Men is het lang niet eens over het al of niet noodzakelijke van het besnijden. De een vindt het hoog noodig om in het voorjaar de stokken te besnijden: vooreerst om het oude werk te laten vernieuwen, en ten andere om de bijen tot meer vlijt op te wekken, want besneden stokken bouwen spoediger dan onbesnedene, en de moederbij bezet de nieuw gebouwde cellen vroeger met eijeren dan de oude.—De ander verwerpt het besnijden geheel: hij beschouwt het als een bepaald nadeel om den bouw ook maar een duim in te korten, omdat men daardoor de bijen slechts noodeloos werk zou bezorgen; nu moet toch de honig aan een nieuwen bouw ten koste gelegd worden, terwijl anders het opgezamelde in de voorhanden cellen kon worden geborgen.—Voor de beide bovengemelde opvattingen bestaat eenige grond, doch er is nog eene soort van bijenhouders, die de stokken wel besnijden, maar alleen uit gewoonte en navolging, om de ledige tafels meester te worden en op te smelten. Een bijenhouder, dien ik bezig vond met zijne stokken sterk te besnijden, antwoordde mij op de vraag waarom hij dit deed: “Wel dit is de eerste opbrengst die zij geven, en de bijen moeten maar zorgen dat zij het weder volbouwen.”
Een vaste regel kan er voor het besnijden niet aangenomen worden. Het moet zich regelen naar de streek, waarin men woont. Heeft men eene vroege hoofdweide, en moet deze als het ware den geheelen oogst opleveren, dan besnijde men zoo weinig mogelijk, en neme alleen de beschadigde of sterk beschimmelde gedeelten der tafels weg. Zij zouden anders, door eene gedwongen bouwing, genoodzaakt worden om den oogsttijd voor een gedeelte te verzuimen. Woont men daarentegen in eene streek, waar de hoofdweide laat invalt, dan kan men zijne stokken zonder nadeel matig besnijden; want tegen dat de hoofddragt begint, zullen zij toch weder volbouwd zijn, en daar de moederbij de nieuw gebouwde cellen werkelijk spoediger met eijeren bezet dan de oude, zoo geeft het ook aanleiding dat de stokken, gedurende de rijkste dragt, volkrijk zijn. Voorjarige zwermen moet men evenwel in geen geval besnijden, zelfs dan niet, wanneer de punten der tafels eenigzins beschimmeld zijn, want de bijen weten haar goed te zuiveren.
Is men het niet eens omtrent het nut van het besnijden, evenmin zijn de voorstanders er van het eens, omtrent den tijd, die daarvoor geschikt is. Is men echter eenigzins met de natuur der bijen bekend geworden, dan weet men ook dat het niet te vroeg en niet te sterk mag geschieden; want door sterk en vroeg besnijden, kan men zijne bijen in volkomen ellende storten, ja haar geheel doen omkomen! Men verkoelt er toch hare zitplaats aanmerkelijk door, en kwam er nog een nawinter, dan konden zij zich niet voldoende meer verwarmen; aan broedzetten viel niet meer te denken; veeleer zouden zij, ten gevolge der verkoeling, aan loop gaan lijden, en bij duizenden omkomen. Ondanks het gevaar dat er in gelegen is, kunnen toch velen, in hunne voortvarendheid, niet nalaten de stokken vroeg te besnijden. Zoodra er in het laatst van Februarij of het begin van Maart maar enkele schoone dagen zijn, haasten zij zich om dit, naar hun inzien, noodzakelijk werk te verrigten. En wat winnen zij daardoor? Dat de stokken aan groot gevaar blootgesteld zijn, of voor het minst in hun vooruitgang zijn gestuit; want broedaanzetting en wasbouw gaan steeds hand aan hand, en zonder een aanmerkelijken warmtegraad en weder, dat de bijen toelaat bloemenstof en water op te halen, is de wasbouw onmogelijk; vóór Mei valt het geschikte weder zelden in. Als men de besneden stokken sterk voêrde, hun tevens, ter vervanging van bloemenstof, meel aanbood, en de woningen goed dekte, dan zou men hen tot het bouwen en broedzetten kunnen brengen, hetgeen ik vroeger reeds heb opgemerkt. Maar waartoe zich deze moeite te berokkenen, wanneer men niet weet of zij het gewenscht gevolg zal hebben, ja veeleer vreezen moet er zich door te benadeelen? Reeds vroeger is het aangetoond, in het voorjaar kan men niet beter doen, dan zijne stokken zoolang mogelijk in rust laten.
Vóór half April besnijde men zijne stokken nooit; is het weder dan nog ongunstig, dan wacht men beter af. Bij de besnijding zorge men het hommelwas zooveel mogelijk weg te nemen, en om het weder opbouwen er van te beletten, stelt men er kleine stukjes wastafel, met werkbijen-cellen, voor in de plaats, die met pennetjes worden vastgestoken. Indien de stokken soms aan de achterzijde nog te veel gevulde honigtafels hebben, dan neemt men ook deze gedeeltelijk weg, wel toeziende hun niet al te veel te berooven, want het is beter hun wat veel te laten behouden, dan hen te sterk te ontblooten.
Men besnijdt de stokken achter den bijenstal, waar men den korf op den kop zet, en de bijen met rook terugblaast. Men gebruikt er een mes voor, waarvan de punt omgebogen is, zoodat men de tafels vlak kan afsnijden. De ledige en de met honig gevulde tafels, welke men heeft afgesneden, moeten terstond in een pot of iets dergelijks, dat met een deksel of een doek goed gesloten is, worden gelegd; anders zou men ligt aanleiding tot rooverij geven. Doet men het op een dag dat de bijen goed kunnen vliegen, dan heeft men daar het minst van te vreezen.
Het werk wordt van onderen eene kleine hand breedte, of zoover als het beschadigd of beschimmeld is, weggesneden. De tafels snijdt men zoo gelijk mogelijk af, zoodat de onderkanten er van in één vlak komen. Valt er nu soms nog koude in, dan doet men goed met eenige ledige wastafels plat tegen het werk te leggen, en met pennen vast te steken; de bijen worden daardoor veel voor de koude beschut. Wordt het weder warmer, dan neemt men die tafels weder weg.
Heeft men stokken met een te oud broednest, en wil men hen niet uitbreken, en toch het broednest vernieuwen, dan kan dit het beste gedaan worden door hen, veertien dagen na het afvliegen van den voorzwerm, zoo diep mogelijk uit te snijden. Het broed is dan bijna geheel uitgeloopen, en door de ledige cellen weg te nemen, brengt men den stok bijna in den toestand van een zwerm (hij heeft alleen den honigvoorraad bij dezen vooruit). De bijen hangen zich in een tros aan het besneden werk, en zijn even ijverig in het verlengen van den bouw, als een nieuw opgezette zwerm. Het verder zwermen kan den stok belet worden, door de moederwiegen, die nog mogten aanwezig zijn, tot op eene na te vernietigen. Hoewel zelden, zoo kon er toch nog een zwerm afvliegen, dien men dan de moederbij maar behoeft te ontnemen, om de bijen weder op den stok terug te doen vliegen; het zwermen heeft dan zeker opgehouden.—De stokken, welke men op de hier vermelde wijze behandeld heeft, worden meestal van een voldoenden wintervoorraad voorzien, en men kan hun meestal nog eenige ledige wastafels ontnemen.
Bij Dzierzon’s woningen komt geen besnijden te pas, of het zou moeten zijn om wastafels te bekomen. In het laatst van Augustus of het begin van September, neemt men den bouw uit de woning, verwisselt de oude tafels uit het broednest met nieuwe, en verwijdert tevens al het hommelwas. Zijn de stokken volkrijk in den winter gebragt, en hebben zij voorraad genoeg, dan zullen zij gewoonlijk in het voorjaar nog volkrijk genoeg zijn, om bij gunstig weder de beschimmelde tafels te zuiveren. Men zorge slechts het voor de bijen toegankelijk gedeelte der woning niet te vergrooten, voordat dit noodig is, en neme het verwarmende dek, dat in de woning gebragt is, niet weg, voordat bestendig, warm weder is ingevallen. Men kan zich niet te zeer wachten voor het te vroeg verkoelen der woningen.
