De tweede der drie spreuken, waarmede ik de inleiding besloot, leerde, dat alleen gezonde en volkrijke stokken voordeel kunnen opleveren. Thans zal ik de waarheid van deze stelling betoogen, door het opsommen van eenige omstandigheden, die den stok meer winst kunnen doen aanbrengen, en die zich allen in eene voorwaarde laten zamenvatten, namelijk: “dat de stok volkrijk moet zijn.”
1o. Zonder warmte kunnen de bijen niet bestaan. Vroeger zeide ik reeds dat zij, wanneer de warmtegraad minder dan 50° F. bedraagt, verstijven en zoo die toestand eenigen tijd aanhoudt, een wissen dood vinden. Om dus den winter te kunnen overleven, moeten zij warmte kunnen ontwikkelen. Dit geschiedt door het verterings-proces. De warmte, die daardoor vrij wordt, zou echter oogenblikkelijk verloren gaan, wanneer de bijen zich niet tot een digten tros vereenigden. Daarbij komt nog dat zij, tot een klomp vereenigd zijnde, door de aanhoudende trilling en wrijving van hare ledematen langs elkander, ook eenige warmte ontwikkelen. Bij sterk vriezend weder kan de thermometer, waarvan de kwikbal in het midden der bijenmassa is gebragt, nog meer dan 75° F. teekenen. En toch bevriezen, gedurende strenge en langdurige winters, soms geheele stokken, wanneer de buitenlucht te veel op hen kan werken; want daardoor verliest de bijenmassa de ontwikkelde warmte zeer spoedig: langzamerhand verstijven zij, en zijn dan niet meer in staat om den honig, die boven haar in de cellen hangt, te bereiken, zoodat zij dan van koude en gebrek tevens omkomen. Hoe volkrijker de stok is, hoe minder hij natuurlijk aan dit gevaar is blootgesteld; want naar die mate kan hij de warmte meer besloten houden. En al kwamen er in een stok, die b. v. 16000 bijen bevat, gedurende den winter eens 3000 à 4000 om, dan bleven er in het voorjaar toch nog meer dan 12000 over, zoodat het nog een goede stok zou zijn. Daarentegen zullen die stokken, die bij de inwintering zwak aan volk zijn, geheel bezwijken, of zoo er nog 2000 of 3000 bijen van overblijven, dan zullen deze toch weinig nut kunnen aanbrengen, omdat de beste tijd reeds voorbij zal zijn, tegen dat zij zich een weinig hersteld hebben.
Van hoeveel belang het is alleen sterke stokken in te winteren, bevestigt elke strenge winter. In het voorjaar zullen de sterke behouden, doch de zwakke stokken voor altijd ingeslapen zijn!
2o. Hoe minder honig de bijen als voedsel bezigen, des te meer voordeel zullen zij voor den eigenaar opleveren. Sterke stokken hebben werkelijk, naar evenredigheid, minder voedsel noodig dan zwakke. Dit moge vreemd schijnen, proeven hebben het evenwel bevestigd, en bij eenig nadenken zal men inzien, dat het een natuurlijk gevolg van het voorgaande is. De zwakke stok verliest toch, naar evenredigheid, meer warmte dan de sterke; hij moet dus ook meer warmte ontwikkelen. Dit kan hij echter niet dan door meer voedsel te verteren; zoodat hij door nood gedwongen wordt, om den voorraad sterker aan te spreken.
Men zou de proef hiervan kunnen nemen door, wanneer men b. v. zes stokken, elk van 5000 bijen had, drie derzelve tot één stok te vereenigen. Men zou dan bevinden dat deze, gedurende den winter, minder honig gebruikt had, dan de drie andere te zamen.
3o. Er zal meer ingezameld worden, naarmate er meer volk is, dat aan die inzameling deel neemt. Daarom is het van veel belang dat de stokken in het voorjaar veel broed aanzetten; want dan zijn er bij de eerste voorjaarsweide reeds vele bijen, die haar kunnen bevliegen.
Sterke stokken zetten, bij zachte winters, voortdurend eenig broed aan, terwijl zij, bij strenge winters, er stellig niet later dan in Februarij mede beginnen; de vereischte broeiwarmte is dan reeds aanwezig; (dat het broedaanzetten dan niet gewenscht is, zullen wij later zien, maar het kan niet belet worden). Het broednest zet zich daardoor meer en meer uit, en heeft op het einde van Maart reeds eene beduidende grootte bereikt. In April zijn in zulke stokken reeds duizende bijen geboren, die bij de eerste dragt dus veel voordeel kunnen aanbrengen.
Door gebrek aan de noodige warmte, kunnen zwakke stokken niet met de broedaanzetting beginnen, voor dat het weder warmer geworden is, zoodat de bijen zich meer uiteen kunnen begeven. Zij zullen in het laatst van April nog maar een beperkt broednest hebben, en het volk zal meer verminderd dan vermeerderd zijn; tegen dat zij volkrijker worden, is de beste dragt gewoonlijk voorbij.
4o. Wanneer in het voorjaar de woning en de bouw spoedig van het schimmel, dat zich in den winter heeft aangezet, worden gezuiverd, dan behoeven de bijen haar tijd daaraan niet meer te wijden, als er gunstig weder voor de inzameling invalt. Sterke stokken zijn met de zuivering in de eerste vliegbare dagen gereed, terwijl men er de zwakke soms in Mei en Junij nog mede bezig ziet, die daardoor den gunstigsten tijd voor de inzameling verzuimen.
5o. Het is van veel belang dat de stokken vroeg met de wasbereiding beginnen, opdat er spoedig een uitgebreiden bouw tot stand zou komen, om bij gunstige dragt, en ook voor de eijerlage der koningin, geen gebrek aan cellen te hebben. Om het was te kunnen bereiden, moeten de bijen ruim van honig en bloemenstof voorzien zijn, en veel warmte kunnen ontwikkelen. Sterke stokken kunnen, door de veelheid van volk, veel vroeger eene voldoende hoeveelheid honig en bloemenstof hebben ingezameld dan de zwakke. Zij kunnen ook den warmtegraad tot eene veel grootere hoogte brengen. Zwakke stokken dragen soms in Mei, wanneer de wasbouw in vollen gang moet zijn, met moeite zooveel in, als zij tot voedsel voor zich zelven en het weinige broed, dat is aangezet, behoeven; soms moeten zij zelfs, bij eenig ongunstig weder, nog geholpen worden. De weinige bijen worden vereischt, om het broed te bezetten, en zij beginnen veeltijds eerst in Junij of Julij eenig was te bouwen, dat, daar de dragt dan grootendeels voorbij is, meestal ledig blijft. In den herfst zijn zij dan wel tot eenig volk gekomen, doch zij hebben geen wintervoorraad en moeten dus gevoêrd worden.
Omgekeerd kan een sterke stok veel later met den wasbouw beginnen dan een zwakke. De reden daarvan is, dat de sterke stok nog een uitgebreiden, voorjarigen wasbouw heeft en daardoor over genoeg cellen kan beschikken, voor het opleggen van honig en de eijerlage der koningin. Hij zal dan niet bouwen, voordat er behoefte aan cellen gekomen is. Treedt deze behoefte later in, dan vergroot hij den bouw met spoed.
Heeft men een zwakken stok in het voorjaar te veel van zijn bouw beroofd, in den waan hem daardoor tot meer werkzaamheid aan te sporen, zoodat hij volstrekt geene ledige cellen beschikbaar heeft gehouden, dan is hij wel genoodzaakt om, wil hij later het broed en den honigvoorraad kunnen vermeerderen, nu alles aan den wasbouw op te offeren. Zijne vlijt zal echter niet zoo groot zijn, als wanneer men hem niet besneden had. Dan had hij den ingezamelden honig voor het broed kunnen behouden en als voorraad opleggen, wanneer de voorhanden wasbouw ten minste gedurende den winter niet te veel beschimmeld was.
