde er te Bagdad een arme drager, Hindbad genaamd. Op een' zeer heeten dag moest hij eene zware vracht dragen van het eene einde der stad naar het andere. Daar hij door den langen weg, dien hij reeds had afgelegd, zeer vermoeid was, zocht hij eene schaduwrijke plaats, legde zijne vracht af en ging daarop zitten, ten einde een weinig uit te rusten. Hij bevond zich tegenover een prachtig paleis, uit welks openstaande vensters hem eene fraaije muzijk tegenklonk! Werd hierdoor het gehoor van onzen drager gestreeld, zijn neus ging niet minder te gast aan den lekkeren reuk van gebak en gebraad, welke hem uit een der keukenvensters tegenkwam. „Hier geeft men een feest en leeft men zonder zorgen,” dacht onze arme drager, „wie zou toch de gelukkige bewoner van dit paleis zijn? Om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen trad hij naderbij, en vroeg aan een' der prachtig uitgedoschte lakkeijen, die hij aan de deur zag staan, den naam van zijn' heer. „Hoe,” zeide de lakkei, op een' toon van verwondering, „gij zijt een inwoner van Bagdad, en gij weet niet, dat dit de woning is van Sindbad den zeeman, van den beroemden reiziger, die alle zeeën en landen, welke door de zon worden beschenen, bezocht heeft!” Onze drager had van den onmetelijken rijkdom van dezen Sindbad dikwijls hooren spreken en benijdde een man, die in zijne oogen even zoo gelukkig moest zijn, als hij zelf te beklagen was. Met deze ontevreden gedachten bezield, blikte hij ten hemel, en sprak, luide over zijn lot morrende: „O Allah! Schepper en Bestierder der geloovigen, waartoe toch het onderscheid tusschen dezen Sindbad en mij? Ik moet dagelijks hard werken, hitte en koude verduren, om een schamel stukje brood voor mij en mijn gezin te verdienen, terwijl deze gelukkige zijne schatten in ledigheid verteert en een vrolijk en weelderig leven leidt. Wat heeft hij gedaan, dat Gij hem met zulk een gelukkig lot bedeelt? En wat heb ik misdreven, om zulk een hard leven te moeten leiden?” Bij deze laatste woorden stampte hij met den voet op den grond, en sloeg zich met de vuist voor het hoofd.

Nog was de drager in deze wanhopige gedachten verdiept, toen een der knechten uit het paleis hem naderde, hem bij den arm greep en zeide: „Haast u en volg mij. Mijnheer Sindbad, mijn meester, wil u spreken.”

Hindbad gevoelde zich bij deze toespraak niet zeer op zijn gemak. Hij werd bevreesd, dat men zijne voor den heer des huizes niet vleijende gezegden had gehoord, en dat Sindbad hem nu liet ontbieden, om hem daarover door te halen of te straffen. Hij verontschuldigde zich dus, dat hij zijne vracht niet onbewaakt op straat kon laten liggen, maar de lakkei zeide, dat men daarvoor zorg zou dragen, en drong zoo sterk bij hem aan, dat de drager, hoewel schoorvoetende, zich naar binnen liet geleiden.

De lakkei bragt hem in eene groote zaal, waar een aanzienlijk gezelschap aan tafel zat. Op die tafel stond eene keur der heerlijkste spijzen te dampen. Aan het boveneinde zat een nog krachtvol grijsaard van een ernstig en, door zijn' langen witten baard, achtbaar voorkomen. Achter zijn' prachtigen zetel stonden eene menigte bedienden, die allen zich beijverden om op zijne wenken te letten. Deze zoo gevierde persoon was Sindbad.

Het gezigt van zulk een aanzienlijk gezelschap en de pracht, die alom heerschte, bragten den armen drager zoo van zijn stuk, dat hij als een misdadiger stond te beven. Sindbad wenkte, dat hij naderbij zou komen, zette hem aan zijne regterhand, diende hem van het lekkerste dat op zijne tafel stond, en deed hem inschenken van den fijnen wijn, waarmede het buffet als overladen was.

Toen nu de drager goed gegeten en gedronken had, en ook de overige gasten verzadigd waren, nam de gastheer het woord, en zich tot Hindbad wendende, zeide hij, de zeden der Arabieren volgende, als zij zeer gemeenzaam met iemand spreken: „Broeder! mag ik uw' naam weten, en ook welk beroep gij uitoefent?” „Heer,” luidde het antwoord, „ik heet Hindbad en ben drager van beroep.” „Het verheugt mij u hier te zien,” hernam Sindbad, „en ik durf u de verzekering geven, dat gij ook mijnen gasten aangenaam zijt, maar ik wensch uit uw' eigen mond te vernemen, wat gij daar zoo even op straat gezegd hebt. Voor mijn raam staande, heb ik eenige woorden daarvan opgevangen, en daarom stel ik er belang in, hiervan meer te weten.”

Geschiedenis van Sindbad den Zeeman.
Dl. II, pag. 33.

Op deze vraag nam de verlegenheid van Hindbad toe; hij sloeg de oogen neêr, en zeide op een' toon, die zijne ontsteltenis verried: „Mijnheer, ik moet u ronduit bekennen, dat ik, in de misnoegde stemming, waarin ik mij bevond, eenige onwelvoegelijke woorden heb geuit, ik smeek u mij dit te vergeven.” „Stel u gerust, broeder,” hernam Sindbad, „vrees niet, dat ik daarover geraakt ben. Integendeel ik kan mij zeer goed in uw' toestand verplaatsen, en in plaats van u over uwe morrende taal eenig verwijt te doen, beklaag ik u veeleer! Mijne wensch is alleen u uit eene dwaling te helpen, waarin gij omtrent mij schijnt te verkeeren. Gij verbeeldt zeker, dat ik het aangename en rustige leven, dat ik thans mag leiden, zonder moeite of arbeid heb verkregen; hierin tast gij mis. Ik ben eerst zoo gelukkig geworden na eene reeks van jaren meer gewerkt en meer doorgestaan te hebben, dan gij of iemand anders zich kan verbeelden. Ja, mijne heeren! vervolgde hij, zich thans tot het geheele gezelschap wendende, „ik kan u verzekeren, dat mijne werkzaamheden en rampen van zulk een' buitengewonen aard waren, dat zij in staat zouden zijn den begeerigsten den lust te ontnemen om de schatten, die zij in hun vaderland niet kunnen vinden, over zee en in verre gewesten te gaan zoeken. Gij zult waarschijnlijk slechts bij gerucht gehoord hebben van mijne zonderlinge lotgevallen en van de tallooze gevaren, die ik op mijne zeven zeereizen heb doorgestaan. Vermits zich daartoe thans de gelegenheid voordoet, wil ik er u een getrouw verslag van geven. Ik durf mij zelfs vleijen, dat gij geen berouw zult hebben, mij een aandachtig oor te hebben verleend.”

Daar Sindbad met het verhaal zijner geschiedenis hoofdzakelijk beoogde, den drager van zijne dwaling te overtuigen, gaf hij last, dat men zijn pak binnenshuis halen en bergen zou, ter plaatse waar Hindbad dit mogt verlangen. Toen ving hij aldus aan:

EERSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

Ik had van mijne familie een aanzienlijk vermogen geërfd; doch in mijne jeugd bragt ik daarvan het grootste gedeelte op eene onbezonnen wijze door. Eindelijk echter kwam ik van mijne verblinding terug en begon in te zien, dat ook de grootste rijkdom niet onuitputtelijk is, en dat alzoo bij mijne verkwistende levenswijze mijn erfdeel weldra verteerd zou zijn. Ik overwoog ook, hoe dwaas het was den kostbaren tijd, die nimmer terugkeert, in ijdelheid en in een ongeregeld leven door te brengen, in plaats van die te besteden tot mijn eigen heil en tot nut van mijne medemenschen. Nog kwam het mij als een dreigend spookbeeld voor den geest, dat er geene grootere ellende op deze aarde is, dan arm te zijn in den dag des ouderdoms. Ik herinnerde mij daarbij de woorden van den wijzen Salomo, die ik van mijn' vader meermalen gehoord had: „Het is beter in het graf te zijn dan in armoede.”

Al deze overwegingen maakten een' diepen indruk op mij, en ik besloot het overschot van mijn erfdeel bijeen te verzamelen en daarmede mijn voordeel te doen. Ik liet al mijne kostbare meubelen in het openbaar aan de meestbiedenden verkoopen. Ik vereenigde mij met eenige kooplieden, die op zee handel dreven, en vraagde raad aan verstandige lieden, die met den handel goed bekend waren. Ik besteedde het weinige dat mij van mijn kapitaal overbleef, om er die waren voor in te koopen, waarop, volgens hun zeggen, eene goede winst te verwachten was. Ik liet die naar Balsora overbrengen, alwaar wij ons inscheepten op een groot schip, dat wij voor gezamentlijke rekening hadden aangekocht en uitgerust.

Wij gingen onder zeil en zetten koers naar Oost-Indië door den Perzischen zeeboezem, die ten Westen begrensd wordt door de kust van Gelukkig Arabië en ten Oosten door die van Perzië, wiens grootste breedte naar het algemeen gevoelen, slechts zeventig zeemijlen bedraagt. Van daar kwamen wij in de Indische zee, welken ten Westen wordt begrensd door de kusten van Abyssinië, en eene lengte heeft van vier duizend een honderd mijlen tot de eilanden van Vakvak.

Wij deden op onze reis verschillende eilanden aan, waar wij onze koopwaren met voordeel verkochten of tegen andere inruilden. Op zekeren dag werden wij door windstilte overvallen, zoodat het schip bijna niet verder kwam en de zeilen en winpels slap bij de masten hingen. Wij bevonden ons toen op de hoogte van een klein eiland, dat bijna met het water gelijk was, en zich aan ons door zijne groene kleur als eene in de zee drijvende weide vertoonde. De kapitein liet zeilen reven, en wij passagiers kregen verlof ons aan wal te begeven. Ik bevond mij onder hen, die dit eiland gingen bezoeken.