Er bestaan verscheidene middelen om de bijen geheel of gedeeltelijk te bedwelmen, waarna men haar zoo kan behandelen als men goedvindt, zonder dat men voor hare steken behoeft te vreezen. Na ongeveer een kwartier aan de buitenlucht blootgesteld te zijn geweest, ontwaken zij weder, en vliegen naar haar stok terug, om daar hare gewone bezigheden te hervatten. De bedwelming zal haar volstrekt niet benadeeld hebben, wanneer zij maar niet is aangewend gedurende eene goede dragt; dan zouden vele bijen, die vol honig zijn, er door stikken. Er wordt daarom alleen vroeg in het voorjaar en in het najaar gebruik van gemaakt, om de bijen uit uitgebroken korven, aan andere stokken toe te voegen. Bij Dzierzon’sche woningen komt het minder te pas, want daarbij kan men den geheelen bouw uitnemen, de moederbij op de tafels vangen, en de bijen met eene veêr of een vegertje afstrijken, waarna zij met den schepper bij den te versterken stok gevoegd worden.
Het meest algemeen en van ouds her bedwelmt men de bijen door middel van bovist of stuifzwam. Men maakt in den grond een kuil, van een voet diep en zoo wijd, dat de korf hem geheel kan bedekken. In den kuil legt men een doek, zet daarop eene test, met een weinig vuur er in, en legt op het vuur drie of vier stukjes bovist, ter grootte van eene okkernoot. De test wordt met eene potscherf gedeeltelijk bedekt, en hierop plaatst men een stuk blik of zink, dat tot een scherpen rug gebogen is, opdat de bijen niet op de verhitte scherf zouden vallen, maar langs het metaal afglijden. Het vuur mag niet zoo bedekt worden, dat het zou kunnen uitdooven, en rond de test moet nog iets geplaatst worden, opdat de bijen zich ook daaraan niet kunnen branden. De korf wordt nu terstond op den kuil geplaatst, en langs den rand wordt zand of iets dergelijks gestrooid, om den rook niet te doen ontwijken. Na een paar minuten hoort men de bijen sterk bruisen, waarop spoedig alles stil zal worden. Legt men nu het oor tegen den korf, dan hoort men de bijen vallen. Om dit te bevorderen klopt men met de hand tegen den korf. Hoort men geene bijen meer vallen, dan is de bedwelming afgeloopen. Nu ligt men den korf op, en vindt meest alle bijen op den grond gevallen; de weinige, die nog tusschen de tafels zijn blijven hangen, worden met eene veêr weggestreken, waartoe de tafels een weinig van een gebogen worden. De test wordt weggenomen, en de bijen ligt men, met den doek, in eens uit den kuil, en zoekt er de moederbij uit, welke gewoonlijk met de laatsten gevallen is, en dus bovenop zal liggen. De bedwelmde bijen worden nu met een weinig verdunden honig besprenkeld, en in een strooring gelegd. Op den ring zet men nu den korf, waarin de zwerm, dien men versterken wil, geplaatst is, en bindt de reet, tusschen den korf en den ring, met een doek digt. Moeten de bijen in eene Dzierzon’sche woning geplaatst worden, dan legt men haar op den bodem neder. De bedwelmde bijen beginnen spoedig te ontwaken; de andere komen op den honigreuk naar beneden, lekken de ontwakende bijen af, en beiden vereenigen zich gewoonlijk vreedzaam. Vijandelijke aanvallen hebben daarbij zelden plaats, en den volgenden morgen zullen bijna alle bijen opgeklommen zijn, zoodat men slechts enkele dooden vindt.
In plaats van een kuil in den grond te graven, kan men ook een lossen strooring gebruiken, wanneer men slechts zorgt dat de reet, tusschen dezen en den korf, goed gesloten wordt.
Wil men de bijen in Dzierzon’sche woningen bedwelmen, dan neemt men daar eenige der onderste tafels uit, en zet de test op den bodem der woning.
In plaats van bovist kan men ook buskruid gebruiken. Men neemt daar een halven pijpekop van, maakt het met water tot een zoogenoemden sisser, en legt daar een stukje brandend zwam op; er wordt iets over geplaatst, opdat de vonken de bijen niet zouden raken. De bedwelming zal even goed, en naar men wil, zelfs meer volkomen geschieden, dan met bovist. Een bezwaar is evenwel dat het moeijelijk is, om het kruid juist vochtig genoeg te maken. Is het te nat dan brandt het niet; is het te droog dan ontploft het te snel.
Men geeft thans op dat het beter zijn zou een half jagtschot kruid, even als een poeder, in een papier te vouwen, op den rug daarvan een gaatje te maken, en daarin een stuk zwam te steken. Een ledige korf wordt met den kop in een ring vastgezet, het papier met kruid er in gelegd, en na het zwam aangestoken te hebben, wordt daar eene potscherf over gelegd. Nu zet men den korf met de te bedwelmen bijen dadelijk op den ledigen korf, en sluit de reet niet, voordat het kruid ontploft is, opdat de lucht, die weggedreven wordt door de bij de ontploffing gevormde gassen, zou kunnen ontwijken. Is de reet dadelijk na de ontploffing gesloten, dan klopt men nog wat tegen den korf, en spoedig zal alles stil worden, en de bedwelming is volbragt. De ontploffing doet de bijen, die haar gedeeltelijk ondervinden, schrikken, zij laten dan los en vallen gelijktijdig neêr. Branden kunnen zij zich niet, want zij vallen eerst na de ontploffing, en de vlam kan de hoogte, waarop zij te voren zaten, niet bereiken.
In Dzierzon’sche woningen kan men het kruid op de zelfde wijze aanwenden, doch men moet dan de deur, tot na de ontploffing, los aanzetten, en haar daarna sluiten.
Met zwavelether en ook met chloroform, kan men de bijen bedwelmen. Men giet een half Ned. lood van deze stoffen op een sponsje, en bevestigt dit op een stokje, dat in den korf gestoken wordt, of legt het op een paar stokjes, om de verdamping vrij te laten, op den bodem der Dzierzon’sche woningen. Alle openingen worden daarna zorgvuldig gesloten. De ether bedwelmt niet volkomen; de bijen vallen wel neder, maar zij blijven zich toch nog eenigzins bewegen; men kan er evenwel goed mede omgaan, daar zij buiten staat zijn om te steken. De chloroform bedwelmt volkomen, maar is te kostbaar.
Indien men slechts eene gedeeltelijke bedwelming beoogt, om de bijen gedwee te maken, en haar steken tegen te gaan, dan kan men eene kleine hoeveelheid bovist door den tabak in de rookpijp doen, en den rook er van matig over de bijen blazen. Het geheele jaar door kan dit zonder gevaar geschieden.
Niets staat voorzeker de algemeene beoefening der bijenteelt meer in den weg dan de vrees voor den bijensteek. De angel is een geducht verdedigingswapen, dat alleen de bijen van het vrouwelijk geslacht bezitten, en waarvan zij zich hoofdzakelijk bedienen, tegen haars gelijken, wanneer vreemde bijen in hare woning willen dringen, om daar rooverij te plegen. Ook gebruiken zij het niet zelden tegen den mensch, of tegen dieren, wanneer die op de eene of andere wijze haar toorn hebben gaande gemaakt. Men moet daarom, in den omtrek der bijenstokken, nooit naar eene bij slaan, of haar door hard wegloopen zoeken te ontgaan, want dan zal men in de meeste gevallen den steek ontvangen. Wordt men door eene bij boosaardig vervolgd, en blijft zij steeds rond het hoofd vliegen, dan is het beste zich langzaam te verwijderen, zonder er naar te slaan; in de meeste gevallen zal men haar dan ontkomen.
