BESLUIT.

In het voorgaande heb ik de bijenteelt, voor zoover ik dit noodig oordeelde, theoretisch en practisch behandeld, en zoowel de woningen als de noodzakelijkste gereedschappen, die hare beoefening vereischt, beschreven. Dit werk zou dus als voltooid te beschouwen zijn. Ik heb mij evenwel voorgesteld nog eenige bladzijden te wijden, aan eene beknopte zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zooals die elkander in den loop van het jaar opvolgen. Voor hen, die nog vreemdelingen in de bijenteelt zijn, zal dit niet onwelkom zijn. Zij vinden hier dan een leiddraad, dien zij terstond kunnen volgen, terwijl zij anders, zoolang zij niet genoegzaam met den inhoud van het handboek bekend waren, aanhoudend zwarigheden zouden ontmoeten, die hun een tegenzin in het bijenkweeken zouden doen krijgen. Om niet in noodelooze herhalingen te vervallen, zal ik dikwerf verwijzen naar het vroeger behandelde, hetgeen men dan desverkiezende zal kunnen nalezen.

Daar waar ik spreek van onderwerpen, waaraan vroeger een afzonderlijk hoofdstuk gewijd is, zal men goed doen dat eens na te slaan, al ware het dat ik er niet naar verwees.

November.

Over het algemeen is het weder in November van dien aard, dat men rekenen kan dat de wintertoestand der bijen in die maand begint. Zij trekken zich meer en meer te zamen, en blijven in volkomen rust, zoodat men niet het minste geruis hoort. Veeltijds komen er echter nog enkele dagen, waarop de bijen in de middaguren voorspelen en zich reinigen kunnen. Zulk een voorspel is zeer nuttig, daar zij het dan in het voorjaar, wanneer zij opgesloten zijn, zooveel langer in de woning kunnen uithouden. Indien men op zulk een dag enkele stokken ziet voorspelen, terwijl andere er mede dralen, dan is het goed er ook deze toe op te wekken, door tegen de woning te kloppen, den adem in het vlieggat te blazen, of hun wat verdunden, laauwwarmen honig te geven. Hebben de bijen nog laat gevallen honigdauw in hare woningen gedragen, dan is eene late uitvlugt vooral wenschelijk.

Het is nu te laat om stokken, welke te weinig voorraad hebben, nog met vloeibaren honig te voêren. Zij kunnen hem niet meer verzegelen. Met verzegelden en verdikten honig of met kandij, kan men hen nu, en des noods den geheelen winter voêren; dit moet echter zoo geschieden, dat er geene onrust in den stok komt. Wie zijne bijen ’s winters binnen brengt, overhaaste zich daarmede niet. Het kan soms in het begin van deze maand sneeuwen en vriezen, terwijl er later nog schoone en warme dagen volgen, waarop men haar kan laten voorspelen.

Januarij.

De strenge koude, die gewoonlijk in Januarij invalt, doet de bijen in een zwakken levenstoestand overgaan. Zij hebben evenwel geen winterslaap, zooals vele andere insecten, die daardoor ongevoelig voor koude worden. Zij moeten eene bestendige warmte, van minstens 55° F. kunnen onderhouden en behoeven daartoe aanhoudend voedsel. Zoodra de zon weder hooger begint te staan, hervatten zij haar werk en zetten broed aan, somtijds als het zoo vroeg geschiedt, tot schade van de bijenhouders; want er wordt voorraad verbruikt, die later met meer voordeel kon worden aangewend. Hebben zij thans reeds broed, dan wordt de invallende koude des te gevaarlijker. Door het broed zijn zij aan eene bepaalde plaats gebonden; zij verlaten het niet gaarne, en loopen gevaar van honger om te komen, als de honig, die zich boven het broednest bevindt, verteerd is. Hoewel de algemeene regel is, om de bijen nu zoo weinig mogelijk te verontrusten, zoo kan het toch zeer noodzakelijk zijn, wanneer men kan vermoeden dat zij reeds veel broed hebben aangezet, om de leeg geworden wastafels tegen hare zitplaats, door met honig gevulde te vervangen.