6o. Wij zagen bij de behandeling van het zwermen reeds, dat late en zwakke zwermen weinig waarde hebben, ja veelal als nadeelig zijn te beschouwen. Nu ligt het in den aard der zaak, dat aan de voorwaarden tot het ontstaan van zwermen vereischt, in sterke stokken veel spoediger zal voldaan zijn dan in zwakke; terwijl de zwermen van de eerste, bij het voordeel, dat zij veel vroeger afkomen, nog dat zullen voegen, dat zij volkrijker zijn. Zwakke stokken kunnen den geheelen zomer niet aan zwermen denken, en middelmatige gaan er slechts laat toe over; deze kunnen dan gewoonlijk, evenmin als hunne zwermen, den vereischten wintervoorraad inzamelen.
7o. De beste honigdragt is gewoonlijk zeer kort, en het is dus van veel belang, dat er zoo vele bijen als mogelijk is aan deel nemen. Hoe volkrijker de stok is, hoe meer bijen zich naar evenredigheid aan de inzameling kunnen wijden. Van een stok met 30000 en meer bijen kan men aannemen dat er, bij goede dragt, hoogstens ⅓ te huis zullen blijven, om het broed te verzorgen en andere huisselijke bezigheden te verrigten, terwijl de overigen den geheelen dag door honig inzamelen, en wel 3 tot 5 Ned. pond kunnen inbrengen. Daarentegen zal van een zwakken stok, die niet meer dan 10000 bijen telt, stellig niet meer dan de helft kunnen uitvliegen, en hoe weinig zullen deze maar kunnen inzamelen!
Met den wasbouw ligt de zwakke stok ook veel ten achter bij den sterken. Deze kan in weinige dagen zijne woning half vol bouwen, terwijl gene nog slechts enkele tafels zal hebben voltooid.
8o. Om aan ongunstige toevallen weêrstand te kunnen bieden, moeten de stokken volkrijk zijn; zwakke gaan er gewoonlijk geheel door te niet.
Jaren, waarin de dragt slechts kort duurt, komen niet zelden voor. De laatst verloopene konden meest tot de onvoordeelige gerekend worden, daar het weder in het voorjaar, dikwijls tot in Junij, nat en koud, of dor en schraal was, terwijl het dan in den zomer werd afgewisseld door groote hitte en droogte of door veel regen, zoodat de beste tijd voor de honig-inzameling, onder ongunstige omstandigheden voorbijging. Het jaar 1856 leverde daarvan in mijne streken een treurig voorbeeld op: het voorjaar was langdurig koud, en later, toen de ruimst honigende gewassen bloeiden, regende het meest altijd, zoodat er slechts enkele dagen van elken dragttijd kon worden ingezameld. Sterke stokken kunnen in die enkele goede dagen zoo sterk vliegen, dat zij, zoo dan al geen overvloed, ten minste hun eigen wintervoorraad bekomen, terwijl zwakke stokken, veelal reeds eer de herfst ten einde is, den hongerdood sterven.
Wanneer het weder vroeg in het voorjaar gunstig is geweest, zoodat er veel broed is aangezet, en er valt daarop koud of nat weder in, dan zal een sterke stok zijn broed behoorlijk bedekken, en daardoor voor verkoelen en afsterven bewaren, wanneer de koude ten minste niet te streng is en niet te lang aanhoudt.
Sterke stokken zijn minder aan ziekten onderhevig dan zwakke, en in het algemeen kunnen zij ook elken schadelijken toestand beter te boven komen, hetzij dat die schade veroorzaakt is door eene verkeerde behandeling, hetzij dat andere omstandigheden er aanleiding toe hebben gegeven. Ook het volkverlies, dat soms ontzettend groot kan zijn, kan door een sterken stok uit den aard der zaak beter worden geleden dan door een zwakken. Hij heeft toch in zich zelven kracht genoeg, om zijn verlies te herstellen.
9o. De vijandelijke aanvallen, van welken aard die ook zijn, moeten de bijen behoorlijk kunnen afweren. Daar nu het volk van een sterken stok veel meer door de woning verspreid is, zoo zal het ook alle plaatsen meer kunnen bewaken, en dus het indringen van roofbijen en andere op honig en was azende dieren veel moeijelijker maken dan een zwakke, die er gewoonlijk door overwonnen wordt.
Naar aanleiding van het voorgaande kan men nu de volgende regels vaststellen, welker getrouwe nakoming den bijenkweeker niet dan voordeelig zijn kan:
1o. Koop bij den aanleg van een bijenstand vooral geene zwakke stokken: voor niet gekregen, komen zij nog te duur te staan! Men zal er nooit een goeden stand mede kunnen daarstellen, en het verdriet, dat men er van heeft, zal allen lust in den aanvang uitdooven. Door de slechte gevolgen van zijn aanleg afgeschrikt, zal men de zaak veelal laten varen, daar zij voordeel noch genoegen zal opleveren.
Wie een bijenstand wil aanleggen, koope minstens twee of drie gezonde, volkrijke stokken; al moet men hen ook wat duur betalen, zij zullen toch eene goede rente opleveren, want ging men den zomer met drie stokken te gemoet, wanneer hij niet al te ongunstig is geweest, zal men den winter met een grooter getal, misschien het dubbel ingaan.
Het aankoopen van stokken geschiedt het best in het voorjaar, doch niet voor dat zij uitvliegen en reeds bloemenstof indragen. Uit het indragen van vele en zware bloemenstof-balletjes kan men met zekerheid het besluit afleiden, dat de stok volkrijk en van eene koningin voorzien is. Ook lette men er op of er vele bijen rond het vlieggat staan, die, met den kop naar hetzelve gekeerd en het achterlijf naar boven gerigt, vrolijk met de vleugels slaan, hetgeen een zeker teeken is, dat de stok gezond en volkrijk is.
Men koope geene kleine korven, want in deze kan geen magtig volk ontstaan: het zwakke volk kan dan ook geene sterke zwermen afgeven en maar weinig inzamelen. Zulke stokken bezetten veeltijds uit plaatsgebrek den geheelen korf met broed; de bijen kunnen geen honig opleggen, daar zij hem voor zich en het broed behoeven; wordt er nog iets opgelegd, dan nemen de afvliegende zwermen het als uitzet mede, en bij het einde van de dragt heeft de stok wel eenig volk, maar geen voorraad, zoodat hij sterk gevoêrd moet worden, om den winter te boven te komen. Is hij, na er vele kosten aan besteed te hebben, gelukkig door den winter gebragt, dan heeft men er den aanstaanden zomer niet meer voordeel van te wachten dan den voorgaanden.
Een stok moet minstens één sterken zwerm kunnen afgeven, en zooveel honig behouden, dat hij den winter kan doorstaan; bij gunstige jaren moet hij daarenboven iets afleggen of anders, bij de uitbreking in het najaar, 10 à 15 Ned. pond honig en 5 à 7 ons was, opleveren. Strookorven, welke inwendig 18 duim hoog en 13 duim wijd zijn, kunnen als de beste beschouwd worden. Ik spreek hier alleen van strookorven, omdat men hier te lande vooralsnog geene bevolkte Dzierzon’sche woningen zal kunnen koopen.
Heeft men een korf naar het uitvliegen en het bezetten van het vlieggat uitgezocht, dan moet men hem omkeeren, om te zien of hij een goeden bouw heeft. Deze moet ten minste den halven korf vullen en bruingeel, niet zwart van kleur zijn. Een halfvolbouwde korf, met een zwerm van het vorige jaar, en eene moederbij van een of twee jaar, is gewoonlijk het beste. De bouw mag niet doorknaagd noch met wasmotten bezet, door de bijen bevuild noch beschimmeld zijn. Hij moet een aangenamen honigreuk, vooral geen stank verspreiden; deze kon ontstaan door dat er broed was afgestorven of door dat de bijen aan den loop leden.
Hoe meer bijen men tusschen de wastafels bijeen verzameld ziet, hoe boozer zij zijn en hoe spoediger zij te voorschijn komen, als men haar beademt, des te zekerder kan men den stok voor gezond en volkrijk houden. Men moet vooral opletten of de onderplank zuiver is: gezonde en volkrijke stokken ontdoen den bodem van hunne woning steeds van vuil en doode bijen. Ook moet er reeds broed zijn aangezet, anders zou de stok moederloos zijn; in het laatst van Maart en het begin van April, moet men zonder veel moeite in elken stok broed kunnen zien. Eindelijk moet men nog toezien dat er genoeg honig voorhanden is, opdat men, voor het beginnen der dragt, niet meer behoeve te voêren. Voor de maanden April en Mei dient een stok nog 4 à 5 Ned. pond honig te hebben. Het is echter zeer moeijelijk, om in gewone strookorven over den honigvoorraad te oordeelen, daar er alleen onderin gezien kan worden, terwijl de honig meest in het bovenste gedeelte zit. Het best is een puntig stokje in de bovenste tafels te steken; teruggetrokken zal het aangeven hoe diep de honig reikt. Het gewigt van den stok moet ook in aanmerking genomen worden; dit is echter zeer onbepaald, want het broed kan reeds eene aanzienlijke zwaarte verkregen hebben, waardoor men zich al ligt zou bedriegen.
