De wijzen, waarop een stok zijne moederbij kan verliezen, zoodat hij moederloos of zoo als sommigen zeggen ongeregt wordt, zijn veelvuldig, en er gaan dan ook jaarlijks vele stokken door dit verlies te gronde.
Verliest een stok zijne moederbij op een tijd, dat er geen ongedekt broed aanwezig is, dan kan hij zijn verlies niet herstellen. Had hij ongedekt broed, maar kwam eene daaruit aangekweekte moederbij op hare bevruchtings-uitvlugt om, dan zou er geen broed meer zijn, dat geschikt was om nieuwe hulpcellen aan te leggen. Kweeken zij eene koningin aan, op een tijd dat er geene mannetjes zijn, om haar te bevruchten, zoodat de stok hommelbroedig wordt, dan is hij er nog veel erger aan toe, dan wanneer hij moederloos is. Het zal dus van veel belang zijn aan te toonen, waaraan een moederlooze of hommelbroedige stok te herkennen is, hoe zijn gebrek hersteld kan worden, en hoe het ontstaan van dit gebrek kan worden voorkomen.
Een stok kan zijne moederbij missen en toch broed, maar alleen hommelbroed, bevatten. Dit kan veroorzaakt worden door dat eene werkbij de taak der koningin heeft op zich genomen, en eijeren legt. Indien er hommelcellen aanwezig zijn, dan vindt men deze vooral met eijeren bezet, want de werkbij kan, met hare lange vleugels en haar kort achterlijf, moeijelijk eijeren in de kleine cellen leggen. Zij doet dit evenwel toch, wanneer er geene hommelcellen zijn, doch bezet haar dan ongeregeld, verscheidene, soms geheele hoopjes eijeren in eene cel leggende, die dan niet tegen den bodem, maar tegen den kant der cel geplaatst zijn. Ook in moedercellen legt de werkbij eijeren. Deze cellen komen in moederlooze stokken veel voor, waarschijnlijk omdat de bijen, door het gemis dat zij gevoelen, tot het aanleggen daarvan worden opgewekt. Een stok, die zeer veel begonnen moederwiegen bevat, moet als zeer verdacht beschouwd worden. Verkeert een stok in het hier beschreven geval, dan is hij moeijelijk, veeltijds in het geheel niet te helpen. De bijen hechten zich soms zoo sterk aan eene leggende werkbij, dat zij geen acht slaan op het broed, dat men haar geeft, om er eene hulpcel uit aan te zetten, ja eene moedercel, die men haar heeft gegeven, vernietigen en zelfs eene haar toegevoegde moederbij ombrengen; wanneer zij haar echter aannemen dan houdt de werkbij met leggen op. Zulk een stok met een anderen te vereenigen is gevaarlijk, daar veelal de moederbij zal worden omgebragt. Er de leggende werkbij uit te vangen gaat niet. Het best is den stok te dooden, en zijn voorraad in veiligheid te brengen, want de pogingen tot herstel worden zelden met een goed gevolg bekroond. Eens gelukte het mij zulk een stok weder in zijn normalen toestand terug te brengen, door er een kleinen nazwerm bij te voegen.
Bezit een stok eene onvruchtbare moederbij, die hommelbroedig is, dan legt deze hare eijeren regelmatig in werkbijencellen, want zij tracht werkbijeneijeren te leggen, doch is daartoe niet in staat. Aan de regelmatige of onregelmatige afzetting der hommeleijeren, kan men dus ontdekken of zij van eene koningin, of van eene werkbij komen. De koningin kan het vermogen om werkbijeneijeren te leggen soms in het geheel niet bezeten hebben, doordat zij van hare geboorte een gebrek aan de vleugels had, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt onmogelijk maakte; of doordat zij op een tijd geboren werd, dat het weder te ongunstig was om te vliegen, terwijl dat later, toen het weder gunstiger geworden was, hare geslachtsdrift was uitgedoofd; of ook wanneer zij aangekweekt is, nadat alle hommels reeds verdreven zijn. Hare vruchtbaarheid kan ook uitgeput zijn; dit zal spoedig geschieden, wanneer de paring slechts onvoldoende heeft plaats gehad, zoodat het bevruchtingsblaasje slechts gedeeltelijk gevuld was; doch door de drukke eijerlage moet eindelijk het zaadblaasje toch geledigd worden. Niet zelden treft men moederbijen aan, die door groote vruchtbaarheid hebben uitgemunt, maar die toch eindelijk hommelbroedig zijn geworden. Dr. Dönhoff ontdekte, dat men eene vruchtbare moederbij, zonder haar leven te benadeelen, het vermogen om vrouwelijke eijeren te leggen kan benemen, door het onderste gedeelte van het achterlijf te drukken. Voor de zuivere voortteeling der Italiaansche bijen, kan deze ontdekking van veel belang zijn, omdat zij het middel aan de hand geeft, om op buitengewone tijden hommels te verkrijgen. Ook bemerkte men toevallig, dat volkomen vruchtbare moederbijen hommelbroedig worden, wanneer zij te lang door koude verstijfd zijn geweest. De proef, door Berlepsch hieromtrent genomen, bevestigde dit. Hij bragt drie gezonde, vruchtbare koninginnen in een ijskelder; na eenige uren in de warmte gebragt zijnde, herleefde er slechts eene, die nu geen enkel werkbijenei meer legde. De jonge moederbijen, die onbevrucht blijven, leggen gewoonlijk den eersten zomer niet, maar beginnen, in het volgende voorjaar, bij het ontwaken der voortplantingsdrift, hommeleijeren te leggen.
Bleef hij aan zich zelven overgelaten, dan zou de moederloosheid van een stok altijd zijn ondergang na zich slepen, en toch heeft zij in de meeste gevallen weinig te beteekenen, wanneer zij maar spoedig ontdekt wordt, zoodat zij verholpen kan worden. Naar den tijd van het jaar, moeten daarvoor verschillende wegen worden ingeslagen. Men kan den stok, door hem ongedekt broed te geven, of hem eene voorhanden moederbij toe te voegen, weder in normalen staat brengen of hem ook helpen, door hem met een anderen stok te vereenigen. Kan of wil men hem niet helpen, dan mag hij in geen geval op den stand gelaten worden; men moet hem dooden, en zijn voorraad zoo spoedig mogelijk in zekerheid brengen; deed men dit niet, dan zou de voorraad òf nutteloos verteerd worden, òf hij zou eene prooi der roofbijen worden, die, eenmaal tot rooven opgewekt zijnde, zich ook op andere stokken zouden werpen.
Het is dus van het hoogste gewigt te weten, waaraan een moederlooze stok te herkennen is. Het zekerste en duidelijkste bewijs van het verliezen der moederbij is de onrust, die het geheele volk bevangt, kort nadat het zijn verlies bemerkt heeft. Gewoonlijk ontdekken de bijen het dadelijk, maar bij uitzondering ook wel den volgenden of den tweeden dag. Men ziet dan eene menigte bijen uit het vlieggat komen; sommigen vliegen af, maar niet in die rigting, waarin zij op de dragt uitvliegen; zij vliegen slechts rond de woning en komen weder terug; anderen loopen over de geheele woning, vooral in den omtrek van het vlieggat, heen en weder, als of zij iets zochten, zij betoonen groote onrust, gaan de woning weder binnen, doch komen terstond terug, en herhalen dit onafgebroken, zelfs totdat het reeds donker wordt, en alle andere stokken in rust zijn. Deze zoekende bijen zijn zeer geneigd tot steken; komt men er digt bij, dan vliegen zij plotseling in het gezigt.
Het angstig heen en weder loopen in den laten avond van warme zomerdagen, heeft soms een geheel anderen grond dan moederloosheid, en de onkundige kon hierdoor al ligt misleid worden. Evenwel zal men dan spoedig ontdekken, dat het eene andere oorzaak heeft, daar men het, zoo al niet bij alle, dan toch bij de meeste stokken waarneemt. In dit geval houden zij zich bezig met het afweren van wasmotten, die in de avondschemering, na warme dagen, in groote hoeveelheden omvliegen, en in de woningen trachten te dringen.
