„„Hangen!” luidde het harde vonnis van den Gouverneur—en het werd ten uitvoer gebracht. Op het middaguur van den twaalfden July 1572 zette Hopman Wybe Sjoerds den voet op de sport des ladders, die ongelukkig genoeg zijn anders gansch niet roemlooze loopbaan besluiten zou. Weinige oogenblikken later was hij een lijk, evenals zijn vaandrig, die naast hem gehangen werd.”
In Saardam keken velen dus vruchteloos naar zijn terugkomst uit; zij zouden hem daar nimmer meer zien. En uren lang tuurde men in de richting van het Zuiden, naar Amsterdam, of wellicht de vijand in aantocht was.
Maar toen de morgen verstreek, zonder dat er eenig onraad van dien kant dreigde, werd men langzamerhand rustiger, en keerden de Saardammers naar hun arbeid terug.
Ook Heer Jan Gerritsz had zich vergewist, of er eenig gevaar te duchten was. Hij hield zich echter vast overtuigd, dat Wybe Sjoerds in den loop van den morgen wel terugkeeren zou, en maakte zich volstrekt niet ongerust. Om half tien nam hij vluchtig afscheid van zijn huisgenooten, die hij op luchtigen toon geruststelde, en liep den Zuiddijk af, om zich naar de hoeve van Floris Geurtsz te begeven. Ook daar had men zich meermalen overtuigd, of alles op het IJ rustig bleef, en toen dat het geval bleek te zijn, was men tot de gevolgtrekking gekomen, dat de Spanjaarden geen plan hadden om Saardam te bezetten. Want dat zij het vertrek van Wybe Sjoerds reeds zouden weten, betwijfelden zij geenszins. Er waren altoos wel verraders, die voor grof geld hun vaderland aan den vijand prijs wilden geven.
„Goeden morgen! Goeden morgen!” klonk Heer Jan Gerritsz groet, zoodra hij de hoeve bereikt had.
„Goeden morgen, Heer,” was het antwoord. „Nog nieuws te Saardam? Is Wybe Sjoerds al teruggekeerd?”
„Neen, nog niet, maar hij zal wel spoedig komen. Heer Sonoy zal hem wel de keus gegeven hebben tusschen Saardam en de galg, en dan zal Hopman Wybe wel niet lang over een besluit nadenken. Ik ben er dan ook volkomen gerust op, dat hij in den loop van den morgen wel zal aankomen, als hij er niet reeds is, en ga zonder zorg naar Ruichoort.”
„Op het IJ is althans geen bijzondere drukte op te merken,” zei boer Florisz. „Wij hebben het den ganschen morgen zorgvuldig in het oog gehouden, maar niets verdachts gezien. Ik begin ook te gelooven, dat de Spanjaarden ons met rust zullen laten.”
„Och, wel ja!” sprak Heer Jan. „Zeg Marten, ben je gereed om meê te gaan? En heb je tuig en aas in orde?”
„Alles ligt reeds in de schuit gereed.”
„Voortreffelijk! Laten we dan gaan.”
Marten groette zijne huisgenooten, die hem tot op den dijk vergezelden om van de afvaart getuige te zijn. Heer Jan nam op het achterbankje plaats, om te sturen, en Marten greep de riemen. Zij staken van wal.
„Goede reis en een prettigen dag!” werd hun nageroepen, en Anna zeide lachend:
„Hè, wat een heerlijk tochtje. Ik zou ook wel meewillen.”
„Van mij krijg je verlof!” riep Marten. „Stap maar in.”
„Maar van mij niet!” sprak moeder Fijtje. „Meisjes hooren thuis en aan het werk! Wij zullen wijzer wezen.”
De hoeve van boer Florisz lag achter den Zuiddijk, in de onmiddellijke nabijheid van het IJ. Dit was dus spoedig bereikt, en de roeiers zagen de twee eilandjes De Waardt en den Horn vlak voor zich. Deze waren, hoewel zij door een breede strook riet omgeven waren en menigen inham vertoonden, waarin vele watervogels nestelden, evenwel niet het doel van de reis. Ruichoort, waarheen de steven werd gewend, lag westelijker, niet ver van Sparendam, dus aan den Zuidkant van het Houtrak. Zij wisten nog zeer goed van het vorige jaar, hoeveel waterwild daar gevonden werd. 't Was dicht met kreupelhout begroeid, en met zijne ruige rietboorden en gorzen, zijne inhammen en schorren aan den buitenkant, en zijne poelen, kreeken en geulen van binnen, voor vele gevederde waterbewoners een welkom oord.
„Mij dunkt, het was niet kwaad, als wij eenige kannen biers medenamen,” zei Jan Gerritsz. „Voor de noodige stukken zul je zeker wel gezorgd hebben?”
„Voor een goeden voorraad brood met ham heeft Moeder gezorgd,” zei Marten lachend. „'t Zou trouwens wel het laatste zijn, wat ik vergat, want mijn eetlust laat niets te wenschen over. Maar aan bier heb ik niet gedacht.”
„Gelukkig dan, dat ik er aan denk. Ik zal wat noordelijker houden, Marten. Dan gaan we in de herberg van Jan Slob aan den Westzaner Overtoom inslag doen. Hij heeft lekker bier, dat weet ik bij ondervinding, en 't houdt ons niet lang op. 't Is veel te warm vandaag, om af en toe geen goeden dronk te lusten.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Marten roeide met krachtige slagen door en Heer Jan hield den noordkant van het breede water, zoodat zij spoedig aan den overtoom aankwamen. Daar was eene herberg gelegen, die in eigendom toebehoorde aan Jan Slob, een man, bij de Geuzen welbekend om zijn hevigen haat tegen al wat Spaansch of Spaanschgezind was. Hij had het bootje reeds in de verte zien naderen en wachtte het aan den dijk op.
„Goeden morgen!” klonk zijn groet, toen het aan den kleinen steiger aanlegde en de roeiers er uitstapten. „Ha, dat is goed volk: Heer Jan Gerritsz en Marten Florisz. Wees me van harte welkom!”