In Dzierzon’sche woningen kan men zich, door het uitnemen van den bouw, in een oogopslag overtuigen, of aan al de voorwaarden voldaan is, welker vervulling wordt vereischt, om verzekerd te zijn dat de stok gezond en volkrijk is.
In ons land is de prijs van een goeden stok, met den korf, 3 à 7 gulden.
2o. Op goed bezette bijenstanden zal men in den herfst steeds eenige zwakke stokken vinden. Hoe gaarne men zijn stand ook vergrooten wil, toch moet men deze niet inwinteren, daar men er vele moeite en kosten aan zou moeten besteden. Brengt men hen gelukkig door den winter, dan heeft men er nog maar zorg zonder voordeel van te wachten. Men doet beter van twee of drie zwakke stokken een sterken te maken, die dan behoorlijk door den winter gebragt en daarna winstgevend kan worden.
3o. Moet men geene zwakke stokken koopen of aanhouden, niet minder noodzakelijk is het zorg te dragen dat sterke stokken niet verzwakken.
Door aan stokken, die men denkt dat te veel honigvoorraad hebben, daarvan een gedeelte te ontnemen, maakt men openingen in den bouw en dus de woning koud. Om enkele ponden honig te oogsten, zou men in den herfst er den stok door in gevaar brengen, om een strengen winter niet te kunnen doorstaan; in het voorjaar zou men al ligt meest al den voorraad weg nemen, zoodat hij, in het veld geen honig kunnende vinden, gebrek leed: het gevolg zou zijn dat hij, den voorraad opgeteerd zijnde, de woning als hongerzwerm verliet; kon hij in het veld reeds iets, doch niet genoeg vergaderen, dan zou de moederbij met de eijerlage ophouden, en de bijen zouden het aangezette broed uit de cellen trekken, om het tot haar eigen levensonderhoud uit te zuigen, waardoor de volksvermeerdering belet werd. Indien men in het voorjaar het uitwerpen van broed bespeurt, dan moet men zich haasten om den stok voedsel toe te reiken, daar het een zeker teeken is dat hij daaraan behoefte heeft. Het is echter beter het intreden van dezen nood zoo mogelijk te voorkomen, en er vooral geene aanleiding toe te geven.
Het besnijden van den wasbouw is eveneens gevaarlijk, wanneer het te vroeg en te sterk gedaan wordt. Het maakt de woning onderaan te ruim, en bij invallende koude kunnen de bijen zichzelven en het broed niet meer verwarmen.
Door overmatig zwermen kunnen de stokken eveneens zeer verzwakken. Hoe dit tegengegaan kan worden is vroeger gezegd, en dat men ook zorg moet dragen, door het maken van kunstzwermen zijne stokken niet te veel te verzwakken, zal wel geen betoog behoeven. De kunstzwermen zijn voor de bijenteelt van hoog belang, maar zij moeten met oordeel, en alleen op den daarvoor geschikten tijd afgedreven worden.
Er is hier maar ter loops gewaarschuwd, om het besnijden van den bouw en het afdrijven van kunstzwermen niet te overdrijven; aan elk dezer onderwerpen zal later een hoofdstuk gewijd worden.
4o. Men moet zelfs trachten sterke stokken nog sterker te maken.
Het behoort niet onder de zeldzaamheden dat men in April en Mei schoon warm weder met goede dragt heeft, terwijl daarna vele natte, koude dagen volgen, waarin de bijen niets kunnen inzamelen. De moederbij houdt dan terstond met de eijerlage op, tot het weder verbetert. De bijen zullen dan, het zwermen nog veraf ziende, het aangezette koninklijke broed en het hommelbroed, dat haar overbodig schijnt, uit de cellen trekken. Hierdoor wordt het zwermen natuurlijk vertraagd. Geeft men aan zulke stokken dagelijks twee of drie lepels verdunden honig of suikerstroop, dan zal de moederbij met de eijerlage voortgaan, en de bijen zullen geen broed vernietigen. Om de vruchtbaarheid der moederbij te bevorderen, dat vóór den zwermtijd van zooveel belang is, om spoedig volk en zwermen te kunnen hebben, is het zeer goed den stok, al is er in het veld reeds eenige dragt, toch dagelijks eenig voedsel te geven.
De bijen zijn in onze noordelijke streken niet inheemsch. Zij zijn voor een warmer klimaat geschapen, waar zij zich in een voortdurenden zomer kunnen verheugen en onverpoosd uitvliegen.
Dat de natuur de bijen niet voor onze luchtstreek bestemd heeft, wordt daardoor aangetoond, dat zij geen winterslaap hebben, zoo als haar verwante, inlandsche insecten, als: wespen, hommels4 enz. Deze brengen den winter in een staat van verdooving door, zonder door de koude gehinderd te worden, of voedsel te behoeven; door de voorjaarszon beschenen, keeren zij weder tot hun leven en werken terug. De bijen daarentegen blijven den geheelen winter wakker, en behoeven voortdurend voedsel. Aan aanhoudende, strenge koude kunnen zij geen weêrstand bieden.
De omstandigheid, dat de bijen aanhoudend water behoeven, en dit toch niet als voorraad opleggen, kan ook als bewijs dienen dat zij hier niet te huis behooren. Ware dit het geval, dan zouden zij voorzeker ook instinktmatig water in hare woning opleggen, daar zij soms vier of vijf maanden buiten de mogelijkheid zijn, dit daarbuiten te halen. Maar in de landen, haar door de natuur als woonplaats aangewezen, kunnen zij dagelijks uitvliegen en dan tevens water vinden, al ware het door vroeg in den morgen de daauwdruppels te verzamelen. Met honig en bloemenstof is dit niet het geval; die kunnen haar ook in een heet klimaat vele weken ontbreken. Evenwel staat de oorzaak, waarom zij die dáár niet kunnen vinden, lijnregt tegenover die, welke het hier onmogelijk maakt: dáár is het de alle bloemen verschroeijende, brandende zonnehitte; hier integendeel de winterkoude!
De toestand, waarin de bijen dus gedurende den winter bij ons verkeeren, is geheel onnatuurlijk. Bij eenige voorzorg kunnen zij nog al eenige koude doorstaan, maar elke strenge winter leert toch, door de offers die hij kost, dat men haar den onnatuurlijken toestand, waarin zij gebragt zijn, zooveel mogelijk moet verzachten.
De meeste bijenhouders beschouwen de overwintering als niet zeer gewigtig. Zij achten hunne bijen genoegzaam verzorgd, indien zij van voorraad voorzien en zoo geplaatst zijn, dat zij voor regen en sneeuw, en ook eenigzins voor wind beschut staan. Oppervlakkig beschouwd hebben zij gelijk; want als de vorst niet te aanhoudend en te streng is, zullen de meeste stokken het voorjaar beleven. Maar waarom zal men er dan zooveel moeite aan besteden, om de bijen wat beter te verzorgen, indien men zonder dat toch meestal zijne stokken door den winter brengt? Omdat men zijne stokken wel door den winter brengt, maar met ontzettend verlies: de volkrijke stokken worden tot middelmatige en deze tot zwakke teruggebragt. Hierbij komt nog dat het honigverbruik van zulke, aan te veel koude blootgestelde stokken, veel grooter is.
In den winter van 1854 op 1855 heb ik eene proef genomen met een stok, die in het najaar volkrijk en van voldoenden voorraad voorzien was. Mijne bevinding zal ik hier mededeelen.