Wanneer men sterk bezweet is, worden de bijen zeer boos, omdat zij den zweetreuk niet verdragen kunnen. De reuk van geestrijke vochten, van ajuin en van de meeste sterk riekende stoffen, is haar zeer hinderlijk. Bij het zien van donkere kleuren, vooral van zwart, en op den reuk van haar eigen gift, worden zij zeer toornig. Het is daarom raadzaam zich niet te donker te kleeden, wanneer men iets aan de stokken moet verrigten, en ook geene kleederen te dragen, waarin de bijen reeds menigmaal gestoken hebben, zoodat er zich nog angels in bevinden. Ook wordt haar steeklust sterk opgewekt, als zij in hare woning verontrust worden.
De bijen steken alleen in den omtrek van hare woning; die in het veld honig opzamelen behoeft men nooit te vreezen.
Het is niet zoo zeer de steek zelf, die gevreesd moet worden, dan wel de gevolgen, die hij na zich sleept, welke zeer hinderlijk kunnen zijn. Het bijengift, dat bij den steek door den angel in de wond komt, werkt bij verschillende personen niet met dezelfde hevigheid. De eene is vatbaarder dan de andere voor den invloed daarvan; sommigen hebben er weinig hinder van, bij anderen daarentegen heeft het hevige zwelling ten gevolge, die gepaard gaat met brandende pijn, welke dagen kan aanhouden. Langzamerhand gewent men er aan, zoodat iemand, die meermalen gestoken is, er bijna geene zwelling of pijn meer van heeft.
Het bijengift is een zuur, dat dezelfde eigenschappen bezit als het mierenzuur. Meestal heeft het ontsteking ten gevolge, en het is daarom goed het gestoken deel met verkoelende middelen te behandelen. Omslagen met koud water zijn het best. Vooraf moet men er evenwel den angel uithalen en de wond een weinig overdwars krabben, om er zoo mogelijk eenig gift uit te drukken; overlangs moet men nimmer krabben, daar dit het dieper zou doen dringen.
De steeklust der bijen is niet altijd even groot. Hij hangt veel af van de dragt en het weder. Is er in het veld veel te halen, dan moet men vooral zorgen niet te digt voor de stokken te staan, want zoo de bijen dan slechts de minste verhindering in hare vlugt ondervonden, dan kon men verzekerd zijn door haar gestoken te zullen worden. Bij zoel, drukkend weder, zijn zij ook zeer steeklustig. Men moet het werken aan de stokken dan vermijden. Is het echter noodzakelijk er iets in te verrigten, dan is het beste om dit op het midden van den dag te doen; de meeste bijen zijn dan van huis en van die, welke het broed verzorgen, heeft men niets te vreezen; deze zijn niet geschikt om dadelijk op te vliegen; door het plotseling invallende licht worden zij zelfs eenigzins vreesachtig, hetgeen zij toonen door zich tusschen de tafels te verbergen. Men moet echter zorgen haar niet te drukken, want dan zouden zij uit noodweer steken. De groote storing, die de bijen in de korven ondergaan, door dat men deze van hunne plaats nemen en omwenden moet, wekt haar toorn niet zelden op. De te huis komende bijen, die hare woning niet vinden, vliegen verward rond en vallen spoedig haar verstoorder aan, om zich te wreken. Bij het gebruik van Dzierzon’sche woningen, heeft men veel minder steken te wachten. Opent men de deur, dan vliegen de bijen toch in en uit, zonder het als het ware te bemerken, dat hare rust verstoord is; de bijen, die zich in het voorste gedeelte der woning bevinden, bespeuren er ook weinig of niets van.
Bij het behandelen der bijen neemt men altijd eenige voorzorg. Hoe meer en hoe langer men met de bijen heeft omgegaan, hoe beter men haar heeft leeren kennen, des te minder denkt men er aan zich tegen haar te beveiligen. Men moet evenwel nooit nalaten eene bijenkap op te zetten. Eerstbeginnenden kunnen zich ook van handschoenen bedienen, welke van dubbel linnen gemaakt worden, en eveneens zijn ingerigt als gewone wanten: de vier vingers bijeen, doch de duim afzonderlijk. Zij worden zoo wijd en lang gemaakt, dat zij over de mouwen getrokken en boven den pols toegebonden kunnen worden. Trekt men nu nog laarzen aan, en bindt men de broekspijpen daarover toe, dan kan de meest bevreesde zich onder de bijen begeven: het is haar onmogelijk hem te steken.
Men moet de bijen onbevreesd behandelen, zich steeds langzaam haastende. Altijd moet men er op bedacht zijn, dat men gestoken zou kunnen worden. Anders kon men, een steek ontvangende, verschrikken, daardoor een korf of eene tafel met bijen laten vallen, en dus schade aanrigten en de bijen in toorn brengen. Gaat men bedachtzaam en bedaard te werk, dan blijven de bijen het rustigst, en men zal weinig gevaar loopen van gestoken te worden. En een enkele steek heeft dan ook zoo bijzonder veel niet te beteekenen; het is geene doodwond.
Het beste middel, om de bijen meer handelbaar te maken, is rook. De boosaardigste stok wordt daardoor gedwee. Men begeeft zich dan ook nooit naar de stokken, zonder rook te kunnen maken. Eene gewone, goudsche pijp is veeltijds voldoende. Zoodra men een korf heeft omgekeerd, of eene Dzierzon’sche woning heeft geopend, blaast men er eenige rookwolken in, waarop de bijen een bruisend geluid doen hooren. Men kan dan met het inblazen van rook ophouden, en dit bruisen als een teeken beschouwen, dat de bijen zich hebben onderworpen. Zij trekken zich tusschen de tafels terug, en blaast men nu en dan nog eenigen rook in de woning, dan zal men weinig last van de bijen hebben.
Is men bevreesd dat de bijen, bij het omkeeren van een korf of het openen van eene Dzierzon’sche woning, te woest zullen zijn, hetgeen bij volkrijke stokken dikwijls het geval is, dan ligt men den korf een weinig op, of opent de deur met eene reet en blaast rook in den stok, totdat men de bijen hoort bruisen; dan kan men zijn gang gaan.
Men moet voorzigtig wezen het berooken niet te ver te drijven, want het onbedekte broed zou daardoor afsterven.
Wil men geene rookpijp bezigen, dan kan men ook goed droog, vermolmd hout gebruiken; wordt dit aangestoken, dan blijft het vuur houden en rook geven. Ook kan men eene lont maken van linnen lappen, en daar een weinig haar tusschen doen. De rook van haar is voor de bijen bijzonder hinderlijk en maakt haar spoedig gedwee. Van hennip of vlas kan men ook lonten maken, die gedompeld worden in eene oplossing van salpeter in water. Zijn zij goed gedroogd, dan blijven zij branden, en de bijen worden door den rook van deze lonten zeer handelbaar. Ook heeft deze rook de minst nadeelige gevolgen. Alleen bij Dzierzon’sche woningen kan men van de hier opgegeven middelen gebruik maken. Het hout of de lont wordt brandend op den bodem gelegd, de rook klimt dan van zelf tot de bijen op. Bij korven kan dit niet geschieden, daar zij omgewend moeten worden. Men moet daar dus den rook altijd in blazen.