Hij ging zijn gasten voor naar de gelagkamer, een klein, laag vertrek, met een paar houten tafeltjes en eenige zeer eenvoudige stoelen. En nauwelijks waren zij binnen getreden, of hij vroeg reeds naar het laatste nieuws uit Saardam.
„'t Is een leelijk geval!” riep hij uit. „En van Wybe eene onverantwoordelijke daad. Geloof me, als die Spaansche schelmen het in den neus krijgen, dat Saardam door de Geuzen verlaten is, zullen zij er geen gras over laten groeien en er spoedig bezit van nemen. Help maar eens kijken!”
„Gekheid. Wybe zal wel terugkomen,” zei Heer Jan. „Maar laten wij onzen tijd niet verpraten, want wij gaan op de vogelvangst, op Ruichoort, en komen wat van je lekker bier halen. Wil je eenige kannen in de schuit brengen?”
„Met alle pleizier,” was het antwoord.
„En ons eerst ieder een kan inschenken?”
„Asjeblieft!”
Terwijl Marten en Heer Jan van het lekkere bier genoten, want bier was in die dagen een volksdrank, die in geen enkel huis ontbrak, voldeed Jan Slob aan den hem opgedragen last, en na enkele minuten kon de reis worden voortgezet. De koers was nu naar het Zuid-westen, en na een half uurtje varens hadden zij Ruichoort bereikt.
„Laten wij het eiland omvaren tot aan den achterkant,” zei Heer Jan. „Aan deze zijde gaan nog al eens vaartuigen voorbij, waardoor de vogels worden opgejaagd. Ik geloof stellig, dat wij ginds eene betere vangst zullen hebben.”
Deze raad werd opgevolgd, en toen men een diepen inham bereikt had, werd de schuit daar ingeroeid.
„Niet te dicht aan den kant, Marten,” zei Heer Jan. „Ha, wat is het hier een uitstekend geschikt plekje. Hoor je ze al snateren, Marten?”
„Of ik!” riep Marten met gedempte stem, om de vogels niet te verjagen, want het was een schuw volkje, dat bij het minste gerucht de vleugels repte en een goed heenkomen zocht. Ook nu hield het gesnater al spoedig op.
„Ik zal tusschen het riet roeien. Kijk, dáár kan de boot mooi liggen, en we zijn er zoo goed als onzichtbaar.”
Toen de gewenschte plaats bereikt was, werd het schuitje vastgelegd, en Marten haalde van onder het voorbankje een paar lange lijnen te voorschijn, en een bakje met kleine vischjes, die hij 's morgens met een schepnet had gevangen. Heer Jan en hij namen elk een van de lijnen, en bonden aan het uiteinde een vischje, dat wel dood, maar toch nog versch genoeg was, om voor de watervogels een lekker hapje te zijn. De vischjes werden daarna te water geworpen, waar zij bleven drijven.
Een zacht windje rimpelde de oppervlakte van het water tot kleine golfjes, die de beide vischjes als spelend met zich medesleepten. Soms voerden zij een strijd met het kroos, dat de diertjes niet los scheen te willen laten, maar de golfjes gaven het niet op en bleven telkens overwinnaar.
De twee jagers zaten onbewegelijk in het schuitje, Heer Jan op het achterbankje, Marten aan den steven, en hielden de langzaam wegdrijvende vischjes nauwlettend in het oog. En tegelijkertijd bespiedden zij de oppervlakte van het water, of zij vogels ontdekten, die wellicht voor de verleiding bezwijken mochten.
Bij hunne komst was echter het toen aanwezige waterwild schichtig opgevlogen en weggevlucht, en de jagers begrepen, dat zij geduld moesten oefenen, wilden zij niet platzak huiswaarts keeren.
Soms hoorden zij tot hunne blijdschap eenige wilde eenden door de lucht vliegen, en dan trachtten zij ze in het gezicht te krijgen, hopende dat zij in hunne nabijheid mochten neervallen.
Er verstreek echter wel een half uur, eer zij een enkelen vogel zagen naderen, en Heer Jan begon den moed reeds te verliezen.
„Zouden we geen ander plaatsje opzoeken?” fluisterde hij Marten toe. „Ik zie hier meerkoet noch eendvogel, en het wachten begint mij duchtig te vervelen.”
„Ik zou het niet doen, Heer,” sprak Marten zacht. „Wij hebben de vogels hier verjaagd door onze komst, en moeten niet te haastig zijn. Op een andere plaats hebben wij het eerste half uur ook geen kans.”
„Dat is waar.”
Doodstil bleven zij zitten. De vischjes waren nu al tot op een vrij grooten afstand weggedreven, en Marten haalde de lijn zoo zacht mogelijk wat in. Opeens echter hield hij daarmede op.
„St,—een woerd!” fluisterde hij bijna onhoorbaar, en onbeweeglijk bleef hij zitten. „Ginds, bij het elzenboschje.”
„Ja,—'k zie hem,” was het antwoord.
De woerd zwom langzaam heen en weder. Telkens stak hij den kop onder water en wipte zich dan voorover, zoodat zijn staart loodrecht omhoog wees.
„'t Is een dikkerd,” fluisterde Heer Jan. „Zijn wijfje zal ook wel niet ver uit de buurt zijn.”
De jagers verkeerden niet weinig in spanning, en hoopten, dat de vogel de doode vischjes in het oog zou krijgen. En toen de woerd zich inderdaad in de richting van het drijvend aas voortbewoog, onbewust van den list, die hem gespannen was, zaten zij met gerekten hals te kijken naar elk zijner bewegingen.
„Hij komt naderbij!” fluisterde Heer Jan, die moeilijk zwijgen kon. „Kijk, daar zie ik de eend ook!—Mooi zoo!”
„Laten wij nu doodstil wezen en ons niet bewegen,” fluisterde Marten, die bang was, dat de vogels hen zouden opmerken en wegvliegen.
„De eend nadert mijn vischje,” sprak Heer Jan weer. „Hij is er vlak bij.”
„Stil toch,” zei Marten. „Aanstonds merken zij ons op.”