Middelmatige stokken, die een genoegzamen voorraad boven, of onmiddellijk naast hunne zitplaats hebben, komen den winter gewoonlijk goed door, en ontwikkelen zich later zeer gunstig. Zeer sterke stokken kunnen er wel eens door lijden, wanneer bij strenge winters de voorraad, in de nabijheid van het broednest, verbruikt is. Zij moeten dan toch verder opklimmen, waarbij gewoonlijk vele bijen terugblijven en omkomen.

Indien men gebrek aan gevulde honigtafels heeft, dan kan men, ook in het midden van den winter, het voedsel boven in de woning geven, door tegen een der zijwanden (bij zamengestelde woningen tegen den tusschenwand) eene reet te maken, door welke de bijen uit alle straten, in de ruimte boven de staafjes komen kunnen. Tegen deze reet legt men nu het voedsel. Neemt men verboterden honig, dan wikkelt men dien in een papier, maakt daarin eene opening, tegenover de reet, en drukt het daar vast tegen aan. Het voedsel moet goed bedekt en alle openingen digt gestopt worden, om de koude te weren. Om de genoemde reet in tijd van nood te kunnen maken, legt men bij de inwintering, op de staafjes tegen den wand een latje, van een duim breed, en sluit verder alles met dekplankjes. Neemt men nu later dat latje weg, dan is de reet gemaakt. Al voêrt men niet, dan is zulk eene reet toch goed, want de bijen kunnen daardoor van de eene straat in de andere komen. Van boven moet alles zoo gesloten worden, dat de reet alleen een doorgang vormt, zonder dat de bijen boven de dekplankjes kunnen komen.

Februarij.

De dagen worden in Februarij reeds langer en de zon krijgt meer kracht. In den bijenstok begint zich nu eene vernieuwde werkzaamheid te ontwikkelen; zelfs bij strenge koude zetten sterke stokken nu broed aan. Men spore hen daartoe echter niet aan, door onnoodig voêren of door hen aan het zonlicht bloot te stellen, want de broedaanzetting is nog niet wenschelijk (zie bl. 150). Wil men de stokken goed overwinteren, dan houdt men hen zoo lang mogelijk in rust, en tracht het broeijen tegen te gaan. Acht men het noodig dat de bijen eene reinigings-uitvlugt houden, dan kan men haar, bij eene warme lucht, nu reeds laten vliegen, al ligt de grond nog met sneeuw bedekt, zoo boomen en struiken daar maar van bevrijd zijn. Bij sterken zonneschijn kunnen de bijen ook wel van de sneeuw opvliegen, wanneer zij maar met eene vaste korst bedekt is. Men kan, zoo eene uitvlugt hoog noodig is, de sneeuw voor den stand ook met matten of stroo bedekken. Is de uitvlugt niet dringend noodzakelijk, dan late men de bijen niet uit. Hebben zij eens gevlogen, dan willen zij het meer doen.

Indien men een stok eene nieuwe standplaats geven wil, dan moet dit geschieden voor dat hij gevlogen heeft; bij het eerste voorspel zullen de bijen ook de nieuwe standplaats leeren kennen; slechts weinigen zullen vervliegen. Zonder noodzakelijkheid moet men hem evenwel niet verplaatsen. Wil men stokken aankoopen, dan moet men toezien dat zij reeds gevlogen hebben, want gedurende het transport zouden de bijen het vuil niet bij zich kunnen houden, maar elkander en het werk bevuilen, en daardoor den loop kunnen krijgen. Na zich gereinigd te hebben, kunnen zij ook langer opgesloten blijven.

Maart.

In Maart heeft men gewoonlijk eenige schoone, warme dagen, waarop de stokken kunnen voorspelen en zich reinigen, wanneer dit in de vorige maand nog niet geschied is. Men moet er nu vooral op letten, of zich onder de stokken geene moederlooze bevinden, hetgeen men het gemakkelijkst zien kan aan de onrust, die de bijen bij hare eerste uitvlugt toonen (zie bl. 187). Men kan den stok thans geene bevruchte moederbij bezorgen, en moet hem dus met den nevenstok vereenigen (zie bl. 191). Terwijl de bijen hare eerste uitvlugt houden, zuivert men hare woning van de dooden en de onreinheden, die zich op den bodem bevinden (zie bl. 148). Houdt de warmte nu eenige dagen aan, dan beginnen zelfs zwakke stokken broed aan te zetten; men kan dit niet meer tegengaan, maar moet het ook niet bevorderen, door met verdunden honig te voêren. Men kan gerust als regel aannemen, om ook in Maart zijne stokken nog met rust te laten.