Om moederlooze stokken zoo spoedig mogelijk te ontdekken, moet men zijn stand, vooral in den zwermtijd, alle avonden bezoeken, want de onrust, die zij betoonen, is een onbedriegelijk teeken, dat evenwel veelal maar kort is waar te nemen; wanneer zij eenmaal de zekerheid verkregen hebben, dat hare moederbij verloren is, dan zijn de bijen gewoonlijk in haar lot getroost, waarna men geene onrust meer bespeurt. Dan wordt het moeijelijk, vooral voor eerstbeginnenden, om den waren toestand van den stok te leeren kennen. Het terugkeeren der rust kan het gevolg zijn van het aanzetten van hulpcellen, uit broed dat voorhanden was; in woningen met lossen bouw kan men zich daarvan terstond overtuigen. Maar de bijen zullen ook tot rust komen, en hare bezigheden hervatten, als of zij eene moederbij hadden, indien zich slechts eene enkele werkbij in den stok bevindt, die de cellen met eijeren bezet. Ook zullen zij zich tevreden stellen met moedercellen, aangelegd van geheel ledige of slechts hommelbroed bevattende cellen, in de hoop dat daaruit eene koningin zal geboren worden. Eijerleggende werkbijen zijn niet zoo zeldzaam, als men dit wel zou denken; in moederlooze stokken vindt men immers, in de meeste gevallen, na korter of langer tijd, hommelbroed, en soms in zoo ruime mate, dat het onmogelijk van ééne bij afkomstig kan zijn. Het gebeurt ook wel dat eene werkbij eijeren begint te leggen, zoodra de bevruchte moederbij met den zwerm is afgevlogen; zij houdt daarmede aan, zoo lang de stok nog slechts moederwiegen bezit, of de jonge koningin nog niet bevrucht is; wanneer deze echter met de eijerlage begint, dan houdt de werkbij er mede op.
Een tweede kenmerk van een moederloozen stok bestaat daarin, dat als men de woning opent, kort nadat de moederbij verloren is, men de bijen langs de wanden en over het werk verspreid zal vinden, waar zij, zoekende heen en weder loopen. Blaast men er den adem op, dan doen zij een bijzonderen, huilenden klaagtoon hooren, zeer goed te onderscheiden van den korten, krachtigen, bruisenden toon, dien een gezond volk doet hooren, als men slechts even tegen zijne woning tikt. Wie die toonen naauwkeurig weet te onderscheiden, behoeft de woning niet te openen. Hij legt het oor tegen den wand en tikt daar met den vinger tegen. Is de stok gezond, dan zal hij een sterk, bruisend geluid doen hooren, dat terstond weder verstomt; is hij moederloos, dan zal het een huilende toon zijn, die eenigen tijd aanhoudt. Door de stokken, bij het einde van den winter, voordat men hen laat vliegen, aldus te onderzoeken, kan men de gezonde gemakkelijk onderscheiden van die, welke als verdacht in het oog gehouden moeten worden.
Heeft de moederlooze toestand evenwel reeds eenigen tijd geduurd, dan zal men bij het onderzoek de bijen geheel in het broednest teruggetrokken vinden. Blaast men er nu den adem op, dan komen zij met drift te voorschijn, en doen het huilende geluid hooren, daarop trekken zij terstond terug, en niet eene bij zal aan vliegen of steken denken. Als gezonde stokken eene sterke vlugt hebben, dan zal de hare traag zijn; wel komen er eenige met bloemenstofballetjes te huis, maar deze zijn zeer klein; zij gaan wel in de woning, doch leggen alle balletjes niet af, maar komen er terstond weder mede terug en vliegen af. Zijn de moederlooze stokken volkrijk, en bezitten zij eene eijerleggende werkbij, dan dragen zij soms eene belangrijke hoeveelheid bloemenstof in, zoodat zij er het geheele broednest bijna mede vullen. Bij ruime weide kunnen zij dan ook veel honig opleggen; want daar de bijen het er voor houden dat zij eene moederbij bezitten, zoo vervolgen zij al hare bezigheden, en kunnen, nu zij slechts weinig broed te verzorgen hebben, veel honig inzamelen.
De bijen, uit moederlooze stokken, vervliegen veelal op andere stokken, en er zijn bijenhouders die veronderstellen, dat zij er zich op toeleggen, om hare verlaten woning te berooven, en ook andere bijen daarheen te lokken; dit zou dan de reden zijn, dat moederlooze stokken zoo spoedig door roovers worden uitgeplunderd. Deze veronderstelling kan zeer juist zijn.
Een derde teeken van moederloosheid is het niet uitdragen van dooden en andere onreinheden, hetgeen gezonde stokken altijd doen. Zoodra de moederloosheid bestaat, onttrekken de bijen zich aan alle bezigheden: zij bekommeren zich niet meer om de huisselijke zaken. Bij gezonde stokken ziet men, zoowel bij dag als ’s avonds, vele bijen aan het vlieggat vereenigd, om de zonnewarmte of de avondkoelte te genieten, terwijl eenige, met den kop naar het vlieggat en het achterlijf naar boven gerigt, als een teeken van vreugde onophoudelijk met de vleugels slaan. Bij moederlooze stokken ziet men van dit alles niets; alle vreugde is van hen geweken; ook houdt het voorspel spoedig geheel op. Terwijl gezonde stokken zich uiterlijk in het begin van Augustus van alle hommels ontdoen, zoo behouden de moederlooze hen, zonder aan de uitdrijving te denken, waarschijnlijk omdat zij weten geene bevruchte moeder te kunnen bekomen, wanneer er geene mannetjes in den stok zijn. Bij hunne eigene nuttelooze kostgangers, bedelen zich ook nog eene menigte hommels in, die uit andere stokken verdreven werden, om gezamenlijk op den steeds verminderenden voorraad te teren. Wanneer dus een stok in het laatst van Augustus de hommels nog niet heeft uitgedreven, dan moet men hem in het oog houden, en duldt hij die in September nog, dan kan men verzekerd zijn dat hij moederloos is.
Blijft men, ondanks de opgegeven kenmerken, in het onzekere omtrent een stok, dan moet men tot het laatste en meest afdoende middel zijne toevlugt nemen, en trachten te ontdekken of zich werkbijenbroed in den stok bevindt. Ontdekt men eijeren en broed van verschillenden ouderdom, dan mag men als zeker aannemen, dat de stok eene goede moederbij bezit. Vindt men geene eijeren, doch wel ongedekt broed, dan kan men zich overtuigd houden dat de koningin in de laatste drie of vier dagen vermist is; wanneer er nog hommels zijn, behoeft men zich over het verlies niet te verontrusten, want zoo er nog geene hulpcellen zijn aangezet, dan zullen de bijen het zeker den eerstvolgenden nacht doen. Is er niets dan gedekt broed, dan moet de moederbij reeds sedert acht dagen verloren zijn, en hadden zij geene hulpcellen aangezet, dan moeten zij moederloos blijven. Wordt er in het geheel geen broed gevonden, dan heeft de moederloosheid ten minste reeds twintig dagen bestaan, wanneer het namelijk in een tijd is, dat de stokken broed moeten hebben.
Het hier opgegeven onderzoek geschiedt in Dzierzon’s woningen zeer gemakkelijk, doch bij korven heeft het eenig bezwaar. Men moet deze omkeeren en de tafels met de hand zooveel mogelijk uit elkander buigen, er de zon zoo zij schijnt tusschen doen vallen, en dan trachten te zien, hoe het met het broed gesteld is. Daar het broed evenwel in zulke twijfelachtige gevallen alleen in den top van den korf staat, zoo moet men veeltijds de tafels tot op de zitplaats der bijen inkorten, en zoo het oogmerk dan nog niet bereikt wordt, dan moet men uit de zitplaats zelve vierkante stukjes snijden, en die zorgvuldig bezien. Ontdekt men er het verlangde broed in, dan is de stok in orde, men steekt de uitgesneden stukjes weder op hunne plaats, en bevestigt hen met kleine pennetjes; in het omgekeerde geval is de stok moederloos.