Dat deed het eendenpaar echter niet. Langzaam en steeds naar voedsel zoekende, naderden zij het aas, dat door de golfjes heen en weder werd gestuwd.
„De woerd is bij jouw vischje!” verbrak Heer Jan opeens de stilte.—„Ha—nu ziet hij het, .... kijk, hij pakt het beet—ja, slik maar, 't smaakt lekker!”
„Wees toch stil, Heer Jan!” waarschuwde Marten, die geheel voorover gebogen de lijn vasthield en naar den woerd tuurde.
„Ze hooren ons toch niet!” fluisterde Heer Jan weer. „Wacht, daar komt de eend ook naderbij.—De woerd heeft het aas ingeslikt, Marten,—wacht nog even, dan snap ik misschien de eend ook...”
Maar 't was te laat. De woerd, die inderdaad het vischje had opgeslokt, bemerkte onraad, want de lijn hinderde hem geducht. Hij probeerde dat lastige ding te verwijderen en voelde toen plotseling, dat hij in zijne bewegingen belemmerd werd. Hij trok en rukte, om zich te bevrijden, maar dat gelukte hem niet. Daarna dook hij onder water, maar toen ook dat niet hielp, repte hij de vleugels, en vloog over de oppervlakte van het water heen en weêr, wat een geweldig leven veroorzaakte, want de vleugels klepten telkens in het water, zoodat het hoog opspatte. Dat werkte aanstekelijk op de eend, die het voorbeeld van haar gemaal volgde en ook rondfladderde.
„Haal hem in, Marten! De eend ziet er nu toch niets van!” riep Heer Jan, die opgetogen was over de gelukkige vangst. Marten haalde de lijn schielijk in, tot groote verbazing van den woerd, die niet begreep, wat er aan de hand was en zich geweldig verzette. Hij naderde snel het schuitje, waar Marten hem greep. Op het volgende oogenblik lag hij met omgedraaiden nek op den bodem. De eend fladderde nog altoos wild in het rond, in de meening, dat ook de woerd een vroolijk spel speelde. Maar eindelijk kwam zij tot bedaren, en toen zij den woerd nergens meer zag, zwom zij heen en weer, om hem te zoeken. Zoo ontdekte zij het vischje aan de lijn van Heer Jan, en dit zag er voor haar zoo verleidelijk uit, dat zij het in den snavel nam en, hoewel met eenige moeite, doorslikte. Dit geschiedde natuurlijk tot groote pret van Heer Jan Gerritsz, die de lijn nu inpalmde en de eend het droevig lot liet deelen van den woerd.
„Wat een paar mooie vogels, Marten,” zei Heer Jan, die met welbehagen de beide eenden bij de pooten pakte, om te voelen, hoe zwaar zij waren. „Kijk eens,—zoo vet als modder!”
„Ja,—'t zijn twee beste,” beaamde Marten, die zijne lijn weer voor een nieuwen liefhebber in gereedheid bracht. De reeder volgde dat voorbeeld, en spoedig dreven weer twee vischjes langzaam van het schuitje af.
De jagers bleven voortdurend in spanning, want langzamerhand kwamen er heel wat watervogels in den omtrek rondzwemmen. Mosbruine en blauwzwarte aalschelvers joegen er met schuwe onrust naar hun aas, wit gebleste meerkoeten lieten zich nu hier, dan daar zien, zwart gekuifde zanddrijvers hieven hunne fiere halzen omhoog, om den omtrek te verkennen, en koppels eenden staken de koppen in de diepte, om naar hunne prooi te zoeken. Blijkbaar was het schuitje op eene bijzonder gelukkige plaats vastgelegd.
En de jagers kregen een zoo ruimen oogst, dat hij hunne stoutste verwachtingen overtrof. Zij vingen zooveel vogels van diverse pluimage, dat zij hunne buren ook wel een heerlijk middagmaal konden bezorgen en dan nog meer dan genoeg overhielden voor zichzelven. Zij hadden het zóó druk met hunne jacht, dat het middaguur al lang vervlogen was, eer zij er aan dachten, dat Moeder Fijtje voor boterhammen, of zooals zij toen zeiden, „stukken” met ham had gezorgd. Eindelijk werden hunne magen echter oproerig, en Marten herinnerde Heer Jan aan den inhoud van het kastje, dat onder het voorbankje getimmerd was.
„Zoo, krijg je honger?” was het antwoord. „Nu ik ook terdege. Laten wij het aas eenigen tijd binnenhalen, en zien, wat je moeder voor ons heeft klaargemaakt. En een frissche dronk zal ook smaken. Wat hebben we eene gelukkige vangst,—'t gaat voortreffelijk!”
De lijnen werden ingehaald en de stukken met ham uit hun schuilhoek te voorschijn gebracht. Deze zagen er lekker uit en lieten zich heerlijk smaken.
Heer Jan schonk elk eene kan bier in, en 't bleek hun, dat Jan Slob zijn roem niet voor niets droeg, en hem ten volle waardig was.
Door de beweging, die de jagers gemaakt hadden, was het wild verschrikt opgevlogen en weggevlucht, natuurlijk onder een oorverdoovend gesnater. Marten keek ze teleurgesteld na, maar Heer Jan zei:
„Laat ze maar gaan, Marten. Zij zullen straks wel terugkomen. Na onze voorspoedige vangst kunnen wij wel weer een half uurtje geduld oefenen, zou ik meenen. Ik geloof, dat wij nu al meer hebben dan verleden jaar van den geheelen dag.”
„'k Geloof het ook,” zei Marten met een vollen mond, want hij had honger voor twee en liet het eene stuk na het andere in zijne maag verdwijnen.
„Je gezondheid schijnt weinig te wenschen over te laten,” lachte Heer Jan, die met verbazing aanzag, hoe Marten schranste.
„Dat gaat wel,” lachte Marten. „Ik voel me vrij wel!”
Zoodra het maal afgeloopen was, werd de jacht voortgezet. De vischjes werden te water geworpen, en de jagers hielden zich opnieuw doodstil.