Men onderscheidt gewoonlijk tweeërlei wijze om de bijenteelt uit te oefenen. De eerste bestaat daarin, dat de bijenstokken altijd op denzelfden stand gehouden worden; men noemt haar tuincultuur, omdat men den stand dan ook meestal digt bij zijne woning heeft. Wil men echter meer voordeel van zijne bijen trekken, hetgeen noodzakelijk is voor hem, die in de bijenteelt zijn middel van bestaan zoekt, dan verplaatst men de stokken steeds naar streken, waarin eene ruimere weide gevonden wordt, dan in zijne woonplaats. Men ontziet daartoe noch verre reizen, noch groote kosten, want de moeite en de kosten worden gewoonlijk ruim beloond. Zoo trekt de bijenhouder, die in eene streek woont, waar boekweit gekweekt wordt, en waar dus slechts eene late weide bestaat, naar de plaatsen waar de zaadbloem wordt gevonden. Is het zaad uitgebloeid, dan trekt hij weder naar de boekweit, en levert die niets meer op, dan zoekt hij de heidebloem. Zoo gaat men in Noord-Braband, wanneer het weder er geschikt toe is, gewoonlijk in het midden van April, naar Zeeland, waar veel koolzaad wordt verbouwd. Op het zaad verzamelen de bijen veel honig en bloemenstof; zij kunnen er dus veel voorraad opleggen en veel broed aanzetten. Bij gunstig weder kunnen de stokken al vroeg honig- en volkrijk worden. In het laatst van Mei of in het begin van Junij geven zij gewoonlijk hunne voorzwermen, en soms zelfs reeds eenige nazwermen af.
Om de stokken zonder gevaar te kunnen vervoeren, dient men eenige voorzorgen te nemen. Een of twee dagen voor dat men vertrekken wil, zet men den korf op den kop, en steekt tusschen elke twee op elkander volgende tafels een of twee houten pinnen, welke met de punt in den korf worden gedrukt. De dikte der pinnen moet gelijk zijn aan de wijdte der straten; zij houden dan de tafels op den vereischten afstand; zonder de pinnen konden zij wel eens tegen elkander vallen. De korf wordt nu weder op zijne plaats gezet. Naardat men veel of weinig stokken te behandelen heeft, begint men in den namiddag of tegen den avond, die den nacht, waarin men de reis wil aanvangen, voorafgaat, met de vlieggaten der korven digt te maken; daarna plaatst men hen op den kop, en legt over de opening van den korf een vierkant stuk zoogenaamd bijendoek, waarvan de vier punten, elk tusschen twee stukjes leder, met een tweeduims kopspijker, op den buitenkant van den korf worden bevestigd. De doek wordt zoo strak mogelijk aangehaald, en door de punten een paar malen om te draaijen, kan men de kanten van den doek zoo sterk tegen den korf doen sluiten, dat er geene enkele bij kan ontsnappen. Nu maakt men een der spijkers weder los, en trekt de vrij geworden punt van den doek van den korf, zoodat zijne opening maar voor de helft meer gesloten is. De korf wordt nu in den stal in eene schuinsche rigting op zijde gelegd, door den kop een weinig te ligten; de opening moet vooraan liggen, daar waar zich vroeger het vlieggat bevond. De bijen zullen nu wel eenigzins verward rondvliegen, maar zich toch al spoedig in den korf begeven; daar de warmte daarin aanmerkelijk verminderd is, zullen zij zich zoo digt mogelijk tusschen het werk te zamen trekken. Wanneer de avond gevallen is, zullen alle bijen in den korf zijn; dan trekt men den doek weder over de opening en steekt hem met den spijker vast.
Zijn alle korven aldus gesloten, dan worden zij zoo op een wagen op zijde gelegd, dat de tafels regtop staan, dat de lucht in elken korf vrij kan binnendringen, en dat men den doek van elken korf met eene spuit kan bereiken, om hem te bevochtigen. Dit kan noodig zijn, wanneer de bijen, door te sterk tegen den doek te liggen, de toetreding der lucht beletten. Een weinig water doet haar dan gedeeltelijk van den doek vallen, en het frischt haar tevens op. Gewoonlijk worden er 30 à 40 korven op een wagen geladen.
Men begint de reis laat in den avond, kiest altijd de beste wegen, al moet men daar ook een omweg voor maken, en rijdt zeer langzaam. Aanvankelijk worden de bijen door de ongewone beweging onrustig, en men moet dan, minstens om de vijf minuten, een weinig stil houden, om haar te doen bedaren. Gaandeweg kan men het ophouden wat langer uitstellen, totdat men eindelijk geregeld blijft doorrijden, dat echter altijd stapvoets gaan moet.
Moet men meer dan een nacht onderweg zijn, dan moeten de korven tegen den morgen in een stal of in eene schuur afgeladen worden, waar zij zoo donker mogelijk geplaatst, en nu en dan een weinig met water bespoten worden. Den volgenden nacht vervolgt men zijne reis.
Wanneer de reis ook voor een gedeelte met een vaartuig moet geschieden, dan legt men de korven met den kop tegen den scheepswand, en laat den doek ongehinderd, zoodat de lucht vrijen toegang heeft, en men langs de korven gaan kan, om zich aanhoudend van den toestand der bijen te overtuigen.
Op de plaats van zijne bestemming aangekomen, legt men eene laag stroo of planken op den grond, zet de korven daarop, opent de vlieggaten en dekt de korven voor den regen met losse pannen. Sommigen nemen er maar ééne voor elken korf, doch het is beter er twee of drie te nemen. Hebben de korven aldus een dag gestaan, zoodat de bijen de vlugt hebben leeren kennen, dan neemt men er de kleedjes af, en trekt de pinnen tusschen de tafels weg.
Gewoonlijk blijft men tot het laatst van Junij of het begin van Julij op het zaad, en trekt dan naar de boekweit, die omstreeks dezen tijd begint te bloeijen. Wie er maar eenigzins gelegenheid toe heeft, verzuimt niet de boekweit te bezoeken. Bij gunstige dagen, met een half bewolkten hemel en zuiden of westen wind, en vooral kort voor het regenen of terwijl het reeds zacht regent, kunnen de bijen er ongeloofelijk veel op verzamelen. Het is of het dan honig regent. Een volkrijke stok kan op zulk een dag gemakkelijk 5 Ned. pond binnen brengen. Bij helder weder honigt de boekweitbloem soms ook sterk, en de dragt kan zelfs ruim zijn als het, bij eene geheel betrokken lucht, zeer zoel is; de bloem honigt dan wel eens tot laat in den namiddag; bij helder, droog weder doet zij dit zelden langer dan tot den middag, waarna de bijen haar dan ook weinig meer bevliegen10.
Als men van het zaad komt, heeft men in den regel het getal van zijne stokken verdubbeld. Gewoonlijk zijn dan toch meest alle voorzwermen en reeds vele nazwermen afgevlogen. Daar men evenwel eene te sterke vermeerdering voor ongunstig houdt, verhindert men het nazwermen zooveel mogelijk. Twee kleine voorzwermen voegt men soms bijeen, en van de afgevlogen nazwermen vereenigt men er soms drie of vier; veeltijds geeft men hen ook aan den moederstok terug.
De terugreis gaat met veel meer moeite gepaard dan de heenreis. Men heeft niet alleen een grooter getal stokken te vervoeren, maar de moederstokken kunnen ook, wanneer de gelegenheid gunstig geweest is, een aanmerkelijk gewigt bekomen hebben. Daarbij komt nog dat het nieuwe werk veel zwakker is dan het overjarige, en dat het weder veel warmer is geworden. Met de meeste zorg moeten er pinnen tusschen de tafels gestoken worden, en de zwermen, welker bouw nog zeer teeder is, dient men vooral goed te voorzien. Door het gewigt van het broed en den honig kon de bouw toch al zeer ligt instorten. Men moet ook goed zorgen voor eene vrije toetreding der lucht, en dikwijls water tegen de kleedjes spuiten, daar de bijen anders veel gevaar loopen van te stikken.