Wij hadden in onze sloep al het noodige voor een landelijk maal medegenomen, en legden een vuur aan van eene ledige teerton; de matrozen kookten onze spijs, wij maakten goede sier, en dronken op onze gelukkige landing. Eensklaps begon het eiland te schudden en wij voelden onderscheidene schokken als die van eene aardbeving.

Ook op het schip had men deze schudding van het eiland waargenomen, en men riep ons met den scheepsroeper toe, dat, indien wij niet allen wilden vergaan, wij ons moesten haasten aan boord te komen, daar, hetgeen wij voor een eiland hadden aangezien, niet anders was dan de bovenwater uitstekende rug van een' zeer grooten walvisch, die zich in de zon koesterde en zijn middagslaapje hield. De vlugsten van ons redden zich in de sloep, anderen sprongen in zee en trachten zich door zwemmen te redden. Wat mij betreft, ik bevond mij nog op het eiland, of liever op den walvisch, toen het monster naar de diepte ging, zoodat ik slechts tijd had om mij op een groot stuk hout te plaatsen, dat wij hadden medegebragt, om er het vuur mede aan te stoken. De lieden uit de sloep kwamen behouden aan boord, en eenige der rondzwemmenden werden opgevischt; terwijl andere in de diepte wegzonken en verdronken. Op mij, hoe luid ik ook riep, scheen men geen acht te slaan, en daar de wind inmiddels opstak, zag ik tot mijn' schrik, dat de kapitein, die mij zeker voor verloren hield, de zeilen liet hijschen en wegvoer, zoodat mij alle hoop benomen werd, om het schip te bereiken. Ik bleef dus alleen achter, overgelaten aan de willekeur der golven, welke mij dan hier dan herwaarts slingerden. Ik betwistte haar echter mijn leven gedurende dien ganschen dag en den daarop volgenden nacht. Met het aanbreken van den dag waren mijne krachten geheel uitgeput, en reeds zag ik den dood voor oogen, toen ik eensklaps door eene groote golf opgenomen en tegen een eiland geworpen werd.

Het strand was hoog en steil, doch de doodsangst gaf vleugelen aan mijne voeten, en met behulp van eenige vooruitstekende boomwortels, die tot mijn behoud daar bewaard schenen te zijn, bevond ik mij weldra op het drooge en meer dan honderd voet boven de oppervlakte der zee. Ik strekte mij op den met gras bedekten bodem uit, en bleef voor half dood liggen, tot dat de zon met hare koesterende stralen mij uit mijne sluimering wekte.

Hoewel ik mij zeer zwak gevoelde door de vermoeijenissen welke ik, op zee drijvende, had uitgestaan, stond ik echter, door den honger gekweld op, en sleepte mijn uitgeput ligchaam voort, om eenige kruiden of vruchten te zoeken. Ik had het geluk weldra te vinden wat ik zocht, en tevens ontdekte ik eene bron met zoet water, dat niet weinig tot mijne verkwikking toebragt. Zoodra mijne krachten eenigzins hersteld waren, ging ik het eiland dieper in, zonder te weten waarheen ik mijne schreden moest rigten. Eindelijk kwam ik in eene grasrijke vallei, en in de verte bespeurde ik een paard, dat liep te grazen. Ik werd op dit gezigt door vrees en hoop geslingerd, want ik was in het onzekere of ik mijn' dood te gemoet ging, door in de handen van wreede wilden te vallen, dan of ik op redding kon hopen. Intusschen ging ik steeds voort, en naderbij komende werd ik gewaar, dat het eene schoone merrie was, welke met een lang touw aan een' staak was vastgebonden. Terwijl ik het paard bezag, hoorde ik onder mij spreken. Niet lang daarna kwam er een man als voor mijne voeten uit den grond op, die mij vraagde, wat ik daar te doen had, en wie ik was. Daar hij in eene mij bekende taal sprak, stelde ik mij gerust, en deelde hem mijne lotgevallen mede. Hij stak mij de hand toe, en bragt mij in eene grot, waar zich verscheidene mannen bevonden, die niet minder verwonderd waren mij daar te zien, dan ik het was er hen aan te treffen.

Ik gebruikte een weinig van de spijzen, die zij mij voorzetten, en vraagde hun op mijne beurt met welk doel zij zich op deze plaats bevonden, die mij toescheen niet anders dan eene wildernis te zijn. Zij antwoordden mij, dat zij stalknechten waren van den koning Mihradhan, onder wiens heerschappij dit eiland stond. Dat zij elk jaar omtrent den zelfden tijd naar deze vlakte kwamen, ter verkrijging van paarden voor 's konings stal, hetwelk echter met veel moeite gepaard ging, door dat zich in de nabijheid een zeepaard bevond, die hunne paarden zocht te verslinden. Ook deelden zij mij nog mede, dat zij den volgenden morgen weder vertrokken en dat, ware ik slechts één dag later gekomen, het zeer slecht met mij zou zijn afgeloopen, daar de bewoonde zijde van het eiland zeer ver van hier was, en ik daar zonder gids nimmer zou zijn gekomen.

Terwijl zij dus met mij spraken, steeg, zoo als zij mij gezegd hadden, het zeepaard uit de zee op, wierp zich op de merrie, en wilde haar verslinden, doch verschrikt door het geschreeuw dat de stalknechten maakten, liet het zijne prooi los, en stortte zich weder in zee.

Den volgenden morgen namen zij met de merriën de terugreis aan naar de hoofdstad van het eiland, en welwillend namen zij mij in hun gezelschap op. Bij onze aankomst werd ik aan den koning Mihradhan voorgesteld, hij vraagde mij door welk toeval ik mij in zijne staten bevond. Zoodra ik zijne nieuwsgierigheid door het verhaal van mijne lotgevallen bevredigd had, betuigde hij mij, dat hij zeer veel deel in mijn ongeluk nam. Te gelijker tijd gaf hij last, dat men de grootste zorg voor mij zou dragen en mij van alles, wat ik noodig mogt hebben, voorzien. Dit bevel werd op zulk eene wijze nagekomen, dat ik alle reden had over zijne edelmoedigheid en over den ijver van zijne dienaren tevreden te zijn.

Daar ik koopman was, zocht ik de lieden van mijn vak op, doch hoofdzakelijk de vreemde kooplieden, ten eerste om eenig nieuws uit Bagdad te vernemen, en ten tweede om naar gelegenheid uit te zien, onder hen iemand aan te treffen, met wien ik naar mijn geboorteland zou kunnen terugkeeren, want de hoofdstad van den koning Mihradhan ligt aan de zee, en heeft eene zeer schoone haven, waar dagelijks uit verschillende oorden der wereld schepen binnen loopen. Ook zocht ik het gezelschap der Indische wijzen, en vond er vermaak in hen te hooren redekavelen. Bij dit alles verzuimde ik echter niet geregeld aan het hof te komen, om mij met 's konings landvoogden en met de koningen, welke aan hem schatplichtig waren en die zich aan zijn hof ophielden, te onderhouden. Zij deden mij duizenden vragen over mijn geboorteland, terwijl ik van mijn' kant er naar streefde, mij met de zeden en wetten in hunne staten bekend te maken, om dusdoende mijne kennis te vermeerderen.

Onder de heerschappij van den koning Mihradhan bevond zich nog een ander eiland, Cassal genaamd. Dit eiland was onbewoond, en werd alleen door de schepelingen bezocht, om zich van versch water te voorzien of kokosnoten in te laden, die daar in overvloed te vinden waren. Men verzekerde mij, dat zich op dat eiland iederen nacht het geluid van keteltrommen liet hooren, hetgeen den matrozen deed denken, dat aldaar een demon zijn verblijf hield, die zij Deggial noemden. De lust bekroop mij van dit wonder oorgetuige te zijn. Op mijne reis derwaarts zag ik visschen, die eene lengte van honderd tot twee honderd ellen hadden. Deze waren zoo vreesachtig, dat men slechts op eene plank behoefde te kloppen om ze te verjagen. Ik zag nog andere visschen van slechts eene elleboogslengte, maar wier koppen veel overeenkomst hadden met die van nachtuilen.

Toen ik bij mijne terugkomst, aan de haven op en neêr wandelde, liep er een schip binnen. Zoodra dit voor anker lag, werd er een begin gemaakt met het lossen der koopwaren, en de kooplieden, aan wie deze goederen behoorden, lieten ze in de pakhuizen aan het havenhoofd opslaan. Terwijl ik hierover mijne oogen liet gaan, meende ik op eenige balen mijn merk te zien. Bij een naauwkeurig onderzoek bleef mij geen twijfel over; het waren de zelfde balen, welke ik te Balsora had ingeladen. Ik herkende ook den kapitein, doch overtuigd, dat men mij voor verdronken hield, sprak ik hem aan zonder mij dadelijk bekend te maken, en vraagde hem, aan wie de balen, welke ik met den vinger aanwees, toebehoorden. „Ik had, antwoordde hij, „bij mij aan boord een' koopman van Bagdad, Sindbad genaamd. Op zekeren dag, dat wij ons in de nabijheid van een ons zoo toeschijnend klein eiland bevonden, liet hij zich met meer andere passagiers aan wal zetten. Dit gewaande eiland was evenwel niets anders dan een walvisch van schrikbarende grootte, die met den rug even boven de oppervlakte der zee lag te slapen. Het monster voelde echter niet zoodra de hitte van het vuur, dat men op zijn' rug had aangelegd, om de spijs toe te bereiden voor het middagmaal, of het begon zich te bewegen en verdween in de diepte der zee. Velen van hen, die zich op den rug van den visch bevonden, zijn verdronken, en onder deze ongelukkigen was ook Sindbad. Deze balen behooren hem, en ik heb besloten daarmede handel te drijven, totdat ik iemand van zijne familie aantref, aan wien ik rekening en verantwoording kan doen.” „Kapitein,” zeide ik nu tot hem, „ik ben die Sindbad, welke gij meent dat dood is; deze koopmansgoederen zijn mijn regtmatig eigendom.” „Bij Allah,” riep de kapitein, toen hij mij aldus hoorde spreken, „in wien zal men tegenwoordig nog vertrouwen stellen? De goede trouw onder de menschen bestaat niet meer! Ik heb met eigen oogen dezen Sindbad zien omkomen; de passagiers zijn daar ook getuige van geweest, en gij zegt, dat gij die Sindbad zijt? Welk eene vermetelheid! Op het eerste gezigt, meende ik een eerlijk man voor mij te hebben; maar gij schroomt niet u van eene verfoeijelijke leugen te bedienen, om in het bezit te geraken van goederen, die u niet toebehooren.” „Heb slechts een weinig geduld,” hernam ik, „en bewijs mij de gunst om aan te hooren, wat ik u te zeggen heb.” „Welaan!” luidde het korte antwoord van den kapitein, „ik luister, wat hebt gij te zeggen?” Ik verhaalde hem nu op welke wijze ik aan het mij dreigende doodsgevaar was ontkomen, en mijne ontmoeting met de stalknechten des konings Mihradhan, die mij aan zijn hof hadden gebragt.