Zoo ging de middag genoeglijk voorbij. De oogst was buitengewoon voorspoedig, en Heer Jan fluisterde Marten toe, dat hij ook eenige vogels aan Hopman Wybe Sjoerds zou zenden, om die bij zijn middagmaal te gebruiken.
„Van mij kan hij de afgekloven beentjes krijgen,” mompelde Marten. „'t Is een brutale kaerel, die geen vetten eendebout verdient.”
Eindelijk lag de bodem van het vaartuigje geheel met doode vogels bedekt, en Heer Jan meende, dat het nu tijd werd, om naar huis terug te keeren. Ook Marten had zijne bekomst van de jacht, en het zitten begon hem te vervelen. De lijnen werden dus ingehaald en opgeborgen, en Marten greep de riemen. De terugtocht werd aanvaard, en het deed den krachtigen Marten goed, weer eens een flinke lichaamsbeweging te kunnen nemen. Hij boog zich bij het roeien krachtig voor- en achterover, zoodat het bootje snel het water doorkliefde.
„Moeten wij niet eerst naar Jan Slob aan den Westzaner Overtoom, om de ledige kannen terug te brengen?” vroeg hij onder het roeien door.
„Ja,—dat is waar ook. Ik zou er waarlijk niet aan gedacht hebben. Zeker, we moeten...”
Maar plotseling bleef hij in zijne woorden steken, en Marten zag hem met wijd opengesperde oogen staren in de richting van Saardam, tot hij plotseling van zijn zitplaats opsprong, en uitriep:
„Mijn God! Marten,—kijk eens,—daar is brand ginds, wel op twee,—drie plaatsen tegelijk...”
Met uitgestrekten arm wees hij naar Saardam.
Ontsteld liet Marten de riemen rusten, en vlug stond ook hij op, om te kijken. Inderdaad,—groote rookwolken stegen omhoog op verscheidene plaatsen tegelijk. Hij werd doodsbleek, en toen hij een oogenblik naar het gelaat van Jan Gerritsz keek, zag hij, dat ook deze geen kleur meer op zijn wangen had.
„Dat is onheil!” mompelde Marten zacht. „De Spanjaarden zijn gekomen...”
„Ja,—dat is onheil,” prevelde ook Heer Jan. „'t Moeten de Spanjaarden zijn!—Dan is—dan moet Wybe Sjoerds niet teruggekeerd zijn.”
Marten zocht met zijn oogen de plaats, waar de hoeve zijner ouders gelegen was. Genadige hemel! Ook daar stegen zware rookkolommen omhoog.
De arme jongen begon te beven over al zijne leden.
„Onze hoeve staat in brand!” stamelde hij verschrikt, terwijl tranen hem in de oogen sprongen. „O, Heer Jan, wat zou er gebeurd zijn? Zie, ginds komen mannen en vrouwen aansnellen langs den dijk... O God, hoe vreeselijk!”
Hij bleef nog een oogenblik staan. Toen nam hij opeens plaats op de roeibank en greep de riemen. Met groote, krachtige slagen roeide hij naar huis. Aan de ledige kannen en den eigenaar daarvan dacht hij niet meer. Pijlsnel schoot de boot door het water. Telkens keek hij achterom naar de opstijgende rookwolken, en hoe meer hij naderde, des te sterker werd de zekerheid, dat de hoeve door de vlammen werd verteerd. En telkens krachtiger nog werden zijne riemslagen, tot zij de naderende mannen, vrouwen en kinderen hadden bereikt, die zich, velen schreiende, voortspoedden in de richting van de herberg aan den Overtoom.
Marten liet de riemen hangen en sprong op. Ha, die menschen kende hij; 't waren immers boeren en arbeiders met hunne gezinnen, die, evenals hij, aan den Zuiddijk woonden. Zie, schrik en ontsteltenis stonden hun op het gelaat te lezen, en de kinderen lieten hun luid jammergeschrei hooren, terwijl de vrouwen snikten. De mannen liepen voort met gebalde vuisten; hunne gelaatstrekken teekenden woede en wraaklust.
„Wat is er gebeurd?” riep hij de menschen toe.
„Ja, wat is er gebeurd?” riep Heer Jan Gerritsz, die eveneens opgestaan was.
„O, ben jij het, Marten?” riep een van de mannen terug. „Vreeselijk! De Spekken zijn gekomen, met schepen, en zijn aan den Zuiddijk geland, vanwaar zij roovende en brandende zijn voortgetrokken naar Saardam. O, ga daar niet heen, Marten, maar vlucht, zoo snel je kunt. Ginds wacht je de dood,—vlucht zoo schielijk mogelijk!”
Marten kromp van schrik en ontsteltenis ineen en bedekte gedurende een kort oogenblik zijn gelaat met de handen. Maar toen vermande de knaap zich. Hij bedwong zijn snikken en vroeg, maar zijne stem klonk heesch:
„En mijne ouders, Willem, mijn vader en mijne moeder?—En Anna?”
In ademlooze spanning wachtte hij het antwoord af. Zijn schrik werd nog grooter, toen de man blijkbaar met zijn antwoord weifelde.
„Maar spreek dan toch, Willem Pietersz, spreek dan toch,” riep hij uit, stampvoetend van ongeduld en spanning.
„Jullie hoeve was de eerste, die in brand gestoken is, Marten,” klonk het zacht terug. „Ik vrees, dat een groote ramp je getroffen heeft. Ga niet naar huis, maar vlucht zoo snel je kunt. De vervloekte Spanjolen ontzien niets en hebben als bare duivels huisgehouden...”
„Maar mijne ouders, Willem, zeg me dan toch, waar zij zich bevinden...”
„Arme jongen!” klonk het terug. „Ze zijn vermoord...”
Een akelige gil klonk over het water, en in vertwijfeling wrong de knaap de handen. Maar weer bedwong hij zich, en riep uit met een stem, door snikken afgebroken:
„En Anna, is ook zij—vermoord?”
„Ik heb Anna zien vluchten, het land in, in de richting van Oostzaan, en twee van die duivels achtervolgden haar. Wat er van haar geworden is, weet ik niet... Ook mijne hoeve is in vlammen opgegaan, en slechts door eene haastige vlucht hebben wij ons leven kunnen redden.—Wij bezitten niets meer, niets...”