Heeft men de plaats van zijne bestemming bereikt, dan handelt men weder even als vroeger. Wie in de nabijheid der boekweitvelden woont, plaatst de stokken weder op hun gewonen stand, en zoo mogelijk ieder op zijne oude plaats. Er zullen nu altijd nog vele nazwermen, en zelfs enkele voorzwermen afkomen, zoodat men de stokken nog geregeld moet bewaken.
In de eerste helft van Augustus houdt het bloeijen van de boekweit gewoonlijk op, waarna men met de zwermen, en de ligt gebleven moederstokken, de heide opzoekt, die tot half September bloeit, en soms nog eene ruime dragt kan geven. Vroeger hebben wij reeds gezien dat de heidehonig, die op het einde van de dragt wordt ingezameld, gewoonlijk onbedekt meet blijven, daar het dan reeds te koud is, om was te bereiden. Hij gaat dan tot verzuring over, en kan de bijen den loop doen krijgen.
In de streken van Noord-Braband, welke mij bekend zijn, gaat men met de stokken, die reeds veel ingezameld hebben, niet naar de heide, als de bloeitijd van de boekweit voorbij is. Het vervoer van zulke stokken zou nutteloos zijn, daar gebrek aan ruimte hun de verdere dragt zou verbieden. Zelfs zouden de spinnewebben, waarmede de heide veelal overdekt is, eene menigte bijen doen omkomen. Men brengt dan ook gewoonlijk slechts die bijen naar de heide, die men bij den honigoogst te veel heeft.
Ik heb getracht in het bovenstaande zoo volledig mogelijk op te geven, hoe men in Noord-Braband met zijne korven reist. Zoover mij bekend is, zijn er hier te lande geene bijenkweekers, die Dzierzon’sche woningen gebruiken. Zij kunnen er dus niet grondig over oordeelen. Enkelen, die haar bij mij zagen, beweerden dat zij nooit algemeene navolging konden vinden, daar zij naar hun inzien, geheel ongeschikt waren, om er mede te trekken. En toch moet ik, en zullen allen met mij, die haar goed hebben leeren kennen, haar ook in dit opzigt boven strookorven verkiezen. Het is wel waar dat deze woningen eene grootere plaats innemen, en dat haar vervoer dus kostbaarder is; maar er zullen toch wel twintig enkelvoudige woningen op een wagen geladen kunnen worden. De groote transportkosten zijn niet alleen geen overwegend bezwaar, maar worden ruim opgewogen door de voordeelen, die zij, met de korven vergeleken, aanbieden. Men is vrij wat spoediger en gemakkelijker tot de reis gereed. Heeft men geene luchtgaten in de deuren laten maken (zie bl. 88), dan maakt men voor elke woning een raam, dat in de deuropening past, spijkert hierop vliegengaas of bijendoek, en zet het in de plaats van de deur; een plankje, waarin zoovele zaagsneden als mogelijk is, gemaakt zijn, zou ook al kunnen volstaan.
Niet alle woningen zijn geschikt om er mede te reizen. De zamengestelde en de staande woningen leenen er zich minder goed toe. Maar met de bijen uit die woningen kan men toch wel andere plaatsen bezoeken. Men maakt daartoe, van planken of dunne stroowanden, ligte kastjes, waarin men het werk hangt; de bijen, die nog in de woning teruggebleven zijn, doet men ook in het kastje. Het is duidelijk dat men het werk en de bijen, uit elk vak van eene zamengestelde woning, in een afzonderlijk kastje plaatst. De ledige tafels, zoowel als die met broed en bloemenstof, hangt men allen in het kastje, doch van de honigtafels geeft men er slechts eene, waaraan de bijen voor de reis genoeg zullen hebben: de verligting, die de stok hierdoor ondergaat, maakt het vervoer veel gemakkelijker. De tafels, die in het kastje gehangen zijn, moeten, daar zij aan de kanten geheel los zijn, van onderen nog door een paar latjes ondersteund worden. Men moet goed toezien dat ook de moederbij in het kastje komt, of dat er ten minste in elken stok ongedekt broed voorhanden is, opdat een stok, welke zijne moederbij toevallig miste, hulpwiegen zou kunnen aanzetten, en daardoor zich zelven redden.
In de leêg gemaakte woningen verzamelen zich altijd nog eenige bijen, welke men den volgenden morgen, indien haar getal groot genoeg is, bijeenvoegt en in eene woning plaatst, welke met ledige wastafels voorzien is, en waarin men ook eene tafel met honig, en eene met ongedekt broed hangt. Vond men soms eene teruggeblevene koningin, dan plaatst men die in een moederhuisje en geeft haar aan den zwerm, dien men nu naar een verwijderden stand brengt; na een paar dagen laat men de koningin los. Zijn er te weinig bijen, om er een kunstzwerm van te maken, dan versterkt men er een stok mede, dien men dan, na wat muscuswater op de bijen gesprenkeld te hebben, naar een verwijderden stand brengt.
Bij alle reizen neemt men de honigtafels op eene na uit de woningen, en hangt of legt deze in daartoe bestemde kistjes, welke goed digt moeten zijn, opdat de honig er niet uit zou vloeijen, al braken er op de reis enkele tafels. Het is juist doordat zij de gelegenheid geven, om den honig gedurende de reis uit de woning te nemen en dien later, zoo noodig, er weder in te hangen, dat Dzierzon’s woningen boven alle andere zijn aan te bevelen, om met de bijen te reizen. De grootere reiskosten worden door dit voordeel ruim vergoed. De bijen loopen niet alleen geen gevaar om door het breken van tafels om te komen, maar hare woning wordt er ook ruimer en koeler door, hetgeen bij heet weder voor de reis hoogst wenschelijk is.
De woningen, die ik op bladz. 91, aan het slot van het hoofdstuk, waarin de liggende woningen beschreven worden, opgaf, zijn de meest geschikte voor het reizen. Worden deze woningen, als men ter bestemder plaatse gekomen is, weder zoo tegen en op elkander gezet, als zij vroeger gestaan hebben, en met hetzelfde dak gedekt, dan zullen de bijen zich zeer spoedig te huis gevoelen, en op de inzameling uitvliegen. De dubbele liggende woning, en die woningen, welke tusschen de staande en de liggende in vallen (zie bl. 91, bovenaan) zijn ook vatbaar voor verplaatsing.
Wanneer men den stokken lucht gegeven, de vlieggaten gesloten en de schuifjes toegebonden heeft, dan neemt men (het best geschiedt dit door twee personen), de woningen van hare plaats, zorg dragende haar goed regt te houden, en zet haar zoo op den wagen, dat de wastafels in dezelfde rigting loopen als de wagenassen, en door het schokken niet tegen elkander kunnen vallen of afbreken. Neemt men de opgegeven voorzorgen in acht, dan zal men geene ongelukken te vreezen hebben. Indien men op de plaats van zijne bestemming gekomen is, zet men alle woningen zooveel mogelijk even als zij te huis stonden, dekt haar voor den regen, opent de vlieggaten, en zet de gewone deuren weder in de woningen, nadat de latten, die tot ondersteuning der tafels gediend mogten hebben, er uitgenomen zijn. In korten tijd zullen de bijen nu de nieuwe vlugt leeren kennen. Wanneer de eerste dagen soms ongunstig voor de inzameling zijn mogten, dan geeft men den stokken, welke daar behoefte aan hebben, eene der honigtafels, die men tot dat einde op reis medeneemt.
Is men van zijne reis teruggekomen, dan geeft men den stokken, die men door den winter brengen wil, zooveel tafels, als men rekent dat zij noodig zullen hebben; daarbij moet men liever wat ruim dan te karig te werk gaan.
Indien men het reizen met strookorven vergelijkt, met het reizen met Dzierzon’sche woningen, dan laat het zich niet betwijfelen, of de laatste de overwinning wel zullen behalen. De voordeelen van Dzierzon’s woningen, ook in dit opzigt, vallen te zeer in het oog, om er verder over uit te weiden.