De winter was streng, en in het begin van December hadden wij reeds sneeuw en felle vorst. Met weinig afwisseling bleef dat zoo tot in Maart. De stok stond geheel vrij op zijn zomerstand; aan de voorzijde open en met het vlieggat naar het zuidoosten gerigt. Bij regenachtige dagen of bij eene betrokken lucht, hielden de bijen zich rustig; men zag er niet eene vliegen; maar zoodra de zon de woning bescheen, en zij hare stralen door het vlieggat zagen binnendringen, en de warmte haar bereikte, kwamen er eenigen te voorschijn, en lokten, door haar vrolijk gegons, de overigen naar buiten. Zij hielden een druk voorspel en hielden zelfs kortere of langere uitvlugten, waarop velen door de koude werden bevangen, en de woning niet meer kunnende bereiken, zich hier of daar nederzetteden, of op den grond vielen, om weldra den dood te vinden. Als er sneeuw lag, zag men den grond tot verscheidene schreden voor de woning met lijken overdekt. Zulke verliezen hadden dien winter, die zooveel zonnige dagen opleverde, niet zelden plaats.
Op een warmen dag in het begin van Maart, liet ik de andere stokken hunne reinigings-uitvlugten houden en bezag ook den bewusten stok. De binnenwanden der woning waren met ijs bezet, en het werk onderaan sterk beschimmeld. Op de onderplank lagen vele dooden, die denkelijk door den kouden, snijdenden wind, welke door het vlieggat kon blazen, verstijfd van den verzamelden tros waren afgevallen, zonder er meer naar te kunnen opklimmen. Het volk was tot op minder dan de helft verminderd, en toen later het vliegbare weder daar was, was de stok wel gespaard gebleven, maar zwak en arm aan volk, zoodat hij veel tijd behoefde, om zich te herstellen. Eerst laat gaf hij een zeer kleinen zwerm.
De stokken daarentegen, die ik met meer zorg door den winter gebragt had, hadden weinig dooden; zij waren vrij droog en de bouw was slechts eenigzins beschimmeld. Bij het begin der dragt verkeerden zij allen in vrij goeden toestand en gaven sterke voorzwermen.
Gesteld dat deze stok 2000 bijen meer verloren had dan de anderen, dat zeker nog te weinig is, dan zou men, op een stand van 100 stokken, 200000 bijen meer verloren hebben, dan door hen doelmatig te overwinteren. In het voorjaar kan een stok van 20000 bijen als een sterke beschouwd worden, en rekent men zijne waarde maar ƒ 4, dat nog te laag is, dan had men toch een verlies van ƒ 40. Behalve het direct verlies, door het verminderen van het totaal aantal arbeiders geleden, heeft men ook het nadeel dat zijne stokken minder volkrijk zijn, en vroeger zagen wij van hoeveel belang het is, het voorjaar alleen met volkrijke stokken in te treden.
Hoe men de bijen, gedurende den winter, haar onnatuurlijken toestand dragelijk kan maken, zal ik nu nader opgeven.
1o. Een eerste vereischte is dat zij van eene voldoende hoeveelheid voedsel voorzien zijn; zij hebben deze voorwaarde gemeen met alle dieren, die geen winterslaap hebben. Voor men dus zijne stokken inwintert, overtuige men zich hoe het met den voorraad gesteld is. Is hij te klein dan moet men hun vroeg in den herfst voedsel toereiken; zij kunnen dat dan in de cellen brengen en verzegelen. Men kan aannemen dat een volkrijke stok, 10 à 12 Ned. pond verzegelden honig behoeft, om de voorjaarsdragt te kunnen bereiken.
Het is niet onverschillig waar de voorraad zich in de woning bevindt. Reeds vroeger (bl. 50) zeide ik dat de bijen zich bij strenge koude niet zijdelings kunnen verplaatsen. De voorraad moet zich daarom boven in de woning bevinden. Ook mogen er geene openingen in den bouw zijn, want zij zouden tot deze opklimmen, maar dan blijven zitten en van gebrek omkomen. Zoodra het weder haar veroorlooft zich uit een te begeven, verdragen zij den honig uit de zijdelings geplaatste cellen, naar de bovenste, die zij reeds geledigd hebben.
Men doet altijd beter te zorgen dat de stokken overmatig van voedsel voorzien zijn, dan het hun te krap toe te meten. In lange winters geeft dit eene groote gerustheid, en men behoeft niet bevreesd te zijn dat de bijen, ruim van voorraad voorzien, daar te verkwistend mede zullen omgaan.
2o. De bijen moeten in den winter voor strenge koude beschut worden; want hoewel sterke stokken, met genoegzamen voorraad, niet ligt bevriezen zullen, en men eenigzins op het taaije leven der bijen kan rekenen, zoo heeft strenge en aanhoudende vorst toch een allernadeeligsten invloed. De bijen, welke zich buiten aan den tros bevinden, kunnen de haar omgevende koude niet verduren. Zij beginnen te verstijven en vallen op den bodem der woning, vanwaar zij niet weder kunnen opklimmen, zoodat zij spoedig den dood vinden.
Nog veel erger dan haar aan de vorst bloot te stellen is het, wanneer men den wind toegang tot hare woning geeft. In het vlieggat blazende, doet deze de koude aanhoudend tot in alle hoeken doordringen.
Het is niet alleen hoogst nadeelig voor het leven der bijen, wanneer zij aan de koude en den wind zijn blootgesteld, het is ook schadelijk wegens het grooter honigverbruik. Door de koude gefolterd, wenden zij alles aan wat haar mogelijk is, om zich warmte te verschaffen; er ontstaat in den verzamelden hoop meer krachtsinspanning, om zich door beweging te verwarmen. De afmatting, die daarvan het gevolg is, moet door meer voedsel hersteld worden.
Andere nadeelen van eene slechte inwintering niet tellende, zal alleen de hoeveelheid voedsel, die gebruikt wordt, zooveel grooter zijn dan bij goed verzorgde stokken, dat de kosten, aan die goede verzorging besteed, ruim opgewogen worden door de grootere opbrengst. Men kan rekenen dat de laatsten niet meer gebruiken dan ⅔ van het voedsel, dat de eersten behoeven.
Wie gelegenheid heeft om zijne bijen in een vorstvrij, geheel donker vertrek te plaatsen, zal zich steeds met eene gelukkige en onkostbare overwintering mogen verblijden, terwijl anderen over groote verliezen en een ruim honigverbruik moeten klagen. Ik was tot dusverre genoodzaakt mijne stokken op den zomerstand te overwinteren. Hoe die ingerigt is, heb ik reeds gezegd (zie bl. 106). In het laatst van October, wanneer niet te hevige schuddingen de stokken nog niet benadeelen, zet ik strooringen op de korven, en vul deze met goed droog, overjarig stroo5, of leg eenige oude kleedjes op de korven. In het vlieggat steek ik eenige spijkers, opdat de muizen er niet kunnen binnendringen, en de reet, tusschen den korf en de onderplank, smeer ik met klei digt. Zoodra de winter nu invalt, en ik verzekerd ben dat de bijen een ruimen voorraad hebben, sluit ik den voorwand van den stal, en laat de stokken verder aan zich zelven over. De uitkomst heeft mij zelden teleurgesteld. Ik sprak hier van strookorven, waarvan ik er altijd nog eenige heb. In Dzierzon’s woningen wordt, zooals bij hare beschrijving werd opgegeven, de ruimte boven de staafjes en die tusschen den bouw en de deur, tegen den winter met stroo of mos gevuld, terwijl de wanden 4 duim dik zijn; daarin hebben de bijen dan ook zeer weinig koude te verduren.
3o. Men moet zorgen dat de bijen geen gebrek aan versche lucht hebben. Hiervoor ziet men in den herfst den bouw na, en kort de te laag afgebouwde tafels zooveel in, dat er overal eene opening, van ruim 1 duim, tusschen den bouw en de onderplank, vrij blijft. Zonder deze voorzorg zouden de stokken eene gewigtige levensvoorwaarde missen! Hoe noodzakelijk echter ook de toevoer van zuivere lucht zijn mag, toch zorge men dat het vlieggat de eenige opening in de woning zij, opdat er geen togt zou kunnen ontstaan. De versche lucht moet de bijen alleen van onderen, langzaam opklimmende, kunnen bereiken. Zij toonen zelven aan, dat zij geen trek in hare woning hebben willen, door alle openingen, met uitzondering van het vlieggat, met voorwas te sluiten, zoodra het weder kouder wordt; zelfs het vlieggat verkleinen zij nog, wanneer dit haar te groot toeschijnt.