De kapitein wist nu niet meer wat hij zou gelooven; doch weldra werd hij overtuigd, dat ik geen bedrieger was, door de komst van een drietal kooplieden, met wien ik aan boord zeer gemeenzaam had omgegaan, en die mij, niettegenstaande mijne gehavende kleeding, terstond herkenden, en hunne vreugde betuigden mij levend terug te zien. Ten laatste herkende ook de kapitein mij en zich om mijn' hals werpende, riep hij uit: „Geloofd zij Allah! dat hij u uit zulk een groot gevaar gered heeft. Ik kan u niet zeggen hoeveel genoegen mij dit doet. Zie hier uwe goederen; neem en handel er mede naar uw welgevallen.” Ik bedankte hem, prees zijne eerlijkheid en tot een bewijs van mijne dankbaarheid verzocht ik hem eenige balen, die ik hem aanwees, van mij ten geschenke te willen aannemen, maar hij weigerde en ik kon hem er niet toe overhalen.

Ik nam nu het kostbaarste uit mijne balen, dat ik den koning Mihradhan als geschenk aanbood. Daar deze vorst met mijn ongeluk bekend was, vraagde hij mij niet zonder eenige verbazing, hoe ik aan die fraaije en kostbare zeldzaamheden kwam. Ik verhaalde hem nu door welk geluk ik mijne goederen had terug gekregen. Hij had de goedheid, mij daarover zijne vreugde te betuigen en mijn geschenk aan te nemen, maar hij deed dit laatste niet, zonder mij een tegengeschenk te geven, dat het mijne in waarde verre overtrof. Hierop nam ik afscheid van den grootmoedigen vorst, en na mijne koopmansgoederen tegen voortbrengselen van dat land verruild te hebben, liet ik alles aan boord brengen van het zelfde schip, waarmede ik van Balsora was uitgezeild. Wij gingen weldra onder zeil, en onze terugreis was zeer voorspoedig. De lading, welke ik had medegebragt, bestond in aloë- en sandelhout, kamfer, muskaatnoten, foelie, kruidnagelen, peper en gember, te zamen voor eene waarde van bijna honderdduizend sequinen. Mijne familie ontving mij met alle teekenen van toegenegenheid, en ik was van mijn' kant zeer verblijd allen in welstand weder te zien.

Ik kocht landgoederen, slaven en slavinnen, liet mij een prachtig paleis bouwen, en maakte goede sier met mijne vrienden. In één woord, ik besloot de herinnering aan mijne geleden ongemakken door een onbezorgd en vrolijk leven uit mijn geheugen te verbannen.


Sindbad brak hier zijn verhaal af, en beval de muzijkanten zich op nieuw te laten hooren. Men hield aan met eten en drinken tot dat de avond inviel, en de tijd om te scheiden daar was. Sindbad deed zich nu eene beurs met honderd sequinen geven, en stelde die aan den drager ter hand. „Neem dit voor u, Hindbad,” zeide hij, „ga naar uwe woning, en kom morgen terug om het vervolg van mijne lotgevallen te hooren.” De drager vertrok zeer verlegen met de eer, die hem was te beurt gevallen, en verheugd over het geschenk, dat hij ontvangen had. Het verslag, dat hij bij zijne tehuiskomst van het een en ander aan zijne vrouw en kinderen deed, stemde de harten dezer arme lieden tot vreugde en tot dankbaarheid aan de Voorzienigheid, welke hun door tusschenkomst van Sindbad zulk een onverwacht geluk had geschonken.

Den volgenden dag droeg Hindbad zorg, zich veel zindelijker te kleeden dan daags te voren, en verzuimde niet zich op het bestemde uur aan het paleis van den milddadigen reiziger te doen vinden. Sindbad ontving den drager met een vriendelijk lachje, en bewees hem alle mogelijke beleefdheid. Zoodra alle genoodigden bijéén waren, werd de tafel aangerigt, en men bleef ditmaal zeer lang aanzitten. Nadat de maaltijd was afgeloopen, nam de gastheer het woord en zich tot zijn gezelschap wendende, zeide hij: „Mijne heeren! ik verzoek u mij uwe aandacht te schenken bij het verhaal van mijne lotgevallen op mijne tweede reis. Ik durf u de verzekering geven, dat zij uwe opmerkzaamheid meer waardig zijn, dan die van mijnen eersten togt.” Er heerschte terstond eene algemeene stilte, en Sindbad ving aldus aan.

TWEEDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Zoo als ik u gisteren mededeelde, had ik na mijne eerste reis het besluit opgevat, mijne verdere levensdagen te Bagdad en op mijne landgoederen in rust en in genot door te brengen. Het duurde echter niet lang, of dit werkelooze leven baarde mij verveling; de lust om ter zee te reizen en handel te drijven greep mij weder aan. Ik voorzag mij van die koopwaren, welke mij het geschiktste voorkwamen voor de reis, die ik mij had voorgesteld, en ik verliet voor de tweede maal mijn geboorteland met eenige andere kooplieden, wier braafheid ik kende. Wij voeren ditmaal van eiland tot eiland, en dreven op die wijze een' zeer voordeeligen handel; daar wij telkens, en steeds met voordeel, onze waren tegen andere inruilden. Op zekeren dag lieten wij ons aan wal zetten op een eiland, dat zeer rijk was van vruchtdragende boomen, maar overigens zoo eenzaam, dat wij er noch menschen, noch eenige menschelijke woning bespeurden. Wij volgden den loop van eene beek, die door eene met welig gras en bloemen bedekte vlakte kronkelde.

Terwijl de een zich vermaakte met bloemen, de ander met vruchten te plukken, zette ik mij onder een' grooten en schaduwrijken boom in het gras neder, haalde den voorraad, dien ik had medegenomen en die uit vleesch, brood en wijn bestond, te voorschijn, meenende hier eens een regt landelijk maal te doen, iets wat voor den zeeman een bijzonder genot heeft. Ik at dan ook zeer smakelijk en dronk er een' stevigen teug wijn bij. Of de geest van den wijn mij min of meer had bevangen, weet ik niet, maar mijne oogleden werden zwaar, en ik lag weldra in een' gerusten slaap. Hoe lang deze geduurd heeft, is mij onbekend, doch bij mijn ontwaken, zag ik geen schip meer voor anker liggen.

Ik was hierover zeer verwonderd. Ik stond op en zag naar alle kanten rond, maar ik ontdekte geen' der kooplieden, die met mij aan land waren gegaan. Ik zag alleen het schip, maar reeds zoo ver in zee, dat ik het weldra geheel uit het oog verloor.

Gij kunt u verbeelden, hoe ik te moede was. Ik meende van droefheid te sterven, schreeuwde vol wanhoop, sloeg mij voor het hoofd en wierp mij ter aarde, waar ik een' geruimen tijd bleef liggen, bestormd door gedachten, de eene al treuriger dan de andere. Ik verweet het mij zelven wel honderd malen, dat ik mij niet had tevreden gesteld met mijne eerste reis, die mij voor altoos had moeten afschrikken. Maar al dit klagen en de verwijtingen, die ik mij deed, bragten mij geene hulp aan, en mijn berouw kwam te laat. Wat baat het den put dempen, als het kalf er reeds in verdronken is?

Eindelijk koos ik de wijste partij; ik onderwierp mij aan mijn noodlot, en zonder te weten wat er van mij moest worden, besloot ik al het mogelijke te beproeven, dat tot mijne redding zou kunnen dienen. Ik klom in een' hoogen boom en zag naar alle kanten uit om te ontdekken, of ik niet het een of ander kon bespeuren, dat mij eenige hoop op uitkomst kon geven. Eerst wendde ik mijne oogen naar den zeekant, maar zag daar slechts lucht en water; aan de landzijde schitterde echter iets wits mij in de oogen. Ik klom uit den boom, en de levensmiddelen, die ik had overgehouden, mede nemende, ging ik op dit witte voorwerp af, hoewel ik door den grooten afstand niet kon onderscheiden, wat het eigentlijk was.

Eerst toen ik tot op een' kleinen afstand was genaderd, bemerkte ik, dat het een bijna ronde bal was van verbazende grootte en omvang. Ik ging echter voort, en op de plaats aangekomen, betastte ik den bal. Ik liep er om heen om te zien, of er ook ergens eene opening was, maar ik kon er geene ontdekken, en de bal was zoo glad, en zoo vast ineengesloten, dat ik geene kans zag om er op te klimmen. Ik vergenoegde mij dus rondom den bal te loopen, en moest daarvoor vijftig passen doen.