Wanneer de bijenhouders in Noord-Braband, nadat de boekweit uitgebloeid is, weder met hunne bijen zijn teruggekeerd, houden zij den honig- en wasoogst. Gewoonlijk geschiedt dit in de eerste helft van Augustus. Zij gaan daarbij op de volgende wijze te werk.
De zware moederstokken en alle zwermen, die, om goed door den winter te kunnen komen, te weinig bouw en voorraad hebben, worden ter zijde gezet. De zwermen, hetzij voor- of nazwermen, welker bouw en honigvoorraad toereikend is, worden als overstanders uitgekozen, en zijn er te weinig voor den stand, dan zoekt men uit de ter zijde gezette zwermen er nog zoovele, als men noodig heeft, en maakt die, door hun eenige ondersteuning te geven, geschikt voor de overwintering. Heeft men nu nog te weinig stokken, om door den winter te brengen, dan neemt men er nog moederstokken bij, waaruit men een gedeelte van het werk snijdt, indien men meent dat zij dat niet noodig hebben. Gewoonlijk behoudt men jaarlijks het zelfde getal stokken, en neemt dit, voor een mogelijk verlies in den winter, niet te klein. De uitgekozen overstanders worden op de gewone plaats in den stal gezet.
De stokken, welke men ter zijde gezet heeft om uitgebroken te worden, laat men nog een paar dagen staan, het is onverschillig waar, opdat de bijen er de vlugt zouden leeren kennen. Dan neemt men hen een voor een van hunne plaats, en zet daar een ledigen korf, waarin de omvliegende bijen zich kunnen verzamelen, en trommelt hen op eenigen afstand van den stand uit, zooals dit voor het maken van kunstzwermen (zie bl. 165) is opgegeven, doch tracht nu, door wat meer rook aan te brengen, er de bijen zooveel mogelijk uit te verwijderen. Indien de grootste hoeveelheid bijen naar den bovensten korf is opgeklommen, dan neemt men hem weg, en zet hem op de plaats, waar de volle korf heeft gestaan. De ledige korf, dien men daar gezet had, opdat de omvliegende bijen er zich in zouden verzamelen, wordt weder weggenomen; de bijen, die er in mogten zijn, zoeken de haar bekende plaats weder op. Nu tracht men, door kloppen en berooken, de bijen, die nog teruggebleven zijn, zooveel mogelijk te verwijderen; men buigt daarom ook de tafels een weinig van elkander, en strijkt er met eene veêr alle bijen tusschen weg. De korf wordt nu, in een besloten lokaal, liefst met een naar buiten openslaand venster, op den kop gezet; de nog teruggebleven bijen vliegen nu uit den korf naar het venster, en worden, door dit van tijd tot tijd even te openen, gemakkelijk verwijderd. Men moet het niet open laten, want dan konden andere bijen komen rooven.
Indien alle stokken, die uitgebroken moeten worden, op de aangegeven wijze zijn afgetrommeld, dan worden tegen den avond twee, drie, soms vier stokken met elkander vereenigd, zoodat de geheele korf soms met bijen is aangevuld. Die stokken brengt men dan naar de heide. Zij worden zoo volkrijk gemaakt, omdat er op de heide zoo ontzettend veel bijen kunnen omkomen. Dikwijls worden zij er nog zeer zwak, en men houdt daarom gewoonlijk nog enkele stokken te huis, om hen te versterken. Wanneer er ongunstig weder mogt invallen, dan moeten deze stokken, omdat zij zonder eenigen voorraad zijn weggebragt, ondersteund worden.
Zijn de bijen nu behoorlijk besteld, dan begint de eigenlijke honig- en wasoogst. Men trekt daartoe al de kruisstokjes, die dienden om den bouw te ondersteunen, uit de korven, snijdt er eenige tafels, die den zuiversten honig bevatten, uit, en steekt daarna met eene kleine, ijzeren spade al het werk los, onverschillig of dit honig, broed of bloemenstof bevat, en werpt het dooreen in eene ton, die gewoonlijk 150 Ned. pond kan bevatten. De geledigde korven zet men op een paar latten, boven de ton, om uit te druipen; is dat geschied, dan worden zij tot den volgenden zomer op zolder gezet, waar zij zooveel mogelijk voor muizen en voor onreinheden bewaard worden.
De heide bloeit gewoonlijk tot half September, en zoo het weder gunstig is, kunnen de stokken daar soms nog een voldoenden bouw optrekken, en van een genoegzamen wintervoorraad voorzien raken. Daar de heidehonig echter voor de overwintering minder geschikt is, zoo breekt men hem meestal uit, en verdeelt de bijen, die hem verzameld hebben, over zijne andere stokken, of doodt haar met zwaveldamp.
Wie niet met zijne bijen naar de heide gaat, hetzij omdat de gelegenheid daartoe ontbreekt, of omdat de kans op voordeel te onzeker is, trommelt haar niet af, wanneer men haar ten minste niet behoeft, om er andere stokken mede te versterken. Men doodt haar dan door zwaveldamp. In den grond graaft men een kuil, steekt daarin een paar stokjes, waaraan brandend zwavellint bevestigd is, zet er den korf boven en sluit den rand met zand of klei, om den zwaveldamp niet te doen ontwijken. Nadat de korf een kwartier zoo gestaan heeft, zijn meest alle bijen gestikt en uit den korf gevallen; zij worden in den grond begraven. De ontvolkte korven worden eveneens behandeld, als boven is gezegd. De doode bijen, die nog tusschen de tafels hangen, neemt men zooveel mogelijk weg, maar ziet er ook niet op, er eenige, met den honig en het werk, in de ton te werpen.
Den ruwen honig, zooals die in de ton verzameld is, verkoopt men aan de honigbrekers. Met dezen naam bestempelt men de personen, die den honig en het was zuiveren en in den handel brengen. De bijenhouders doen dit gewoonlijk niet. Zij zuiveren slechts een weinig van den besten honig, en bewaren dien om, zoo noodig, als voedsel te dienen.
Het zuiveren van den honig, die nu nog in vloeibaren toestand in de cellen is, geschiedt door de tafels te verbreken, waardoor zij in eene dunne pap overgaan, die in een puntig, van witte teenen digt gevlochten mandje, dat boven eene kuip geplaatst is, wordt geworpen. De honig druipt nagenoeg zuiver in de kuip; de kleine stukjes was, die er zich nog onder bevinden, verzamelen zich langzamerhand op de oppervlakte. Den volgenden dag neemt men die met een lepel en eene pennenveêr weg, en legt hen in het mandje, op het daar teruggebleven was. De mede geschepte honig zal nu weder zuiver uit het mandje druipen.
De honig, die op deze wijze verkregen is, heet lekhonig. Hij is helder doorschijnend, en wit, geel of bruin van kleur. De kleur is afhankelijk van de bloemen, waarop hij gewonnen is. De vloeibare honig wordt zeer spoedig vast. Het vat, waarin hij is vast geworden, kan omgekeerd worden, zonder dat hij daaruit zal vloeijen. De lekhonig is na dien, welke in de tafels bewaard is, het beste voor voeder.
Uit het was, dat in het mandje is teruggebleven, kan door middel van de honigpers nog eenige honig verkregen worden. De uitgeperste koeken worden in water van een gedrukt; dit mengsel wordt eenigen tijd geroerd, om den honig goed met het water te vermengen, en dan in bovengenoemd mandje geworpen. Het waschwater, dat nu door het mandje loopt, wordt opgevangen om er mede of azijn van te maken. Hoe dit geschiedt zal later worden opgegeven.