De hoofdoorzaken der moederloosheid zijn:
1o. Dat de moederbij, ten gevolge van hoogen ouderdom komt te sterven. Door haar niet ouder dan twee of hoogstens drie jaar te laten worden, neemt men deze oorzaak weg.
2o. Het te digt bij elkander plaatsen der stokken, zoodat de bijen bij het voorspel, en vooral bij het eerste in het voorjaar, gemakkelijk op de nevenstokken vervliegen, en de haar vreemde koningin ombrengen. Ook verdwalen hierdoor vele jonge koninginnen, na het houden van hare bevruchtings-uitvlugt, die nu eene prooi des doods worden, en dus voor hare stokken verloren zijn. Men moet de vlieggaten ten minste twee voet van elkander verwijderd houden. Ook zou het goed zijn, tusschen naast elkander staande woningen, eene vooruitstekende plank aan te brengen; de bijen konden dan niet zoo gemakkelijk van de eene woning op de andere loopen. Heeft men vele stokken en weinig plaats, dan is men wel genoodzaakt de woningen digt bij elkander te zetten. Het overloopen van de eene woning op de andere wordt dan het best voorkomen, door er een haarachtig voorwerp tusschen te plaatsen; zij keeren daarvoor terug. Ik gebruik er wel strooken konijnenvel toe. Gedurende den zwermtijd moet men, tusschen twaalf en vier ure, niet de minste verandering aan de woningen aanbrengen, en er ook niet te digt voor staan of heen en weder loopen. Eene jonge moederbij, die hare bevruchtingsuitvlugt hield, kon door het eerste hare woning niet meer herkennen, of door het laatste verhinderd worden haar te bereiken.
Heeft men de moederloosheid met zekerheid ontdekt, dan moet men trachten haar zoo spoedig mogelijk te herstellen. In het vroege voorjaar is dit zeer moeijelijk, want men heeft dan geene overtollige moederbijen, en gaf men de bijen eene tafel met ongedekt broed, dan komt de jonge koningin, wanneer zij er eene aankweeken, op een tijd dat er nog geene hommels zijn, om haar te bevruchten. Ook zou de jonge moederbij, op hare vele nuttelooze uitvlugten, zeer ligt door de koude bevangen worden en omkomen, of ontmoedigd door hare vergeefsche togten, het vliegen geheel nalaten, en dus onbevrucht blijven, waardoor de stok hommelbroedig kon worden. Wanneer de moederloosheid ontdekt wordt, vóórdat er nog hommelbroed in de stokken te vinden is, dan doet men het best met de bijen uit de woning te nemen, en haar aan den nevenstok toe te voegen, na vooraf beide volken berookt, en met muskuswater besprenkeld te hebben. Bewaart men den nu ledigen bouw zorgvuldig voor wasmot, dan kan men hem later aan een zwerm toevoegen. Bevindt men echter den moederloozen stok hommelbroedig, en dat niet door eene werkbij, dan kan men de ongeschikte koningin vinden, door den bouw uit te nemen en haar op de tafels te zoeken; bij korven moet men de bijen bedwelmen en haar dan zoeken. Is de koningin weggenomen, dan kan men de bijen met den nevenstok vereenigen. Is men verzekerd dat het hommelbroed van eene werkbij is gekomen, dan kan, zoo als boven reeds werd opgegeven, niets beters gedaan worden, dan den stok te dooden en den voorraad er uit te nemen.
Ontdekt men de moederloosheid in een tijd, dat er hommelbroed aanwezig is, dan kan men ongedekt broed geven, waaruit de bijen zich eene koningin kunnen aankweeken. Heeft de moederloosheid reeds eenigen tijd bestaan, dan zullen de bijen aan haar onnatuurlijken toestand reeds zoo gewend zijn, dat zij het broed wel verzorgen, maar er geene hulpcellen uit aanzetten. Men moet daarom eerst een of twee tafels, met op het uitloopen staand broed in de woning hangen, en zoodra het broed uitgeloopen is, er eene tafel met ongedekt broed bijvoegen. De jonge bijen zullen, als zij haar toestand ontdekt hebben, terstond hulpcellen aanleggen. In den regel is het evenwel voordeeliger zich zooveel moeite niet te geven, want in het gunstigste geval verloopen er nog zes weken, voordat het broed van de jonge moederbij uitloopt, en dan is de dragt dikwerf grootendeels verstreken. Men zal zijn belang meer bevorderen, door de bijen met een anderen stok te vereenigen, waardoor men een volkrijken stok verkrijgt, die spoedig een sterken zwerm kan geven.
Kort voor of in den zwermtijd, zal een stok die moederloos geworden is, zichzelven gewoonlijk helpen, wanneer er ten minste ongedekt broed voorhanden is. In den zwermtijd heeft er ook dikwijls verwisseling van moederbijen plaats, zonder dat de eigenaar dit bespeurt.
Ontstaat er moederloosheid bij een nazwerm, door dat de moederbij op hare bevruchtings-uitvlugt is verloren gegaan, dan moet de stok, die volstrekt geen broed bezit, noodzakelijk omkomen, zoo men hem geene hulp verschaft. Zulk een zwerm moet men dan dadelijk eene moederbij geven, die voor de zekerheid in een moederhuisje besloten wordt; men kan hem ook eene moedercel, of bij gebrek daarvan eene tafel met ongedekt broed toevoegen. Had men soms een nazwerm van denzelfden dag, die dus nog niet gevlogen had, dan was het best van allen, dezen bij den moederloozen zwerm te voegen, na beide eerst met muskuswater besprenkeld te hebben. Men verkrijgt nu een sterken zwerm, die spoedig eene bevruchte moederbij zal bezitten. Om de nazwermen in de gelegenheid te stellen, dadelijk zich zelf te kunnen helpen, wanneer de moederbij verloren raakt, is het aan te bevelen bij hunne opzetting eene tafel met ongedekt broed in de woning te hangen; zij nemen de woning dan ook gereeder aan.
Valt de moederloosheid in, wanneer er geene hommels meer zijn, zoodat eene aangekweekte koningin onbevrucht zou moeten blijven, dan heeft men geene andere toevlugt, dan het geven van eene bevruchte moederbij, welke men daarom zorgen moet in voorraad te hebben. Men zet daartoe drie of vier kleine nazwermen afzonderlijk, of maakt er kleine kunstzwermen voor. In bloempotten of zeer kleine korfjes kan men deze opzetten, wanneer men slechts zorg draagt hen goed te voêren. In den herfst kan men altijd helpen, want men heeft dan, bij de vereeniging van stokken, moederbijen genoeg. De moederbij, die men aan een stok geeft, moet vooral in den zomer in een moederhuisje besloten worden, daar zij anders meestal vijandelijk aangevallen en gedood zou worden. Na een paar dagen in het broednest gehangen te hebben, laat men haar vrij, doch houdt haar tevens in het oog. Wordt zij met vreugde en liefde aangenomen, hetgeen de bijen toonen door haar te lekken en te voêren, dan kan men gerust zijn. Verzamelen de bijen zich daarentegen al digter en digter om haar, en doen zij daarbij een sissend geluid hooren, dan kan men zich verzekerd houden dat zij geene goede bedoelingen hebben; men moet dan de koningin zoo spoedig mogelijk van de haar omringende bijen bevrijden, en haar weder in het huisje plaatsen. Men hangt dit nu nog eenige dagen in het broednest, en als men de moederbij vrij wil geven, sluit men de opening met een wasblaadje, dat de bijen openbijten om haar dus te bevrijden. Op die wijze nemen de bijen haar meest altijd aan; waarschijnlijk in de veronderstelling dat zij haar zelf aangekweekt hebben. In den herfst is het opsluiten der moederbij minder noodig, daar zij dan gewoonlijk vreedzaam wordt aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij twee koninginnen aannamen, die den geheelen winter in den stok bleven. In het voorjaar wordt echter eene van beiden afgemaakt.