De zon was nog niet ondergegaan, toen eensklaps de lucht verduisterd werd; het was alsof eene donkere wolk, als een gordijn, voor de zon werd geschoven. Maar hoe zeer mij deze plotselinge overgang van licht tot donker verwonderde, nog hooger klom mij de verbazing, toen ik bespeurde, dat dit verduisteren veroorzaakt werd door een' buitengewoon grooten vogel, die met uitgespreide vlerken kwam aanvliegen.

Ik herinnerde mij nu dat ik de matrozen dikwijls had hooren spreken van een' vogel, Rok genaamd, en vermoedde dat de groote bal, dien ik zoo zeer had bewonderd, het ei van dezen vogel was. En inderdaad de Rok daalde klapwiekend en langzaam neder, en zette zich zeer voorzigtig op het ei neder, als wilde hij het uitbroeijen. Toen ik den vogel zag komen, had ik mij zoo digt mogelijk tegen het ei aangedrongen, zoodat een zijner pooten, dikker dan een boomstam, voor mij kwam te staan. Ik nam den linnen doek van mijn' tulband, en bond mij daarmede stevig vast aan den poot van den Rok, en dit deed ik in de hoop dat, als de vogel den volgenden morgen zijne vlugt hervatte om voedsel te gaan zoeken, hij mij met zich voeren en uit dit woeste eiland naar elders overbrengen zou. Ik zag mij hierin niet teleurgesteld. Den nacht bragt ik in den treurigsten toestand en geheel niet op mijn gemak door; doch zoodra de dag aanbrak, spreidde de Rok zijne vlerken uit, en voerde mij zoo hoog in de lucht, dat ik de aarde niet meer zien kon. Daarop schoot hij met zulk eene snelheid naar beneden, dat mij hooren en zien vergingen. Toen de Rok zich nederzette en ik grond voelde, ontknoopte ik schielijk den doek, om mij van hem te ontslaan. Naauwelijks had ik mij los gemaakt, of hij viel met zijn' snavel op eene slang van ongehoorde lengte aan. Hij pakte de slang op, en vloog terstond met zijne prooi weg.

De plaats, waar hij mij achterliet, was eene zeer diepe vallei, geheel ingesloten door eene keten van bergen, wier kruinen tot in de wolken reikten. Ik zocht te vergeefs naar een' weg, om uit deze gevangenis te geraken, want de rotswanden gingen loodregt opwaarts, en nergens was eene opening te ontdekken of eene vooruitstekende verhevenheid, waarop ik mijne voeten kon zetten. Dit bragt mij op nieuw in groote verlegenheid, en mijne tegenwoordige gevangenis met het woeste eiland vergelijkende, kon ik niet zien, dat ik bij deze plaatsverwisseling iets gewonnen had.

Toen ik mijn verblijf wat naauwkeuriger onderzocht, bespeurde ik, dat de bodem van dezen afgrond als bezaaid lag met diamanten, waaronder van eene verbazende grootte. Ik vermaakte mij eenige oogenblikken met dit inderdaad prachtige gezigt, doch weldra zag ik iets, waardoor mijn kortstondig genoegen vergald werd, en dat mij een' hevigen schrik aanjoeg. Ik bemerkte eene ontelbare menigte slangen, zoo dik en zoo lang, dat de kleinste met gemak een' olifant zou hebben ingeslokt. Des daags kropen zij in hare holen en hielden zich schuil, uit vrees voor haren gevaarlijksten vijand den vogel Rok; doch des nachts kwamen zij weder te voorschijn.

Ik bragt den dag door met de vallei om te wandelen, waarbij ik echter van tijd tot tijd eens ging zitten rusten. Intusschen ging de zon onder, en zoodra het donker begon te worden, begaf ik mij in de grot, welke ik tot mijn nachtverblijf gekozen had. Om tegen de slangen beveiligd te zijn, stopte ik den ingang, die zeer lang en eng was, met een' grooten steen digt, echter zoo, dat er eenig licht binnen kon dringen. Ik deed mijn avondmaal met een weinig van mijn' nog overgeschoten voorraad, en legde mij toen neder om te rusten. Hiervan echter kwam niets; het schuifelen en blazen der slangen, die voor mijne grot kropen, en zich, hoewel te vergeefs, den toegang zochten te verschaffen om mij te verslinden, hield den slaap uit mijne oogen, en deed mij beven. Ik was regt blijde, toen de dag aanbrak, en de slangen naar hunne holen terugkeerden. Ik waagde mij nu weder naar buiten, maar ik rilde over mijn geheele ligchaam, en ik kan u verklaren, mijne heeren, dat ik een' geruimen tijd over een' vloer van diamanten ging, zonder de minste begeerte daarnaar te hebben. Eindelijk zette ik mij neder, en niettegenstaande mijne ongerustheid en de gedachte, wat er toch van mij moest worden, viel ik, na mijn ontbijt te hebben gebruikt, vermoeid van het nachtwaken in slaap. Naauwelijks was ik ingesluimerd, toen er iets met groot gedruisch naast mij nederviel en ik verschrikt ontwaakte. Wat mij deze ontsteltenis had veroorzaakt was een groot stuk versch vleesch; en terwijl ik er over nadacht van waar dit mogt komen, zag ik, hoe nog verscheidene stukken aan verschillende kanten van de rotsen kwamen rollen, en hier en daar in de vallei nederploften.

Ik had het tot dus verre altijd voor een sprookje gehouden, wat de matrozen en andere lieden mij verteld hadden van de diamant-vallei en van het kunstje, dat door eenige kooplieden in het werk werd gesteld, om deze kostbare edelgesteenten uit den afgrond op te halen en in hun bezit te krijgen. Thans echter moest ik bekennen, dat men mij de zuivere waarheid gezegd had. Inderdaad, mijne heeren,” vervolgde Sindbad, „deze kooplieden begeven zich, in den tijd dat de arenden jongen hebben, naar de rotsen, die de diamant-vallei omgeven. Zij werpen dan groote stukken vleesch in de vallei. Door den zwaren val, en het geweld, waarmede die stukken nederploffen, hechten zich de diamanten, vooral die eenigzins hoekig zijn in het weeke vleesch, en de arenden, die aldaar zeer menigvuldig en sterker zijn dan ergens elders vallen op dezen stukken vleesch aan, en voeren ze naar hunne nesten op de toppen der rotsen, om er hunne jongen mede te spijzigen. Zoodra de kooplieden, die zich in de nabijheid der nesten schuilhouden, dit zien, loopen zij haastig en met groot geschreeuw derwaarts om de arenden te verjagen, en maken zich meester van de diamanten, die in het vleesch zitten. Zij bedienen zich van deze list, omdat er geen ander middel bestaat om de diamanten uit de vallei op te halen, daar het voor de menschen volstrekt onmogelijk is in dien peilloozen afgrond neder te dalen.

Ook ik achtte het voor onmogelijk immer uit dien afgrond te geraken, en had hem reeds als mijn graf beschouwd, doch hetgeen ik nu zag, deed mij een middel uitdenken om mijn leven te behouden.

Mijn eerste werk was nu de grootste en schoonste diamanten, die mij voorkwamen, op te rapen, en daarmede den ledigen zak te vullen, die gediend had om er mijne mondbehoeften in te bergen. Daarna zocht ik een der langste stukken vleesch uit, en bond dit om mijne middel met het linnen van mijn' tulband stevig vast. Den zak met diamanten bevestigde ik aan mijn' gordel, en wel zoo, dat ik geen gevaar liep, dien te verliezen. Vervolgens ging ik op mijn' buik liggen, en onthield mij van elke beweging. Naauwelijks had ik mij aldus nedergelegd, of de arenden kwamen in grooten getale aanvliegen, en maakten zich ieder van een der stukken vleesch meester. Een der grootste en sterkste viel op het stuk aan, dat ik om mijne lendenen had gebonden, sloeg er zijne klaauwen in, en mij medevoerende, bragt hij mij op den kruin van een' berg, tot in zijn nest. De kooplieden bleven niet in gebreke door hun geschreeuw de arenden te verschrikken.—Zoodra zij hen hadden genoodzaakt hunne prooi te laten varen, liep een van hen naar het nest, waarin ik mij bevond maar deed, toen hij mij zag, van schrik eene trede achterwaarts. Zich weldra hersteld hebbende, begon hij, zonder eerst de zaak te onderzoeken, mij uit te maken en te verwijten dat ik een dief was, en hem zijn eigendom wilde ontrooven. „Mijn goede vriend!” zeide ik bedaard, „gij zult spoedig op een' anderen toon spreken, als gij mij beter hebt leeren kennen. Troost u over uw gewaand verlies, ik heb diamanten genoeg voor u en voor mij, in grooteren getale en van meer waarde, dan die van al de andere kooplieden te zamen. Zoo wij ze hebben, is dit slechts bij geluk, maar ik had ze alleen voor het kiezen en oprapen op den bodem der vallei, en heb er dezen zak mede gevuld.” Dit zeggende, toonde ik hem den leêren zak, dien ik van mijn' gordel losmaakte. Ik had nog niet uitgesproken, toen ook de andere kooplieden kwamen aanloopen en ons omringden, niet weinig verwonderd iemand te zien, die niet tot hun gezelschap behoorde. Die verwondering steeg nog hooger, toen ik hun verhaalde wat er met mij gebeurd was. Zij bewonderden evenzeer de list, welke ik tot mijne redding had uitgedacht, als mijne stoutmoedigheid, om er de proef van te nemen.