En dreigend de vuisten opheffende naar Saardam, waar de gevloekte Spanjaarden thans den vergaarden buit verdobbelden en verbrasten, riep hij uit:
„Maar wreken zal ik mij op dat gespuis, dat mij tot den bedelstaf heeft gebracht. Ja, bloedig zal ik mij wreken!”
En de andere mannen balden evenzoo de vuisten, en starende op de vlammen en rookwolken in de verte, mompelden zij met op elkander geklemde kaken: „Wraak! Wraak!”
„Heeft men ook de Saardamsche woningen geplunderd?” vroeg Heer Jan, terwijl hij de riemen greep, want hij zag wel, dat Marten te zeer ontsteld en geschokt was, om iets te doen.
„Ik weet het niet, Heer,” was het antwoord. „'t Schijnt mij toe, dat de plundering zich tot den Zuiddijk heeft bepaald, althans verderop bespeur ik nergens brand.”
„Ik ook niet, Gode zij dank!” mompelde Heer Jan.
De vluchtelingen vervolgden hun tocht. Zij waren thans bedelaars geworden, die zelfs geen dak meer hadden, waaronder zij rusten konden. Zij trokken verder, zonder te weten waarheen.
Heer Jan wendde den steven naar de Zaan. Hij wilde zelf hoe eerder, hoe liever thuis zijn, om zoo mogelijk over de zijnen te kunnen waken, en hij verweet zich de lichtzinnigheid, waarmede hij zijn pleiziertochtje van Ruichoort had ondernomen. Met diepe deernis staarde hij zijn reisgezel aan, die thans op het achterbankje gezeten was, met de ellebogen op de knieën en het gelaat in de handen. Hij zag, hoe dikke tranen hem door de vingers rolden.
„Marten,” zei hij zacht, en hij deed zijn best om iets te bedenken, dat hem troosten kon.
„Marten!” herhaalde hij.—„Marten!”
En even later liet hij er op volgen:
„Misschien heeft Willem Pietersz het mis gehad. In zijne verbijstering kan hij zich gemakkelijk vergist hebben...”
Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en Heer Jan Gerritsz sprak niet verder. Hij vreesde zelf, dat hij den ongelukkigen knaap met eene ijdele hoop vleide.
De boot voer snel voort en had weldra de Zaan en even later de hoeve bereikt. Beiden stapten aan land. De vlammen stegen nog uit den puinhoop op en kleine rookkolommen waren nog zichtbaar. Marten betrad het erf. Geen levend wezen was daar te zien. Zelfs het vee uit het land was weggevoerd.
Hij ging verder, terwijl zijne oogen rusteloos ronddwaalden. Opeens slaakte hij een luiden kreet. Dicht bij de schuur, die door de vlammen was gespaard, lagen de lichamen van zijne ouders op den grond. Naast zijn vader lag diens vuurroer,—afgeschoten. En met zijn arm hield hij nog het lijk van Moeder Fijtje omkneld. Blijkbaar was hij gedood in den strijd om haar tegen de onverlaten te beschermen...
Marten knielde bij hen neder, en schreide jammerlijk, en ook Jan Gerritsz was bij dit vreeselijk schouwspel zijne tranen niet meester. Hij legde Marten de hand zacht op het hoofd, en zeide:
„Arme,—arme jongen.”
De jonge zwerver.
Langen tijd zat Marten als vernietigd bij de lijken van zijne ouders, van wie hij zoo innig veel gehouden had. Ach, dat hij hen nu zóó moest wedervinden! Dat hij nu nooit meer hunne vriendelijke stem hooren, nooit meer hun liefdevol oog zien zou. Thans waren zij hem ontnomen voor altoos door de wreede Spanjaarden, die hen goedsmoeds en zonder de minste noodzakelijkheid hadden vermoord.
Heer Jan Gerritsz kon het niet van zich verkrijgen den armen knaap alleen te laten, hoewel hij als op heete kolen stond, want hij brandde van verlangen om thuis te komen en te zien, hoe de zijnen het maakten. Hoe vreesde hij, dat de vijanden ook te Saardam op barbaarsche wijze hadden huisgehouden, en wellicht waren ook zijn vrouw en kinderen door hunne handen om het leven gebracht. Eindelijk, toen Marten maar steeds roerloos op dezelfde plek bleef zitten, kon hij het niet langer uithouden, en zeide:
„Marten, ik móét vertrekken, hoe graag ik ook bij je zou willen blijven. Bedenk, dat mijne vrouw en kinderen thans ook aan de grootste gevaren zijn blootgesteld en behoefte hebben aan mannelijke hulp,—als zij nog leven.—Ga met mij mede, Marten; hier kun je toch niet langer blijven. Je huis is verbrand en je ouders zijn er niet meer. Kom meê, arme jongen. Mijn huis zal jouw huis zijn...”
Marten liet hem niet uitspreken. Hij stond op, droogde zich de tranen van het gelaat, en zeide met heesche stem:
„U màg niet langer blijven, Heer Jan. Vergeef mij, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Uw plicht roept u naar uw huis en naar de uwen. Maar ik ga niet mede. Ik moet mijne ouders begraven en mijn zuster zoeken. Vergeet niet, dat zij thans niemand op de wereld meer heeft dan mij. Wij behooren voortaan bij elkander...”
„Maar de avond valt, Marten, en het wordt reeds duister. Ga met mij mede tot morgen...”
„Neen, Heer, voortaan ben ik een zwerver op Gods aardbodem, en het maakt al weinig verschil, of dat heden begint of morgen. Ga gerust heen, Heer Jan, en bekommer u niet over mij. Ik moet mijne zuster zoeken. Zij heeft mijne hulp noodig.”
Hij stak Heer Jan de hand toe, en deze nam haar aan, blijkbaar nog weifelend of hij heen mocht gaan. Maar toch voelde hij, dat hij langer niet mocht blijven.
„God bescherme u, Marten!” sprak hij ernstig. „En zoo de omstandigheden je te machtig worden,—kom dan tot mij; ik zal toonen je vriend te zijn.”