De bijen zijn, even als alle dieren, aan ziekten onderhevig. De gevaarlijkste, te weten, de loop, de vuilbroed en de meiziekte of dolheid, zullen hier slechts behandeld worden; want de overige zoogenaamde ziekten bestaan, òf alleen in de verbeelding, òf hebben zeer weinig te beteekenen en herstellen weder van zelven, zonder eenig nadeel aangebragt te hebben.
De loop ontstaat hoofdzakelijk tegen het einde van den winter, wanneer de bijen, door lange en aanhoudende koude, verhinderd zijn om uit te vliegen, en zich van haar vuil te ontlasten. Dit hoopt zich dan in hare ingewanden op, en eindelijk zijn zij genoodzaakt het te laten vallen, waardoor zij niet alleen de woning en den bouw bevuilen, maar zich ook onderling verontreinigen. Het laatste heeft ten gevolge, dat zij in hare natuurlijke bewegingen bemoeijelijkt worden, en niet minder nadeelig is de reuk, dien hare uitwerpselen in de woning verspreiden. Door de zamenwerking van deze beide oorzaken ontstaat de loop, die soms een besmettelijk karakter aannemen, en zoo boosaardig worden kan, dat gezonde bijen, die men een zwakken, aan den loop lijdenden stok ter versterking geeft, zeer spoedig worden aangetast en wegkwijnen.
Meestal behoeft er geene vrees te bestaan, dat deze ziekte zich vertoonen zal, wanneer de bijen, door een aanhoudenden, strengen winter, niet verhinderd zijn geworden hare woning te verlaten. Bij eene rustige standplaats kunnen zij, zonder eenig gevaar, vier maanden opgesloten blijven; komt er dan een schoone dag, waarop zij kunnen voorspelen, dan ontlasten zij zich. Dralen zij, bij gunstig weder, soms lang met naar buiten te komen, dan moet men haar daartoe aansporen, door tegen de woning te kloppen, en haar wat laauw-warmen, verdunden honig te geven. Een halve eetlepel is voldoende. In Dzierzon’s woningen neemt men een dekplankje weg en stort hem, tusschendoor de nu vrij geworden staafjes, op de bijen; is er boven in de korven eene opening, dan kan ook zij daarvoor dienen; ontbreekt zij, dan keert men den korf om, en laat den honig op de bijen vallen. Spoedig zullen nu alle stokken voorspelen en zich ontlasten.
Heeft een stok, die aan loop lijdt, eenmaal kunnen voorspelen, dan zal hij zich gewoonlijk spoedig herstellen. De onreinheden, die aan den bouw en de woning kleven, zullen wel is waar door dit voorspel niet worden weggenomen, maar zij zullen spoedig opgedroogd zijn, waarna zij geen schadelijken reuk meer verspreiden; kunnen de bijen nu en dan vliegen, dan reinigen zij den bouw en de woning. In woningen met lossen bouw, kan men haar evenwel deze moeite besparen. Men neemt er den geheelen bouw uit, krabt de wanden met een mes schoon, of wascht hen desnoods met een natten doek af. De bouw wordt nu weder ingehangen; doch de tafels, die te veel bezoedeld zijn, verwisselt men met andere, waarna men de bijen weder in de woning laat trekken.
Is het weder echter te koud om den stok te laten voorspelen, en den bouw en de woning te zuiveren, dan kan men hem ook in eene verwarmde kamer brengen en daar laten vliegen. De bijen begeven zich dadelijk naar de vensters, waardoor het licht invalt, en onder het daarheen vliegen zullen zij haar vuil laten vallen. Al wat men voor verontreiniging bewaren wil, moet dan met doeken of papier bedekt worden, en het is goed, vooral in de vensterbanken, bovendien onbruikbare wastafels of een draadwerk te leggen, opdat de nedervallende bijen geen gevaar loopen zich zelven te bemorsen. Om haar de woning spoedig te doen verlaten, geeft men haar nu ook, zooals boven gezegd werd, een weinig honig. Hebben de bijen zich, na hare reiniging, tegen het raam verzameld, dan heeft men de woning, die intusschen gezuiverd is geworden, slechts met het vlieggat naar haar toegekeerd bij haar te plaatsen, en zij zullen er vrolijk en met overhaasting ingaan. Om tijd te winnen kan men haar ook in de woning scheppen.
Bewoont de stok een gedeelte van eene zamengestelde woning, dan is men verpligt den bouw met het volk in eene ledige woning over te plaatsen, en deze dan in de verwarmde kamer te brengen. Heeft men de woning en het werk gezuiverd, dan brengt men de bijen, die zich intusschen ontlast hebben, daar weder in, hetgeen zeer omzigtig moet geschieden, om haar niet door de koude te doen lijden. Het beste is de bijen te verzamelen in een plat kistje, dat men onder in de woning schuift, na den bouw zooveel ingekort te hebben, dat zulks mogelijk wordt; neemt men nu het deksel weg, dan zullen zij weder naar het broednest opklimmen.
Door stokken, die na eene langdurige koude aan den loop lijden, op de opgegeven wijze te behandelen, bewijst men hun eene groote weldaad, en behoedt hen in de meeste gevallen voor een geheelen ondergang.
Behalve de bovengenoemde oorzaak tot het ontstaan van den loop, zijn er nog eenige omstandigheden, die deze kwaal ten gevolge kunnen hebben.
1o. Het gebruik van den honig, die laat in den herfst van de heide is opgezameld, en vooral ook van dien, welken de bijen van laat gevallen honigdauw ophaalden, is zeer nadeelig. Wegens de late inzameling moet deze honig meestal onverzegeld blijven, en zijne nadeelige werking zal misschien meer het gevolg zijn der verandering, die hij daardoor ondergaat, dan dat hij in aard van anderen honig verschilt.
2o. Storingen in de winterrust, wanneer zij reeds eenigen tijd heeft geduurd, en de koude nog aanhoudt, kunnen aanleiding tot den loop geven. Door de storing daartoe opgewekt, gaan zij uit elkander, kunnen nu het vuil niet bij zich houden, maar moeten het in den stok laten vallen; boven zagen wij reeds hoe hieruit deze kwaal ontstaat.
Door het stooten tegen de woning, ook door muizen of vogels, kan er onrust in den stok gebragt worden; maar de ergste onrust is die, welke de bijen zelve in den stok brengen, wanneer het vlieggat door een of ander toeval verstopt is. Er zonderen zich toch altijd enkele bijen van den verzamelden tros af, om aan het vlieggat te komen zien. Vinden zij het open, dan keeren zij weder terug, doch in het tegenovergestelde geval gaan zij zoeken en brommen, brengen daardoor ook de overigen in onrust, en het gevreesde kwaad is geboren. Het vlieggat kan verstopt raken door doode bijen, die van den tros gevallen zijn, doch kan ook toevriezen. Men moet er altijd een wakend oog op houden, vooral bij die woningen, die buiten staan, en welker vlieggaten beschaduwd moeten worden. Het sluiten van de vlieggaten mag slechts gedurende enkele uren geschieden; zoodra het begint te schemeren opent men hen weder; hoort men overdag beweging en onrust in eene woning, dan moet men het vlieggat dadelijk openen; het is beter dat de bijen dan vliegen, dan dat zij zich in den stok ontlasten.
3o. De waterdamp, die gedurende strenge winters, in woningen, die niet genoeg tegen de koude beschermd zijn, tegen de wanden en het werk verdigt, moet voor een gedeelte door de bijen opgezogen worden, waardoor zij veelal den loop krijgen. Vooral is het nadeelig, wanneer er vocht van boven op haar druipt; want zij moeten dat dan aanhoudend opzuigen, en het zal haar bijna zeker ziek maken. De woningen moeten daarom, inzonderheid aan de bovenzijde, tegen de koude beschermd worden, opdat zich daar geene ijskegels vormen, die bij dooiweder aanhoudend afdruipen. Dat de woningen geheel droog blijven, is ook niet gewenscht, want de bijen konden van gebrek omkomen, wanneer zij geen water hadden, om den verdikten honig te verdunnen. Maar in woningen, die goed tegen de vorst zijn beveiligd, vormt zich niet te veel waterdamp, ook zal zij zich voornamelijk tegen de zijwanden aanzetten, daar afloopen en dus weinig nadeel verwekken.