Daar het voor de bijen nadeelig is, wanneer de lucht onmiddellijk in het broednest stroomt, waar zij hare zitplaats hebben, zoo moet men het vlieggat altijd in het onderste, ledige gedeelte der woning geven. Elk zal het nadeel van eene opening, in de onmiddellijke nabijheid van hare zitplaats, terstond inzien, en toch ziet men bij velen juist daar het vlieggat, zoodat de bijen dadelijk blootgesteld zijn aan de toevloeijende buitenlucht en het inblazen van den wind. Altijd, zoowel ’s winters als ’s zomers, is de beste stand voor het vlieggat onder in de woning; ’s winters om haar voor den onmiddellijken invloed der koude buitenlucht te beschermen; ’s zomers om te voorkomen dat het daglicht of de zonnestralen in het broednest vallen: dat zij dit niet willen blijkt daaruit, dat zij, aan zich zelven overgelaten, en eene eigene woning gekozen hebbende, het broednest zooveel mogelijk boven het vlieggat plaatsen. Een laag vlieggat vermeerdert den ijver van een zwerm ook, om den bouw zoo spoedig mogelijk met het vlieggat gelijk te brengen; waarschijnlijk omdat zij daar veel gemakkelijker tegen oploopen dan tegen de wanden.
Vóór de inwintering, moet men de bodems der woningen zuiveren: de dooden en andere onreinheden, daar aanwezig, zouden anders de lucht bederven, tot groot nadeel van de bijen.
Het lokaal, waarin de stokken overwinteren, moet bij droog weder, na het vallen van den avond, gedurende een paar uren gelucht worden, door de deur en daar tegenover eene tweede opening te ontsluiten. Er kan dan een luchtstroom doortrekken, die het beschimmelen van de stokken belet. Bij hevigen wind moet men het luchten achterwege laten, en bij vriezend weder slechts nu en dan eens even versche lucht laten binnendringen.
4o. In den winter is het zonlicht de grootste vijand der bijen, en men mag niet over het hoofd zien, dat zij daarvoor beschermd moeten worden. Zien zij het zonlicht door reten of naden binnendringen, dan worden zij terstond verlokt om te gaan vliegen; door die openingen gaan zij naar buiten, en terugkomende kunnen zij natuurlijk haar stok niet terug vinden: zij moeten buiten blijven en van koude bezwijken. Bij slechte sluiting en sterken zonneschijn, kan men dagelijks velen zien rondvliegen, die spoedig als slagtoffers vallen. Ik zou geheel open stallen nog verkiezen boven slecht geslotene. Zijn zij gesloten, dan moet men er, bij sterken zonneschijn, in gaan en alle openingen, waar licht door valt, goed digt maken.
Om bij Dzierzon’sche woningen, die buiten staan, geen gevaar te loopen dat de bijen uitvliegen, sluit ik de vlieggaten overdag. Tegen het vallen van den avond open ik hen, doch bij winderig weder schuif ik er een, met kleine gaatjes doorboord, plaatje voor, om wel versche lucht, maar geen wind te doen binnendringen. Reeds sedert jaren behandel ik de stokken op deze wijze, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Het schijnt geen kwaad te kunnen, dat de lucht overdag afgesloten is, indien zij ’s nachts maar vrijen toegang heeft.
5o. Daar stooten of dreunen de stokken, welke op hun winterstand geplaatst zijn, zeer zou benadeelen, moet men hen daarvoor vrijwaren. Bij den minsten stoot gaan de bijen uit een; hierdoor verliezen zij de opgesloten warmte, en eer zij zich weder te zamen getrokken hebben, zijn velen, door de koude bevangen, van den tros afgevallen, en deze moeten omkomen, want zij bezitten de kracht niet meer, om tot de overigen op te klimmen. Bij het spreken over den bijenstal is reeds gezegd, dat men dit, bij zijne plaatsing, in aanmerking moest nemen.
Houdt de winter lang aan, dan is het ligchaam der bijen geheel opgezwollen van het opgehoopte vuil, en zij moeten dan vooral zoo rustig mogelijk blijven staan. Gaan zij in dien toestand uit een, dan kunnen zij den drek niet langer bij zich houden en moeten dien dan, zoo zij niet kunnen uitvliegen, in de woning laten vallen; daardoor bezoedelen zij zichzelven en den bouw, en komt er niet spoedig een dag, waarop zij vliegen kunnen, zoodat zij zich van haar vuil kunnen ontlasten, terwijl men tevens gelegenheid heeft om het bevuilde werk gedeeltelijk weg te nemen, dan moet de geheele stok omkomen.
In den bijenstal moet men gedurende den winter nooit voorwerpen bergen, die men nu of dan kan noodig hebben. Het uitnemen daarvan zou ligt tot onvoorziene schokken aanleiding geven. Nooit moet men er katten in laten, om muizen weg te vangen. Deze konden, door hare sprongen, in korten tijd een geheelen stand ten onder brengen.
Indien men al het mogelijke gedaan heeft om den winter voor de bijen te verligten, dan kan men hem met vertrouwen te gemoet zien. Al was het dat zij vier of vijf maanden opgesloten moesten blijven, volkomen rustig staande zouden zij al dien tijd haar vuil bij zich kunnen houden. Het is evenwel verkieslijk, dat dit niet langer dan drie maanden behoeft te duren, en in de meeste winters zal men ook, binnen dien tijd, wel eens gelegenheid hebben om zijne bijen te laten vliegen.
Om de opsluiting niet noodeloos te verlengen, moet men er niet te vroeg toe overgaan; want tot in het begin van December kan men nog heerlijke dagen hebben, die eene reinigings-uitvlugt toelaten. Zoodra de winter zich echter door vorst of sneeuw aankondigt, sluit men zijn stal, en welke schoone dagen nu ook volgen, men opent hem niet, voor dat de bijen minstens zes weken opgesloten zijn geweest. Komt er in het laatst van Januarij of in het begin van Februarij eens een zoogenaamde zomersche dag, dan kan men daarvan gebruik maken, om haar eens te laten vliegen. Maar men doet dit niet, wanneer men niet met grond kan verwachten, dat de dag schoon en warm blijven zal; de thermometer moet in de schaduw minstens 50° F. teekenen. Waait het sterk, dan kan men haar ook niet uitlaten, want het vliegen nu niet gewoon zijnde, zouden zij spoedig worden nedergeslagen.
Wanneer de grond met sneeuw bedekt is, en de reinigings-uitvlugt niet volstrekt vereischt wordt, dan late men haar niet vliegen. Allen die op de sneeuw gaan zitten om te rusten zijn verloren. Achtte men het vliegen hoog noodig, dan zou men vooraf den grond voor den stal met stroo moeten beleggen, waarop de vermoeid te huis komende bijen zich konden plaatsen.
Welke redenen men ook hebben mag om te veronderstellen dat een dag schoon en warm zal blijven, toch kan men zich tegen alle verwachting bedriegen. Ik heb dat ook eens ondervonden, doch vond toen ook een middel om de verstijfde bijen weder te doen herleven, en naar hare stokken terugkeeren; mijne bevinding wil ik hier mededeelen.
Tegen elf ure ’s morgens maakte ik, op een zomerschen dag, in het midden van Februarij, mijn bijenstal open. Spoedig speelden alle stokken voor; de lucht in den omtrek was met bijen vervuld. Het was een genot, haar zoo gezond en vrolijk te zien vliegen en te hooren gonzen! Maar ziet, tegen twee ure komen er wolken op, er begint een koude wind te waaijen en de zon verdwijnt geheel. Nu komen de bijen in digte drommen naar huis, maar een groot gedeelte is onderweg reeds door de koude bevangen en kan het vlieggat niet meer bereiken. Duizenden zijn voor den stal nedergevallen en waren reddeloos verloren, zoo men haar niet te hulp kwam. Ik bedenk wat te doen en kom tot het gelukkige besluit, om de gevallenen op te rapen, haar in een blikken bak te verzamelen, en dezen op eene flaauw verwarmde stoof te zetten. Over den bak leg ik een doek, slechts een klein hoekje als een vlieggat openlatende. Weldra herleven de bijen, en zij vliegen door de opening, ieder naar hare eigene woning. Dat dit herleven spoedig plaats had, kan men daaruit opmaken, dat wij met ons drieën raapten, en dat tegen vier ure het bakje reeds ledig was, enkele verongelukten uitgezonderd.