„Dank u,” zei Marten ontroerd.
Heer Jan vertrok. Eerst keek hij nog telkens om naar den verlaten knaap, maar de angst over het lot der zijnen deed hem al spoedig zijne schreden verhaasten.
Toen Marten alleen was, ging hij over tot eene droevige daad. Achter de hoeve lag een bloementuin, waarin een paar mooie, groote struikrozen bloeiden. Die rozen waren de lievelingsbloemen zijner moeder geweest. Onder die struiken dolf hij een graf.
Toen het gereed was, wachtte hij, totdat iemand de nu nog eenzamer geworden plaats voorbijging. 't Was een Saardammer, die zich in het dorp niet meer veilig achtte en een goed heenkomen zocht.
Marten riep zijne hulp in bij de droeve daad, die hij nog moest verrichten, en hoe gejaagd de man ook was, de smeekbede van den verweesden knaap durfde hij niet weigeren. Samen droegen zij de dooden in de groeve. Daarna was Marten weer alleen. 't Was nu reeds geheel avond geworden, maar heldere sterren flonkerden aan het firmament, en de maan goot haar bleek schijnsel over de aarde. Nog rookte de puinhoop.
Met een droevigen zucht begaf Marten zich op het land, waarop Anna gevlucht was, toen zij door de Spanjaarden achtervolgd werd. Hij wanhoopte echter, eenig spoor van haar te zullen vinden. De verschillende landstrooken waren door vele slooten gescheiden. Zou Anna zich daardoor hebben laten weerhouden? Hij dacht van niet, want de angst, om in de handen der vijanden te vallen, zou er haar wel doorheen gejaagd hebben. Bovendien was zij vlug en dapper, dat wist hij.
Hij vond dan ook nergens iets, dat hem eene aanwijzing kon geven, waarheen zij gevlucht was. En voor een nauwkeurig onderzoek was het te donker.
Opeens bedacht hij, dat zij wellicht eene schuilplaats gevonden kon hebben bij Kees Aartsz, een arbeider, wiens eenvoudig huisje aan den Waterlandschen dijk gelegen was. Want in die richting moest zij gevlucht zijn, als zij haar toevlucht op de landerijen had gezocht. Hij besloot zich onmiddellijk daarheen te begeven, en koos daartoe den kortsten weg, dwars door het land, zonder zich door slooten te laten weerhouden. Marten kon goed springen, en dat kwam hem nu te pas. In betrekkelijk korten tijd kwam hij bij Kees Aartsz aan.
De bewoners waren nog op, maar de deur was zorgvuldig gesloten.
Op zijn roepen klonk eene stem van binnen:
„Wie is daar?”
„Goed volk, Kees,—ik ben Marten Florisz. Doe even open.”
Dat geschiedde, en de man, die in de deuropening verscheen, zeide: „Kom binnen, Marten.”
„Neen, ik kom niet binnen. Alleen wil ik graag weten, of u mijn zuster misschien gezien heeft. Zij is het land opgevlucht voor de Spanjaarden,—en ik weet niet, waarheen zij gegaan is.”
De man keek hem met innig leedwezen aan, en de vrouw, die evenzoo aan de deur verschenen was, kreeg de tranen in de oogen, toen zij den armen jongen zag. De menschen wisten wel, wat er op de hoeve gebeurd was.
„Wij hebben Anna gezien, Marten,” sprak de man. „En zij is Godlof den Spanjaarden ontkomen. Door de breedste slooten vloog zij heen, en dat was haar geluk, want de soldaten met hunne stalen wapenrustingen durfden zich in de modderige slooten niet wagen. Zij kwam hier in de grootste ontsteltenis aan, want zij had alles gezien, wat er bij jelui gebeurd was.—Och, zij was zoo bedroefd...”
„Geen wonder, het arme meisje,” zei de vrouw schreiënd.
„Wij boden haar aan hier te blijven, maar dat durfde ze niet. Zij was zoo angstig en gejaagd, dat zij bijna niet wist, wat zij deed, en zij vreesde, dat de soldaten over den dijk zouden komen, om haar te halen...”
„Maar waar is zij nu?” vroeg Marten ongeduldig.
„Er kwamen enkele bootjes met vluchtende Saardammers hier langs, die door de Gouw wisten te ontkomen. Met een van die booten is zij medegegaan,—maar waarheen, dat weet ik niet. De menschen wisten zelf niet, waarheen het lot hen voeren zou. Vermoedelijk bevindt zij zich hier of daar te Westzaan of te Assendelft, of Beverwijk,—wie zal 't zeggen?”
„Dan weet ik nu genoeg,” sprak Marten. „Heb dank voor de hulp, die u beiden aan haar verleend hebt. Goeden nacht.”
De man kon den knaap zoo echter niet laten vertrekken. Hij wist immers, dat deze geen dak meer had, om onder te rusten. Daarom zei hij:
„Blijf vannacht hier, Marten. De nieuwe dag geeft nieuwen raad, maar vergt ook weer nieuwe kracht.”
„Dank voor uw vriendelijk aanbod, buurman,” zei Marten. „Ik kan het echter niet aannemen, want ik zal rust noch duur hebben, voor ik mijn zuster wedergevonden heb. Nog één vraag: weet u ook, waar onze hond gebleven is? Ik heb hem nergens gezien, dood of levend.”
„Hij was bij Anna, en 't is voor een groot deel aan hem te danken, dat zij ontsnapt is, want hij vloog telkens op de kerels aan. En dan hadden zij 't kwaad te verantwoorden. Maar een van de soldaten heeft hem eindelijk met de kolf van zijn vuurroer een zoo hevigen slag op den kop gegeven, dat hij bijna niet meer loopen kon. Toch volgde hij Anna nog, zoo goed en zoo kwaad, als het ging. Hij kroop bijna over den grond, toen hij hier aankwam.”
„Arme Kees!” mompelde Marten.
„Maar hij kwam langzamerhand weer op zijn verhaal,” viel de vrouw in. „Hij was half verdoofd geweest van den slag. Anna heeft hem medegenomen in de schuit.”
