Title: Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Author: Anonymous
Release date: June 4, 2014 [eBook #45875]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/45875
Credits: Produced by Clog, J.H. Berends and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne oranje stippellijn,
waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (met/zonder accent, met/zonder spatie, met/zonder koppelteken) zijn behouden.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.
Van „Duizend en één Nacht” zijn ook 3 andere delen als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg: Eerste deel (e-boek no. 45874), Derde deel (e-boek no. 45876) en Vierde deel (e-boek no. 45877).
Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
Duizend en één Nacht.
ARABISCHE
VERTELLINGEN.
NAAR DE BESTE BRONNEN VOOR ONZEN TIJD BEWERKT.
AMSTERDAM,
Gebrs. KOSTER.
1882.
„Beheerscher der geloovigen,” ving Zobeïde aan, „de geschiedenis, welke ik uwe Majesteit heb te verhalen, is eene der zonderlingste, waarvan men ooit gehoord heeft. De twee zwarte honden en ik, wij zijn drie zusters van de zelfde ouders, en ik zal u mededeelen, door welk vreemd toeval zij in honden veranderd zijn.
De twee dames die bij mij wonen, en die gij hier bij mij ziet, zijn ook mijne zusters van (den zelfden) vader, maar van eene andere moeder. Zij, die den boezem vol lidteekens heeft, draagt den naam van Amine, de andere heet Safie, en ik Zobeïde.
Na den dood van onzen vader werd zijne nalatenschap onder ons verdeeld, en toen mijne beide half-zusters haar aandeel ontvangen hadden, scheidden zij van ons, en gingen afzonderlijk wonen met hare moeder. Mijne eigene zusters en ik bleven bij onze moeder inwonen tot aan haren dood; zij liet ieder onzer duizend sequinen na.
Korten tijd daarna traden mijne beide oudste zusters, want ik ben de jongste, in den echt, volgden hare mannen, en lieten mij alleen achter. Niet lang na haar huwelijk, maakte de man van mijne oudste zuster al zijne goederen tot geld, en vertrok met zijne vrouw naar Afrika. Hier verkwistte hij spoedig, door goede sier te maken en door een losbandig leven te leiden, zijn eigen geld en dat wat mijne zuster mede ten huwelijk had gebragt. Toen hij zich tot de diepste armoede gebragt zag, zocht hij naar een voorwendsel om haar te kunnen verstooten, en joeg haar weg.
Na eene lange reis, waarop zij met bijna ongeloofelijke rampen had te worstelen, kwam zij in Bagdad terug, en zocht bij mij hare toevlugt in eenen toestand zoo medelijdenswaardig, dat het hardste gemoed er door zou zijn bewogen geworden. Ik ontving haar met al de toegenegenheid, welke zij van eene zuster kon verwachten, en vraagde haar, door welke omstandigheden zij in zulk een' ongelukkigen toestand was gebragt. Zij begon daarop bitter te schreijen, en maakte mij bekend met het slechte gedrag van haren man, en met de onwaardige wijze waarop hij met haar had gehandeld. Ik was zoo getroffen over haar ongeluk, dat ik niet kon nalaten met haar te weenen. Vervolgens deed ik haar in het bad gaan, gaf haar eenige van mijn eigene kleederen en zeide: „Lieve zuster! gij zijt ouder dan ik en ik beschouw u als mijne moeder. In uwe afwezigheid, heeft de hemel de weinige goederen, die mij ten deel waren gevallen, vermeerderd, en het aankweeken van zijdewormen, heeft mij goede winsten opgeleverd. Verlaat er u op dat ik niets heb, wat niet tevens het uwe is, en waarover gij niet even als ik kunt beschikken.”
Wij woonden te zamen en leefden gedurende vele maanden in de volmaaktste eensgezindheid. Dikwijls spraken wij over onze derde zuster, en het bevreemdde en verontrustte ons, dat wij niets van haar vernamen. Op zekeren dag echter stond zij eensklaps voor mij, en dit in een' even ellendigen toestand, als waarin ik mijne oudere zuster had teruggevonden. Haar man had haar op eene gelijke wijze behandeld en eindelijk weggejaagd. Ik nam haar met liefde in mijne woning op.
Op zekeren tijd kwamen mijne zusters bij mij, en er zich op beroepende, dat zij vreesden mij tot last te zijn, zeiden zij, plan te hebben om te hertrouwen. Ik gaf haar te kennen dat, indien zij geene andere reden hadden, dan vrees van mij tot last te zijn, zij gerust bij mij konden blijven, daar mijn vermogen en mijne verdiensten toereikend waren, om ons alle drie, overeenkomstig onzen stand, te onderhouden. „Maar,” voegde ik er bij, „ik vrees veeleer; dat gij werkelijk lust hebt te hertrouwen. Indien dit zoo is, moet ik bekennen, dat het mij zeer verwondert. Hoe toch kunt gij, na hetgeen gij in uw eerste huwelijk hebt ondervonden, naar een tweede haken. Het is u immers gebleken, hoe bezwaarlijk het is een' man te vinden, die onze liefde in alle opzigten waardig is. Gelooft mij, het zal beter voor u en ook voor mij zijn, indien wij te zamen blijven wonen, en voortgaan elkander het leven zoo aangenaam te maken, als mogelijk is.”
Alles wat ik mogt inbrengen, bleef echter zonder uitwerking. Zij hadden besloten te hertrouwen en volvoerden haar voornemen. Maar na verloop van slechts eenige maanden kwamen zij terug, en vraagden mij duizendmaal verschooning, omdat zij mijnen raad niet hadden gevolgd. „Gij zijt onze jongste zuster,” zeiden zij, „maar gij zijt verstandiger dan wij. Indien gij de goedheid wilt hebben, ons andermaal in uwe woning te ontvangen, zoo beschouw ons als uwe slavinnen, en wij zullen ons in het vervolg wel wachten, wijzer te willen zijn dan gij, en ons eigen dwaas hoofd te volgen.” „Lieve zusters,” zeide ik, „onze laatste scheiding heeft aan mijne genegenheid voor u niets veranderd; gij zijt mij welkom, en wat ik bezit, beschouwt dat ook als het uwe.” Ik omhelsde haar, en wij bleven weder te zamen wonen.
Gedurende een jaar leefden wij in volkomene eendragt; door de gunst des hemels nam mijn klein kapitaal zoo zeer toe, dat ik mij in staat zag gesteld, een handel van meer omvang te ondernemen. Tot dat einde begaf ik mij met mijne zusters naar Balsora, waar ik een tot de reis geheel uitgerust schip voor zeer matigen prijs aankocht, en met de goederen, welke ik uit Bagdad ontbood, bevrachtte. Wij gingen met een' gunstigen wind onder zeil, en weldra kwamen wij door de golf van Perzië in de ruime zee. Hier zetten wij koers naar Indië, en na twintig dagen zeilens zagen wij land. Het was een zeer hooge berg, aan wiens voet wij eene stad bemerkten, die ons zeer groot en aanzienlijk toescheen. Daar er eene frissche koelte woei, liepen wij nog vóór den avond de haven binnen, waar wij het anker lieten vallen.
Ik had niet zoo lang geduld, tot mijne zusters zich gereed gemaakt hadden, om mij te vergezellen. Ik liet mij aan wal zetten en ging regt op de stadspoort aan. Hier vond ik eene talrijke wacht van soldaten, van welke sommige zaten en andere stonden, en die alle met knuppels gewapend waren. Het voorkomen dezer lieden was zoo afschuwelijk, dat ik er van schrikte. Daar ik evenwel spoedig bemerkte dat zij zich niet bewogen, en zelfs de oogen niet verdraaiden, herstelde ik mij, trad nader bij, en ontdekte dat zij versteend waren.