Zij namen mij mede naar de herberg, waar zij te zamen hun' intrek hadden genomen, en toen ik daar in hunne tegenwoordigheid mijn' zak openmaakte en uitstortte, waren zij ten hoogste verbaasd over de grootte van mijne diamanten, en verklaarden eenparig, aan alle vorstenhoven, welke zij bezocht hadden, niet een' gezien te hebben, die daarbij was te vergelijken. Ik verzocht den koopman, aan wien het nest behoorde, waarin de arend mij gebragt had (want ieder koopman heeft een eigen nest), er voor zijn aandeel zoo vele uit te kiezen, als hij verkoos. Hij vergenoegde zich met er slechts één te nemen en niet eens den grootste. Toen ik er op aandrong, dat hij er nog eenigen zou nemen, zonder beschroomd te zijn mij daardoor te benadeelen, zeide hij: „Neen, deze steen heeft waarde genoeg, om mij een bestaan te verzekeren, zoodat ik geene reizen meer zal behoeven te doen.”

Ik bragt den nacht in het gezelschap van deze kooplieden door, en moest mijne zonderlinge lotgevallen voor de tweede maal vertellen, om hen te bevredigen, die bij het eerste verhaal daarvan niet tegenwoordig geweest waren. Intusschen kende mijne blijdschap geene grenzen, dat ik aan zoo vele en zoo groote gevaren op eene zoo wonderbare wijze was ontkomen. Somtijds scheen mij zulks toe slechts een bedriegelijke droom te zijn, en ik kon mij naauwelijks voorstellen, dat ik thans niets meer had te vreezen.

Daar de kooplieden zich reeds een' geruimen tijd hier hadden opgehouden, en ieder hunner tevreden scheen te zijn met de diamanten, die hem ten deel waren gevallen, vertrokken wij reeds den volgenden morgen. Onze weg liep aanvankelijk over hooge bergen, waar wij slangen zagen van eene verbazende lengte, aan wie wij het geluk hadden te ontkomen. Eindelijk bereikten wij eene havenplaats, van waar wij naar het eiland Rohan overstaken. Hier groeit de kamferboom, wiens bladrijke takken zich zoo ver van den stam uitbreiden, dat meer dan honderd menschen onder zijn looverdak beschutting kunnen vinden tegen het branden der zonnestralen. Het sap loopt uit eene opening, welke men boven in den boom maakt, en wordt in eene kan of in een' aarden vat opgevangen, waarin het dan aan de werking der lucht is blootgesteld. Langzamerhand wordt dit sap dik en komt dan later onder den naam van kamfer in den handel. De kamferboom, op deze wijze van zijne beste sappen beroofd, verdort weldra en sterft.

Op dat zelfde eiland vindt men ook den rhinoceros, een dier, een weinig kleiner dan de olifant, en grooter dan de buffel. Hij heeft op den neus een' hoorn van bijna twee ellebogen lengte, waarmede hij veel kracht kan uitoefenen. Men ziet daarop eenige lichte strepen, die te zamen de gedaante van een gewapend man vrij wel voorstellen. Als de rhinoceros met den olifant strijdt, tracht hij hem met zijn' neushoorn den buik te doorboren, ligt hem van den grond op, en draagt hem dan als een zegeteeken op zijn' kop mede. Als nu het bloed en het vet van den olifant hem in de oogen loopen en het gezigt benemen, gebeurt het niet zelden, dat hij met zijne vracht nedervalt, en wat ieder verwonderen moet, dan worden dikwijls beiden, olifant en rhinoceros, door den vogel Rok opgenomen, die ze in zijne klaauwen wegvoert om er zijne jongen mede te voeden.

De verdere bijzonderheden van dit eiland zal ik, om mijn verhaal niet te rekken, stilzwijgend voorbijgaan. Ik verruilde er eenige van mijne diamanten voor andere koopwaren. Wij bezochten nog verscheidene eilanden, totdat wij ten laatste, na ook vele koopsteden op het vasteland aangedaan te hebben, behouden te Balsora aankwamen. Van daar spoedde ik mij naar Bagdad. Mijn eerste werk was groote aalmoezen uit te deelen, en van het overige mijner met zoo vele gevaren verkregen schatten leidde ik een vrolijk leven.

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne tweede reis. Hij deed aan Hindbad andermaal honderd sequinen geven en noodigde hem uit den volgenden dag terug te komen, om het verhaal van zijne derde reis te hooren.

De gasten gingen eindelijk ook naar huis, en kwamen den volgenden dag op het gewone uur terug. Zoo deed ook de drager, die zijne vroegere armoede reeds bijna vergeten scheen te hebben. Men zette zich aan tafel, en nadat de maaltijd was afgeloopen, vraagde Sindbad eenige oogenblikken gehoor, en ving het verhaal van zijne derde reis aan.

DERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Bij het rustige en genoegelijke leven, dat ik na mijne terugkomst te Bagdad leidde, had ik de vreeselijke gevaren en de ongemakken, welke ik op mijne beide vorige reizen had doorgestaan, weldra vergeten. Ik was in de kracht mijns levens; het verveelde mij niets om handen te hebben, en zonder veel te denken aan de nieuwe gevaren, welke ik ging trotseren, vertrok ik uit Bagdad met de kostbaarste koopwaren van het land, die ik naar Balsora liet vervoeren. Daar scheepte ik mij met eenige andere kooplieden in. Wij deden eene lange reis, en legden in verscheidene havens aan, alwaar wij een' belangrijken handel dreven.

Op zekeren dag in volle zee zijnde, werden wij door een' verschrikkelijken storm overvallen, waardoor wij uit den koers geraakten. De storm hield vele dagen aan en dreef ons naar de haven van een eiland, dat onze kapitein gaarne zou hebben vermeden, maar het schip was zoo ontredderd, dat wij wel gedwongen waren het anker te laten vallen. Toen men de zeilen had geborgen, kwam de kapitein naar ons toe, en zeide: „Mijne heeren, tot mijn leedwezen moet ik u zeggen, dat dit eiland en eenige andere in de nabijheid bewoond worden door eene soort van ruigharige wilden, die niet zullen nalaten ons aan te vallen. Hoewel het slechts dwergen zijn, is er toch, helaas! voor ons aan geen' wederstand te denken, want dit volk is nog talrijker dan de sprinkhanen; en indien het mogt gebeuren, dat wij een van hen dooden, zoo kunt gij zeker zijn, dat zij allen te zamen ons aanvallen en vermoorden zullen.” Deze woorden van den kapitein bragten eene groote ontsteltenis te weeg onder al de schepelingen, en wij ondervonden welhaast dat, hetgeen hij ons gezegd had, maar al te waar was. Wij zagen weldra eene ontelbare menigte afzigtelijke wilden van alle kanten te voorschijn komen. Hunne lengte ging de twee voet niet te boven; hun ligchaam was geheel met rosachtig en stoppelig haar begroeid, en in plaats van een' neus hadden zij eene soort van snavel, waarboven een paar groene diep in het hoofd liggende oogen glinsterden, zoodat hun gelaat veel geleek op dat van den katuil.

Zij gingen bij menigte te water en zwommen naar ons schip, dat zij weldra omringden. Zij riepen ons toe, maar het was ons niet mogelijk een enkel woord te verstaan; want hunne spraak had meer van het gesnater van een troep ganzen, dan van eene menschelijke stem. Zij wachtten echter niet, tot wij hun verlof gaven om aan boord te komen, maar zij klauterden als katten en apen tegen de touwen en planken van het schip op, zoodat het scheen, alsof zij geene plaats noodig hadden om de voeten te zetten, en dit alles met eene vlugheid, die ons versteld deed staan. Weldra wemelde het dek van dit kleine gespuis, en zij waren er volkomen meester, zonder dat wij den moed hadden er ons tegen te verzetten. Zij ontplooiden de zeilen, en zonder zich moeite te geven om het anker op te winden, kapten zij het ankertouw. Na eene korte vaart zetten zij het schip aan land, en dwongen ons door teekenen en door bedreigingen om aan wal te gaan. Nu alleen meester van het schip, vertrokken zij daarmede naar een ander eiland.

Het eiland, waar zij ons achterlieten, was zeer gevaarlijk, ja doodelijk voor allen, die het ongeluk hadden, door schipbreuk op die kust te worden geworpen, gelijk gij weldra zult hooren.

Wij verlieten het strand, en het eiland dieper indringende, vonden wij eenige vruchten en kruiden, waarmede wij een sober maal deden, om ons leven zoo lang mogelijk te rekken, want wij allen wachtten niet anders dan een' zekeren dood. Verder voortgaande, zagen wij in de verte een groot gebouw, waarheen wij onze schreden rigtten. Het was een paleis, dat er vrij goed uitzag, en dat voorzien was van eene zeer hooge poort met vleugeldeuren van ebbenhout. Daar deze niet gesloten waren, was de toegang voor ons vrij. Wij waagden het naar binnen te gaan, kwamen eerst in een zeer ruim voorhof en vervolgens in een groot vertrek. Wij zagen hier weinig huisraad, doch in plaats daarvan lag aan de eene zijde een hoop doodsbeenderen, en aan den anderen kant in de nabijheid van den schoorsteen hing tegen den muur een rek met braadspeten. Op dit gezigt voer ons eene koude rilling door de leden, doch wij waren zoo afgemat van het gaan, dat de beenen ons onder het lijf knikten, en door een' doodelijken schrik getroffen, vielen wij als bedwelmd op den grond. Zoo bleven wij een' geruimen tijd bewegingloos liggen. De zon ging onder, toen wij van onze bedwelming bijkwamen, maar op het zelfde oogenblik werd de deur van het vertrek, waarin wij ons bevonden, met groot gedruisch open gestooten, en hetgeen wij nu zagen was niet geschikt om ons gerust te stellen. Vóór ons stond een zwarte reus van een vreeselijk voorkomen en zoo lang als een palmboom. Hij had slechts één oog, dat in het midden van zijn breed voorhoofd stond, en als eene kool vuurs scheen te branden; zijne voortanden, die zeer lang en puntig waren, staken hem, even als de slagtanden van een wild zwijn, buiten den mond, die veel geleek op den muil van het zeepaard. Zijn onderlip hing hem tot de borst. Zijne ooren waren die van een' olifant en bedekten zijne schouders. De nagels zijner vingers waren lang en puntig, gelijk de klaauwen van een' roofvogel. Op het gezigt van dezen verschrikkelijken reus, vielen wij op nieuw in zwijm en bleven voor dood liggen.

