En hij wist te verhalen, en hij deed het graag, van dichtbij geziene bacchanalen, van menschen in troepen en 't keurslijf uit. Dan leefde hij op, dan begon hij te stappen en met zijn armen te doen; met een ruk had hij zijn pet schuin gezet, en met grooter oogen kijkend naar mij om, riep hij, „kijkt u, zóo!” Hoe hij ging in den roodwalmenden kermisnacht, in de bolle opwinding van muziek overal vandaan, in het vette gegeur van goedkoop oliegebak, overal in de lucht, een lollenden menschentroep vooruit; bezetenen van vrijheid en jenever als hij, die op zijn harmonica zagend, in de ruimte zijn hoog heesche jongensstem voor zich uitstuurde, zingende: „Och meissie, wà bè je lief en skoon.” En dan zag ik hem weêr, dan sprong en rees er uit zijn afgestompten jeneverkop, uit zijn winterdofheid, zijn loutere jonkheid op, soms als een straal spattend uit een aangeslagen vuursteen, soms tot een breedheid van vlammende verbeelding gaande om hem, komend voor het geslobber uit van zijn luien gang; en er was iets heel ongewoons, iets heel frischs in zijn vuile stem, als hij dan neêrviel op zijn stoeltje en zijn groot verlangen naar den ruimen zomer uitzuchtte: „'k wou dat 't maar weêr voorjaar was.”
Maar als hij, zooals nu, aan 't vertellen sloeg van zijn gezwerf, van zijn nachtbraken en van zijn gauwdievenhistories uit de stad, dan schoof er vaak tusschen hem en zijn naar diefstal en jenever ruikende vertelling, plotseling als een staak uit den grond, zijn groote angst voor de politie; dan bleef hij in de war gebracht staan, stom, met nog pratenden mond, alsof een vuist hem had gegrepen van achteren in den nek, en hij zweeg, zweeg, begon nog eens stotterend, maar sloeg dan aan 't liegen dat hij 't zelve geloofde.
Och, liegen, dat wist hij niet wat het was, hij loog uit gewoonte en uit lust om te liegen; als een artist te midden van zijn materie, stond hij vaak midden in zijn jokkerijen. Dan verstrikte hij in zijn eigen verzinsels, en eer het verhaal gedaan was had hij zich wel tienmaal versproken. Deed ik dan maar, en dat was voor het werken het verstandigste, of ik alles geloofde, dan voelde hij dat niet, sloeg door, almaar meer meêgesleept door zijn fantasieën. Maar soms gebeurde het dat ik het kriebelen van den lust niet weêrstaan kon en hem zei hoe hij loog, dan werd hij kort en norsch, of wel lachte me driest in 't gezicht uit; of zooals meestal, hij maakte zich sentimenteel, lei het hoofd op zij, begon te klagen, schijnheilige woorden, fraseerend zoo zijn grootste leugen, de leugen van zijn bestaan, de leugen die hij met de moedermelk had ingezogen en de leugen van zijn gansche ras en soort: „och een mensch mot al wat doen om zijn broodje te verdiénen; wat zegt ù nou?”
Het rusten had nu lang genoeg geduurd en ik zei:
—„Wil je?”
—„Ja, menheer,” maar hij bleef zitten.
—„Neen, ga nu staan. Als je 't goed doet krijg je een sigaar.”
—„Hè, twee, dan heb ik er van avond ook nog een.”
—„Twee.”
—„Ik geloof dat er maar weinig jongens zijn die 't bij u zoo goed hebben als ik.”
—„Kom, ga nu maar staan.”
—„U bent een goeie menheer.”
Hij hielp zich op, schokkend in een korten, als een plotselinge hoeststoot, hortenden lach, kwam heelemaal overeind en slobberde in alle vadsigheid vooruit.
En het werken werd hervat onder het luide gegeeuw van den jongen, die met een wijd kakengegaap omdraaide op zijn plaats en me toen kijken liet in zijn open mond met wreede, stompe tanden; als een apenbek, bleek-rood van binnen, klepte de holte toe.
—„Allemaal lust.”
Na het geworstel kwam al gauw het krachten slopende geploeter, om het leven te geven, het leven dat alleen leven voortbrengen zal. En het gewerk bezat me weêr, dat alleén maar mijne groote behoefte voldoen kan naar dadengeleef.
—„Kijk, kijk ze wil er af. Kan je wel, poes?” spotte de jongen. „Wil ik je een gatje geven?”
De kat was opgekomen en probeerde voorzichtig te dalen van het kussen, 't lijf stijf voorover geheld, den staart slap achter haar aan; zei haar instinkt haar dat ze er morgen niet meer zou kunnen afkomen? Ze aarzelde, tastte met de pootjes onder zich en liet zich eindelijk zoo gaan. De nagels haakten en krasten weêrstrevend langs 't afgezak van 't stoelkussen; maar ze viel zacht op den vloer, zonder geluid begon ze dadelijk te stappen, maar niet wankelend, de pootjes nog klauwend aan den grond.
En als een slaapwandelaar die niet ziet of hoort, maar recht voor zich uit gaat in de zekerheid van zijn droomen-visioenen, ging ze, op den grond bewegend, onder mijn hooge oogen voorbij, tusschen den jongen en mij door, den ezel langs, recht naar de deur.
—„Ze wil er uit,” zei hij.
—„Neen, ze zoekt de frischte.”