Ik ging de stad binnen en verscheidene straten door, doch de menschen die ik zag waren, even als de schildwachten aan de poort, levenloos en versteend. In den bazar vond ik bijna alle winkels gesloten, en in de weinige, die hierop eene uitzondering maakten, waren de zich daarin bevindende kooplieden en winkelbedienden ook in steenen beelden veranderd. Ik zag nu naar de schoorsteenen, maar geen enkel rookwolkje steeg daaruit op, hetgeen mij tot de overtuiging bragt, dat de geheele bevolking dezer stad, zoo wel binnen als buiten de huizen, door eene voor mij onverklaarbare oorzaak, in één oogenblik des tijds, te midden van hare bezigheden in steen was veranderd.
Door nieuwsgierigheid gedreven, kwam ik eindelijk op een groot plein in het midden der stad. Hier zag ik eene groote en hooge poort, waarvan de deuren, die met gouden platen belegd waren, openstonden. Boven de poort hing eene gouden lamp en voor den ingang van het portaal bevond zich een zijden voorhangsel, dat mij belette naar binnen te zien. De prachtige geheel uit wit marmer opgetrokken voorgevel van dit trotsche gebouw, liet mij evenwel geen' twijfel over, of ik bevond mij voor het paleis van den regerenden vorst. Ik ligtte het voorhangsel op; de lijfwachten des konings, die zich in het voorhof bevonden, en zich in verschillende standen aan mijn verwonderd oog vertoonden, stonden zaten of lagen als steenen beelden, en konden mij dus den toegang naar het binnenste van het paleis niet beletten. Eerst kwam ik in een ruim voorhof; hier bevonden zich eene groote menigte hofdienaren van welke de een scheen te komen, de andere te gaan, zonder dat echter een hunner zich van zijne plaats bewoog, daar ook zij versteend waren. Ik ging over een tweede en derde binnenhof, maar overal heerschte de stilte van het graf en eene doodschheid, welke mij deed huiveren.
Het vierde binnenhof overgegaan zijnde, bevond ik mij tegenover een zeer schoon gebouw, waarvan de vensters van massief gouden traliën voorzien waren. Dit scheen mij toe het verblijf van de koningin te zijn. Ik trad het gebouw binnen, en het eerste wat ik zag was de zwarte wacht, vóór de vertrekken van de vorstin. Zij belette mij niet mijn onderzoek te vervolgen, en ik kwam nu in eene zeer prachtige zaal. Hier lag op eene sofa eene dame van uitstekende schoonheid, maar ook in steen veranderd. De gouden kroon, welke zij op het hoofd had, en het snoer parels, grooter dan hazelnoten, om haren hals overtuigden mij dat dit de koningin was.
Mijne oogen konden zich niet verzadigen aan al den rijkdom en al de pracht van dit vertrek. Het tapijt, de kussens en de sofa waren met goud gestikt, en dit met zooveel kunst, dat ik nooit iets dergelijks gezien had.
Van het vertrek der koningin kwam ik in eene andere zaal, welke de vorige nog ver in pracht overtrof. Ik zag daar eene verhevenheid van massief goud met smaragden ingelegd, waarop een praalbed van de rijkste stof, overdekt met eene sprei van de fijnste zijden en met paarlen geborduurd. Doch hetgeen mijne verbazing in nog hoogere mate opwekte was, een fel licht, gelijk dat der zon op hare middag-hoogte, hetwelk mij van het rustbed in de oogen flonkerde. Nieuwsgierig naar de oorzaak van dit wonderlijke licht, klom ik de trappen op, die naar die verhevenheid geleidden, en voorover buigende, zag ik op een voetbankje een' diamant liggen, zoo groot als het ei van een' struisvogel, en met zoo veel kunst geslepen, dat de bekwaamste juwelier dit werk als onverbeterlijk had moeten prijzen. Toen ik den steen in mijne hand nam en tegen het daglicht hield, schitterde hij zoo, dat ik er als door verblind, en het licht van twee aan het hoofdeneinde van het rustbed brandende flambouwen er door verduisterd werd. Deze laatste bijzonderheid echter deed mij de opmerking maken, dat zich in dit paleis, hoe vele versteenden ik daar ook had aangetroffen, toch nog een levend wezen moest bevinden, daar ik niet kon gelooven dat deze flambouwen door eigen kracht ontstoken waren.
Toen nu de hoop bij mij verlevendigd werd dat ik eindelijk in deze eenzaamheid een mensch zou aantreffen, zette ik mijn onderzoek met vernieuwden ijver voort. Ik kwam nog in verscheidene vertrekken, het eene al prachtiger dan het andere, maar wat ik ook zocht, een levend wezen ontmoette ik nergens. Intusschen spoedde de dag ten einde, en ofschoon ik door mijne nieuwsgierigheid mij zelve, mijn schip en mijne zusters had vergeten, begon ik thans toch te begrijpen dat het hoog tijd werd, om naar boord terug te keeren. Ik wilde nu langs denzelfden weg heengaan, maar daar het reeds donker werd, verdwaalde ik in dien doolhof van vertrekken, en het was reeds geheel duister, toen ik weder te regt kwam in de zaal, waar zich het praalbed, de diamant en de brandende flambouwen bevonden.
Ik bevond mij in groote verlegenheid; van twee kwaden echter het kleinste kiezende, besloot ik den nacht in deze zaal door te brengen, en den volgenden morgen naar mijn schip terug te keeren. Ik legde mij op het praalbed neder, doch de doodsche stilte die mij omgaf, verontrustte mij, zoodat ik den slaap niet kon vatten.
Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen ik tot mijne verbazing, en ik moet er bijvoegen tot mijne vreugde eene menschelijke stem hoorde, die overluid in den koran las. Het moest dus iemand van mijn geloof zijn, wat mij nog meer verblijdde. Ik stond dadelijk op, nam eene der flambouwen, en ging op het geluid af door eene lange rij van vertrekken, tot dat ik aan een kabinet kwam, waaruit de stem scheen te komen. Ik doofde mijne flambouw uit, en mijn oog voor het sleutelgat houdende, bespeurde ik dat het een bidvertrek was. Ik zag er, even als in onze moskeën, eene nis, welke aanwees, naar welken kant de bidder zich moest wenden, om het gelaat naar Mekka gekeerd te hebben, waar zich het graf van den grooten profeet bevindt. Ook ontdekte ik eenige aan de zoldering hangende lampen, en twee op kandelaars brandende waskaarsen.
Maar wat mij de grootste belangstelling inboezemde, was een jongeling van een zeer innemend uiterlijk, die op een tapijt nedergehurkt in den koran las, welken hij op een' lessenaar voor zich had liggen. Ten hoogste verbaasd in eene stad, waarvan de geheele bevolking versteend was, dezen jongeling in leven te zien, twijfelde ik niet, of met hem moest een groot wonder hebben plaats gehad.
Daar de deur van het bidvertrek niet geheel gesloten was, opende ik die zonder gedruisch te maken, plaatste mij tegenover de nis, en sprak met luider stem het volgende gebed uit: „Geloofd zij Allah! die ons met eene gelukkige zeereis heeft begunstigd! Dat het hem behage, ons ook op de terugreis te beschermen, en ons behouden in het vaderland terug te brengen! Hoor mij, Heer, en laat mijn gebed bij u verhooring vinden.”
De jongeling dus eensklaps gestoord, en zeker hier niemand verwachtende, zag mij met eenige verbazing aan. „Mijne goede dame!” zeide hij, „heb de beleefdheid mij te zeggen, wie gij zijt, en wat u heeft bewogen in deze verwoeste stad te komen. Tot dank daarvoor ben ik bereid u te zeggen, wie ik ben, wat met mij is gebeurd, hoe de inwoners van deze stad in den toestand zijn gebragt waarin gij ze gevonden hebt, en waarom juist ik alleen in deze algemeene ramp ben gespaard gebleven.”
Ik verhaalde nu den jongeling in weinige woorden, wat mij tot mijne zeereis had bewogen, en hoe ik, na eenen togt van twintig dagen, met mijn schip in de haven was aangekomen. Eindelijk gaf ik hem mijne verbazing te kennen over hetgeen ik in deze stad had gezien, en herinnerde hem aan zijne belofte om dit raadsel voor mij op te lossen.