Is men er toe overgegaan om de bijen uit te laten, dan moet men, zoodra alles geopend is of de binnenshuis overwinterde stokken weder op hunne plaats gezet zijn, de bodems der woningen reinigen. Bij de Dzierzon’sche geschiedt dit met den vroeger beschreven haak (zie bl. 122). Voor de korven moet men een helper hebben, en terwijl dan de eene den korf opligt, zuivert de andere de onderplank, of legt er, wat nog beter is, eene schoone voor in de plaats. Men moet dit zoo spoedig mogelijk doen, daar de bijen er anders zelve toe overgaan, en men er haar een vermoeijend werk door ontneemt, dat daarbij aan velen het leven kost; bij geene bezigheid zijn de bijen zoo onbeholpen, als bij het uitdragen van hare dooden. Dikwijls blijven zij, met de haakjes van hare pooten er aan hangen, zoodat zij er zich niet van kunnen losmaken; zij vallen dan met haar op den kouden, natten grond en komen om, op de lijken die zij uitdroegen.
Bij het wegnemen der dooden moet men toezien of de moederbij zich ook daar onder bevindt; hoewel zelden, toch komt dit nu en dan voor. De stok is dan moederloos, en kan in dien tijd van het jaar geene volkomene moederbij bekomen, daar er geene hommels zijn, om haar te bevruchten. Zulk een stok kan men niet laten staan; hij zou dan spoedig ontvolkt en uitgeroofd worden. Het best is hem met den nevensstaanden stok te vereenigen; de ontvolkte woning kan men dan, met den bouw dien zij bevat, bewaren, om er later een zwerm in te zetten.
Het vuil, dat men met de doode bijen op de bodems der woningen, of op de onderplanken vindt, moet niet weggeworpen worden. Voor een groot deel bestaat het toch uit wasdeksels, die de bijen van de cellen genomen hebben, om den honig te kunnen bereiken. Men zift het, om er de doode bijen af te zonderen, en smelt het later met ander was op.
De bijen hebben de dooden niet gaarne in hare nabijheid; deze moeten daarom niet te digt bij den stal worden geworpen, want zij zouden haar dan van den grond opnemen en haar verder wegdragen.
Ieder bijenkweeker weet dat het mogelijk is de bijen tot het aanzetten van broed aan te sporen, zelfs op een tijd, die daarvoor door de natuur geenszins bestemd is. Wanneer men b. v. laat in den herfst een stok, die aan alles gebrek heeft, die bij de karige weide moeite heeft om zijn dagelijksch voedsel te verzamelen, eenige honigtafels en ook eene tafel met bloemenstof inhangt, hem ’s avonds nog wat laauw-warmen, eenigzins verdunden honig geeft, en hem zoo warm mogelijk plaatst, dan zal die hongerlijder, zich zoo plotseling in overvloed geplaatst ziende, als het ware herleven, en zijn geheelen rijkdom tot het aanzetten van broed aanwenden. Een voorraad, die voor drie maanden tot onderhoud had kunnen dienen, zal in drie of vier weken verbruikt zijn en de stok zal vol broed staan.—Hieruit volgt, dat men de broedaanzetting nog veel meer zal bevorderen, door de bijen, op een daarvoor geschikten tijd, in daartoe gunstige omstandigheden te plaatsen.
Als de dagen iets langer worden, dan begint zich ook in den bijenstok eene verhoogde werkzaamheid te ontwikkelen. De broedaanzetting neemt dan een aanvang en wordt meer en meer voortgezet en uitgebreid, indien het de bijen ten minste niet aan honig, bloemenstof en water ontbreekt, en wanneer zij tegen de koude van den winter of het voorjaar beschermd zijn. Oppervlakkig beschouwd, zou het voordeelig schijnen om zwakkere stokken reeds vroegtijdig tot de broedaanzetting op te wekken. Indien zij slechts eene maand vóór de sterke stokken hiermede begonnen waren, konden zij bij het begin van de dragt aan deze gelijk zijn. De hun gegeven honig zou eene groote winst kunnen opbrengen, daar jonge bijen in het voorjaar de grootste waarde hebben. Men late zich echter niet tot zulk eene handelwijze verleiden! Even als men den groei van eene plant in eene broeikast bevordert, kan men de bijen ook kunstmatig tot volksvermeerdering brengen; maar de plant is aan hare plaats gebonden. Zij kan in eene beperkte ruimte leven; de bij daarentegen moet de vrije lucht kunnen genieten; zij moet zich buiten hare woning kunnen reinigen, hetgeen sterk broeijende stokken ten minste eens in de week moeten doen. Dikwerf leveren hiertoe de maanden Februarij en Maart, soms zelfs ook April, geene geschikte dagen op. Kunnen zij zich niet geregeld reinigen, dan houden zij niet alleen met broeijen op, maar worden ziek; zij bevuilen elkander en het werk, en vallen bij honderden, ja bij duizenden neder; de geheele stok komt in de grootste ellende, zoo hij niet geheel ten onder gaat. Vallen er van tijd tot tijd geschikte dagen in, waarop de bijen eene reinigings-uitvlugt kunnen houden, dan zal men toch van eene te vroege broedaanzetting geen voordeel hebben. Een volk, dat in zijne woning werkzaam is, wil, al heeft het aan niets gebrek, ook daarbuiten bezig zijn en zijn voorraad vermeerderen. In de woning heerscht het voorjaar, en in de meening dat dit ook daarbuiten zoo zijn zal, wagen de bijen telkens wanneer de zon doorbreekt verre uitvlugten om, als zij zich achter wolken verbergt, op den kouden grond, of zelfs op de sneeuw neder te vallen en te verstijven. De honig, aangewend om het broed vroeg in het jaar te vermeerderen, is dus gewoonlijk niet alleen verloren, maar daarenboven verliest men meer bijen, dan er aangekweekt worden, en de overblijvende verspillen hare krachten nutteloos; ook de vruchtbaarheid der koningin wordt doelloos verminderd; putte eene oude moederbij door vervroegde broedaanzetting hare vruchtbaarheid geheel uit, en stierf zij, voordat er hommels waren, om hare opvolgster te bevruchten, dan kon een sterke stok hierdoor te gronde gaan. De stokken, die te vroeg tot broedaanzetten zijn opgewekt, zullen ook meestal, óf in het geheel niet zwermen, óf dit veel later doen dan die, welke daar later mede begonnen, maar er dan ook onafgebroken mede voortgingen.
In plaats van dus zijne stokken tot eene vroegtijdige broedaanzetting aan te sporen, moet men elken dag, dat de bijen in het voorjaar langer in de winterrust blijven, als eene winst beschouwen. Stokken, die in den winter besloten gestaan hebben, zoo lang mogelijk te laten staan, en die, welke men op een schoonen dag eens had laten vliegen, weder te sluiten, zal het doelmatigst zijn. Zonder noodzakelijkheid moet men de stokken nooit in hunne winterrust storen, om hen te vroeg te besnijden of onnoodig te voêren.
Velen beschouwen het bij herhaling openen van eene woning, en het uitnemen der wastafels, ook in den zomer als schadelijk, omdat men er de bijen onnoodig werk door bezorgt, daar zij alles weder met voorwas bevestigen, en de inzameling daardoor belet zou worden. Dit is echter eene dwaling. De meerdere werkzaamheid in den stok, veroorzaakt ook eene grootere vlijt bij die bijen, die honig en bloemenstof verzamelen. De bijen, die de huisselijke bezigheden verrigten, halen toch niets in, maar de groote vlijt, die zij moeten aan den dag leggen, spoort ook de indragende aan, om zich ijveriger te betoonen. Daarom zijn ook besneden stokken soms vlijtiger dan andere: niet omdat zij besneden zijn, maar omdat zij, besneden zijnde, ook moeten bouwen. Zij halen dan onbesneden gebleven stokken niet alleen in, maar streven die vooruit.