4o. Ook eene te sterke verkoeling kan de bijen den loop bezorgen. Men kan zulks daaruit afleiden, dat jonge stokken altijd meer aan deze ziekte lijden dan oude; de bouw van deze laatste is toch veel warmer. Zelfs in den zomer ziet men deze ongesteldheid wel uit afkoeling ontstaan, wanneer er koude invalt, nadat men een sterken stok, door het afnemen van zwermen of het verzetten, veel verzwakt heeft. De broeijende bijen bevuilen dan het vlieggat en de buitenzijde der woning, en de verkoeling zal waarschijnlijk hare ingewanden verzwakken. Om zich tegen de koude, die bij aanhoudende strenge vorst, ook door de dikste wanden dringt, te beveiligen, moeten zij meer warmte ontwikkelen, door het trillen met de vleugels en de onderlinge wrijving van hare ligchamen; deze krachtsinspanning heeft een grooter gebruik van voedsel ten gevolge, en de grootere hoeveelheid drek, die zich daardoor bij haar ophoopt, moet onvermijdelijk den loop doen ontstaan.
Het kenmerk dat een stok aan loop lijdt, bestaat daarin, dat het vlieggat sterk met de uitwerpselen der bijen besmet is. Eenige weinige vlekken hebben echter geene beteekenis. Opent men de woning, dan vindt men deze zoowel als het werk bevuild, en op den bodem liggen vele dooden, die sterk opgezwollen zijn; er hangen ook dooden tusschen het werk, en de woning verspreidt een onaangenamen reuk.
Alles, wat aanleiding tot de ziekte geven kan, moet natuurlijk vermeden worden; is zij, ondanks alle voorzorgen, uitgebroken, dan moet het weder beslissen, hoe men haar herstellen zal. In alle geval moet men de bijen laten vliegen; men doet dit, zooals boven reeds is gezegd, als het weder te koud is, in een verwarmd vertrek. Op de daar aangegeven wijzen, moet men haar tot een spoedig voorspel uitnoodigen, want bij zwakke stokken is de zitplaats ver van het vlieggat; eer nu de tusschenliggende ruimte verwarmd was, kon de gunstige gelegenheid om voor te spelen reeds voorbij zijn, zoodat de bijen zich niet meer naar buiten konden begeven, om zich te reinigen. Wanneer men ziet dat bij schoon weder verscheidene stokken voorspelen, dan moet men er de andere ook toe opwekken. Ontdekt men nu zieke stokken, dan moet men, zoo het weder het toelaat, de verontreinigde tafels door zuivere vervangen. Bij woningen met vasten bouw, snijdt men het bevuilde gedeelte zooveel mogelijk weg, en vult de ledige ruimte met een kussen, dat met mos of kaf gevuld is, ten einde door de besnijding geene verkoeling aan te brengen.
Vele bijenhouders achten het nuttig om de bijen, die aan loop lijden, te voêren met honig, waaronder een aftreksel van steranijs of muskaatnoot en Spaansche wijn gemengd is. Het kan goed wezen, doch ik houd zuiveren honig voor het beste. Kunnen de bijen vliegen en kan men haar, door het werk te zuiveren, te hulp komen, dan heeft de kwaal weinig te beteekenen, en zonder verdere zorg herstelt zij spoedig. Heeft men bij ongunstig weder geene gelegenheid om de bijen in een verwarmd vertrek te brengen, dan moet men haar zoo mogelijk eene verzegelde honigtafel of stukken kandij boven het broednest geven, haar overigens zoo stil mogelijk laten staan, zonder de toestrooming van versche lucht door het vlieggat te beletten, tegen verkoeling waken, en met geduld goed weder afwachten.
De vuilbroed kan zulk een aanstekend, pestachtig karakter aannemen, dat zij geheele bijenstanden verwoest. Zij is gelukkig niet zoo algemeen als de loop, ja in sommige streken heeft men haar zelfs nimmer zien woeden; nogtans moet men zorgvuldig alles vermijden, wat haar zou kunnen doen uitbreken. Ik heb het geluk gehad, dat zij zich nog nooit op mijn stand heeft vertoond, en wat ik dus van haar zal zeggen, kan ik alleen op gezag van anderen mededeelen.
Vroeger schreef Dzierzon, gelijk ik thans doe, dat die plaag hem vreemd was; vijf of zes jaar geleden brak zij evenwel op zijn stand uit; twee jaar heeft hij met haar moeten worstelen, eer hij haar grootendeels overwonnen had, en na groote verliezen geleden te hebben, vindt hij er ook nu van tijd tot tijd nog enkele sporen van.
Deze ziekte treft de bij niet als volwassen insect, zoo als dat met andere ziekten het geval is, maar zij bepaalt zich alleen tot het broed, en wel hoofdzakelijk tot het bedekte broed, dat den nimfen-toestand reeds heeft aangenomen. In plaats van zich tot bijen te ontwikkelen, sterven de maskers in de cellen, en gaan daar tot verrotting over.
Naar dat de ziekte het ongedekte of het gedekte broed treft, onderscheidt men haar in de goedaardige en de pestaardige of aanstekende vuilbroed.
De goedaardige vuilbroed ontstaat, wanneer er koud weder invalt, nadat de bijen vroeg in het jaar veel broed hebben aangezet, waardoor zij tot zelfbehoud genoodzaakt worden om het broed te verlaten en zich zamen te trekken. Het gedekte broed, dat zich boven in de woning bevindt, zal nu zelden afsterven. Het ongedekte moet daarentegen omkomen. De doode maden gaan in eene brijachtige stof over, die op den bodem der cel tot eene zwartbruine korst uitdroogt, welke daar, goed droog zijnde, gemakkelijk afgetrokken kan worden, en dan door de bijen wordt uitgeworpen. Vindt men deze zwartbruine schilfers op den bodem van eene woning, dan kan men verzekerd zijn dat er vuilbroed in geweest is. Men ontdekt dit ook aan den onaangenamen reuk, dien de woning van zich geeft. De goedaardige vuilbroed verwekt gewoonlijk weinig schade. Zij is niet aanstekend, en valt er gunstig weder in, dan helpen de bijen gewoonlijk zich zelven.
De aanstekende of pestaardige vuilbroed, die zich alleen tot het gedekte broed bepaalt, is zeer gevaarlijk. De gestorven maskers gaan in eene taaije stof over; deze droogt eindelijk tot eene zwarte korst uit, die zich zoo aan de cel hecht, dat de bijen haar niet kunnen wegnemen.
Men ontdekt deze kwaal door dat het volk dagelijks vermindert, omdat er geene jonge bijen uitloopen; door den onaangenamen stank, dien de stok verspreidt; door de zwarte kleur, die de broedtafels verkrijgen, en door het invallen der wasdeksels.
Deze ziekte is, wegens haar aanstekend vermogen, zeer te vreezen. Hoewel de bijen zelven er niet door lijden, zoo dragen zij toch de smetstof bij zich. Vervliegen zij op een gezonden stok, dan is ook deze besmet; rooft een gezonde stok op een vuilbroedigen, dan zal hij ook vuilbroedig worden.
Er is weinig aan de pestaardige vuilbroed te doen. Het best is, vooral in den herfst, wanneer de bijen weinig waarde hebben, haar met zwaveldamp te dooden, zoodra men de ziekte ontdekt heeft. Het werk snijdt men uit de woning, en alle tafels, die vuilbroed bevatten, begraaft men op eenigen afstand van den bijenstal. De ledige woning brandt men uit, en stelt haar minstens twee jaar aan weêr en wind bloot, voor men haar weder gebruikt.