„Lieve Dame,” sprak nu den jongeling, „heb een oogenblik geduld.” Dit zeggende, rolde hij den koran op, borg ze in eenen kostbaren koker en plaatste dezen in de nis. Deze oogenblikken nam ik waar, om hem met aandacht te beschouwen, en hij kwam mij zoo schoon en zoo bevallig voor, dat in mij een gevoel opkwam, waaraan ik tot dusverre vreemd was gebleven. Hij deed mij naast zich plaats nemen, en ik was mij zelven zoo weinig meester dat ik, vóór hij nog begon te spreken, mij niet kon weêrhouden tot hem te zeggen, en wel met een' blik die hem de teedere gevoelens moest doen kennen, welke hij mij reeds op het eerste gezigt had ingeboezemd: „Beminnenswaardig jongeling! geliefde van mijn hart! niemand kan met meer ongeduld dan ik de opheldering afwachten van zoo vele wonderlijke zaken, die mij zijn voorgekomen, van het oogenblik af, dat ik mijne voeten in deze stad heb gezet, tot nu toe. Spreek dus, ik bid er u om, en zeg mij door welk wonder gij alleen in leven zijt van de vele duizenden, die zulk een' vreeselijken dood gestorven zijn.”
„Mejufvrouw!” zeide de jongeling, „door het gebed, dat gij in mijne tegenwoordigheid tot Allah hebt opgezonden, is het mij gebleken, dat gij den waren God kent. Gij zult van zijne goedheid en almagt een merkwaardig voorbeeld vernemen. Laat mij u vooraf zeggen dat deze stad de hoofdplaats is van een magtig koningrijk, waarover mijn vader den scepter zwaaide. Deze vorst, zijn geheele hof, de inwoners van deze stad en al zijne onderdanen waren toovenaars, aanbidders van het vuur en van Nardoun, den ouden koning der reuzen, opstandelingen tegen Allah.
Hoewel uit afgodische ouders geboren, is mij echter het geluk te beurt gevallen, dat ik in mijne kindschheid werd toevertrouwd aan eene gouvernante, welke het ware geloof was toegedaan, en den koran uit het hoofd kon opzeggen en verklaren. „Prins!” zeide zij dikwijls tot mij, „er is maar één ware God; wacht u dus de afgoden te dienen en te aanbidden.” Zij leerde mij het Arabisch lezen, en het boek dat zij mij gaf, om mij in die taal te oefenen, was de koran. Zoodra ik er vatbaar voor was, beijverde zij zich mij dit voortreffelijk boek uit te leggen, hetgeen echter buiten weten van mijn' vader of iemand anders plaats had. Eindelijk werd zij mij door den dood ontrukt, doch ik had reeds zoo veel nut van haar onderwijs getrokken, dat ik van de waarheid van het Mahomedaansche geloof ten volle overtuigd was. Na haren dood ben ik daarbij gebleven, en had een' grooten afkeer van den afgod Nardoun en van de aanbidding van het vuur.
Na drie jaar en eenig maanden geleden,” vervolgde de jonge prins, „had er hier eene zeer zonderlinge en opmerkenswaardige gebeurtenis plaats. Boven in de lucht liet zich eene stem hooren als van eene bazuin, die door het geheele land vernomen werd en welke sprak: „Inwoners verlaat de dienst van Nardoun en van het vuur. Aanbidt den eenigen God, die den hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daar in is.”
Drie achtereenvolgende jaren liet zich deze stem hooren, maar niemand gaf er gehoor aan of bekeerde zich van de dienst der afgoden. Ja, sommigen dreven er den spot mede, tot dat op den laatsten dag van het derde jaar, des morgens tusschen drie en vier uren, alle inwoners in één' oogwenk in steenen werden veranderd, en in de zelfde houding bleven, waarin zij op dat tijdstip gingen, lagen of stonden. Den koning mijn' vader trof hetzelfde lot; hij werd in een' zwarten steen veranderd, zoo als hij nog in een der vertrekken van dit paleis te zien is. Ook mijne moeder de koningin deelde in het gods-oordeel. Ik ben de eenigste, die door de barmhartigheid van Allah van deze algemeene en verschrikkelijke straf gespaard bleef. Van dat oogenblik af heb ik Hem met verdubbelden ijver gediend, en ik ben overtuigd, mijne schoone dame, dat Hij het is, die u hier heen heeft gezonden om mij te troosten. Ik dank Hem daarvoor met geheel mijn hart, want ik wil u wel bekennen, dat deze eenzaamheid voor mij zeer onaangenaam is.”
Door dit verhaal, en vooral door zijne laatste woorden had de jongeling mijn hart geheel en al gewonnen. „Prins!”, zeide ik tot hem, „wij mogen er niet aan twijfelen, of het is de Voorzienigheid welke mij in deze haven heeft gevoerd, ten einde u in de gelegenheid te stellen dit rampzalige oord te verlaten. Het schip, waarmede ik mij hier bevind en dat mijn eigendom is, zal u het bewijs leveren, dat ik in mijne woonplaats Bagdad in eenig aanzien ben; ook heb ik daar nog vrij aanzienlijke bezittingen achtergelaten. Ik bied u een' verblijf ten mijnent aan, tot dat de magtige Beheerscher der geloovigen, de plaats-bekleeder van den grooten Profeet, in wien ook gij gelooft, u, naar uwe verdiensten beloond en eene andere plaats aangewezen zal hebben. Deze beroemde vorst heeft zijn verblijf te Bagdad, en zoodra uwe aankomst in zijne hoofdstad te zijner kennis zal zijn gekomen, zal hij er op bedacht zijn u regt te laten wedervaren, en u in zijne gunst te doen deelen. Het is niet mogelijk, dat gij langer in eene stad blijft, waar elk voorwerp dat gij aanschouwt voor u ondragelijk moet zijn. Mijn schip is tot uwe dienst, en gij kunt er over beschikken naar uw welgevallen.” De prins nam mijn aanbod met vreugde aan, en wij bragten het overige van den nacht door met alles te bespreken, wat op onze inscheping betrekking had.
Zoodra het dag werd, verlieten wij het paleis en gingen naar de haven en naar mijn schip. Ik vond mijne zusters en den kapitein in groote ongerustheid over mijne voor hen onverklaarbare afwezigheid. Ik stelde den prins aan mijne zusters voor, en deelde haar mede, wat mij had belet den vorigen avond weder aan boord te komen.
De matrozen bragten verscheidene dagen door met het ontschepen van de koopmans-goederen, welke ik aan boord had, en het inladen van het kostbaarste, wat het paleis aan edelgesteenten, goud en zilver bevatte. De meubelen en vele andere dingen van groote waarde moesten wij, bij gebrek aan scheepsruimte, achterlaten. Om al de kostbaarheden, die wij zagen, naar Bagdad over te brengen, ware wel eene geheele vloot noodig geweest. Nadat wij het schip bevracht hadden met eene lading, zoo rijk als wij slechts konden wenschen, werden de watervaten gevuld, en namen wij vele van de beste levensmiddelen mede, zonder daaraan juist behoefte te hebben, want de voorraad waarvan ik mij te Balsora had voorzien, was meer dan voldoende voor onze terugreis. Toen alles gereed was gaf ik den kapitein last het anker te doen opwinden, en daar de wind gunstig was gingen wij nog dien zelfden dag onder zeil.