April.

Er zijn sommige streken, waar de bijen in April reeds gelegenheid vinden, om van vroeg bloeijende boomen en struiken bloemenstof, ja zelfs eenigen honig in te zamelen. Vooral daar, waar de wilgenboom, de waterwilg, de kruisbes, enz. gekweekt worden, is dit het geval. Bij gunstig weder moet men nu de beschimmelde punten van den wasbouw wegnemen. Men doe dit echter niet te vroeg, en late het zuivere werk zooveel mogelijk staan (zie bl. 212). Moet men ledige tafels hebben voor andere woningen, dan is men tot eene grootere inkorting van den bouw genoodzaakt, maar legt dan eene ledige wastafel tegen het verkorte werk, opdat het broed beschut zij voor de indringende, koude lucht. Voor het broed is nu veel honig noodig; men moet dus zijne stokken, vooral bij invallend koud en nat weder, goed gadeslaan, of zij ook voedsel behoeven.

Ontdekt men nu uitgeworpen broed, dan moet men zich haasten met voedsel te geven. Het kon evenwel ook een gevolg van gebrek aan water zijn. Men doet daarom wel, zoo men bij koud, regenachtig weder, en ook bij felle droogte, een weinig water in eene ledige wastafel giet, en deze onder in de woning plaatst. De zwakke stokken moet men versterken, door er van tijd tot tijd eene tafel met broed, dat op het uitloopen staat, in te hangen: men ontneemt die aan sterke stokken. Heeft men twee bijenstanden, dan doet men nog beter met den zwakken stokken van den eenen stand bijen uit de sterke stokken van den anderen stand toe te voegen. De bijen moeten dan met muskuswater besprenkeld worden. Men neemt er de bijen voor, die op de deur en de voorste wastafels zitten, schudt haar of strijkt haar met eene veêr in een transportkastje, of in een ledigen korf, dien men met een kleed dekt, en brengt haar aldus naar den anderen stand. Om van eene goede opname der vreemde bijen verzekerd te zijn, geeft men den stok verdunden honig. Wanneer men een stok aldus versterkt, moet men zich vooraf wel verzekerd hebben, dat hij eene gezonde, vruchtbare koningin bezit.

Mei.

De maand Mei zou men de vreugdemaand van de bijenkweekers kunnen noemen. Alle zorg voor het onderhoud is nu gewoonlijk geweken, de vlijt der stokken wordt aanhoudend grooter, en hunne bevolking neemt dagelijks toe. In streken, met vroege weide, kan men in het laatst van deze maand de stokken reeds op den hoogsten trap van ontwikkeling zien. Ongelukkig bestaan er ook streken, waar met het einde van den boombloei, alle dragt ophoudt, tot dat de dragt op de boekweit begint, zoodat men zijne bijen nu nog moet voêren. In deze streken valt nu nog aan geen zwermen te denken. Door dat er in zoo langen tijd geene dragt is, welk gemis door voêren niet natuurlijk wordt aangevuld, worden de bijen moedeloos, en moeten door vernieuwde dragt tot het zwermen opgewekt worden. Men doet dan beter de zwermen kunstmatig af te drijven, en het voeder aan de afleggers te besteden. Zoodra men hommelbroed in de stokken ziet, en de bijen nacht en dag voorliggen, kan men er mede beginnen. Men weet dan dat er rijkdom aan volk bestaat, en dat er hommels zijn zullen, om de koninginnen te bevruchten. Heeft men stokken, die veel hommelbroed hebben aangezet, dan is het goed hen zoo vroeg mogelijk af te drijven. Men krijgt er binnen eenige dagen jonge moederbijen of moederwiegen door, die voor andere afleggers kunnen dienen, en het aanzetten van hommelbroed heeft een einde. Oude moederbijen hebben alleen in het voorjaar waarde, omdat zij vroeg duizende werkbijen kunnen verwekken. De jonge moederbijen moeten zoo vroeg mogelijk aangekweekt worden, want kunnen zij nog eene dragt van twee maanden bijwonen, dan kunnen zij den stok nog volkrijk doen worden, en voor een volgend jaar heeft deze dan veel meer waarde, dan een stok met eene oude moederbij, welker vruchtbaarheid reeds begint af te nemen. Men moet goed opletten of de jonge koninginnen van de bevruchtings-uitvlugt terugkeeren. Bemerkt men, door de onrust van den stok, dat zij verloren is gegaan, dan moet men hem met eene moederbij of eene moederwieg te hulp komen. Wil men een aflegger, met eene jonge moederbij, bijen ter versterking geven, dan moet dit zeer voorzigtig geschieden, want nam men die bijen uit een stok met eene bevruchte moederbij, dan zouden zij de onbevruchte dadelijk afsteken. Men versterke daarom bij voorkeur met broedtafels. Het weder is nu gewoonlijk reeds zoo warm, dat het broed ook zal uitkomen, wanneer het niet geheel bezet kan worden. Het versterken behoeft ook niet in eens te geschieden; men kan het geleidelijk doen, door van tijd tot tijd eene tafel met broed in te hangen.