Eene geheel andere zaak is het om de stokken, bij het einde van den winter, door veel openen, besnijden, voêren en dergelijke te verontrusten. Dan kan het alleen schadelijk zijn, want de werkzaamheid, waartoe de bijen worden opgewekt, heeft eene inspanning, soms eene geheele uitputting van hare krachten ten gevolge, zonder dat de stok daar eenig voordeel van ondervindt. Zoolang er buiten niets voor de bijen te halen is, moet men haar zooveel mogelijk met rust laten, haar van onnoodig uitvliegen afhouden, en vooral niet tot broedaanzetten opwekken. Men moet daarom de stokken, die in den herfst niet genoegzaam van voedsel voorzien zijn, dit dan toevoegen, om hen, als in het vroege voorjaar alles opgeteerd was, niet te moeten verontrusten. Alle nuttelooze uitvlugten hebben, wegens de koude van de lucht en van den grond, onvermijdelijk volksverlies ten gevolge; er kon ook onverwachts grootere koude invallen. Soms schijnt het dat de lente alles met nieuw leven zal bezielen; maar in plaats daarvan slaat plotseling het weder om, en men heeft sneeuwbuijen met kouden wind gepaard. Wee den zwakken stokken, die dan tot eene sterke broedaanzetting opgewekt zijn geworden, en zich daardoor meer uit elkander begeven hebben. Het broed willen zij soms niet verlaten; zij kunnen den voorraad niet meer bereiken en zich ook niet zamentrekken; zij verstijven dan op het broed en gaan daarmede te niet. Geheel kan deze ongunstige toestand niet voorkomen worden, wanneer de maand Februarij zacht weder opleverde, terwijl het in Maart ruw en koud is; maar de bijenkweeker moet zorgen dit gevaar niet te vergrooten, door zijne bijen, vóór den tijd, tot de broedaanzetting uit te lokken.
Als van zelf komt men nu tot de vraag: “Wanneer moet de broedaanzetting beginnen?” Met de beantwoording daarvan willen wij ons dan nu bezig houden.
Sterke stokken hebben somtijds reeds in Januarij broed aangezet, terwijl de zwakke er eerst na de eerste reinigingsuitvlugt toe overgaan, en dat nog niet eens doen, wanneer er spoedig hevige koude invalt. Het voordeeligst zou het te achten zijn, dat zoowel sterke als zwakke stokken, er niet voor April mede aanvingen; evenwel kan verschil in de luchtgesteldheid, het meer of minder gunstig zijn van het weder, en de aard der weide hierin verandering brengen: wat in de eene streek laat genoemd moet worden, zou in eene andere vroeg kunnen zijn. Een stok, die niet te ruim van honig voorzien is, zal zich niet zeer geneigd toonen om veel broed aan te zetten; maar stokken, die rijk aan honig zijn, en dan gewoonlijk ook nog bloemenstof bezitten, doen dit reeds vroeg. Wanneer zij echter vroeg broed hebben aangezet, en de winter lang aanhoudt, dan kan de voorraad opraken, voordat zij het buiten kunnen halen; zij moeten dan het broedaanzetten niet alleen staken, maar ook het aanwezige broed laten afsterven. Dit gebrek kan men ontdekken, doordat men op den bodem der woning en voor het vlieggat uitgeworpen broed vindt liggen. Zulk een stok moet dadelijk met voedsel te hulp gekomen worden, opdat hij met het broedaanzetten voort zou kunnen gaan. De behoeftige stokken moeten, vooral in April, goed ondersteund worden, om hen tot het broedaanzetten op te wekken, en hen daardoor zoo mogelijk tot eenige volkssterkte te doen komen, tegen dat de voorjaarsdragt begint. Het is toch door het groot aantal volk, niet door de groote hoeveelheid, die elke bij inbrengt, dat een goede bijenstok, bij rijke weide en gunstig weder, zoo veel kan inzamelen. Gedurende de beste dragt moeten dus de stokken het volkrijkst zijn, om voordeel te kunnen aanbrengen. Het volksverlies is dan ook juist het grootst. In volkrijke, sterk broeijende stokken bemerkt men daar niets van, omdat het dagelijks uitloopende broed het meer dan herstelt.
Hoe meer broed een stok bij het begin der hoofdweide heeft, des te voordeeliger kan hij dit aanwenden, en daarbij zullen de zwermen, die hij afgeeft, sterker zijn en vroeger afkomen. Bleef hij echter bij het afnemen der weide even sterk broeijen, dan zou hij al ligt het als voorraad opgelegde weder aan het broed opofferen, en bij middelmatige jaren, na het eindigen der weide, zelfs door gebrek bedreigd worden, in plaats van iets te kunnen afgeven. Van hoeveel belang het is het broedaanzetten te kunnen bevorderen of beperken, valt nu duidelijk in het oog, en de omstandigheden, die er nog invloed op uitoefenen, wanneer aan de hoofdvoorwaarde “het aanwezig zijn van een ruimen voorraad of eene goede dragt,” voldaan wordt, verdienen dus wel hier vermeld te worden.
Warmte is een voornaam vereischte voor het broeijen. Hoe grooter zij is, en hoe gelijkmatiger zij door den stok is verspreid, des te meer zal het broednest uitgebreid worden. De warmtegraad, die in een stok heerscht, hangt van verschillende oorzaken af. Vooreerst komt de warmte der buitenlucht in aanmerking; neemt zij toe, dan zal het ook in de woning warmer worden. In woningen, die door de zon beschenen worden, wordt veel broed aangezet, en dientengevolge ook het zwermen bevorderd. Van meer invloed is evenwel de inrigting der woning. Hoe slechter hare wanden de warmte geleiden, hoe hooger en gelijkmatiger de warmtegraad zijn zal. Ook de dikste, de warmte het slechtst geleidende wanden, zullen haar toch altijd nog eenigzins doorlaten. Dit verlies moet hersteld worden door de bijen, die in het midden der woning verzameld zijn, en van daar naar de wanden moet dus de warmte afnemen. In eene lange, smalle woning zal het voor- en achteraan betrekkelijk koel zijn. Veel gelijkmatiger is de warmte verspreid in vierkante, nog meer in ronde woningen. In deze heeft daarom ook eene gelijkmatige broedaanzetting, door de geheele woning plaats.
Het spreekt van zelf dat hetzelfde volk eene kleine woning beter verwarmt, dan eene grootere. Is deze echter naar evenredigheid van hare grootte ook sterker bevolkt, dan zal zij nog warmer zijn dan de kleine, omdat de buitenlucht eene groote verwarmde massa betrekkelijk minder afkoelt dan eene kleine.
Door het vlieggat ontwijkt veel warmte, en daar de verwarmde lucht naar boven stijgt, zoo zal het warmteverlies toenemen, met de wijdte en de hoogte van het vlieggat. Is het laag en daarbij onder in de woning aangebragt, dan zal er het minste warmte verloren gaan; de bijen worden dan ook tot eene uitbreiding van het broednest uitgelokt, omdat zij dit gaarne zoo digt mogelijk bij het vlieggat hebben.
Slechts als de buitenlucht koud is, en als de bijen zich vooral op de broedaanzetting moeten toeleggen, is het wenschelijk dat de warmte in de woning besloten blijft. In den zomer, als zij zich voornamelijk met den honigoogst moeten bezig houden, wordt groote hitte de bijen tot last; zij mat haar af en noodzaakt een groot gedeelte werkeloos te blijven, dat gaat voorliggen om de warmte te ontgaan. Om doelmatig genoemd te mogen worden, zal eene bijenwoning dus zoo ingerigt moeten zijn, dat men haar naar verkiezing warm of koud, klein of groot kan maken. Met Dzierzon’s woningen kan dit geschieden. Door middel van het verkleinplankje, kan de lengte naar goedvinden verkleind worden. De ruimte, tusschen dit plankje en de deur, en die boven de dekplankjes, met stroo of mos aanvullende, verkrijgt men dan een zeer warm broedruim; de broedaanzetting wordt bevorderd en van stokken, die men tot in den zwermtijd zoo besloten laat, verkrijgt men daarom de vroegste zwermen. Verwijdert men echter bij vermeerdering van volk en ruimere dragt de vulling, en trekt men het verkleinplankje terug, dan zal de warmte in de woning verminderd worden, terwijl er tevens ruimte gewonnen wordt, waarin de bijen honig kunnen afzetten.