Gedurende de eerste dagen van onze terugreis leefden wij, de prins, mijne zusters en ik, in de beste eendragt, en wij bragten den tijd zeer genoegelijk door. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Mijne zusters konden de verstandhouding, die tusschen mij en den jongen prins bestond, niet zonder jaloerschheid aanzien. Zij vraagden mij op een' hatelijken toon, wat wij bij onze aankomst te Bagdad met dien prins uit de versteende stad zouden aanvangen. Ik bemerkte zeer wel, dat zij met deze vraag geen ander doel hadden, dan om mijne gevoelens uit te vorschen. Daarom nam ik den schijn aan de zaak als scherts te willen behandelen, en gaf haar ten antwoord, dat ik hem tot mijnen man zoude nemen. Mij daarop tot den prins wendende, zeide ik: „Prins! ik bid u daarin toe te stemmen. Mijn plan is, zoodra wij te Bagdad zullen zijn, u mijne persoon aan te bieden, ten einde uwe zeer nederige slavin te zijn, bereid om u te dienen, en u te erkennen als Heer en meester van mijn' wil en mijne wenschen.”
„Mejufvrouw!” antwoordde de prins, „ik weet niet of dat uwe meening is, maar wat mij aangaat, ik verklaar u in vollen ernst, hier in bijzijn van uwe zusters, dat ik uw aanbod met geheel mijn hart aanneem, evenwel wil ik u niet als slavin beschouwen, maar wel als gebiedster, wier minste wenschen ik mij steeds zal gelukkig achten te kunnen vervullen.” Bij dit antwoord van den prins, dat, naar den toon waarop hij sprak, genoegzaam bleek ernstig gemeend te zijn, verbleekten mijne zusters, en van dat oogenblik af kon ik aan alles bemerken, dat ik hare genegenheid had verloren, en zij mij geen goed hart toedroegen. Wij waren reeds in de golf van Perzië, en bij den gunstigen wind dien wij hadden hoopte ik, dat wij den volgenden dag de haven van Balsora zouden bereiken. Maar in dienzelfden nacht, terwijl ik in een gerusten slaap lag, grepen mijne zusters mij onverhoeds aan, en wierpen mij over boord. Met den prins handelden zij op dezelfde verraderlijke wijze; hij zonk dadelijk naar de diepte en verdronk. Ik wist mij eenigen tijd boven water te houden, en bij geluk of liever als door een wonder voelde ik eensklaps grond onder mijne voeten. Ik liep op goed geluk voort; het water, dat mij eerst tot aan den hals stond, nam langzamerhand in diepte af, en reikte mij weldra nog slechts tot aan de knieën. Spoedig bevond ik mij nu op het drooge, en toen de dag aanbrak en ik de voorwerpen kon onderscheiden, bemerkte ik, dat ik op een klein onbewoond eiland was. Nadat ik mijne kleederen in de zon gedroogd had, wandelde ik dieper landwaarts in. Al voortgaande, vond ik verscheidene soorten van vruchten en eindelijk ook eene bron van zoet water, hetgeen mij hoop gaf, mijn leven zoo lang te zullen kunnen rekken, totdat ik door den een' of anderen visscher, die dit eiland aandeed, om zich van versch water of van vruchten te voorzien, uit mijne ballingschap verlost werd.
Vermoeid van het omdolen, zette ik mij in de nabijheid van de bron onder het lommer van een' boom neder. Eensklaps zag ik nu eene gevleugelde slang van verbazende dikte en lengte op mij afkomen. De slang scheen echter geen kwaad tegen mij in den zin te hebben, maar wrong en kronkelde zich in allerlei bogten, hetgeen mij deed denken, dat zij door het een of ander ongemak gekweld werd. Ik rigtte mij op, en nu bespeurde ik, dat deze slang bij den staart werd vastgehouden door eene andere, nog veel grooter, die haar trachtte te verslinden. Dit maakte mijn mededoogen gaande, en in plaats van te vlugten, had ik de tegenwoordigheid van geest en den moed, een' grooten steen, dien ik in mijne nabijheid zag, op te rapen en met alle kracht naar de grootste slang te werpen. Ik trof haar juist aan den kop, die geheel verpletterd werd. Toen de andere slang bespeurde, dat zij van hare vijandin bevrijd was, spreidde zij dadelijk de vleugels uit en vloog weg. Ik zag haar eenigen tijd in de lucht na, als een voor mij vreemd verschijnsel, doch toen ik haar uit het gezigt had verloren, zette ik mij weder in de schaduw van den boom neder, en de vermoeijenis deed mij weldra inslapen.
Bij mijn ontwaken zag ik tot mijne groote verwondering eene zwarte vrouw voor mij, welke twee zwarte honden bij zich had, die even als brakken met een' ketting aan elkander waren gebonden. De vrouw had niets afschrikwekkends in haar wezen, maar hare oogen, die zij op mij gevestigd hield, flonkerden als sterren bij helder weder. Ik ging overeind zitten, en vraagde haar wie zij was en wat zij van mij verlangde? „Ik ben,” antwoordde zij, „de slang, welke gij niet lang geleden van hare wreedste vijandin hebt verlost. Ik meende de dienst, welke gij mij hebt bewezen, niet beter te kunnen erkennen, dan op de wijze, zoo als ik dit gedaan heb. Het trouweloos verraad van uwe zusters was mij bekend, en ik besloot u deswege wraak te verschaffen. Zoodra ik mij door uwe hulp in vrijheid bevond, nam ik eene menigte mijner gezellinnen mede, die even als ik toovergodinnen zijn. Gezamentlijk hebben wij de lading van uw schip naar Bagdad in uwe magazijnen overgebragt, zonder dat er iets aan ontbreekt, en daarna deden wij het schip vergaan. Deze twee zwarte honden zijn uwe zusters, aan welke ik die gedaante heb gegeven. De straf is echter niet voldoende, en het is mijne begeerte, dat gij er mede zult handelen, zoo als ik u zeggen zal.”
Bij deze laatste woorden, sloeg de toovergodin den regter arm om mijne middel, en de beide honden onder den linker nemende, verhief zij zich in de lucht, en bragt ons in een oogwenk naar Bagdad in mijne woning over. En werkelijk vond ik in mijne magazijnen al de kostbaarheden terug, waarmede mijn schip bevracht was geweest. Vóór dat zij van mij scheidde, gaf de toovergodin de twee honden aan mij over, met de woorden: „Ik wil en ik beveel u, in naam van hem, die de zee beroert en bruischen doet als een' borrelenden tooverpot, dat gij iederen nacht aan elke van uwe zusters honderd zweepslagen zult geven, om haar te straffen voor de misdaad, welke zij aan u en aan den jongen prins hebben begaan, die dit met den dood heeft moeten bekoopen. Schiet gij hierin te kort,” vervolgde de toovergodin op dreigenden toon, „scheldt gij haar slechts een' enkelen slag kwijt, zoo zult gij even als zij in eenen hond worden veranderd, en ik zelve zou u aan die straf niet kunnen onttrekken, want hij, die het mij bevolen heeft, is magtiger dan ik.”
Er bleef mij alzoo niets anders over dan haar bevel te volgen, want al had ik mij ook voor mijne zusters willen opofferen, zij zouden daarbij geene baat gevonden hebben. Doch gij zijt getuige geweest, Sire! van die strafoefening, en ook hoe ik met mijne zusters geweend heb, omdat ik gedwongen ben, haar dus te mishandelen, niettegenstaande mijn hart er onder bloedt, en ik haar reeds lang heb vergeven. Uwe majesteit kan dus zelve oordeelen, of ik niet meer te beklagen ben dan te verachten. Is er echter nog iets, dat mij betreft, Sire! en dat gij moogt wenschen te weten, mijne zuster Amine zal er u in het verhaal van hare lotgevallen de opheldering van geven.”
Toen de kalif Zobeïde met bewondering had aangehoord, liet hij de bevallige Amine door zijn' groot-vizier verzoeken, hem nu op hare beurt bekend te maken met de oorzaak van die vele en diepe likteekenen, welke hij bij haar, tot zijne groote verbazing, had opgemerkt.