Junij.

Hoewel er in gunstige streken reeds vroeger zwermen afvliegen, en afleggers gemaakt kunnen worden, zoo komen toch de meeste zwermen in de maand Junij, die men daarom de zwermmaand noemt. In streken, met eene late hoofdweide, komen toch op het laatst ook eenige zwermen, zoodat hetgeen over het maken van afleggers in de vorige maand gezegd werd, nu ruime toepassing vindt. In het begin van deze maand leveren zulke streken de dragt op de witte klaver, de koornbloem en het mosterdzaad, en tegen het einde ontsluit de lindeboom zijne honigrijke bloemkelken, terwijl zich dan ook reeds enkele vroege boekweitbloemen openen. Daar waar de zaadbloem voorkomt, levert zij in het begin van deze maand nog eene goede dragt, en ook de doornstruik en de paardenboonen beginnen er te bloeijen. Met het uitbloeijen der lindeboomen heeft daar nu echter ook bijna alle dragt opgehouden: alleen de witte klaver kan, als het weder niet te droog is, nog eenig voedsel geven, en bij zeer gunstig weder kan er zelfs nog eenigen voorraad op verzameld worden.

Deze en de volgende maand geven den bijenhouder de meeste bezigheden. Van ’s morgens negen tot ’s namiddags drie ure, en soms nog later, moet hij zijne stokken bewaken, opdat er geene zwermen ongemerkt afvliegen en dus verloren gaan. De ledige woningen moet hij in gereedheid brengen, om er de zwermen in te plaatsen, en de gereedschappen, om hen op te vangen, moeten voor de hand liggen. Op een grooten stand kan de drukte met gunstige dagen zeer groot zijn; want terwijl men zich met den eenen zwerm bezighoudt, vliegen er soms weder andere af. Wil men de vrijwillige zwermen niet afwachten, dan maakt men afleggers. Vooral is het goed die stokken wat spoedig af te drijven, waarvan de bouw of de moederbij te oud is. Is dan na drie weken al het broed uitgeloopen, dan kan men den ouden bouw geheel of gedeeltelijk wegnemen en door den stok zelven doen vernieuwen, hetgeen hij even goed doet als een zwerm, dien men in eene ledige woning plaatst.

Begint er nu bij ruime dragt gebrek aan ruimte te komen, dan opent men de honigkamer. Hierdoor wordt de ijver der bijen aanzienlijk vermeerderd; kan men er slechts stukken van wastafels in hangen, zij worden met spoed volbouwd en met honig gevuld. Later in den zomer hebben de bijen minder lust om te bouwen, en bepalen zich meer uitsluitend tot de inzameling. Het is nu het moeijelijkst om de wastafels voor de wasmot te bewaren (zie bl. 208); het best geschiedt dit door de bijen zelve, waarom men haar hangt in het ledig gedeelte der woningen, die met zwermen bezet zijn. De spoorbijen, die vooral ledige woningen, en bij voorkeur die, waarin eenig werk hangt, bezoeken, zullen dit niet alleen voor wasmot beveiligen, maar zoo noodig het ook daarvan zuiveren. Het is daarom goed de tafels, die men in voorraad heeft, te bergen in woningen, die door spoorbijen bezocht worden. Soms zullen de afvliegende zwermen hun intrek dadelijk in zulk eene woning nemen, waartoe men hen kan lokken, door haar van tijd tot tijd met melisse te wrijven.—Hoe later in het jaar men een zwerm opzet, hoe volkrijker hij zijn moet om zijn voorraad op te halen. Bij late zwermen is het vooral van belang, dat men hun een bouw kan toevoegen, die zoo volledig mogelijk is, daar zij den tijd niet meer hebben om dien zamen te stellen en een bouw, waarin nog maar eens broed is geweest, ook voor den winter te koud is. Indien men gebrek aan wastafels had, dan kon men zich die verschaffen, door den bouw van den moederstok, drie weken nadat de oude moederbij is afgevlogen, dus voor dat de jonge met de eijerlage is begonnen,1 te besnijden of geheel uit te snijden. De bouw wordt dan nog gemakkelijk vernieuwd, en het oude was kan den laten zwermen goede diensten bewijzen.