Ik heb de Dzierzon’sche woningen steeds vergeleken met de gewone strookorven, en dikwijls waren de voordeelen, die zij aanboden, zeer in het oog loopend. Vergelijkt men beide nu weder met betrekking tot den honigoogst, en het gereed maken der stokken om in de heide gebragt te worden, dan zullen Dzierzon’s woningen weder eene schitterende overwinning behalen. De ronde vorm der strookorven heeft ten gevolge dat de warmte daarin overal bijna dezelfde hoogte bereikt. De moederbij heeft daardoor gelegenheid om alle cellen te bezoeken en die, welke zij ledig vindt, met eijeren te bezetten. Indien zij zeer vruchtbaar is, houdt zij dit den geheelen zomer vol, en een groot gedeelte van de nakomelingschap, die zij verwekt, komt veel te laat, zoodat duizende bijen, zooals wij boven zagen, voordat zij de cellen verlaten hebben, door den honig geworpen worden. Het eenige nut dat zij aanbrengen bestaat daarin, dat zij het gewigt vermeerderen; maar de honig wordt er dan ook zeer door verontreinigd en tot een walgelijk produkt gemaakt, waartoe ook het bloemenstof, dat er eveneens door geworpen wordt, het zijne bijdraagt. Ik heb hierover wel eens met bijenhouders gesproken, en zij zagen wel in dat eene late broedaanzetting nadeelig was, maar zij wisten haar niet tegen te gaan, en in korven is dit ook niet mogelijk. Zulk een bijenhouder zeide mij eens, dat het hem het best toescheen, om in Julij het werkbijenbroed, even als het hommelbroed, zooveel mogelijk te vernietigen. Maar hij begreep niet dat het middel erger dan de kwaal was. De sterke volksvermeerdering zou men er wel door voorkomen, maar men zou de bijen ook een zeer moeijelijk werk geven, want zij moesten nu al de bijna volwassen bijen uit de cellen trekken, buiten den korf dragen, en de cellen zuiveren. Dit zou haar een geruimen tijd beletten om op de dragt uit te vliegen, en zoodra als de cellen weder gezuiverd en hersteld waren, zou de moederbij haar weder met eijeren bezetten; de bijen moesten deze weder bebroeijen, en de maden van voedsel voorzien, hetgeen weder veel honig zou vereischen. Men was dus niets gevorderd, maar had nog het nadeel, dat de bijen minder honig indroegen, en meer honig aan broed moesten ten koste leggen. Het beste zal dus nog maar wezen om het broeijen in de korven vrij te laten.
Doordat de Dzierzon’sche woningen langwerpig vierkant zijn, bereikt de warmtegraad niet overal dezelfde hoogte. Het broednest wordt daardoor van zelf begrensd, omdat de moederbij niet ligt de koudere gedeelten van den stok bezoekt. Mogt zij daartoe, bij zeer warm zomerweder, geneigd zijn, dan kan het haar belet worden (zie bladz. 155). Zoodra men berekenen kan, dat het aangezette broed te laat zal komen, om nog in te zamelen, dan belet men de broedaanzetting geheel, door de moederbij in een huisje te sluiten.
Is de dragt van de boekweit geëindigd, dan bepaalt men het aantal stokken, dat men inwinteren wil, en ontneemt die den overtolligen honig en het meeste broed. Die te weinig honig hebben geeft men, in plaats van de weggenomen broedtafels, zoovele honigtafels, dat zij ruim voor den winter voorzien zijn. Den stokken, die men wil uitbreken, ontneemt men den geheelen voorraad honig en bloemenstof en versterkt hen met de broedtafels, die men uit de andere stokken genomen heeft. Daarna geeft men hun elk nog eene honigtafel, om tot voedsel te dienen, wanneer er soms ongunstig weder inviel. De ruimte, welke nu nog in de woningen open is, hangt men vol met ledige wastafels, en brengt de stokken zoo naar de heide. Het verlies, dat zij daar dagelijks lijden, wordt door het broed, dat dagelijks uitloopt, hersteld, en om hen zoo volkrijk mogelijk te houden, geeft men hun van tijd tot tijd de broedtafels, die men de overstanders heeft laten behouden. Deze kunnen dan toch gewoonlijk niet veel inzamelen, en op zijn hoogst maar zooveel, als zij voor hun dagelijksch onderhoud behoeven.
Zal het nog noodig zijn op te merken dat de stokken, die men op deze wijze heeft voorbereid, zich het verblijf op de heide vrij wat beter ten nutte kunnen maken, dan die in korven daarheen gebragt zijn? Deze hebben eene ledige woning en moeten tijd en honig aan den bouw ten koste leggen, en daar zij bovendien dagelijks volk verliezen, zoo komen zij veeltijds in een treurigen toestand te huis. Gene daarentegen zijn van een goeden voorraad broed voorzien, dat het volksverlies ruim vergoedt, en bovendien hebben zij een volkomen wasbouw en eenig voedsel, om aanvankelijk in hun onderhoud te voorzien. Wilde men hun ook het broedaanzetten geheel beletten, dan moest men er bij de afreis de moederbijen uit vangen. Zij zouden dan terstond hulpcellen aanzetten, en behoefden verder tijd noch honig aan het broed ten koste te leggen. Tegen dat de aangekweekte koninginnen de cellen verlaten, is gewoonlijk de heide uitgebloeid. Wanneer men deze stokken weder te huis gebragt heeft, dan neemt men den geheelen bouw uit, en vangt en doodt de moederbijen, welke men meent dat onbevrucht zijn. De bijen geeft men dan ter versterking aan de stokken, die te huis zijn gebleven. Men versterke echter niet in te groote mate, want overbevolking kan in den winter ook nadeelig zijn. De bijen toch, die onder het werk moesten hangen, zouden te veel aan de koude blootgesteld, en daarbij te ver van den voorraad verwijderd zijn, zoodat de andere bijen haar geen voedsel konden toereiken. Zij zouden dus van gebrek en koude omkomen, of wat nog erger is, onrust in den stok brengen, en dezen dus geheel kunnen doen omkomen. De stokken zullen sterk genoeg bevolkt zijn, wanneer de bijen de straten, tusschen vier of vijf tafels, goed bezetten.
Indien men van de heide meer bijen terugbrengt, dan men ter versterking noodig heeft, dan kan men daar nog een of meer stokken van zamenstellen. Men ontneemt haar evenwel al den heidehonig, en geeft er tafels met boekweit- of zaadhonig voor in de plaats. De bloemenstoftafels laat men haar behouden. Men heeft uit het voorgaande gezien, dat men, bij het gebruik van Dzierzon’sche woningen, volstrekt niet genoodzaakt is om de bijen, die zoo ijverig gewerkt hebben, meêdoogenloos te dooden. Veeleer zorgt men er voor, dat er niet te veel bijen worden aangekweekt, hetgeen den honigoogst nog vergroot.
Bij den honigoogst moet men altijd tafels met boekweit- of zaadhonig bewaren, zoowel om er den heidehonig door te vervangen, als om in het voorjaar de behoeftige stokken te voêren. Een zorgvuldig bijenhouder moet zorgen altijd ledige en met honig gevulde tafels in voorraad te hebben. De overtollige bloemenstoftafels bewaart hij ook, of vermengt haar met den honig, dien hij tot voedsel in het voorjaar bestemt.
Heeft men door het uitbreken van stokken jonge, bevruchte moederbijen bekomen, dan gebruikt men die om de koninginnen, die drie of meer jaar oud zijn, in andere stokken te vervangen. De jonge moederbij kan voor de zekerheid in een moederhuisje geplaatst worden, dat men dan met een wasblaadje sluit. De bijen zullen haar dan in vrijheid stellen en aannemen. Nadat men de oude moederbij weggenomen heeft, kan men evenwel in den herfst de jonge wel in den stok laten loopen; wanneer de bijen hare moederloosheid ontdekt hebben, zijn zij in dien tijd van het jaar niet onverdraagzaam: soms laten zij zelfs twee moederbijen in den stok toe.