„Beheerscher der geloovigen!” zoo ving zij haar verhaal aan, „ten einde uwe majesteit niet te vervelen, door in herhaling te vervallen omtrent zaken, welke u reeds bekend zijn uit de geschiedenis van mijne zuster, zal ik u alleen zeggen, dat mijne moeder, voor zich zelve een afzonderlijk huis betrokken hebbende, waarin zij haren weduwenstaat wilde doorbrengen, mij uithuwelijkte aan een' der rijkste kooplieden van deze stad, terwijl zij mij als bruidschat mijn vaderlijk erfdeel uitkeerde.
Ik was naauwelijks een jaar gehuwd, toen ik weduwe werd en in het volle bezit kwam der nalatenschap van mijn' man, welke zeer aanzienlijk was en meer dan negentig duizend sequinen beliep. Alleen de rente van dit kapitaal was voor mij voldoende, om op een' goeden voet te leven. Zoodra de eerste zes maanden van mijn' rouw voorbij waren, liet ik mij tien verschillende kleederdragten maken, zoo prachtig, dat elk kleed mij op duizend sequinen te staan kwam, en na verloop van een jaar begon ik die te dragen.
Op zekeren dag, dat ik geen gezelschap had, en mij met eenige huisselijke zaken onledig hield, kwam men mij zeggen, dat er eene dame was, die mij verlangde te spreken. Ik gaf last haar binnen te laten. Het was eene reeds hoog bejaarde vrouw. Zij groette mij door met het hoofd ter aarde te buigen, en op hare knieën liggende, sprak zij mij met deze woorden aan: „Mevrouw, ik bid u, mij de vrijheid te vergeven, die ik neem door u lastig te vallen. Het vertrouwen, dat ik in uwe edelmoedigheid stel, is alleen in staat, mij zoo stoutmoedig te maken. Ik moet u dan zeggen, mijne hooggeëerde dame, dat ik eene kleindochter heb, eene wees, welke heden in het huwelijk zal treden. Wij zijn hier echter vreemdelingen, en hebben in deze stad volstrekt geene kennissen. Dit brengt ons in groote verlegenheid, want wij wenschen aan de aanzienlijke familie, waarmede wij ons verbinden zullen, te doen gevoelen, dat ook wij hier geene onbekenden zijn en eenige achting genieten. Het is daarom, mijne edelmoedige dame, dat wij ons ten hoogste aan u verpligt zouden rekenen, indien gij goed kondet vinden ons op de bruiloft met uwe hooggeachte tegenwoordigheid te vereeren. Gij zoudt ons daardoor hoogst gelukkig maken, omdat de familie, met welke wij ons zullen verbinden, niet anders dan goede gedachten van ons zal kunnen hebben, zoodra zij zien zal, dat eene dame van uwen rang, het niet beneden hare waardigheid heeft geacht, ons hare tegenwoordigheid te schenken. Maar helaas! indien gij onze nederige bede afslaat, welk eene teleurstelling zal dit voor ons zijn! Wij zouden dan niet weten, tot wie anders ons te wenden.”
Deze toespraak, welke de goede dame deed vergezeld gaan van hare tranen, bewoog mij om medelijden met haar te hebben. „Mijne goede moeder,” zeide ik, „ik wil u het genoegen wel aandoen, waarom gij mij verzoekt; zeg mij slechts, waar ik moet wezen; ik verlang niet meer tijd, dan noodig is, om mij daarvoor te kleeden.” De oude dame was door dit antwoord van vreugde opgetogen, en kuste mijne voeten, eer ik dit kon beletten. „Mijne edelmoedige dame,” hernam zij, zich weder oprigtende, „Allah zal u de goedheid vergelden, welke gij voor uwe dienstmaagd hebt, en uw hart verblijden, gelijk gij het onze verblijdt. Het is echter niet noodig, dat gij u de moeite geeft naar onze woning te zoeken, of dat gij u overhaast; het is voldoende, dat gij tegen den avond gereed zijt, wanneer ik zelve u zal komen afhalen. Ontvang de betuigingen van mijnen eerbied, Mevrouw,” voegde zij er bij, „ik hoop u weldra weder te zien.”
Zoodra zij mij had verlaten, nam ik uit mijne garderobe dat kleed, hetwelk ik meende, dat mij het bevalligst stond, benevens een kostbaar parelsnoer, braceletten, ringen en oorhangers die van diamanten fonkelden. Het was, als of ik een voorgevoel had van hetgeen mij te wachten stond.
Reeds begon het avond te worden, toen de oude dame zich liet aanmelden. De vreugde stond op haar gelaat te lezen. Zij kuste mij de hand en zeide: „Lieve dame, de bloedverwanten van mijn' aanstaanden schoonzoon zijn reeds allen in mijne woning bijeengekomen; zij behooren tot de aanzienlijksten van deze stad, en het zal hun voorzeker eene groote vreugde zijn, u in hun midden te zien. Mag ik thans de eer hebben u ten mijnent te geleiden?”
Wij begaven ons zonder verwijl op weg; zij ging vooruit en ik volgde haar met een groot aantal mijner slavinnen, welke allen sierlijk uitgedost waren. Wij hielden stil in eene breede straat, voor een sierlijk gebouw met eene dubbele poort, door eene groote lantaarn verlicht, bij wier licht het mij niet moeijelijk viel, het met gouden letters boven de poort geplaatste opschrift te lezen: „Hier is het verblijf van eeuwigdurende vreugde en van vermaak.” De oude dame klopte aan en oogenblikkelijk werden de vleugeldeuren geopend. Men bragt mij over het binnenhof naar het hoofdgebouw en geleidde mij in eene prachtige zaal, waar ik werd ontvangen door eene jonge dame van onvergelijkelijke schoonheid. Zij kwam naar mij toe, omhelsde mij en deed mij naast zich plaats nemen op eene sofa, onder een' troonhemel van kostbaar hout en met gouden platen en kostbare edelgesteenten ingelegd. „Mevrouw!” sprak zij op een' innemenden toon, „men heeft u verzocht hier te komen, om eene bruiloft bij te wonen, maar ik hoop, dat die bruiloft van anderen aard zal zijn, dan gij u dit hebt voorgesteld. Ik heb een' broeder, van wien ik zonder overdrijving durf zeggen, dat hij de schoonste en welgemaaktste van alle mannen is. Hij is zoo opgetogen door den lof van uwe schoonheid, dat zijn lot in uwe handen is, en dat hij zeer ongelukkig zal zijn, zoo gij geen medelijden met hem hebt. De rang, dien gij in de wereld bekleedt, is hem bekend, en ik kan u verzekeren, dat de zijne daarbij niet behoeft achter te staan. Indien mijne bede, mevrouw, iets op u vermag, zoo voeg ik die bij de zijnen, en ik smeek u het aanbod van zijn hart en van zijne hand, dat hij u door mij laat doen, niet af te wijzen.”
Sedert den dood van mijn' man, had ik nog aan geen tweede huwelijk gedacht, maar ik had de kracht niet aan eene zoo schoone en beminnelijke jonge dame iets te weigeren. Zoodra had ik niet door een veel beteekenend zwijgen en door het rood, dat mijne wangen kleurde, mijne toestemming gegeven, of zij klapte in de handen en uit een zijvertrek trad een jongeling te voorschijn van zulk een belangwekkend voorkomen en van eene zoo mannelijke schoonheid, dat ik er door getroffen werd. Hij zette zich bij mij neder, en in het gesprek, dat wij voerden, liet hij zooveel geest en kennis doorstralen, dat ik de overtuiging bekwam, dat zijne zuster, zijne verdiensten prijzende, nog verre beneden de waarheid was gebleven.
Toen de jonge dame zag, dat wij over elkander tevreden waren, klapte zij andermaal in de handen en een kadi(1) trad binnen. Deze stelde zonder verwijl ons huwelijks-contract op, teekende het, en liet het ook teekenen door de vier getuigen, die hij tot dat einde had medegebragt. De eenige zaak, welke mijn nieuwe echtgenoot van mij begeerde, was dat ik nimmer met een' anderen man zou spreken, en mijn gelaat alleen voor hem ontsluijeren. Hij zwoer mij, dat ik, onder die voorwaarden, alle reden zou hebben over hem tevreden te zijn. Op deze wijze werd ons huwelijk gesloten en voltrokken, zoodat ik de voornaamste persoon werd op eene bruiloft, waarop ik alleen als genoodigde dacht te verschijnen.