Ik spreek hier natuurlijk van strookorven, want uit Dzierzon’s woningen neemt men de geheele tafel met het staafje weg. Indien men genoodzaakt is ook de geheel zwart geworden tafels te gebruiken, dan moet men die niet in het broednest, maar op zijde hangen, waar zij gemakkelijk door andere vervangen kunnen woorden. Bevatten de uitgesneden tafels veel honig en bloemenstof, dan moet men die een nacht in een sterken stok leggen; de bijen maken haar dan op de snede droog en ledig; is zij dat niet, dan kan zij niet aan het staafje gehecht worden. Is de weide niet overvloedig, en het weder ongunstig, dan moet men de zwermen sterk voêren. Het was bouwen gaat bij een zwerm in het begin het snelst; naarmate er meer bijen verloren gaan en de bouw meer uitgebreid wordt, vertraagt het, en wordt eindelijk geheel gestaakt. Nu loopen er vooreerst geene bijen uit, en daar het bouwen niet hervat kan worden, voordat er eene menigte bijen geboren zijn, hetgeen bij late zwermen meest altijd eerst heeft plaats gehad, wanneer de weide geëindigd of ten minste schraal geworden is, zoo is het van veel belang de zwermen vroeg met broedtafels en voedsel te ondersteunen; het voedsel moet verdund zijn, om hen tot bouwen aan te sporen.—Men moet aan late zwermen slechts een kleinen bouw geven, daar het beter is dat een zwerm enkele volbouwde tafels heeft, dan eene menigte gedeelten van tafels. In het eerste geval kan men in den herfst den bouw gemakkelijk warm maken, door hem tafels toe te voegen, terwijl een korte bouw altijd koud blijft.

Julij.

In de meeste streken van ons land beslist de maand Julij of het jaar voor den bijenhouder gunstig, middelmatig of slecht zijn zal. Zij is de oogstmaand. De hoofddragt op de boekweit begint nu en duurt tot in het begin van Augustus. Wat voor Junij gezegd is omtrent de zwermen, is ook nu geheel toepasselijk. Op de honigrijke boekweit kunnen zij zeer zwaar worden, wanneer het weder gunstig is. De eerste zwermen geven dan soms maagdezwermen (zie bl. 69). De stokken moeten nu uit zich zelven de broedaanzetting beperken, en zich meer bepaald op de honiginzameling toeleggen. Zij doen dit echter veeltijds niet, vooral als er, bij vochtig, warm weder, van tijd tot tijd warme regen valt; zij breiden dan het broednest nog meer uit en zetten hommelbroed aan. Slaat het weder om, dan blijven de tafels, die met broed bezet geweest zijn, ledig en de stok gaat den winter honigarm te gemoet. Dit moet de bijenkweeker trachten te voorkomen, en zijne werkzaamheden moeten zich naar de weêrsgesteldheid wijzigen. Is het weder droog, zoodat de bijen veel kunnen inzamelen, dan moet hij zorgen dat er ruimte is, om te bouwen en honig op te leggen. Hij opent de honigkamer, neemt de gevulde tafels weg en hangt er ledige voor in de plaats: bij aanhoudende dragt kan dit soms bij herhaling geschieden. De vlijt der bijen wordt hierdoor levendig gehouden, terwijl zij merkelijk verflaauwt, als zij in het bezit van een ruimen voorraad zijn. Wordt er veel ingezameld, dan wordt de broedaanzetting van zelve beperkt, daar de ledig komende cellen terstond met honig bezet worden. Bij eene warme, vochtige lucht en minder ruime dragt, kan daarentegen de broedaanzetting overmatig sterk zijn; men moet het broednest dan beperken tot vier of vijf tafels, daartegen dan gevulde honigtafels hangen en tegen deze het verkleinplankje zetten (zie bl. 89 en 92). De gaten daarin worden slechts zoover geopend, dat er eene werkbij door kan. Bij staande woningen, die met zwermen bezet zijn, kan men onder het werk een plat liggend plankje schuiven, opdat de tafels niet te laag afgebouwd zouden worden; want het is beter dat de zwermen eene kleine ruimte volbouwen en zooveel mogelijk met honig vullen, dan dat zij lange tafels bouwen, die tegen den herfst ledig zijn, daar de honig voor den wasbouw en het broed gebruikt is. Wil men het broedaanzetten geheel tegengaan, dan zet men de koningin in een moederhuisje. Is zij reeds oud, dan kan men haar wegnemen, in welk geval de stok eene jonge zal aankweeken. Het is nu de tijd om in alle stokken, met oude moederbijen, voor de aankweeking van jonge te zorgen, wanneer men er ten minste geene in voorraad heeft, om die in den herfst in de stokken te plaatsen; want tegen het einde van deze maand begint de hommelslagt reeds.