„Aan wie behoorde die?” vroeg Marten.
„'k Weet het niet, want ik ken weinig Saardammers, omdat ik hier nog maar zoo korten tijd woon.—Blijf hier van nacht, Marten. Je kunt haar nu toch niet zoeken. 't Wordt nacht.”
Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en na een korten groet keerde hij over den dijk terug naar de plaats, waar eenmaal de hoeve zijner ouders had gestaan.
Bij het heldere maanlicht zag hij, hoe de Spanjaarden de naaste woning, die van de familie Bleeker, hadden gespaard.
„Het verradersloon,” mompelde Marten bitter.
Blijkbaar had hij onder het loopen zijn plan gevormd, want zonder zich een oogenblik te bedenken stapte hij in zijn boot, maakte het touw los, greep de riemen, en roeide het IJ op, in de richting van den Westzaner Overtoom.
De doode vogels lagen nog op den bodem van het vaartuigje. Hij koos zijne richting naar het Westen, en hield de Noordzijde van het water. Zoodra hij de herberg van Jan Slob genaderd was, bond hij de boot vast, en trad de herberg binnen, die nog niet gesloten was. Er bevond zich geen enkele gast in de gelagkamer, en de kastelein maakte zich blijkbaar gereed, om naar bed te gaan. Hij had zijne blauwe slaapmuts ten minste al op, en was reeds half ontkleed.
„Zoo laat in den avond nog volk?” vroeg hij niet zonder eenige verbazing, terwijl hij een brandende kaars omhoog hield, ten einde te kunnen zien, wie er binnengekomen was. „Hé, dat is Marten Florisz zoowaar nog. Wel, ik dacht dat je de kannen geheel vergeten waart, en... Maar jongen, wat zie je er uit? Je bent zoo bleek als een lijk, en je handen beven. Ha, die vervloekte Spekken hebben zeker...”
„Zij hebben mijne ouders vermoord, mijne zuster op de vlucht gejaagd, en onze hoeve verbrand!” sprak Marten kortaf, en opnieuw barstte hij in tranen uit.
„Dat gespuis! Dat addergebroedsel!” riep Jan Slob uit, terwijl hij bij Marten kwam staan, die op een stoel neergevallen was en zijne tranen den vrijen loop liet. Slob legde hem de hand op het hoofd. Woorden van troost kon hij niet vinden, en daarom deed hij niet anders dan schelden op de bedrijvers van zooveel wreedheid. En ruw als hij was, vloeiden hem de vreeselijkste scheldwoorden over de lippen. Wel honderdmaal herhaalde hij: „Aan de galg moesten zij hangen,—aan de galg moesten zij hangen, de bloedhonden!”
Marten maakte eindelijk aan zijn woordenvloed een einde door hem te vragen, of hij ook iets van zijne zuster had gemerkt, en misschien ook wist, waarheen zij zich begeven had.
„Niets van gezien, Marten,—heelemaal niets. Alleen weet ik, dat er nog verscheidene vluchtelingen hier gepasseerd zijn, die zich misschien naar Beverwijk of Alkmaar begeven hebben. En velen heb ik ook naar Westzaan zien vluchten, misschien omdat zij daar familie hadden. Wie weet, is Anna daar ook niet bij geweest. Het is ook mogelijk, dat zij den wijk naar Haarlem heeft genomen. Ik moet ronduit zeggen, dat ik er niets van weet. Maar wèl weet ik, dat de eerste Spanjaard, die in mijne handen valt, er vreeselijk voor boeten zal. „Oog om oog en tand om tand,” zoo zal het voortaan wezen.”
„Ja,” zei Marten somber en binnensmonds, „oog om oog en tand om tand. Mijn arm zal voortaan gewijd zijn aan den Prins.”
„Flink zoo, mijn jongen! Je bent sterk genoeg, om mede te strijden voor de vrijheid van het vaderland. Weg met de Spanjolen! Wij moeten niet rusten, voordat de laatste Spek over de grenzen is gejaagd. Wij hebben nù gezien, wat wij van hen te wachten hebben. O, ik vreesde het al, zoodra ik hunne schepen het IJ zag oversteken. Naar ik gehoord heb, is Admiraal Bossu zelf aan boord geweest en was het op zijn bevel, dat zijne krijgslieden aan den Zuiddijk werden ontscheept. Plunderende zijn zij tot den Dam toe verder getrokken, en dat zij onbarmhartig hebben huisgehouden ... maar daarover behoef ik tegen jou niet te spreken. Die beulen! Aan de galg moeten zij, tot den laatsten man toe! Maar zeg mij nu, Marten, wat is je plan? Waarheen denk je je te begeven?”
„Ik weet het niet, Jan Slob, ik weet het niet. Natuurlijk ga ik mijne zuster zoeken, want zij heeft nu niets meer op de wereld, dan mij. Wist ik maar, waarheen zij zich gewend heeft...”
„Daar kun-je morgen over nadenken, mijn jongen,” hernam de waard goedig. „Je brengt den nacht hier door, dat spreekt van zelf, en morgen zullen wij verder zien...”
„Maar ik moet Anna zoeken,” sprak Marten, die van droefheid en vermoeienis bijna te uitgeput was om te denken.
„Natuurlijk,” zei Slob, die wel opmerkte, hoe afgetobd de knaap zich gevoelde. „Morgen ga je zoeken, overal in den omtrek,—maar nu blijf je hier; kom mede, op den zolder heb ik een lekkere slaapplaats gereed, waarvan al menigeen gebruik heeft gemaakt, die voor de Spekken vluchten moest. Ik laat je thans niet verder trekken, Marten, al zou ik je met geweld hier moeten houden.”
Dat was trouwens niet noodig, want Marten gevoelde zeer goed, dat hij behoefte had aan rust, en verzette zich niet tegen het gulle aanbod van den waard. Zwijgend volgde hij hem eene trap op naar boven. Daar was een bedstede getimmerd, waarop een zacht bed gereed lag.