Eene maand na ons huwelijk verzocht ik aan mijn' man verlof om te mogen uitgaan, ten einde op de bazar eenige inkoopen te doen. Hij stond mij dit toe, en tot gezelschap, nam ik de oude dame mede, van wien ik reeds gesproken heb, en die tot ons huis behoorde, benevens twee van mijne slavinnen.
Toen wij op de bazar kwamen, zeide de oude dame tot mij: „Mijne goede meesteres, daar gij naar eene zijden stof zoekt van groote zeldzaamheid, zal het 't best zijn, dat ik u breng bij een' jongen koopman, dien ik ken. Zijn magazijn is zeer ruim voorzien van de rijkste stoffen. Gij zult bij hem, zonder dat gij u de moeite behoeft te geven van den eenen winkel in den anderen te gaan, zeer zeker vinden, wat gij zoekt, beter dan ergens anders.” Ik liet mij geleiden, en wij traden den winkel binnen van een' jongen koopman, die er vrij wel uitzag. Ik zette mij neder, en liet hem door de oude dame zeggen, dat hij mij eenige stukken zijde, van de allerfijnste en kostbaarste die hij in zijnen winkel had, zou laten zien. De oude wilde, dat ik zelve hem deze vraag zou doen, maar ik weigerde dit, en zeide tot haar, dat eene der voorwaarden van mijn huwelijk was, dat ik met geen' man, behalve met mijn' echtgenoot, zou spreken, en dat ik mij daaraan ook getrouw wilde houden.
De koopman liet mij verscheidene stukken zijde zien, en toen mijne keus bepaald was, liet ik hem naar den prijs vragen. Hij gaf aan de oude vrouw ten antwoord: „Uwe meesteres heeft een' goeden smaak; dit is de schoonste en kostbaarste stof, die ik in mijn magazijn heb; ik wil ze haar noch voor zilver, noch voor goud verkoopen; maar ik zal haar het stuk ten geschenke geven, indien zij mij wil toestaan haar een' kus op de wang te geven.” Ik beval aan de oude vrouw hem te zeggen, dat hij wel vermetel was, om mij zulk een voorstel te doen. In plaats echter van te gehoorzamen, hield zij mij voor oogen, dat, hetgeen de koopman vraagde juist geene zaak van aanbelang was; dat niet van mij werd gevorderd om tot hem te spreken, maar dat ik niets te doen had dan hem mijne wang aan te bieden, en dat een zoen spoedig gegeven, en even spoedig weder vergeten is. Mijne begeerte om de stof, die ik voor geen geld kon bekomen, in mijn bezit te hebben, was zoo sterk, dat ik onnoozel genoeg was mij te laten overhalen. De oude dame en de beide slavinnen plaatsten zich voor mij, opdat geen nieuwsgierig oog mij van de straat zou kunnen bespieden. Ik schoof mijnen sluijer op zijde, doch in plaats van mij te kussen, beet de koopman mij in de wang, dat zij bloedde.
De smart en nog meer de schrik deden mij in zwijm vallen. Men droeg mij naar buiten, en de koopman, van de verwarring gebruik makende, sloot zijn' winkel en ontvlugtte. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, voelde ik dat mijne wang geheel bebloed was. De oude dame en mijne slavinnen hadden inmiddels zorg gedragen, om mijn gelaat met mijn' sluijer te bedekken, opdat de menschen, die ons omringden, in den waan zouden blijven, dat ik slechts eene flaauwte had gekregen.
De oude vrouw was geheel ter neêrgeslagen over een voorval, waartoe zij door haren onvoorzigtigen raad aanleiding had gegeven. Zij trachtte mij echter, zoo veel in haar vermogen was, gerust te stellen omtrent de gevolgen van mijne dwaze toegeefelijkheid. „Mijne goede meesteres!” sprak zij met tranen in de oogen, „ik moet u duizendmalen om vergiffenis vragen, daar ik oorzaak ben van dit ongeluk. Ik heb u bij dezen koopman gebragt, omdat het een landgenoot van mij is, en nooit zou ik hem in staat hebben geacht tot eene zoo boosaardige handelwijze, waarvan ik te vergeefs de reden tracht te gissen. Maar geef u niet te zeer aan uwe droefheid over; haasten wij ons om naar huis te gaan, ik ben in het bezit van een kostbaren balsem, die de kracht heeft uwe wond in drie dagen tijds zoo volkomen te genezen, dat er niet het minste lidteeken van zal achterblijven.”
Mijne flaauwte had mij zoo verzwakt, dat ik naauwelijks kon gaan. Ondersteund door mijne slavinnen, bereikte ik echter mijne woning; doch naauwelijks bevond ik mij op mijne kamer, toen mij eene nieuwe bezwijming overviel. De oude dame verzuimde inmiddels niet, eene pleister met hare wonderzalf op mijne wang te leggen; ik kwam weder tot mij zelven, en begaf mij terstond te bed. Het was reeds nacht, toen mijn man bij mij kwam. Zoodra hij bemerkte, dat mijn hoofd met een' doek was omwonden, vraagde hij met belangstelling wat mij scheelde. Ik gaf voor hoofdpijn te hebben, en vleide mij dat het daarbij zou blijven. Maar ik had mij vergist. Mijn echtgenoot nam eene waskaars van eene der candelabers, en toen hij bijlichtte, bespeurde hij de wonde aan mijne wang, of liever de daarop liggende pleister. „Van waar deze wonde?” vraagde hij. Hoewel ik niet zeer schuldig was, kon ik echter niet besluiten voor de waarheid uit te komen; het gebeurde aan een' echtgenoot te belijden, dat scheen mij met de welvoegelijkheid te strijden. Ik vertelde hem, dat ik naar de bazar gaande, waartoe hij mij verlof had gegeven, op weg een drager had ontmoet, die eene zware vracht hout op het hoofd droeg, en zoo digt langs mij heen ging, dat een vooruitstekende tak mij het gelaat had opengekrabt, doch dat het weinig te beduiden had.
Mijn echtgenoot ontstak daarover in hevigen toorn. „Die daad,” zeide hij, „zal niet ongestraft blijven. Zoodra de dag zal zijn aangebroken, zal ik den officier van politie bevel geven, dat hij al die onbeschofte dragers van de straat doe opvatten en aan de hoogste galg hangen.” Daar ik vreesde de oorzaak te zullen zijn van den dood van zoo vele onschuldige menschen, antwoordde ik hem: „Mijn geliefde man, het zou mij zeer bedroeven, indien gij zulk eene groote onregtvaardigheid begingt, ik bid u, doe dit niet. Ik zou het mij nimmer kunnen vergeven, indien ik daartoe aanleiding had gegeven!” „Zeg mij dan in opregtheid,” hernam hij, „wat ik van uwe wonde moet denken.”
Ik antwoordde hem, dat ik die wond had gekregen door den ezel van een' bezemverkooper. De man, op zijn' ezel gezeten, was mij, zoo gaf ik voor, achter op komen rijden, en daar hij het hoofd omgewend had, kon hij mij niet zien, waardoor hij verzuimde zijn: „Plaats! berg u!” te roepen. De ezel was mij nu zoo ruw tegen het lijf geloopen, dat ik gevallen was, en mijne wang aan eene glasscherf, die op de straat lag, gekwetst had. „Als dat zoo is,” zeide nu mijn man, „dan zal de zon niet aan den hemel verrijzen of de groot-vizier Giafar zal van deze onbeschoftheid kennis dragen, en al deze bezemverkoopers doen dooden.” „Bij Allah,” viel ik hem in de rede, „ik bezweer u, het dezen ongelukkigen niet toe te rekenen, zij zijn onschuldig.” „Hoe, Mevrouw!” antwoordde hij, „wat zal ik ten laatste moeten gelooven? Spreek, ik wil volstrekt de waarheid uit uwen mond hooren.”—„Beste man,” hernam ik, „ik kreeg eene duizeling en ben gevallen; ziedaar de geheele zaak.”