Toen wij weder bijkwamen, zagen wij den reus bij den schoorsteen zitten, waaronder hij een groot vuur had aangelegd. Zijn oog was alleen op ons gerigt. Nadat hij ons naauwkeurig bezigtigd had, stond hij op, en nader tredende strekte hij de hand naar mij uit, greep mij in den nek, ligtte mij van den grond en bekeek en betastte mij aan alle kanten, even als een slagter een vet schaap doet. Daar ik echter zeer mager was, en hij niets dan vel en been aan mij vond, liet hij mij weder los, en nu kwam een ander aan de beurt; die het zelfde onderzoek moest ondergaan. De kapitein werd het laatst gegrepen, maar tot zijn ongeluk was hij van ons allen de vetste. De reus scheen goed verstand van vet menschenvleesch te hebben, want zonder zich lang te bedenken, nam hij een' braadspit van het rek en reeg hem daaraan. Wij slaakten een' kreet van ontzetting, weinig minder pijnlijk dan het gegil van onzen armen kapitein, want was het heden zijn lot aan het spit te worden gebraden, morgen zou de beurt aan een ander van ons komen, tot dat ook de laatste zijn graf in den maag van den reus zou hebben gevonden. Dat was ons vooruitzigt.

Gij kunt u dus voorstellen, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „hoe wij te moede waren, toen de reus zijn menschengebraad toebereidde en er zijn avondmaal van deed; het kille doodzweet brak ons uit. Toen hij het laatste beentje schoon afgekloven had, grabbelde de reus de overgebleven beenderen van onzen gewezen kapitein bijeen, en wierp ze bij den hoop, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Alleen het bekkeneel zonderde hij af, en plaatste het op den schoorsteenmantel, waarmede, zoo als ik tot mijne ontzetting tellen kon, het derde dozijn juist voltallig werd. Waarschijnlijk waren deze bekkeneelen bestemd tot drinkschalen, als hij met zijne reuzenvrienden een feestmaal hield. Na zijn' afschuwelijken maaltijd verliet de reus het vertrek, begaf zich naar het voorhof en legde zich voor de poort neder, zoodat, al hadden wij daartoe lust gevoeld, wij het paleis niet zouden hebben kunnen verlaten zonder over zijn ligchaam te gaan. Kort daarop hoorden wij hem ronken, en wel zoo hard, dat wij in den aanvang dachten, dat het begon te donderen. Het was ons niet mogelijk een oog te sluiten; wij bragten den nacht in de vreeselijkste ongerustheid door. Met het aanbreken van den dag ontwaakte de reus; wij hoorden hem hoesten en rogchelen, en wij dachten niet anders of hij zou komen, om een' van ons tot zijn ontbijt uit te kiezen. Ditmaal echter kwamen wij met den angst vrij, want kort daarop ging hij uit en liet ons alleen in het paleis achter.

Zoodra wij konden denken, dat hij ver genoeg verwijderd was, om ons niet te kunnen hooren, verbraken wij het stilzwijgen, dat wij den geheelen nacht bewaard hadden. Wij klaagden elkander onzen nood en deden het paleis van onze weeklagten weêrgalmen. Hoewel wij sterk genoeg in getal waren en slechts met een' enkelen vijand te doen hadden, kwam het ons niet in de gedachten ons van hem te ontslaan. En toch, al mogt dit ook eene gevaarlijke onderneming zijn, het was het eenige natuurlijke redmiddel, dat ons overbleef te beproeven.

Maar wij waren te neêrslagtig om een kloek besluit te nemen, en al onze beraadslagingen liepen op niets uit. Daar de reus het niet noodig achtte ons op te sluiten, ja zelfs de poort had opengelaten, haastten wij ons echter dit doodelijke verblijf zoo spoedig mogelijk te verlaten. Wij bragten den dag door met op het eiland rond te loopen en stilden, even als den voorgaanden dag, onzen honger en dorst met de vruchten en kruiden die wij vonden. Te vergeefs echter zochten wij naar een onderkomen; berghol noch grot boden ons eene schuilplaats aan tegen de slangen, leeuwen, tijgers en andere bloeddorstige dieren, wier sporen wij ontdekt hadden. Wilden wij dus niet allen eene prooi worden van deze verscheurende dieren, die, zoodra het donker begon te worden, een vreeselijk gehuil aanhieven, zoo bleef ons niets anders over dan naar het paleis van den reus terug te keeren. En het schijnt dat hij hierop had gerekend, toen hij ons de vrijheid liet om te gaan, waar wij wilden.

De reus bleef niet in gebreke om terug te komen en met een' van ons zijn avondmaal te doen, waarna hij zich te slapen legde en snurkte tot de dag aanbrak. Weder ging hij toen uit en liet ons achter, gelijk daags te voren. Onze toestand was zoo verschrikkelijk, dat sommigen onzer het wanhopige voorstel deden om in zee te springen, daar zij een' spoedigen en zachten dood verkieselijker achtten, dan den een na den ander aan den reus tot spijs te verstrekken, na alvorens aan een spit gestoken en gebraden te zijn. Doch een van ons nam nu het woord op. „Het is ons verboden,” zeide hij, „de hand aan ons eigen leven te slaan; maar al hadden wij daartoe vrijheid, is het dan nog niet verstandiger, dat wij bedacht zijn op een middel, om ons te ontslaan van dezen barbaar, die ons voor zulk een vreeselijk lot heeft bestemd?”

Na eenig nadenken kwam mij een middel voor den geest, dat, mijns inziens, uitvoerbaar was. Ik maakte er mijne lotgenooten mede bekend, en allen hechtten er hunne goedkeuring aan. „Broeders!” zeide ik vervolgens tot hen, „gij zult gezien hebben, dat er aan het strand veel hout ligt, dat de zee heeft aangespoeld. Wilt gij nu mijn' raad volgen, zoo laat ons eenige vlotten maken, voldoende in getal om ons allen te kunnen dragen, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij zulks dienstig zullen achten. Inmiddels kunnen wij het plan, dat ik heb voorgesteld om ons van den reus te ontslaan, beproeven; slaagt dit, zoo zullen wij met geduld kunnen afwachten tot een of ander voorbij zeilend schip ons van dit noodlottige eiland afhaalt; mist integendeel onze aanslag, zoo kunnen wij ons naar onze vlotten begeven en daarmede in zee steken. Ik kan niet ontkennen dat wij, door ons met deze zwakke vaartuigen aan de golven prijs te geven, ons leven in groot gevaar zullen brengen, maar indien wij toch den dood niet ontgaan kunnen, is het dan niet altoos verkieselijker, dat wij ons graf in de diepte der zee vinden, dan in de ingewanden van dit monster, dat reeds twee van onze makkers heeft verslonden?” Mijn voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, en wij maakten nog dien eigen dag onderscheidene vlotten, die ieder drie personen konden dragen.

Met den avond keerden wij naar het paleis terug, en kort na ons verscheen de reus. Wij moesten nogmaals een van onze kameraden zien braden. Maar hoor nu op welke wijze wij wraak namen over de wreedheid van den reus. Na zijn verfoeijelijk maal legde hij zich op den rug en sliep in. Zoodra wij hem, volgens zijne gewoonte, hoorden snurken, namen ik en nog negen van de stoutmoedigsten onder ons, elk een braadspit. Wij legden onze speten met de punt in het vuur, en toen deze gloeijend waren, staken wij die allen te gelijk in het oog van den reus en rukten het hem uit.

De smart deed den reus met een' vreeselijken kreet ontwaken. Hij sprong eensklaps overeind, en de armen uitbreidende, tastte hij naar alle kanten rond om een van ons te vatten en aan zijne woede op te offeren; maar wij hadden den tijd ons buiten zijn bereik te begeven, en wij gingen op den grond liggen, ter plaatse waar wij geen gevaar liepen onder zijne voeten vertrapt te worden. Na ons te vergeefs gezocht te hebben, vond hij, met zijne handen langs den muur tastende, ten laatste de poort en verwijderde zich onder een verschrikkelijk gebrul.

Ook wij verlieten het paleis en begaven ons naar het strand, ter plaatse waar wij onze vlotten hadden. Wij bragten die terstond te water om dadelijk in zee te kunnen steken, als de reus, geleid door een' gids van zijn ras, ons mogt vervolgen. Evenwel besloten wij den dag af te wachten, in de hoop dat, indien hij zich vóór dien tijd niet liet zien, en wij zijn gebrul, dat nog altoos aanhield, niet meer hoorden, zulks een teeken zou zijn, dat hij aan zijne wond was gestorven, in welk geval wij besloten op het eiland te blijven, tot dat wij een veiliger middel zouden vinden om het te verlaten. Doch naauwelijks begon het licht te worden, of wij zagen onzen wreeden vijand aankomen, geleid door twee andere reuzen, die bijna zijne lengte hadden, en voorafgegaan door een aantal andere, die uit alle magt liepen.

Toen aarzelden wij niet langer om ons op de vlotten te begeven, en wij roeiden met alle kracht ten einde ons van het strand te verwijderen. Doch de reuzen, die ons reeds hadden ontdekt, raapten zware steenklompen op, liepen naar het strand en ter halve lijf in de zee, van waar zij ons met steenworpen begroetten. De meesten troffen zoo juist, en de steenklompen waren zoo zwaar, dat al de vlotten, behalve dat, waarop ik mij bevond, verbrijzeld werden, zoodat allen, die er op waren, hun graf in de golven vonden. Wat mij en mijne twee makkers betrof, wij hadden ons behoud alleen te danken aan het snelle roeijen, waardoor wij ons reeds verder in zee en buiten bereik van de steenworpen bevonden.