Men kan, door de zamenstelling van een warm broednest, de bijen aanleiding geven om vroeg en veel broed aan te zetten, en men heeft het eveneens in zijne magt, om het tot eene zekere ruimte, tot een bepaald aantal tafels, te beperken.
Het is bekend dat het broed zich onafgebroken, in eene gesloten ruimte bevindt; het wordt cel voor cel en tafel voor tafel aangezet. Wanneer van eene tafel een zeker aantal bijen zijn uitgeloopen, dan reinigen de werkbijen de cellen, en de moederbij bezet haar onmiddellijk weder met eijeren, om het broed gesloten en dus warm te houden. Wil men het broednest vergrooten, dan behoeft men maar eene ledige wastafel, tusschen twee met broed gevulde tafels te hangen. De moederbij zal zich haasten haar met eijeren te bezetten, om weder slot in haar nest te brengen. Daar het broed van zulke tafels op den 20sten dag meest te gelijk uitloopt, zoo zijn zij bijzonder geschikt om er zwakke stokken mede te versterken. Van het streven der bijen om haar broednest gesloten te houden, kan men zich ook bedienen, om haar met spoed te doen bouwen. Hangt men een staafje, waaraan eene strook wastafel bevestigd is, tusschen twee met broed gevulde tafels, dan zullen de bijen deze tafel met verwonderlijke snelheid volbouwen.
Het verkleinen van het broednest geschiedt door tafels met broed uit de woning te nemen, die dan ter versterking van zwakke zwermen, of tot het maken van afleggers kunnen dienen. Tegen dit verkleinde broednest hangt men een of twee verzegelde honigtafels, waarover de koningin zich niet ligt heen begeeft, om ledige cellen op te zoeken. Het beperken van het broednest kan ook zeer goed geschieden, door er een verkleinplankje tegen te zetten, waarin men de gaten zoover opent, dat alleen de werkbijen zich daar achter kunnen begeven (zie bl. 89 en 92). Men moet er niet langer mede wachten, dan tot in de helft der maand Julij; het broed, dat later aangezet wordt, komt te laat uit om nog in te zamelen, terwijl het veel honig vereischt; in den herfst zal men, tot het versterken van zwakke stokken, steeds bijen in overmaat hebben, uit de stokken, die voor den honigoogst zijn uitgebroken. In den laten nazomer, wanneer de dragt spaarzamer wordt, zal de moederbij zich van zelve niet geneigd toonen, om zich buiten het broednest te begeven, om tafels, die tot dusverre vrij van broed waren, daarmede te bezetten; maar tegen den zwermtijd wil zij, zeer vruchtbaar zijnde, dit wel eens doen; het moet haar echter zooveel mogelijk belet worden.
Eene gezonde en vruchtbare moederbij schijnt de werkzaamheid van haar eijerstok willekeurig te kunnen beperken of vermeerderen. Eene gebrekkige of door ouderdom verzwakte kan haar daarentegen niet zoo doen stijgen, dat zij een uitgebreid broednest behoorlijk met eijeren kan bezetten. Om veel broed te kunnen verkrijgen, moet de koningin dus gezond, jong en zonder gebreken zijn, terwijl de stok genoeg bevolkt moet zijn, om het behoorlijk te kunnen bebroeijen en verzorgen.
Indien er in den nazomer nog eenige dragt bestaat, kunnen de bijen zich zoo sterk op de broedaanzetting toeleggen, dat zij nog een uitgebreid broednest verkrijgen. Belet men dit niet zooveel mogelijk, dan kunnen zij haar wintervoorraad geheel aan dit nutteloos broeijen besteden, en daardoor in volslagen gebrek komen. Zelfs bij het voêren van stokken, die hun wintervoorraad niet hebben ingehaald, moet men in den herfst wel voorzigtig zijn, daardoor geene aanleiding tot broeijen te geven. Men moet hen zoo mogelijk met verzegelde honigtafels, of bij gebrek daarvan met verdikten honig of kandij voêren. Wil men hun liever verdunden honig voêren, dan geeft men dien in groote, snel op elkander volgende giften, door b. v. alle avonden een Ned. pond in de woning te plaatsen, totdat zij hun voorraad hebben. De bijen, zoo ruim van honig voorzien zijnde, zullen hem dadelijk in de ledige cellen dragen, er zoo vele als mogelijk is mede vullen, en dus de moederbij beletten er velen met eijeren te bezetten. Evenwel ziet men zich in zijne verwachting wel eens teleurgesteld, want gevoêrd wordende bijen zijn steeds tot het aanzetten van broed opgewekt; vooral zij, die door kleine giften aanhoudend tot werkzaamheid worden aangespoord, zullen het niet nalaten; zij zullen zelfs veel broed zetten, indien het voêren op een tijd geschiedt, dat zij nog bloemenstof en water kunnen binnenhalen. Het voêren is dan even doelloos, als in Februarij en Maart.
Willen de stokken, die men in den winter te hulp komen moet, het broedaanzetten volstrekt niet nalaten, dan is men genoodzaakt er de moederbij uit te vangen en haar, in een moederhuisje besloten, in het broednest te hangen. De meeste stokken zullen de gevangen moederbij blijven voêren en bezetten; later laat men haar weder vrij. Andere zullen de koningin wel verzorgen, maar tevens hulpcellen aanzetten. Doen zij dit, en is de koningin ouder dan twee jaar, dan neemt men haar en de hulpcellen tot op eene na weg. De stok verkrijgt dan eene jonge moederbij; wordt zij, zoo er nog hommels aanwezig zijn, gelukkig bevrucht, dan kan zij nog een aantal bijen voortbrengen, waardoor de volksvermindering, door de lange moederloosheid ontstaan, hersteld wordt. Zulke stokken worden gewoonlijk volkrijk genoeg, en gaan den winter met ruimen voorraad in. Er zijn soms stokken, die van eene gevangen moederbij niets willen weten, maar haar laten verhongeren; de hulpcellen, die zij aanzetten, worden zoo als gezegd is, tot op eene na weggenomen. Is het jaar te ver gevorderd, dan geeft men hun eene moederbij uit een stok, dien men tegen den winter uitbreekt.
In het algemeen kan het wegnemen der moederbij een stok niet benadeelen, wanneer hij bij een goeden bouw, overvloed van volk en broed bezit, en het hommelbroed zich begint te ontwikkelen. Is de moederbij ouder dan twee jaar, dan is het voordeelig, want men belet het zwermen, en de bijen, geen broed meer te verzorgen hebbende, zetten hulpcellen aan, waardoor zij eene jonge moederbij bekomen, terwijl zij het ingezamelde geheel als voorraad kunnen opleggen. Ontneemt men de hulpcellen aan een stok, dien men vroeger van zijne koningin beroofd had, en geeft men hem eene op het uitloopen staande moederwieg in de plaats, dan zal hij deze blijven bebroeijen, en binnen weinige dagen weder eene regentes hebben, waarna er dat jaar geen hommelbroed meer aangezet zal worden, omdat jonge moederbijen het eerste jaar zelden aan zwermen denken. Zulke stokken bevatten gewoonlijk veel honig, want wat in anderen door de hommels en hun broed gebruikt wordt, wordt hier als voorraad opgelegd. Hoeveel honig aan hommelbroed ten koste gelegd moet worden, kan men opmaken uit de zwaarte van eene daarmede gevulde tafel. De bijenhouder moet dit broed daarom zoo veel mogelijk weren (zie bl. 26). Ook moet men, daar alle broed veel honig vereischt, de bijen maar niet zoo veel laten aanzetten als zij willen, om het daarna bij den honigoogst, meedoogenloos te dooden, tot het bekomen van eenige ponden honig, die de stokken soms, lang voor het aangezet werd, reeds bezaten; terwijl zij, bij verhindering der broedaanzetting, zooveel te meer gevulde honigtafels zouden bezitten. Zelfs kan, indien men het broeijen en zwermen geheel vrijlaat, alle in den voorzomer ingezamelde honig, aan het broed besteed worden. Het vele zwermen doet haar dan verscheidene dragtdagen verzuimen, en levert de nazomer eindelijk een schralen oogst op, dan zullen de stokken, hoe gunstig ook het voorjaar mag geweest zijn, in den herfst zonder voorraad zijn en den winter, zonder sterke ondersteuning, niet te boven kunnen komen.