Dit laatste gezegde deed mijn' echtgenoot het geduld verliezen. „Ha!” riep hij, „reeds te lang heb ik uwe leugens aangehoord!” Dit zeggende, klapte hij in de handen en drie zwarte slaven traden binnen. „Neem deze dame van haar bed,” beval hij, „en leg haar in het midden van dit vertrek op den grond.” De slaven volvoerden zijn bevel, en terwijl de een mij bij het hoofd, de andere bij de voeten hield, beval hij aan den derden slaaf een zwaard te halen. Toen de slaaf daarmede terugkwam, riep mijn echtgenoot: „Sla toe, scheid haar ligchaam in twee stukken en werp die in de Tigris tot spijs voor de visschen! Zoo straf ik de trouweloosheid van haar, aan wien ik mijne liefde heb geschonken.”
Toen mijn man zag, dat de slaaf geen haast maakte, om aan dit wreede bevel te gehoorzamen, herhaalde hij het, zeggende: „Sla toe dan! wat weêrhoud u, waarop wacht gij?” „Mevrouw!” zeide toen de slaaf tot mij, „gij hebt nog slechts een oogenblik te leven; bezin u wel of gij, vóór dat de dood u treft, ook nog iets hebt te bevelen.”
Ik vraagde verlof om een woord te mogen spreken. Dit werd mij toegestaan. Daarop mijn hoofd opheffende, en mijn echtgenoot teeder aanziende, barstte ik in tranen uit en klaagde: „Helaas! tot welk een' toestand ben ik gebragt! Zal ik dan in de schoonste dagen van mijn nog jeugdig leven moeten sterven!” Ik wilde voortgaan, maar mijne tranen en mijne zuchten beletten mij verder het spreken. Niets van dit alles kon mijn' echtgenoot bewegen. Integendeel, hij deed mij de hevigste verwijten, die ik niet noodig acht voor uwe majesteit te herhalen. Ik nam nu mijne toevlugt tot smeekingen en gebeden, maar hij wilde er niet naar hooren, en beval den slaaf zijn' pligt te doen.
Op dat ogenblik stormde de oude dame de kamer binnen, wierp zich aan de voeten van mijn' echtgenoot, wiens voedster zij geweest was, en beproefde zijn' toorn te doen bedaren. „Mijn zoon!” zeide zij, „aan mijne borsten hebt gij gezogen, met mijne melk heb ik u gevoed, en ik heb u in uwe jeugd verzorgd als eene teedere moeder; ik vraag daarvoor van u geen ander loon dan dat gij aan deze ongelukkige vergiffenis schenkt. Bedenk, dat volgens de wet van onzen grooten Profeet, de doodslager niet onschuldig geacht zal worden; dat hij, die doodt, zelf gedood zal worden, en dat gij gevaar loopt uw goeden naam en de achting van alle weldenkende menschen te verliezen. Wat zal men zeggen van een' toorn, die zich alleen door bloed laat stillen!” Deze woorden, die zij door hare tranen deed vergezeld gaan, en haar smeekende op hem gerigte blik, maakten op mijn' echtgenoot een' diepen indruk. „Welaan,” zeide hij tot zijne voedster, „om uwentwil schenk ik haar het leven. Maar ik wil, dat zij haar leven lang teekenen zal dragen, die haar aan haar misdrijf zullen herinneren.”
Op deze woorden bragt een der slaven mij met eene rotting zoo vele en zulke harde slagen in mijne zijde en op mijn' boezem toe, dat vel en vleesch er werden afgescheurd, en ik door pijn en bloedverlies geheel buiten kennis geraakte. In dien toestand liet hij mij door zijne slaven opnemen en naar een afgelegen huis vervoeren. De oude dame, welke verlof had gekregen om mij te verplegen, droeg inmiddels de grootste zorg voor mij. Vier maanden moest ik het bed houden. Eindelijk herstelde ik, maar de likteekens, welke uwe majesteit in den vorigen nacht mijns ondanks gezien heeft, heb ik altijd behouden.
Zoodra ik mij sterk genoeg gevoelde om te kunnen uitgaan, wilde ik naar het huis, dat ik van mijn' eersten man had, terugkeeren, doch ik vond slechts de plaats waar het eenmaal gestaan had. Mijn tweede echtgenoot had, in de hevigheid van zijnen toorn, niet alleen mijne woning, maar de geheele straat omver laten halen. Deze daad van geweld is voorzeker ongehoord, en kan door niets verschoond worden; maar tegen wien zou ik mijne klagt indienen? De bewerker van die willekeurige handelwijze had zijne maatregelen zoo goed genomen, dat ik hem niet op het spoor kon komen. De oude dame, van wie ik moest veronderstellen, dat zij beter met den waren naam en den eigenlijken stand van mijn' wreeden echtgenoot bekend was dan ik zelve, wilde zich daarover niet uitlaten. Bovendien, al ware ik er ook in geslaagd, hem te ontdekken, was het mij niet duidelijk genoeg, dat de behandeling mij aangedaan, het werk was van eene onbeperkte magt? Zou ik zelfs wel den moed hebben, mij daarover te beklagen?
Mistroostig en van alles ontbloot, nam ik mijne toevlugt tot mijne geliefde zuster Zobeïde, en ik verhaalde haar, onder het storten van een' vloed van tranen, mijne ongelukken in mijn tweede huwelijk. Zij ontving mij met hare gewone goedheid, en moedigde mij aan om mijn lot met lijdzaamheid te dragen. „Lieve zuster!” zeide zij, „gij hebt veel ondervonden en veel geleden, maar zoo is de loop dezer wereld; niets is hier bestendig; heden zijn wij rijk en gelukkig, en morgen van alles beroofd. De dood ontneemt ons onze vrienden of een' dierbaar voorwerp, in wiens liefde wij ons verblijden, en met wien wij ons in de toekomst een' hemel van zaligheid droomden.” En om mij een bewijs te geven, dat zij bij ondervinding dus mogt spreken, maakte zij mij bekend met hare liefde voor den jongen prins, dien zij in de versteende stad had aangetroffen, en die een zoo treurig einde ten deel was gevallen door de jaloerschheid onzer zusters. Zij vertelde mij ook hoe deze, tot hare straf, in honden veranderd waren, en dat zij haar, op bevel van de toovergodin, elken nacht op het strengste moest kastijden, eene taak, die haar zeer zwaar viel. Na mij nog vele bewijzen van hare liefde gegeven te hebben, stelde ik mij ook voor aan hare jongste zuster, welke sedert den dood van onze moeder bij haar inwoonde.
Wij danken Allah, dat hij ons op eene zoo zonderlinge wijze bij elkander had gebragt, en wij namen ons voor onze vrijheid te behouden, en niet weder te scheiden, vóór dat de dood ons daartoe noodzaken zou. Reeds lang hebben wij te zamen een rustig leven geleid, en daar ik belast ben met de huishoudelijke uitgaven, heb ik er vermaak in, de levensmiddelen, die wij noodig hebben, zelve in te koopen. Met dat doel was ik gisteren uitgegaan, en daar de drager, van wien ik mij bediende om de waren, welke ik in onderscheidene winkels gekocht had naar huis te brengen, blijken gaf van een geestig en in den omgang aangenaam mensch te zijn, hielden wij hem bij ons, om ons met hem te vermaken. De avond was reeds gevallen, toen deze calenders ons verzochten hen voor dien nacht huisvesting te geven. Wij namen hen in, echter onder ééne voorwaarde, die zij aannamen. Nadat wij hen aan tafel gul onthaald hadden, vergastten zij ons op een concert, toen er andermaal aan de deur werd geklopt. Ditmaal waren het drie kooplieden van Moussoul. Zij deden ons een gelijk verzoek als de calenders, en werden onder dezelfde voorwaarde in ons gezelschap toegelaten, want hun voorkomen was zeer gunstig, en deed ons de beste gedachten van hen koesteren. Doch deze heeren hielden hunne belofte evenmin als de anderen. Wij hadden de magt en waren in ons goed regt hen daarvoor te straffen, maar wij vergenoegden ons, met hen hunne geschiedenissen te laten vertellen, en wij namen geene andere wraak, dan hen vervolgens weg te zenden, en hun eene wijkplaats te ontzeggen, welke zij verbeurd hadden.”