De tafels met honig, welke men uit de woningen genomen heeft, snijdt men aan weêrskanten schuins van het staafje weg, zoodat daar een scherpe rug, van een halven duim hoog, aangehecht blijft. Deze staafjes legt men zoo eenigen tijd op den bodem van eene bevolkte woning. De bijen zuigen allen lossen honig op, waarna men hen tot een volgend gebruik kan bewaren. De afgesneden honigtafels worden eveneens behandeld, als boven werd opgegeven. Men oogst nu niet alleen zuiveren honig, bevrijd van broed en bloemenstof, maar men kan zelfs alle soorten van honig afzonderlijk houden. De aldus gewonnen honig is veel zuiverder van kleur en smaak, dan die uit de korven, en heeft daarom ook eene grootere waarde.
Het was, dat, nadat het met water afgewasschen is, in het mandje is teruggebleven, wordt op de volgende wijze gezuiverd. Een ketel, die half met water gevuld is, wordt op het vuur geplaatst, en het water aan het koken gebragt. Dan werpt men er zooveel was in, als de ketel, zonder dat er gevaar voor overkoken bestaat, kan bevatten. Is alles goed gesmolten, dan wordt het in den persbak gebragt, die te voren in warm water heeft gelegen, zooals dit bij de beschrijving der pers is opgegeven. De pers wordt ook vooraf goed nat gemaakt, om het was, dat daartegen spat, nadat het koud geworden is, gemakkelijk te kunnen verwijderen. Het uitgeperste was wordt opgevangen in een pot met heet water, die onder de pers geplaatst is. De uitgeperste koek wordt uit den doek genomen, en deze weder gevuld. Men herhaalt dit tot al het was geperst is. Denkt men dat er in de koeken nog was is teruggebleven, dan kookt en perst men die nogmaals uit.
Het verkregen was moet nu nog verder gezuiverd worden. Ik doe het in een ketel met een weinig water, en breng het mengsel, nu en dan roerende, aan den kook, waarna ik het door een doek giet. Deze doek is op een raam gespannen, dat op een paar stoelen of iets dergelijks rust. Er wordt dan een pot met een weinig kokend water onder gezet, om het doorgeloopen was op te vangen. De grove onzuiverheden, die op den doek terugblijven, worden tot eene volgende waszuivering bewaard, en dan op nieuw uitgekookt. Het was, dat in den pot gevloeid is, laat men stil staan om te bekoelen; de waskoek zal dan aan de kanten geheel los zijn, en kan uit den pot genomen worden, wanneer men zorg gedragen heeft er een te nemen, die naar boven wijd uitloopt. De meeste onzuiverheden hangen nu onder aan de wasschijf. Zij worden er luchtig afgeschrapt, en daar zij volstrekt geen was meer bevatten, weggeworpen. De onderste laag van den koek was, die nog veel vuil bevat, wordt er met een beitel afgestoken, en het zoo ver gezuiverde was nogmaals met water opgekookt en afgeschuimd. Daarna giet men het in een pot of schotel, die een weinig heet water bevat, en laat het stil staan. Het schuim, dat zich op de oppervlakte verzamelt, wordt met eene veêr weggenomen, waarna men den pot of schotel digt dekt en laat bekoelen. Dekt men hem niet, dan komen er gewoonlijk scheuren in het was. Den volgenden dag neemt men dit uit den vorm, en schrapt er het weinige vuil, dat er nog aankleeft, met een mes af, waarna het was in den handel gebragt kan worden.
Voor eenige jaren heeft Stockmann, in de Bienen-Zeitung, een ketel tot het zuiveren van was aanbevolen, die daartoe zeer geschikt is, wanneer de hoeveelheid was, die gezuiverd moet worden, niet te groot is. Bij het gereedschap is hij opgenomen, en daar is tevens opgegeven hoe hij gebruikt wordt.
Niet enkel bij den honigoogst bekomt men was. Ook gedurende het voorjaar en den zomer verkrijgt men het nu en dan, bij het besnijden van stokken, het wegnemen van hommeltafels, enz. De moederwiegen, die men aan de stokken ontneemt, moet men, daar zij zeer zwaar van was zijn, vooral zorgvuldig bewaren. Zoo men zulke kleine hoeveelheden was niet dadelijk wil zuiveren, dan moet men het toch opsmelten, om het voor de wasmot te beveiligen. Het wasmul, dat men in het voorjaar op de bodems der woningen vindt, moet men, na van de doode bijen gezuiverd te zijn, opsmelten en bewaren. De hommeltafels, die men uitgesneden heeft, en die gewoonlijk met maden gevuld zijn, worden daarvan bevrijd, door, op eenigen afstand van den stal, de deksels van de cellen te snijden, en dan met de vlakke tafel zacht op een houtje te kloppen. Meest alle maden vallen er nu uit; men laat de tafel daarbij op den grond liggen, en al spoedig zullen er vogels op de uitgeworpen maden afkomen, en ook haar, die nog in de cellen zitten, daaruit pikken. Den volgenden dag keert men de tafel om, opdat de vogels ook aan die zijde de maden kunnen wegpikken. Na een paar dagen is het was van maden bevrijd en droog, men knijpt het dan tot ballen en smelt het op.
Indien men niet ruim van wastafels voorzien is, dan moet men ook de ledige hommeltafels bewaren. Bij rijke dragt kunnen deze zeer goed dienen, om in de honigkamer gehangen te worden. De beschimmelde tafels moet men niet opsmelten, dan wanneer men zuivere in overvloed heeft. Zij kunnen van het schimmel gereinigd worden door haar, nadat zij goed droog geworden zijn, af te borstelen, en daarna met water te borstelen en af te spoelen. Wanneer zij weder opgedroogd zijn, kan men haar gerust gebruiken, de bijen zullen er weinig aan te zuiveren hebben. Tafels die lang voor broed gediend hebben, en welke dien ten gevolge zwart zijn geworden (zie bl. 48), moet men opsmelten. Het was dat men nu gaandeweg bijeenverzameld heeft, wordt op de boven aangegeven wijze gezuiverd, wanneer de hoeveelheid groot genoeg is, om er de moeite aan te geven.
Ten slotte wil ik hier nog opgeven, hoe men den honig, die in de cellen versuikerd is, zuiveren kan. De tafels worden zoo klein mogelijk gemaakt, door de cellen steeds dwars te snijden; dan doet men haar in een pot, en stelt dien aan eene langzame warmte bloot. Het best is hem in een ketel met water te plaatsen en dezen te vuur te zetten. Men onderhoudt het vuur totdat de honig en het was geheel vloeibaar zijn geworden, schept hen dan in een grof linnen zak, en legt dezen in de pers. Het mengsel van was en honig, dat men nu heeft gezuiverd, wordt in een pot opgevangen, dien men in heet water plaatst en daarin langzaam laat bekoelen. Het was zal zich dan langzamerhand op de oppervlakte verzamelen, en koud geworden, kan het er afgenomen worden. De honig, die nog aan den waskoek hangt, wordt er afgespoeld, en het waschwater voegt men bij het overige, en maakt er mede of azijn van. Men kan het ook op eenigen afstand van den bijenstal plaatsen; de bijen zullen het dan ophalen en weder als voorraad opleggen.
Wanneer men er de gelegenheid toe heeft, dan plaatse men de klein gesneden tafels op een schotel in een bakoven, nadat het brood daaruit genomen is. De oven is dan nog heet genoeg, om den honig en het was te doen smelten. Den volgenden dag neemt men den schotel uit den oven, en vindt er den honig onderin, en het was als een koek op den honig. De aldus verkregen honig is nooit zoo goed als de lekhonig, en men heeft veel moeite om hem te zuiveren, waarom men steeds zorgen moet den honig van het was te scheiden, als hij daarin nog vloeibaar is.