Toen wij in volle zee kwamen, konden wij echter ons vlot niet meer besturen, en wij waren genoodzaakt het aan wind en golven prijs te geven, die ons dan hier, dan herwaarts heen stuwden. Gedurende dien dag en den daarop volgenden nacht verkeerden wij in de vreeselijkste onzekerheid omtrent ons lot. Toen de dag weder aanbrak, hadden wij het geluk tegen een eiland aan te drijven, en waren ten hoogste verblijd, dat wij het strand weder onder onze voeten hadden. Wij vonden op dit eiland heerlijke vruchten, die ons goed te pas kwamen om onze verloren krachten te herstellen.

Met den avond legden wij ons aan het strand te slapen, maar wij werden daarin gestoord door het geratel van eene slang, zoo lang en zoo dik als een palmboom, die met hare geschubde huid over het zand schuifelde. De slang was reeds zoo nabij, dat zij, toen wij het gevaar, waarin wij ons bevonden, ontdekten, reeds een' van mijne beide makkers gevat had, en niettegenstaande zijn gegil en zijne wanhopige pogingen om zich van het monster te ontslaan, zich om zijn lijf kronkelde, hem drukte dat de ribben kraakten, en eindigde met hem in te slokken. Mijn makker en ik namen ijlings de vlugt, en hoewel wij ons reeds op een' vrij grooten afstand bevonden, hoorden wij na eenigen tijd een geluid, waaruit wij opmaakten, dat de slang de beenderen van den ongelukkige, welke zij verslonden had, weder uitwierp. En inderdaad, toen wij den volgenden morgen die plaats bezochten, zagen wij met afschuw, dat wij ons niet vergist hadden. „O Allah!” riep ik toen uit, „wat lot hebt gij ons beschoren! Gisteren verblijden wij ons ontkomen te zijn aan de wreedheid van een' reus en aan de woede der golven, en nu verkeeren wij in een niet minder groot gevaar.” Dien dag bespeurden wij echter bij onze rondwandeling een' dikken en zeer hoogen boom. Wij namen ons voor er den nacht op door te brengen, ten einde ons tegen de slang in veiligheid te stellen. Wij deden, gelijk den vorigen dag, onzen maaltijd met de vruchten, die op dit eiland in grooten overvloed voorhanden waren, en toen het avond werd beklommen wij onzen boom. Het duurde niet lang, of wij hoorden de slang, die ons reeds geroken had, al blazende om den voet des booms, waarop wij ons bevonden, rondkruipen. Wij dachten in veiligheid te zijn, maar eensklaps rigtte zich de slang, op haren staart leunende, tegen den stam op, en mijn' makker die lager zat dan ik, eerst ontmoetende, opende zij haar' wijden muil, slokte hem in een' hap op, en trok zich terug.

Ik bleef op den boom totdat de dag aanbrak, en verliet toen meer dood dan levend mijne schuilplaats. In waarheid, ik kon geen ander lot verwachten, dan hetgeen mijnen beiden makkers was te beurt gevallen, en dit denkbeeld deed mij ijzen. De haren rezen mij te berge. Ik deed eenige schreden voorwaarts, met het voornemen om mij met het hoofd voorover in zee te storten; maar daar het leven zoet is, weêrstond ik aan deze ingeving mijner wanhoop, en onderwierp mij aan den wil van Allah, die naar zijn welbehagen over ons leven beschikt.

Ik deed echter wat in mijn vermogen was om mijn leven te beschermen. Ik verzamelde eene groote menigte kleine houten en doorntakken, en maakte daarvan verscheidene takkebossen, die ik stevig in elkander werkte en als eene verschansing om den boom optrok. Hier legde ik eenige lange bossen dwars over heen, teneinde een dak boven mijn hoofd te hebben. Zoodra het avond werd, begaf ik mij in mijne schuilplaats, met den treurigen troost, dat ik niets verzuimd had, wat zou kunnen strekken, om mij te vrijwaren voor het droevige lot, dat mij dreigde. De slang verzuimde niet terug te komen en om den boom rond te kruipen, zoekende hoe zij mij het best zou bereiken en verslinden; maar zij kon door de verschansing, die ik gemaakt had, haar doel niet bereiken. Eindelijk brak de dag aan en de slang verwijderde zich. Ik had intusschen den moed niet mijne wijkplaats te verlaten, vóór dat de zon hoog aan den hemel stond.

Ik was zoo afgemat door de slapeloosheid, waarin de slang mij gedurende den ganschen nacht had gehouden; ik had zoo veel te lijden gehad van haren verpestenden adem, dat de dood mij verkieselijk scheen boven al deze verschrikkingen. Mijne onderworpenheid van den vorigen dag vergetende, verwijderde ik mij van den boom en liep naar het strand, met het voornemen om mij in zee te storten.

De hemel echter, vervolgde Sindbad, werd bewogen met mijne wanhoop. Op den oogenblik dat ik gereed stond in zee te springen, bespeurde ik in de verte een schip. Ik riep uit al mijne magt, teneinde mij te doen hooren, en ik ontrolde het linnen van mijn' tulband, en zwaaide zooveel mogelijk daarmede, in de hoop dat men mij zou opmerken. Dit laatste middel had het gewenschte gevolg; eenige der matrozen hadden mij gezien, en de kapitein liet de sloep uitzetten om mij af te halen. Zoodra ik aan boord was, zag ik mij omringd door kooplieden en schepelingen, die zeer nieuwsgierig waren te vernemen, door welk toeval ik op dat woeste eiland was gekomen. Ik voldeed aan hun verlangen door het verhaal van mijne lotgevallen. Allen betuigden mij hunne vreugde, dat ik aan zulke vreeselijke gevaren was ontkomen, en beijverden zich, niet twijfelende of ik zou wel eetlust hebben, mij te onthalen op het beste, wat zij hadden. De kapitein, bemerkende dat mijne kleeding zeer gehavend was, had de edelmoedigheid, mij eenige zijner eigene kleederen te geven, die nog zoo goed als nieuw waren.

Wij zetten onze reis voort, zeilden voorbij verscheidene eilanden, en kwamen eindelijk aan het eiland Salahad, beroemd door het sandelhout, dat daar in menigte groeit en in de geneeskunde veel wordt gebruikt. Wij liepen de haven binnen en lieten het anker vallen. De kooplieden maakten een begin met hunne handelswaren te ontschepen en die te verkoopen, of tegen de voortbrengselen van dat land te verruilen. Inmiddels liet de kapitein mij bij zich komen en zeide tot mij: „Broeder, ik heb eenige handelswaren onder mijne berusting, welke toebehooren aan een' koopman, die kort geleden op mijn schip heeft gevaren. Daar deze man voor eenigen tijd overleden is, wil ik die goederen te gelden maken, en bij gelegenheid daarvan aan zijne erfgenamen verantwoording doen.” Hij toonde mij de balen, die reeds op het dek stonden, en vervolgde: „Zie hier de waren, waarvan ik spreek; gij zoudt mij eene dienst bewijzen, indien gij u wildet belasten daarmede, tegen eene behoorlijke belooning, handel te drijven.” Ik stemde hierin toe, en bedankte hem, dat hij mij in de gelegenheid stelde, mijn' tijd nuttig te kunnen besteden. De scheepsschrijver, die aanteekening hield van al de waren, die van boord gingen, en van de namen der kooplieden, wien zij toebehoorden, vraagde de kapitein op wiens naam hij de balen moest te boek stellen, die mij ter verkoop werden opgedragen. „Schrijft die,” antwoordde hij, „op naam van Sindbad den zeeman.” Ik was niet weinig verwonderd mijn' eigen naam te horen noemen, en den kapitein strak aanziende, herkende ik hem voor degene, die mij, op mijne tweede reis, achter liet op het eiland, waar ik bij de beek in slaap was gevallen, en die onder zeil ging zonder op mij te wachten, of naar mij te laten zoeken. Ik had hem in het eerst niet herkend, daar hij, sedert ik bij hem aan boord was, zeer verouderd en veranderd was.

Dat hij mij niet herkend had, was eerder te begrijpen, daar hij in de stellige overtuiging verkeerde, dat ik mij reeds lang in het rijk der dooden bevond. „Kapitein,” zeide ik, „is het zeker, dat de koopman, wien deze balen toebehooren, Sindbad heette?” „Ja,” antwoordde hij, „zoo noemde hij zich; hij was van Bagdad, en heeft zich te Balsora op mijn vaartuig ingescheept. Eens, dat wij aan een eiland aanlegden, om water en eenige ververschingen in te nemen, en hij zich met andere kooplieden aan wal begaf, is hij achtergebleven, en wij misten hem niet, vóór dat wij reeds eenige uren onder zeil waren. De wind maakte het ons onmogelijk den steven te wenden en hem af te halen.” „En gij meent dat hij dood is?” hernam ik. „Daarvan ben ik zoo goed als zeker,” antwoordde hij. „Welnu! kapitein,” ging ik voort, „open dan uwe oogen eens goed. Ik ben die Sindbad, welken gij op dat onbewoonde eiland hebt achtergelaten. Ik had mij bij eene beek nedergezet en was in slaap gevallen. Bij mijn ontwaken zag ik niemand meer van hen, die met mij aan land waren gegaan.” Nadat ik dit gezegd had, zag de kapitein mij sterk aan.

Hij bleef eenigen tijd in die houding staan, en hield zijne oogen onafgewend op mij. Eindelijk echter scheen hij zich mijne gelaatstrekken te herinneren, en tot de overtuiging te komen, dat ik werkelijk die Sindbad was, dien hij voor dood had gehouden. Allah zij geprezen,” riep hij uit, viel mij om den hals, „ik ben opgetogen van vreugde, dat ik door mijn' misslag niet schuldig ben aan uw' dood. Zie hier uwe goederen; zij zijn niet verminderd, maar vermeerderd, daar ik er een' gelukkigen handel mede heb gedreven, opdat uw kapitaal niet renteloos op uwe erfgenamen zou overgaan. Ik geef u alles met de daarop verkregen winst terug.