De kalif Haroun-al-Raschid was zeer tevreden, dat aan zijne nieuwsgierigheid voldaan was, en betuigde openlijk zijne bewondering over de verhalen van al de vreemde gebeurtenissen, die hij had aangehoord.
Deze groote monarch liet het echter hierbij niet blijven. Hij besloot aan de drie calenders, koningszonen, en aan de drie dames een doorslaand bewijs te geven van zijne grootmoedigheid. Zonder zich ditmaal van de tusschenkomst van zijnen groot-vizier te bedienen, rigtte hij zelf het woord tot Zobeïde: „Mejufvrouw,” zeide hij, „heeft de toovergodin, welke zich eerst aan u in de gedaante van eene slang vertoonde, en u later zulk een' zwaren taak opdroeg, niet gezegd, waar gij haar des verlangende kunt vinden; of liever, heeft zij u niet beloofd terug te komen, om na zeker tijdsverloop aan uwe twee in zwarte honden veranderde zusters hare natuurlijke gedaante terug te geven?”
„Beheerscher der geloovigen!” antwoordde Zobeïde, „ik heb nog vergeten aan uwe majesteit te zeggen, dat de toovergodin mij een pakje met haar heeft ter hand gesteld, met de verzekering, dat, mogt hare tegenwoordigheid door mij verlangd worden, ik daarvan slechts twee haartjes behoefde te verbranden, dan zou zij oogenblikkelijk bij mij zijn, al ware zij op dat tijdstip aan gene zijde van den berg Kaukasus.” „Mejufvrouw,” hernam de kalif, „waar hebt gij dat pakje met haar?” Zobeïde antwoordde, dat zij dit van het oogenblik af, dat het haar door de toovergodin werd gegeven, altoos als een kostbaar voorwerp in een medaillon om haren hals had gedragen. Dit zeggende, nam zij het medaillon, dat zij aan een gouden kettingje op haren boezem had hangen, opende het en toonde het pakje. „Welnu,” sprak de kalif, „doe de toovergodin hier komen; gij zoudt haar op geen voegzamer tijdstip kunnen ontbieden, omdat ik het zoo begeer.”
Zobeïde verzocht dat men haar een komfoor met vuur zou brengen. In plaats van twee haartjes legde zij er het geheele pakje met haar op, dat terstond ontvlamde. Op het eigen oogenblik schudde het paleis op zijne grondvesten, en de toovergodin verscheen voor den kalif, onder de bekoorlijke gedaante van eene schoone en prachtig gekleede dame. „Beheerscher der geloovigen!” sprak zij, „zie mij gereed uwe bevelen te ontvangen. De dame, welke mij op uw bevel heeft ontboden, heeft mij eenmaal eene gewigtige dienst bewezen. Om haar daarvoor mijn' dank te betoonen, heb ik haar wraak verschaft over het verraad van hare zusters, door deze in honden te veranderen, doch als uwe majesteit het begeert, ben ik bereid haar hare vorige gestalte terug te geven.”
„Schoone nimf,” antwoordde de kalif, „gij zoudt mij geen grooter genoegen kunnen doen; bewijs haar die gunst. Daarna zal ik middelen bedenken om haar te troosten over de harde straf welke zij ondergaan hebben. Maar vooraf heb ik u nog een verzoek te doen, ten gunste van eene dame, hier tegenwoordig, welke door haar' man op eene barbaarsche wijze werd mishandeld. Daar gij vele zaken weet, die voor ons stervelingen verborgen zijn, zoo vertrouw ik, dat gij mij ook in deze zaak kunt helpen; verpligt mij alzoo door mij den naam te zeggen van den barbaar, die, niet tevreden haar dus mishandeld te hebben, haar nog beroofd heeft van al wat zij van haar' eersten man bezat. Het verwondert mij, dat zulk eene onregtvaardige en onmenschelijke daad, waardoor mijn gezag werd beleedigd, niet te mijner kennis is gekomen.”
„Om uwe majesteit genoegen te geven,” antwoordde de toovergodin, „zal ik de beide honden hare vorige gestalte hergeven. De dame, door u bedoeld, zal ik genezen van hare likteekens, zoodat daarvan niet het geringste spoor zal overblijven, en vervolgens zal ik u ook hem noemen, die haar dus heeft mishandeld.”
De kalif beval daarop de honden uit Zobeïde's woning te halen. Zijn bevel werd met den meesten spoed volbragt. De toovergodin vroeg nu eene kom met water, sprak daarover eene reeks onverstaanbare woorden uit, en vervolgens eenige droppelen van dit water nemende, wierp zij die op Amine en op de beide honden. Naauwelijks was dit geschied, of de laatsten veranderden in twee dames van uitstekende schoonheid, en de likteekens van Amine waren verdwenen.
Toen zeide de toovergodin tot den kalif: „Beheerscher der geloovigen, er blijft mij nog over u den onbekenden echtgenoot van deze dame te noemen. Hij bestaat u van zeer nabij want het is uw oudste zoon, de prins Amindar. Het gerucht van Amine's schoonheid deed den prins in liefde voor haar ontsteken; hij wist haar naar zijne woning te lokken, en heeft haar gehuwd. De mishandeling, welke hij haar heeft doen ondergaan, is eenigzins te verontschuldigen. Mevrouw zijne echtgenoot had zich te veel vrijheid veroorloofd, en de verontschuldigingen, die zij inbragt, droegen het kenmerk der onwaarheid, en moesten hem doen denken, dat zij zich aan eene veel grootere misdaad had schuldig gemaakt, dan inderdaad het geval was. Had zij hem hare fout beleden, de zaak zou zoo ver niet gekomen zijn, maar wie zich door een' leugen zoekt te redden, zal daarbij nimmer wel varen. Dit is alles, wat ik uwe majesteit te zeggen heb, om haar verlangen te bevredigen.” Na deze woorden groette zij den kalif en verdween.
Deze monarch, opgetogen van verwondering, en tevreden ever hetgeen door zijne tusschenkomst had plaats gehad, deed daden, waarvan de late nakomelingschap nog met lof zal spreken. Eerst liet hij den prins Amindar, zijn' zoon, ontbieden, en zeide hem, dat hij met zijn geheim huwelijk bekend was, terwijl hij hem te gelijk mededeelde, bij welke gelegenheid Amine de wond aan hare wang had bekomen, en dat alleen schaamte over hare onbezonnen daad haar had weêrhouden, hem dit te belijden en zijne vergiffenis af te smeeken.—De prins liet zijnen vader niet verder voortgaan, hij wachtte niet tot deze er van sprak, van haar weder in gunst aan te nemen, maar hij deed dit terstond uit eigen beweging. Vervolgens verklaarde de kalif, dat hij zijn hart en zijne hand aan Zobeïde schonk. Hare drie zusters bestemde hij voor de drie calenders, koningszonen, die dit geschenk met vreugde aannamen. Hij wees aan elk hunner een prachtig paleis in Bagdad tot woning aan, verhief hen tot de eerste waardigheden in zijn rijk en gaf hun zitting in zijnen raad. Zoo verwierf zich de beroemde kalif Haroun-al-Raschid duizend zegeningen, door zoo vele menschen gelukkig te maken, die met ongeloofelijke rampspoeden hadden te worstelen gehad.