In het voorjaar, wanneer men de bijen niet gaarne zou missen, ook dan, als de kwaal zich reeds over een groot aantal stokken heeft uitgebreid, kan men de bijen uit de woning jagen, en haar een paar dagen, in een ledigen korf, met een luchtig kleed gedekt, laten staan; in den korf voêrt men haar met dunne suikerstroop. Vervolgens brengt men haar naar een verwijderden stand, waar zij zich bij de eerste uitvlugt van het bij haar opgehoopte vuil zullen ontdoen. Dan doet men haar in eene nieuwe woning, die men van gezond werk voorziet, zonder er evenwel gevulde honigtafels in te hangen, daar deze de smetstof zouden aannemen. Bij ongunstig weder voêrt men haar liever, gedurende den nacht, met honig of suikerstroop. De moederbij geeft men haar de twee eerste dagen in een moederhuisje besloten, opdat de bijen zich, door het uitvliegen, zooveel mogelijk van de smetstof zouden kunnen ontdoen, voordat er weder eijeren gelegd worden.
Welke de oorzaak van het ontstaan der pestaardige vuilbroed is, weet men niet met zekerheid. Waarschijnlijk is zij te zoeken in het voêren met honig, waarvan men de afkomst niet kent, zoodat er honig uit vuilbroedige stokken onder zijn kan. Daarom is het zoo gevaarlijk om met vreemden honig te voêren. Heeft men geen honig, van welks zuiverheid men zeker is, dan voêre men liever met kandij of suikerstroop. Wanneer er geen broed in de stokken staat, zou van het voêren met honig uit vuilbroedige stokken weinig te vreezen zijn. Zelfs zou men dan zonder gevaar bijen, uit zulke stokken, met gezonde kunnen vereenigen, omdat de ziekte alleen het broed aantast. Maar waarom zou men zijne gezonde stokken, wanneer het niet noodig is, aan de besmetting blootstellen?
De verspreiding der ziekte, van den eenen stok op den anderen, geschiedt ongetwijfeld doordat de bijen, uit aangestoken stokken, op gezonde stokken vervliegen.
In Mei, soms reeds in April, kunnen stokken, die sterk door den winter gekomen zijn, in korten tijd zoo arm aan volk worden, dat men niet weet waar de bijen gebleven zijn. Bij eenige oplettendheid, ontdekt men evenwel spoedig waaraan het volksverlies is toe te schrijven. Men ziet vele bijen, met een sterk opgezwollen buik, afvliegen, doch niet terugkeeren. Soms vallen zij, dadelijk na het verlaten der woning, op den grond neder, draaijen op den rug in het rond en sterven. Deze ziekte, die men voorjaarsziekte of dolheid noemt, is vrij algemeen bekend, doch het is niet gemakkelijk op te sporen hoe zij ontstaat; vele oogenschijnlijke oorzaken bleken bij nader onderzoek onjuist te zijn.
In Duitschland gelooft men de oorzaak van haar ontstaan gevonden te hebben. Zij zou gelegen zijn in het gebruik van honig, die in de cellen ongedekt is gebleven, en die, na gedurende den winter water tot zich getrokken te hebben, in het voorjaar tot gisting overgaat. Het gebruik van dezen honig doet het ligchaam der bijen opzwellen, omdat de gisting voortgaat, hetgeen den dood der bij ten gevolge heeft. Het is bekend dat men bijen kan vergeven, door haar honig te voêren, die met gist vermengd is.
Het verdient opmerking, dat jonge en zwakke stokken zelden door deze ziekte worden aangetast, terwijl dat oude en sterke stokken er hevig aan kunnen lijden. Bij eene naauwkeurige beschouwing laat zich dit, hoe zonderling het schijnen mag, gemakkelijk verklaren. Men ziet toch dat die stokken, welke nog laat in den herfst veel broed hebben staan, ook in het volgende jaar het meest worden aangetast. Het is bekend dat de bijen, bij drukke dragt, den honig zoo spoedig mogelijk afleggen, in de eerste de beste cel, die zij ledig vinden; later dragen zij hem over naar die cellen, waarin zij hem willen bewaren. Zoodra nu het broed vermindert en er in het broednest ledige cellen komen, brengen zij den honig uit de meer verwijderde cellen hierin. Begint het weder nu kouder te worden, dan trekken de bijen zich te zamen op het laatste broed, en vestigen daar hare winterzitplaats, terwijl de honig, dien zij kort te voren verdroegen, zoowel als die, welke ver van het broednest verwijderd is, ongedekt blijft. Boven, naast en onder de bijen, bevindt zich nu ongedekte honig. Komen er nog vliegbare dagen, dan gebruiken zij hier nog veel van, doch kunnen zij zich niet meer uiteen begeven, wegens ingevallen koude, dan blijft de honig, die zich bezijden en onder haar bevindt, staan. De waterdamp, die zich in de woning vormt, slaat ook op den ongedekten honig neder, die verdunt en in het voorjaar, bij het toenemen der warmte, tot gisting overgaat. Bij het onderzoeken der stokken zal men dan gewoonlijk zulken honig vinden. Hij is dun, troebel en van eene melkachtige kleur; hij smaakt bedorven en geen enkele bij raakt hem aan. In den digten bijenklomp wordt intusschen broed aangezet, dat zich bij stijgende warmte meer en meer uitzet. Om hiervoor plaats te bekomen, moet deze bedorven honig uit de cellen verwijderd worden, want het broednest moet steeds in een gesloten geheel bestaan. Bleven er opene cellen tusschen, dan zou de vereischte broeiwarmte niet ontwikkeld worden. De bijen moeten dus den bedorven honig opzuigen, en velen zullen, wat vroeger of later, door de dolheid worden aangetast. De sterke uitbreiding van het broednest heeft eerst bij grootere warmte plaats, van daar dat de ziekte op zijn vroegst in April, doch het meest in Mei uitbreekt. Zij wordt dan ook wel meiziekte genoemd.
Een stok, die in het najaar weinig broed heeft, is in de gelegenheid om den honig boven het broednest te brengen en te bedekken, en hij zal dus niet of zeer weinig door deze ziekte worden aangetast. Zoo laat het zich dan verklaren, waarom zwakke en jonge stokken, die over het algemeen in den herfst weinig broed hebben staan, weinig van deze ziekte te lijden hebben, terwijl sterke stokken er hevig door aangetast kunnen worden.
Men zegt algemeen dat de honig, die op de heide gewonnen wordt, niet goed is om tot wintervoorraad te dienen. Men moet dit evenwel niet daaraan toeschrijven dat deze honig heide-honig is, maar aan de omstandigheid dat hij laat gewonnen is, en dus meestal ongedekt moet blijven.
Het eenige waardoor men de meiziekte kan voorkomen, is het wegnemen van den ongedekt gebleven honig, er goede, verzegelde honigtafels voor in de plaats gevende.
Het aantal bijen, dat in het voorjaar met den dag toeneemt, vermindert in den herfst, als het broeijen heeft opgehouden, weder even spoedig, zoodat de stokken, die in den zomer zoo volkrijk waren, dat de woningen hen bijna niet bevatten konden, nu weder zoo zwak geworden zijn, dat zij den bouw niet geheel kunnen bezetten. Hoewel vele bijen door ouderdom sterven, of wanneer zij, door beschadiging van hare vleugels, niet meer in staat zijn haar ligchaam te dragen, hier of daar nedervallen en omkomen, toch is dit verlies betrekkelijk gering. De meesten komen om door ongunstig weder, of door dat zij eene prooi worden van een van hare talrijke vijanden.
Men moet zich niet voorstellen dat de vijanden der bijen haar vervolgen uit natuurlijken afkeer. Zij zijn de bijen slechts daarom vijandig, omdat zij zich met haar, of met haar voorraad willen voeden. Zoo zijn er een aantal vogels, die aanhoudend jagt op de bijen maaken, en er dagelijks eene menigte wegvangen, zoo als de musch, de roodstaart, de zwaluw enz. Ook de ooijevaar snapt, als hij door de weide loopt, menige bij van de bloemen weg.