Op een bezetten stand, kunnen ligt enkele stokken zijn, welke, nadat zij een zwerm gegeven hebben, hunne jonge koningin verloren hebben, of waarin zij onbevrucht is teruggekeerd of eenig gebrek heeft. Kan men den bouw niet uitnemen, dan moet men er daarom, zes weken nadat de oude moederbij met den zwerm is afgegaan, op letten of er jonge bijen voorspelen, en of de stokken de hommels uitdrijven. Stokken, waarin de jonge moederbij bevrucht is, doen dit vroeger dan die, welke eene oude koningin hebben. Den moederloozen stokken geeft men zoo spoedig mogelijk eene bevruchte moederbij, en doet dit ook met die, waarin de koningin eenig gebrek heeft, na er deze uit gevangen te hebben.

Heeft men jonge, zwakke zwermen, welke men toch gaarne zou overwinteren, dan moeten zij daar thans toe voorbereid worden, door hun broed- en honigtafels uit andere stokken toe te voegen. Dit mag niet te lang uitgesteld worden, omdat het geschieden moet, terwijl er nog eenige dragt is. De bijen kunnen dan het bijgegeven werk met hetgeen zij reeds bezaten in gelijkheid brengen, de tusschenruimten aanvullen, den honigvoorraad boven het broednest brengen en alles behoorlijk bevestigen. Men mag de broed- en honigtafels niet aan andere stokken ontnemen, wanneer zij er niet bepaald overvloed van hebben. In plaats van die te verzwakken, is het dan beter de zwakke zwermen later te vereenigen.

Augustus.

In de meeste streken van ons land eindigt de weide in Augustus. Van de weinige bloemen, welke de natuur nog aanbiedt, halen de bijen, bij gunstig weder, misschien zooveel, als zij voor haar dagelijksch onderhoud behoeven, en verzamelen ook nog eenig bloemenstof; veeltijds moeten zij echter den voorraad reeds aanspreken. Waar de boekweit nog bloeit, kan bij gunstig weder nog veel worden opgelegd. Deze late boekweit vindt men echter alleen op de veengronden in Vriesland. Maar men vindt in vele streken van ons land heide, en deze bloeit van half Augustus tot half September. Over het in de heide brengen van de bijen leze men bl. 228 en 232.