„Wil je eerst niet wat eten?” vroeg Slob plotseling. „Domoor, die ik ben, om daar niet eerder aan te denken. 't Is zeker al lang geleden, dat je wat gebruikt hebt.”
Marten bedankte echter; hij had in 't geheel geen eetlust.
Gelukkig viel hij spoedig in slaap, tot groote blijdschap van Jan Slob, die beneden nog een half uurtje gewacht had, om nog eens naar hem te kunnen zien, voor ook hij zich ter ruste begaf.
Wel werd Martens slaap dikwijls verontrust door benauwde droomen, vooral in den voornacht, maar later werd hij rustiger en kalmer. Zijne ademhaling werd minder gejaagd, en hij sprak niet meer in zijn slaap.
Hij werd den volgenden morgen zelfs veel later wakker dan gewoonlijk, en Jan Slob liet hem rustig liggen. 't Was al bijna acht uur, eer hij ontwaakte, maar toen voelde hij zich ook verkwikt en versterkt. Hij stond op en begaf zich naar beneden. Slob en zijne vrouw bevonden zich in de gelagkamer, en zij reikten Marten hartelijk de hand. Toen hij zich frisch gewasschen en daarna verder gekleed had, nam hij plaats aan de eenvoudige ontbijttafel, waar een flinke boterham met kaas voor hem gereed stond.
„Komaan, voorgezet is voorgediend, moet je maar denken,” sprak vrouw Marye, „en 't is je van harte gegund.”
„Wat is nu je plan, Marten? Heb je al nagedacht over hetgeen je te doen staat?” vroeg de waard. En hij liet er hartelijk op volgen: „Je moet me goed begrijpen, Marten; ik bedoel met deze vraag volstrekt niet, dat je ons hier te veel bent, en dat we je hoe eerder hoe liever weg willen sturen. Volstrekt niet, hoor. Al wou je hier je anker voor goed neerleggen, wij zouden er niets tegen hebben en het zelfs wel aangenaam vinden, want wij kunnen een jongen met een paar stevige armen aan het lijf best gebruiken. Maar wij begrijpen zelf zeer goed, dat je hier rust noch duur zoudt hebben, voor je Anna wedergevonden hebt...”
„Dat is ook zoo, al ben ik u uiterst dankbaar voor uw vriendelijk aanbod,” viel Marten in. „Mijn plan is, eerst naar Westzaan te gaan. 't Zou best mogelijk kunnen zijn, dat Anna daar eene toevlucht heeft gezocht. Wij hebben er nog een neef wonen, weet u...”
„Een neef op Westzaan? Wie is dat dan?”
„Govert 't Hoen,—u kent hem ongetwijfeld wel.”
„Govert 't Hoen,—of 't Oude Hoen, zooals hij gewoonlijk genoemd wordt. Zou ik dien niet kennen?” lachte de waard met een knipoogje. „Wel jongen, 't is een van mijne beste vrienden, en een dappere kaerel bovendien. Als er één is, die een hekel heeft aan de Spekken, dan is hij het! Welzoo, is 't Oude Hoen een neef van je?”
„Een verre neef eigenlijk, Slob, maar hij kwam nog wel eens bij ons op de hoeve...”
„Nu, dan heb je groot gelijk, je 't allereerst naar hem te begeven. 't Is een verstandig man,—een man, voor wien ik het meeste respect heb, en 't zou inderdaad niet onmogelijk wezen, dat Anna naar hem gevlucht was.—Zeker, best mogelijk, en al is dat niet het geval, dan zal hij je toch ten beste raden. Ik geloof, dat het een heel wijs besluit van je is, en ik mag er je niet van terughouden.—Ik heb gezien, dat je schuitje bij mij aan den steiger ligt. Ik zal met je meêgaan tot aan den Overtoom, om het over den dijk te brengen.”
Marten stond op en nam afscheid van zijne gastvrouw, wie hij zijn hartelijken dank betuigde. Maar daar wilde zij niet van hooren en zij deed hem tot aan de deur uitgeleide. Slob en hij brachten het schuitje naar den Overtoom en wonden het met vereende kracht over den dijk in de Westzaner Gouw. En weldra was Marten weer alleen.
Hij roeide met krachtige slagen voort, want de ongerustheid over het lot van Anna dreef hem tot spoed. Zij waren hun geheele leven niet alleen broer en zuster geweest, maar ook trouwe vrienden, die innig veel van elkander hielden. En nooit had hij dit sterker gevoeld dan thans, nu zij hunne ouders verloren hadden en niets ter wereld meer bezaten dan elkander. Zij verschilden maar een goed jaar in leeftijd en waren samen opgegroeid. Samen hadden zij gespeeld, samen schoolgegaan, samen lief en leed gedeeld. Eerst was Anna in zijn oog altijd de groote zuster geweest, omdat zij de oudere was, maar dat verschil was allengs weggevallen en eindelijk was hij de grootere en sterkere geworden, die zijne zuster soms beschermen moest tegen baldadigheden van andere jongens, als zij haar plagen wilden. Zoo waren langzamerhand de rollen omgekeerd en was hij het geweest, bij wien zij hulp en steun zocht. O, hij voelde het: daaraan had zij thans dubbel behoefte. Als eene arme wees zwierf zij nu in den vreemde rond en zag ongetwijfeld reikhalzend uit naar haar broeder, den eenigen, dien zij op de wereld bezat.
Deze en dergelijke gedachten gingen hem door het hoofd, terwijl hij met regelmatigen slag doorroeide naar Westzaan. Af en toe keek hij even om naar den toren van de kerk, om te zien hoe groot de afstand was, die hem nog van het dorp scheidde. Eindelijk had hij het doel van zijn tocht bereikt en was hij de hoeve van zijn neef Govert 't Hoen genaderd. Hij legde het bootje vast en stapte aan wal. Weldra trad hij de woning binnen, die hem welbekend was, want hij was er meermalen geweest, soms wel in gezelschap van zijne ouders en van Anna. Bij de gedachte daaraan ontsnapte hem een diepe zucht. Helaas, die gelukkige dagen zouden nooit terugkomen....
Hij opende de kamerdeur en trad binnen.