1 Hier te lande gebruikt men de gewone strookorven met slechts ééne toegankelijke plaats, namelijk de onderzijde, zoodat men slechts onder in dezelve iets kan verrigten, waarvoor men dan nog genoodzaakt is die om te keeren. Bij het voêren is dit lastig en veelal ondoelmatig. Vroeger gebruikte ik hen ook zoo, maar sedert ik met de Duitsche bijencultuur bekend ben geworden, maak ik boven in den kop van den korf een rond gat, van drie duim middellijn. Wanneer ik over het voêren spreek, zal men zien hoeveel nut en gemak men van deze tweede opening kan hebben.

2 Dat men de bijen, bij het betrekken van eene nieuwe woning, wastafels of gedeelten daarvan toevoegen kan, is voorzeker een der belangrijkste voordeelen van Dzierzon’s woningen. Al kan men maar een zeer kleinen bouw voor haar in gereedheid brengen, zoo is daardoor een zwerm, dien men hem toevoegt, toch een anderen, dien men in een ledigen korf plaatst, verre vooruit. In dien korf kunnen de bijen den medegevoerden honig niet afleggen, en de koningin moet de eijeren laten vallen. De bijen begeven zich naar den top van den korf en hangen zich daar in een digten tros aan; veler arbeid blijft nutteloos, omdat zij geene plaats kunnen vinden om te bouwen; zij moeten dan de uitgezweete wasblaadjes laten vallen: den volgenden dag vindt men de onderplank daarmede bedekt. Haar werk dan beziende, ontdekt men slechts een of twee kleine stukjes wastafel. Een zwerm, die in eene Dzierzon’sche woning met een begonnen bouw is geplaatst, zal in dien zelfden tijd den bouw reeds op verscheidene plaatsen vergroot, honig en bloemenstof ingedragen en ook broed aangezet hebben.

Waartoe Dzierzon’s woningen ons al in staat stellen, kan het volgende nog leeren:

Ik liet eens een korf vallen, waardoor de geheele bouw in elkander stortte. Aan herstel was niet te denken, daar het in den nazomer was. Ik had echter gelegenheid dadelijk eene Dzierzon’sche woning met wastafels vol te hangen, waarvan er reeds eenige, met honig waren gevuld. De bijen verzamelde ik zooveel mogelijk en had het geluk de koningin onbeschadigd te vinden. Na haar in de woning geplaatst te hebben, liet ik er de bijen inloopen, en spoedig trokken zij zich tusschen de tafels te zamen. De stok kwam even goed door den winter, als of er niets mede voorgevallen was.

3 Van de koningin sprekende zegt men veelal, in plaats van moederbij, kortaf moeder. Dat deze uitdrukking onjuist is, vooral wanneer men van eene moederbij spreekt, die nog geen moeder zijn kan, zal geen betoog behoeven. Ik heb daarom getracht haar nimmer te bezigen. Mogt zij eene enkele maal gevonden worden, dan verzoek ik dat te verschoonen. Het woord moederhuisje, dat ook onnaauwkeurig is, meende ik echter te moeten behouden. Koninginnehuisje wordt nooit gezegd, en dit woord is niet zeer welluidend. Aan moederbijhuisje zal wel niemand de voorkeur geven.

4 In de familie der honigdragers, waartoe de honigbijen behooren, draagt een geslacht den naam van hommels. Men moet deze niet verwarren met de mannetjes der honigbijen, die ook hommels heeten en die in Noord-Braband meerels en in Gelderland darren genoemd worden.

5 Dit stroo moet oud en reeds gebruikt zijn, opdat de muizen er niet in zoeken naar teruggebleven graankorrels, hetgeen de bijen zou verontrusten.

6 Men moet altijd bruine kandij nemen. De witte en de gele zijn te hard en te moeijelijk oplosbaar.

7 Frans Huber toonde aan dat ook jonger broed daartoe de geschiktheid bezit. Dzierzon bewees dat het er voor dienen kan, zoolang het nog onbedekt is, en geen ander voedsel dan de voederpap heeft genoten; (de bijen voêren de maden der werkbijen en der hommels, kort voor de sluiting der cel, ook met honig en bloemenstof). Leuckart verklaarde het verschijnsel door te wijzen op den invloed, dien eene ruimere en krachtigere voeding op de ontwikkeling der geslachtsdeelen uitoefent; (zie Bienenzeitung, 1855, No. 17 en 18).

8 Op bl. 120 is een kastje beschreven, waarin men een zwerm drijven kan; hier vindt men hoe met een los plankje de zwerm uit de woning genomen kan worden. Men kan naar verkiezing het een of het ander gebruiken.

9 Indien men geen nazwerm wenscht te krijgen, dan moet men den bouw, na het afdrijven van den zwerm, uitnemen, en zoo er moederwiegen aangelegd zijn, deze tot op ééne na verwijderen. Zijn zij nog niet aanwezig, dan moet men na 10 dagen den bouw weder uitnemen, en dan de intusschen aangezette hulpcellen tot op ééne na wegnemen.

10 Wanneer de boekweitbloem bij eene betrokken lucht sterk honigt, ziet men soms de bijen bij duizenden als verlamd nedervallen. De koude is hiervan de oorzaak niet, want het gebeurt soms terwijl de thermometer nog 65° F. aanwijst, en als de bijen andere bloemen bevliegen, dan neemt men dit verschijnsel nooit waar. De nedergevallen bijen kunnen zich niet opheffen. Zij verzamelen zich op den grond tot hoopjes, en komen weder bij wanneer de zon, den zelfden of den volgenden dag doorbreekt en haar verwarmt. Verloopt er meer tijd, voordat zij door de zon beschenen worden, dan komen allen om. Door haar te verzamelen en te verwarmen, kan men er velen behouden, doch doordat zij zoo verspreid liggen is het moeijelijk haar te vinden. Niet alle jaren vertoont zich het bovengenoemde verschijnsel. Ik heb het tweemaal gezien.

11 De tijd, die tot de gisting vereischt wordt, is afhankelijk van de temperatuur en van de grootte van het vat. Men maakt de mede evenwel zelden met groote hoeveelheden. De tijd, dien ik hier opgeef, geldt voor een vat van bijna veertig kan (een anker) bij eene gemiddelde warmte van 55° à 60° F.