Is de hommelslagt in de vorige maand nog niet begonnen, dan gebeurt dit zeker nu, en anders gaan de bijen er mede voort. Men moet hier wel op letten. Stokken, die in het midden van deze maand de hommels nog niet verdrijven, kunnen van moederloosheid verdacht worden, en die, waarin er op het laatst der maand nog veel gezien worden, zijn zeker moederloos. Men moet hun eene bevruchte moederbij geven, of hen met andere stokken vereenigen. Bij het eindigen der weide zijn de bijen zeer tot rooven geneigd, en men moet er dan inzonderheid op letten, haar daartoe geene aanleiding te geven (zie bl. 179). Het ontnemen van overtollige honigtafels, en het voêren van stokken, doe men alleen in de avondschemering, bij koel weder, en in het algemeen vermijde men alles, waardoor honigreuk op den stand verspreid kan worden. Hoe minder dragt er is en hoe meer stokken er bij elkander staan, des te waakzamer moet men zijn.

September.

Is de heide uitgebloeid, dan is de dragt geëindigd, tenzij er nog eenige honigdauw viel. Alle togten, die de bijen nu doen, zijn nadeelig; er komen meer bijen om, dan er worden aangekweekt, en de weinige honig, dien zij nog inzamelen, blijft ongedekt en kan haar in den winter den loop doen krijgen.

Tegen het einde van deze maand, is gewoonlijk bijna al het broed uitgeloopen; met de bijen en het broed uit die stokken, welke men niet wil overwinteren, kan men dan de andere versterken. Den honig en het was kan men uitbreken of voor een volgend jaar bewaren. Om te overwinteren, neemt men geene stokken, die zwak of van te weinig voorraad voorzien zijn. De zoodanigen vereenige men liever, want één goede stok is beter, dan drie zwakke. Om de overwintering waard te zijn, moet een stok ten minste 10 Ned. pond bedekten honig bezitten, en een bouw hebben, die twee derden van de woning vult, terwijl het volk ten minste vier of vijf tafels moet bezetten. Hoe slechter het jaar geweest is, hoe sterker men moet vereenigen, opdat de overgehoudene genoegzamen voorraad zouden bezitten.

De stokken, die in het midden van September nog hommels dulden, zijn zeker moederloos.

October.

Zoo men de zwakke stokken, die men niet zoo als zij zijn in den winter kan brengen, nog niet vereenigd heeft, dan moet dit nu geschieden. Het broed is nu zeker uitgeloopen, en wegens het koele weder heeft men nu minder nood van rooven, terwijl ook de wasmot het ledige werk minder zal aantasten.

Alleen op het warmst van den dag spelen de stokken voor, en even als in het voorjaar is veel uitvliegen schadelijk. Men moet hen ook niet verontrusten, door hen aanhoudend te voêren. Kan men hun het ontbrekende niet in eens in verzegelde honigtafels geven, dan geve men het voedsel toch in groote giften, en tegen den avond, als de vlugt heeft opgehouden. Is de zomer zoo tegengevallen, dat men de stokken veel moet voêren, dan is het goed hun minstens voor een gedeelte kandij te geven. Door in den herfst veel dun voedsel te geven, maakt men de overwintering duur en onzeker; de bijen zitten er te koud door, en kunnen er ligt den loop door krijgen.—Hoe men het voedsel aan de bijen geeft, is vroeger opgegeven (zie bl. 159 e. v.).

Hoewel men nu, door voedsel toe te reiken, in staat is om de stokken door den winter te brengen, zoo is het aan te raden dit alleen dan te doen, wanneer men, ten gevolge van een ongunstigen zomer, geene goede overstanders heeft, want het is kostbaar, werkzaam en onzeker. In het voorjaar kan men lang met het voêren moeten aanhouden, en in de meeste gevallen heeft men veel last van zulke stokken.

Nu de bijen het vlieggat niet geregeld meer bezetten, trachten de wespen wel eens in de woning te dringen. Soms vinden vele bijen den dood, wanneer zij de indringers willen verdrijven, omdat deze het in sterkte van haar winnen. Men moet de wespen zien te vangen door flesschen, die half met honig- of suikerwater gevuld zijn, op den stand te plaatsen, en hare nesten zooveel mogelijk verwoesten.

De muizen wagen zich nu ook al wel eens in de woningen. Men moet daarom de vlieggaten verkleinen, of er spijkers in steken, om haar het indringen te beletten. Bij het verkleinen der vlieggaten zorge men er echter voor, dat de doorgang voor de bijen vrij blijft.

EINDE.


1 In enkele gevallen, en wel als de moederstok geene nazwermen geeft, kan de jonge moederbij binnen drie weken bevrucht worden en eijeren leggen.