Van alle vogels zal het de mees wel zijn, die de meeste schade aan de bijen toebrengt, niet zoo zeer door dat zij er zoo vele vangt, maar door de onrust, die zij ’s winters in de stokken veroorzaakt, die onbedekt staan. Zij plaatst zich aan het vlieggat, en verontrust de bijen door haar aanhoudend gepik zoo, dat velen zich van den verzamelden tros afscheiden en aan het vlieggat komen zien. Gaan zij naar buiten, dan worden zij terstond door de koude bevangen en vallen op den grond, waarna de mees haar verslindt; die weder in de woning terugkeeren, zijn toch niet meer in staat tot de andere bijen op te klimmen, maar vinden haar dood op den bodem der woning.
De specht kan, in de streken waar hij gevonden wordt, vooral in den winter, veel schade verwekken. Hij klopt soms gaten, ter grootte van eene vuist, in de woning. Door de veroorzaakte onrust kan de geheele stok omkomen.
De muis, welke de bijen in den zomer goed uit de stokken weren kunnen, of die, zoo zij er in mogt komen, dit spoedig met den dood moet bekoopen, is in den winter een geduchte vijand. Zij zoekt in de woning te komen, begint met de dooden, die zij op den bodem vindt, op te eten, beknabbelt daarna den wasbouw en eet er den honig uit, voor zoo ver de tafels niet door de bijen bezet zijn. De dadelijke schade, die zij verwekt door hetgeen zij verteert, is niet bijzonder groot, maar de aanhoudende onrust, die zij in den stok brengt, noodzaakt de bijen meer honig te verbruiken, om de ontwijkende warmte te herstellen. Ook veroorzaken hare uitwerpselen een ondragelijken stank, die niet zelden de bijen voor altijd hare woning doet verlaten, zoodra het weder haar het uiteengaan vergunt. De vlieggaten mag men niet met doorboorde schuifjes sluiten (voor enkele uren kunnen zij zonder gevaar gesloten worden, doch dit zou hier niet helpen), want hoewel hierdoor de lucht toegang kan hebben, zoo willen de bijen vrij zijn. Men moet hen met spijkers of schuifjes dus zoo vernaauwen, dat er geene muis door kan; dit moet met zorg geschieden, daar het spitsmuisje door eene opening weet te dringen, weinig grooter dan die, welke een hommel behoeft. In alle geval vange men de muizen zooveel mogelijk, want al belet men haar in de woningen te dringen, zij trachten dat toch te doen, en verontrusten de bijen door er buiten aan te knagen. Het is daarom beter de wanden der woningen dik te maken, dan haar dunne wanden te geven, en die met stroo of iets dergelijks te bekleeden, om de warmte er in te houden. In de bekleeding zouden de muizen de meest gezochte sluiphoeken vinden, en er hare nesten maken. Dat men nooit katten in den stal mag laten, om de muizen te vangen, werd reeds vroeger gezegd.
De padde is ook als een vijand der bijen te beschouwen. De bijen, die door de koude bevangen op den grond vallen, en die, wanneer zij den volgenden dag door de zon beschenen werden, weder zouden herleven, zoekt de padde op. Zij vertoeft ook wel onder de vlieggaten, om, zoodra er eene bij valt, deze weg te pakken. Het is daarom goed dat de grond voor den stal niet begroeid is, anders kon zij zich daar verschuilen, zonder dat men haar kon ontdekken.
De mieren, die voor de bijen zelven als onschadelijk te beschouwen zijn, zijn niettemin eene groote plaag voor den bijenhouder, omdat hij haar maar moeijelijk uit de woningen kan houden, binnen welke zij door de kleinste openingen weten te geraken, om zich met den honig te voeden; soms slaan zij er zelfs, op voor de bijen ontoegankelijke plaatsen, hare nesten op. De bijen zelve vervolgen haar, en jagen haar zooveel mogelijk uit de woning. De mieren schijnen het ook te weten, dat zij geene welkome gasten zijn, want sterk bevolkte woningen durven zij zelden door het vlieggat binnen dringen, waar de bijen haar dan ook dadelijk terugwijzen. Veeleer zoeken zij door deze of gene reet binnen te komen.
Mij zijn bijenhouders bekend, die de mieren gaarne in hunne stokken zien, meenende dat dit een goed honigjaar voorspelt. Ik zie haar echter minder gaarne, en tracht haar zooveel mogelijk te verdrijven. Het best geschiedt dit door de nesten met zorg op te zoeken en te vernietigen, en in den omtrek van en onder de woningen asch te strooijen. Dit helpt veel, want zoolang de asch droog is, zullen de mieren er niet ligt overheen loopen. Strooit men ook asch tusschen woningen, die men op elkander wil plaatsen, dan belet men haar zich daar te nestelen. Met hetzelfde doel strooi ik ook asch tusschen het stroo, waarmede ik de wanden der woningen opvul.
De wilde hommelbij wordt door Dzierzon en anderen als een groote vijand der bijen opgegeven, die haar op de bloemen en zelfs voor de vlieggaten zou vangen, en na er het voorlijf te hebben afgetrokken, met het achterlijf naar haar nest zou vliegen, om er het broed mede te voeden. Zelfs zou zij in de stokken sluipen, en daar zeer gevaarlijk voor de koningin worden; vooral in het najaar, als er in het veld niets meer te vinden is, zou zij groote schade aan de stokken kunnen toebrengen. Men raadt daarom aan in het voorjaar de wijfjes der hommelbijen, die dan nog alléén omvliegen, te vangen en te dooden, daar de dood van elk wijfje als het ware een geheel nest vernietigt. Ik voor mij heb het nadeel der hommelbijen nimmer kunnen opmerken, hoewel ik aan de waarheid van het bovenstaande toch niet twijfel.
De wespen zijn voor de bijen niet schadelijk; zij jagen echter den honig na, vliegen daarom rond de woningen en trachten binnen te dringen. Gelukt haar dit, dan kunnen vele bijen er door omkomen, wanneer zij de wespen willen verjagen, want deze zijn veel sterker dan de bijen. Door, even als dit voor de hommelbijen gezegd is, de wespen, die in het voorjaar omvliegen (het zijn de wijfjes, die uit haar winterslaap ontwaakt zijn), weg te vangen en te dooden, gaat men haar het beste tegen. Verder kan men haar vangen door flesschen, voor de helft gevuld met water, dat met honig of suiker vermengd is, bij de stokken te zetten; zij kruipen daarin en komen zoo om.
De luis wordt ook onder de vijanden der bijen gerekend. Bij voorkeur schijnt zij zich bij de moederbij op te houden, en zich op den rug te plaatsen. Komt zij slechts in geringe mate voor, dan is ook het nadeel niet groot; in overmaat vindt men haar alleen bij ziekelijke stokken. Ik kan over het nadeel evenwel niet oordeelen, daar ik haar nooit in mijne stokken ontdekt hebt.
De spin is voor de bijen een gevaarlijke vijand. Velen vinden in hare netten den dood, en het is daarom goed de netten, in den omtrek van den bijenstand, dagelijks weg te nemen, en de spinnen zooveel mogelijk te dooden. Het best vindt men haar tegen het vallen van den avond, wanneer zij uit hare schuilplaatsen komen, om hare beschadigde netten te herstellen. Het nadeel der huisspinnen is evenwel gering, in vergelijking van dat der veldspinnen, welke in het najaar menigvuldig voorkomen. Den grond en vooral de heide bedekken zij met hare weefsels, waarin de bijen bij duizenden omkomen. Dit kwaad kan niet weggenomen worden, dan door eene sterke regenbui, die de netten verwoest, waarna de bijen de heide ook weder moediger bevliegen, dan toen zij er haar mede overtrokken vonden.
De wasmot, of liever hare wormen of maden, zijn voor de bijen, zoowel als voor haar eigenaar, de grootste plaag. Zij komen op elken bijenstand en in elke onbezorgd nedergelegde wastafel zoo zeker, dat ieder, die zich met bijenteelt bezighoudt, haar maar al te goed zal kennen.