Van het eiland Salahad vertrokken wij naar een ander, waar ik eene goede lading kruidnagelen, kaneel en andere specerijen insloeg. Op onze terugreis zagen wij een' haai van twintig ellebogen lengte; alsmede een' anderen visch die veel op eene koe geleek. Zijne huid is zoo dik en hard, dat men er schilden van maakt, waardoor geen pijl kan dringen. Eindelijk liepen wij, na eene lange reis, te Balsora binnen. Van daar keerde ik naar Bagdad met een' grooten rijkdom aan geld en goederen terug. Wederom schonk ik daarvan een aanzienlijk deel aan de armen, en kocht nog verscheidene nieuwe landgoederen.”

Aldus eindigde Sindbad het verhaal van zijne derde reis. Hij deed Hindbad weder honderd sequinen geven en noodigde hem tegen den volgenden dag op het middagmaal, om het verhaal van zijne vierde reis aan te hooren. Zoodra de maaltijd op den volgenden dag afgeloopen was, nam Sindbad het woord, en zette aldus het verhaal van zijne hoogst zonderlinge lotgevallen voort.

VIERDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

De genoegens, die ik na mijne derde reis in ruime mate mogt smaken, hadden toch voor mij zoo veel bekoorlijks niet, dat daardoor mijne lust, om verre landen te bezoeken en vreemde dingen te zien, kon worden uitgebluscht. Ik stelde dus orde op mijne zaken, voorzag mij van een' goeden voorraad van allerlei kostbare koopwaren, en vertrok. Ditmaal voegde ik mij bij eene karavaan, die naar Perzië ging. Ik doorreisde verscheidene provinciën van dat uitgestrekte rijk, totdat ik eene zeehaven bereikte, waar ik mij inscheepte. Wij gingen onder zeil, en reeds hadden wij verscheidene havens aan het vasteland en eenige eilanden in de Indische zee bezocht, toen wij door een' orkaan werden overvallen, zoodat de kapitein zich verpligt zag de zeilen te strijken, en maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden, waarmede wij bedreigd werden. Al onze voorzorgen waren echter vruchteloos; de bevelen van den kapitein werden niet goed of te langzaam uitgevoerd, de zeilen vlogen los en aan stukken, het roer werd weggeslagen en het nu niet meer te besturen schip stiet op een rif en berstte. Vele passagiers verdronken, en de lading ging geheel verloren. Eenige der kooplieden en matrozen,” vervolgde Sindbad, „en ik, wij hadden het geluk, ons aan planken of andere drijvende overblijfselen van het uiteengeslagen schip vast te klemmen, en wij werden door den vloed, die zeer sterk was, op de kust geworpen van het eiland, dat voor ons lag. Wij vonden daar vruchten en eene bron van zoet water, wat ons zeer te stade kwam om onze krachten te herstellen. Wij bragten den nacht door op de plaats, waar de zee ons had aangespoeld, zonder nog te hebben nagedacht over hetgeen ons verder te doen stond. Onze verslagenheid over de ramp, die ons getroffen had, was daartoe te groot.

Den volgenden dag echter, zoodra de zon opkwam, verwijderden wij ons van het strand, en het eiland dieper ingaande, zagen wij spoedig eenige woningen, waarheen wij nu haastig onze schreden rigtten. Bij onze komst in het gehucht, dat uit een twintigtal hutten bestond, kwamen vele zwarten naar ons toeloopen. Zij omringden ons, maakten zich van onze goederen meester, en na die onder elkander verdeeld te hebben, bragten zij ons naar hunne woningen.

Met vijf van mijne kameraden kwam ik in het zelfde huis. Men deed ons nederzitten, diende ons een zeker kruid voor, en noodigde ons door teekenen uit om daarvan te eten. Het geregt zag er niet onsmakelijk uit en had een' aangenamen geur. Mijne makkers hierdoor verlokt, en alleen hunne hongerige magen raadplegende, vielen dadelijk aan, zonder op te merken, dat zij, die het ons voorzetten, er zelven niet van aten. Wat mij aangaat, door een voorgevoel gedreven, dat er welligt achter deze gastvrijheid der zwarten iets anders mogt schuilen, ik nam den schijn aan van te eten, maar zette er den mond niet aan. Ik bevond er mij wel bij, want weldra bleek het, dat mijne kameraden geheel buiten zinnen waren, en niet meer wisten wat zij zeiden.

Vervolgens diende men ons rijst voor, toebereid met kokosolie, en mijne van hun verstand beroofde makkers aten er duchtig van. Ik gebruikte slechts zeer weinig, naauwelijks genoeg om mijn' honger te stillen.

En raadt nu eens, mijne heeren!” vervolgde Sindbad, „waarom die lieve zwarten ons eerst dat kruid toedienden, en ons vervolgens op rijst onthaalden? Het eigenbelang speelde hier de hoofdrol, de gastvrijheid kwam niet in aanmerking; het waren menscheneters. Het bedwelmende kruid moest dienen, om ons het bewustzijn te benemen van het lot, dat ons te wachten stond (want te veel verdriet vermagert), en zij gaven ons rijst om ons vet te maken. Met mijne makkers hadden zij hun doel bereikt: zij hadden geen besef van hunnen toestand, aten zooveel zij maar konden en werden dagelijks dikker en vetter. Wat mij betreft, ik werd, in plaats van vet, nog magerder dan ik ooit geweest was.

De vrees voor zulk een' afgrijselijken dood, waardoor ik onophoudelijk gekweld werd, benam mij niet alleen den eetlust, maar deed de weinige spijzen, die ik gebruikte, in vergift veranderen. Ik kwijnde weg, en tot mijn geluk; want toen de zwarten mijne makkers geslagt en opgegeten hadden, lieten zij het daarbij niet blijven. Omdat zij zagen, dat ik mager, ontvleescht en ziek was, verschoven zij mijn' dood.

Intusschen genoot ik veel vrijheid, en men sloeg zoo weinig acht op mijne handelingen, dat dit mij in de gelegenheid stelde de woonplaats van mijne zwarte vrienden te verlaten. Een grijsaard, die mij zag gaan, en mijn voornemen giste, schreeuwde mij luidkeels na, dat ik terug moest komen. Maar wie zoo gek was, Sindbad de zeeman niet! Ik liep er slechts te sneller om, en was weldra buiten zijn gezigt. Die grijsaard was op dat tijdstip mijn eenige gevangenbewaarder, want al de anderen waren van huis en werden eerst tegen den avond terug verwacht: iets dat meermalen plaats had. Zij zouden dus bij hunne terugkomst het vogeltje gevlogen en de kooi ledig vinden, zonder veel kans te hebben mij te achterhalen; en daarop had ik gerekend. Men moet echter zijn' vijand niet te ligt achten; die zwarten kunnen loopen als windhonden en hebben een' scherpen reuk. Ik gebruikte dan de meest mogelijke voorzorg om uit hunne handen te blijven, want hiervan was ik zeker, vet of mager, zij zouden mij thans niet meer sparen. Ik liep den geheelen dag door; eerst des avonds gunde ik mij een weinig rust, en versterkte mij door eenige spijs te nemen van den kleinen voorraad, dien ik bij mijne vlugt had medegenomen. Gelukkig scheen de maan en flikkerden de sterren helder aan den blaauwen hemel, zoodat ik ook 's nachts kon voortgaan. Zoo liep ik zeven dagen lang, vermeed alle bewoonde plaatsen, en leefde, toen de voorraad verteerd was, van kokosnoten, wier kern mij tot spijs en wier melk mij tot drank verstrekte. Op den achtsten dag bereikte ik het strand; eensklaps bevond ik mij nu onder blanken, die peper plukten, welke op dat eiland in menigte groeit. Zoodra die lieden mij zagen, kwamen zij naar mij toe. Zij vraagden mij in het Arabisch wie ik was en van waar ik kwam. Verblijd dat ik mijne moedertaal hoorde spreken, voldeed ik bereidwillig aan hunne nieuwsgierigheid en verhaalde hun, hoe ik schipbreuk geleden had en op dat eiland was gekomen, waar wij in handen van wilden waren gevallen. „Maar die zwarten,” zeiden zij, „zijn menscheneters. Door welk wonder zijt gij aan hunne wreedheid ontkomen?” Ik deelde hun mede, wat u reeds bekend is, en zij waren ten hoogste verwonderd, dat ik, na het doorstaan van zoo vele gevaren en vermoeijenissen, nog in leven was.

Ik bleef bij hen totdat zij eene genoegzame hoeveelheid peper hadden ingezameld, waarna ik mij met hen inscheepte op het vaartuig, dat hen hier had gebragt, en waarmede zij nu naar het eiland terugkeerden. Zij stelden mij voor aan hun' koning, die een zeer menschlievend vorst was. Hij luisterde geduldig naar het verhaal van mijne rampen, en beklaagde mij. Hij deed mij kleederen geven, en beval, dat men mij in alles verzorgen zou.

Zijn eiland was sterk bevolkt en rijk aan allerlei voortbrengselen, waarmede de inwoners een' grooten handel dreven. Dit aangename oord en de goedheid van den edelmoedigen vorst troostten mij eenigzins over mijn ongeluk. Daar ik bij den koning in gunst stond, beijverde bijna een ieder zich om mij genoegen te doen, en beschouwde men mij niet langer als vreemdeling, maar als inboorling van het eiland.

Ik merkte inmiddels iets op, dat mij zeer vreemd voorkwam. Als de koning of een zijner onderdanen te paard reed, gebruikte hij noch zadel, noch toom of stijgbeugels. Dit deed mij de vrijheid nemen zijne majesteit te vragen, waarom men zich bij het paardrijden niet van deze gemakken bediende. Hij antwoordde mij, dat ik hem daar over dingen sprak waarvan het gebruik, ja zelfs de naam, in zijn rijk onbekend was.