Er bestaan twee soorten, eene kleinere en eene grootere, welke laatste de dikte van eene matige penneschacht kan verkrijgen. De eerste komt meer voor dan de tweede, doch zij is minder schadelijk. De maden komen van die zilverkleurige vlinders, welke in den avond van warme dagen, in groote menigte voor de vlieggaten der woningen rondvliegen, en deze trachten binnen te sluipen, om hunne eijeren in de ledige cellen te leggen. De bijen, die hare vijanden goed schijnen te kennen, betwisten hun den ingang wel, door angstig rond het vlieggat en over de woning te loopen, als of zij de moederbij zochten, maar het is haar onmogelijk allen het indringen te beletten. Sterke stokken houden de meeste wasmotten buiten hunne woning, en daar de bijen er alle cellen in bezoeken, en de eijeren der wasmotten goed schijnen te kennen, zoo worden zij spoedig uitgeworpen, waardoor deze stokken er weinig door lijden.
De kleinste soort van maden vindt men meest op den bodem der woning, onder eenig wasmul verborgen, en verder op die plaatsen, die voor de bijen ontoegankelijk zijn. Zij leven voornamelijk van den afval, doch vreten ook de wastafels wel door, zonder die evenwel zoo te doorspinnen, als de grootere soort het doet. Deze vestigen zich dikwijls in de broedtafels, en nergens kunnen zij zooveel schade aanrigten, en zijn zij zoo moeijelijk te verdrijven. Zij vreten den tusschenwand der tafels door, en kruipen, tusschen het broed, van de eene cel naar de andere, zonder dat het de bijen mogelijk is, haar meester te worden. Zij spinnen de maskers der bijen in de cellen vast, zoodat deze, na hare volkomene ontwikkeling, de cel niet kunnen verlaten, of zoo het haar mogelijk is, dan blijven zij met een gedeelte van het spinsel omgeven, dat haar het vliegen belet. De bijen moeten in zulke tafels soms geheele gaten bijten, om er het vastgesponnen broed uit te verwijderen.
Hebben de maden zich eenmaal in het broednest gevestigd, dan kan men niet beter doen, dan de koningin uit den stok vangen en daar een aflegger mede maken, of haar anders zoolang in een moederhuisje sluiten, totdat al het broed is uitgeloopen. De maden vinden dan geene verborgene plaatsen meer, en kunnen door de bijen geheel bemagtigd en uitgeworpen worden, waarna de beschadigde tafels worden hersteld. In Dzierzon’sche woningen kan men het kwaad ook volkomen wegnemen, door den bouw en het volk uit de woning te nemen, en haar dan met stroo uit te branden, waarna men er nieuwe tafels inhangt, en er de bijen weder in laat loopen.
Men moet bij voortduring toezien, dat zich geene wasmotmaden in de woningen vestigen, en haar verwijderen, waar men haar ook ontdekt. Bij korven moet men vooral goed toezien, want waar zich in den wand maar eene kleine holte bevindt, houden zij zich veeltijds op, en men vindt haar ook dikwerf in den ondersten rand, waarmede de korf op de onderplank staat.
Voor den bijenhouder zijn de wasmotten eene voortdurende plaag. In weinig tijd kunnen zij de schoonste tafels vernietigen, en veelal vindt men daar niets meer van, dan eene aaneengesponnen pruik, waarin zich eene menigte wormen ophouden, terwijl het was grootendeels, zoo niet geheel, verdwenen is. Het is hierdoor ook dat men zoo dikwerf wordt teleurgesteld, wanneer men een zwerm in een bebouwden korf plaatst, dien men het voorgaande jaar bewaard had. Veeltijds schijnt de bouw geheel gespaard te zijn, terwijl hij, boven in den kop van den korf, geheel doorsponnen is. In plaats, van de bijen eene belangrijke schrede voorwaarts te plaatsen, berokkent men haar een ontzettend werk. Overwinnen zij de kwaal, dan komen zij toch niet vooruit, en zoo niet, dan verlaten zij den korf weder.
Daar de wastafels, hoe men die ook opbergen mag, zeer spoedig eene prooi der wasmotten worden, die hare eijeren reeds in de cellen gelegd hadden, zoo smelten vele bijenhouders de stukken wastafel, die nu en dan van den bouw afvallen, terstond op, waardoor het was niet meer voor de verwoesting der motten blootstaat. Bij het volgen van Dzierzon’s leerwijze, is dit evenwel niet voldoende. De wastafels zijn daarbij geheel onmisbaar, en het komt er dus niet alleen op aan het was te bewaren, maar ook de tafels, zoo als de bijen haar gebouwd hebben, ongeschonden te laten. Men heeft daartoe verschillende middelen beproefd, die allen meer of minder te wenschen overlieten, doch is er nu sedert 2 of 3 jaar in geslaagd, de wastafels geheel voor de mot te beveiligen, hetgeen voor de bijenteelt van het hoogste belang is.
Men legt de wastafels, hetzij los of aan staafjes, in eene kuip, en giet deze vol water, na de tafels zoo bevestigd te hebben, dat zij onder water blijven. Het water trekt in de cellen, weekt de eijeren los en doodt de reeds aanwezige wormen. Na 24 uren giet men het water af, en doet er weder versch op. Den volgenden dag neemt men er dan de tafels uit, en legt haar op een hellend latwerk, dat in de schaduw staat en aan den wind is blootgesteld. Het water zal nu grootendeels uit de cellen vloeijen, en om dit te bevorderen, keert men de tafels nu en dan om. Na een paar dagen kan men haar binnenshuis op eene luchtige plaats leggen, en na eenige weken zullen zij volkomen droog zijn. Moet men haar vroeger gebruiken, dan legt men haar op kladpapier, wanneer zij na een paar dagen droog zijn.
De hier opgegeven handelwijze is voldoende om de tafels volkomen te reinigen, en zóólang voor de wasmot te beveiligen, als de cellen water bevatten, want dan kan de mot er hare eijeren niet in afzetten. Zoodra zij evenwel droog zijn, zijn zij weder aan hetzelfde gevaar blootgesteld, zoodat men dezelfde omslagtige bewerking zou moeten herhalen. Op tafels, die gedeeltelijk met honig gevuld zijn, kan zij in het geheel niet worden toegepast, want de honig zou worden opgelost. Later heeft men echter nog een ander hulpmiddel gevonden, dat eenvoudiger is, en volkomen aan het doel beantwoordt, en dat ook op gedeeltelijk met honig gevulde tafels kan worden toegepast.
In eene kist, die goed gesloten kan worden, zijn op den vereischten afstand latten bevestigd, waarop de staafjes, waaraan de wastafels hangen, met de uiteinden worden geplaatst. Op deze staafjes legt men nu, met eenige tusschenruimte, de losse stukken wastafel, en zet op den bodem der kist eene test, waarin eenig zwaveldraad wordt ontstoken. Het deksel der kist wordt nu goed gesloten, en gesloten gehouden. Van vier tot zes weken kan men haar laten staan, doch na verloop van dien tijd, en ook wanneer men de kist lang geopend heeft gehouden, moet men het zwavelen herhalen. De tafels worden aldus volkomen voor de mot beveiligd, de eijeren en wormen, die zich reeds in de cellen mogten bevinden, worden ook geheel vernietigd, en de zwaveldamp heeft noch op het was, noch op den honig, die zich daarin mogt bevinden, eenigen nadeeligen invloed. Een paar uren voor dat men haar gebruikt, stelt men haar aan de lucht bloot, waarna de bijen haar met graagte aannemen: zij beginnen haar terstond op te zuiveren, waarna de moederbij haar met eijeren bezet.—Ook in eene Dzierzon’sche woning kan men de tafels zwavelen en bewaren, wanneer zij maar goed gesloten kan worden.
Bebouwde korven kan men voor de wasmot beveiligen, door haar op brandende zwavel te plaatsen, en haar daarna op eene laag droog zand te zetten, waardoor de korf geheel wordt afgesloten. Het zwavelen wordt nu en dan herhaald.