Ze was al bij de deur. Daar stonden twee schilderijkisten als armelui's doodkisten, wit houten plankenbakken, ruw en ongeschaafd. Ze stonden schuin geheld tegen den wand daar, met de losse deksels, geleund voor elkaâr. En zij schoof de donkere sleuf in, in de gaping er tusschen, de staart stak er nog uit, doch ook die verdween. Maar even daarna kwam haar kopje weêr schemeren, ze had zich omgedraaid, zooals een kat dat doet in zijn nest.
—„Laat haar maar met rust,” zei ik tot den jongen.
—„God ja, 't is wat een lief beest; 't is toch jammer.”
Ik zette een schoteltje water voor de kisten-opening, zieken zijn dorstig,—maar toen weêr aan 't werken, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.
Buiten voor het raam was de sneeuw aan 't dwarreldansen begonnen, in een schuin-gekruis, in een opgezweef en neêrgewemel van witte vlokken, en een bleek geschemer kwam schaduw sproeien in de ruimte van den zolder, sluierend het raam, als een scherm van dun gaasdoek dat doet voor de lichtschuwe oogen van een doodzieke.
Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen schouwende oogen die stom in zich zelve leden.
Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar geschud, en gemeend had ze: het zouen misschien de tanden zijn, daar gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend nu boven haar klein gestap, en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen de kisten, koppig saâmgehurkt in haar sterf hoek, norsch gesloten in al haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in den toorn om zijn lijden gesloten loopt.
En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meêneemt en de voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft. 't Was een Zondag, de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad lang gaan, rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand. En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar gerel; het kwam, zuiver klepelgeklank in de ruimte leêg van geluiden, als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land, wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.
En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte daken, doodsbaren onder witte lakens.
Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.
Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het dooiwater lekte en rikketikte om mijn huis watergestraal en gesijpel klutsten kuiltjes in de sopperige brij van sneeuw en modder, en groeven de voegen tusschen de gele straatklinkers uit. En er was binnen een gezuig en gezucht van ontlatende kou, en op het dak en uit de boomen in den tuin was 't een voorjaarsleven alsof er veel katten leefden; maar met plomp geruisch, met den gedoofden slag van schoppen aarde op een kist, vielen de plakken sneeuw langs de pannen op de aarde neêr. En er was een lucht van ontbinding en overgang overal, de lauwe geuren van wegterend wintermooi, lucht van dooiwater en van rottend ijs en van sneeuw die vergaat. Nattig ook kwam het licht treuren naar binnen, blauwend als een waas om gebroken oogen, zóó de ruimte nemend voor haar week geschijn.
Nog leefde de poes; ze zat klein maar vast in haar hoek gehurkt, tusschen de kisten zonder een geluidje van lijden, den kop laag, de oogen in een booze doodstrakte, boven het schaaltje met gesmolten sneeuw.
't Was wel al twaalf uur toen de jongen schelde. 't Leven uitsnaterend kwam hij binnen, hij had niet vroeger kunnen komen, hij had zich moeten aangeven voor de militie. 't Dooiwater droop uit de rafels van zijn broekspijpen bij elken tred dien hij hooger klom achter me op de trap; hij droeg de modder neêr van zijn gedool door de slijkstraten, overal waar hij zijn slofvoeten schoof. Hij slobberde heelemaal naar binnen, als altijd met de handen in zijn zakken, duwde de deur met een achteromstoot van zijn elleboog dicht en schreeuwde toen dadelijk, mij bij de kisten ziende:
—„Heere Jezus, ze leeft nog; nou hoor, da's een taaie.”
Zijn blondkop slingerde op zijn schouders, hij droeg daarop een nieuwe pet, schuin, losjes op het rechteroor; 't was een blauwe zeemanspet met recht glimmende klep, met een glad gelakt stormriempje aan twee koperen knoopjes, waarin geel-glimmende ankertjes blonken. Ook zijn das was nieuw en niet als een touw meer om zijn hals gedraaid, maar met zorg behaagziek gevouwen en dan met een loopenden matrozenknoop onder het strottenhoofd dicht gehaald.
Dadelijk was hij thuis en neêrgevallen op zijn stoeltje.
—„Waar is je pet?”
—„Hier.”
Als een oud vel en dichtgevouwen in vieren kwam het ding zijn zak uit.
„'k Heb hard geloopen,” begon hij te liegen met een hik, „want 't was al laat; we hebben veel lol gehad, we waren wel met zijn twintigen jongens.... he.... maar die heeren die hebben altijd de tijd, ze hebben me lang laten wachten, wel.... wel.... drie uren. Ze mosten me opzoeken in de boeken, wanneer ik geboren was, ziet u. Nou weet ik 't meteen.... mijn ouwe vrouw wou 't nooit zeggen, dan hoeft ze niet te trakteeren als 'k jarig ben, ziet u.... maar nou weet 'kt.... den zeuvenentwintigste Mei van het jaar een en zeuventig.... Weet u nou hoe oud of ik ben?.... Nee?.... achttien.... de heeren hebben 't gezegd, van 't jaar één en zeuventig.... een mooie leeftijd.... as 't m'n ouwe maar wou, dan ging ik naar zee, naar den Oost.... maar 'k ben al twee keer teruggehaald.... m'n moeder geeft 't telkens an.... één keer was ik in Harderwijk. Je kan teugenswoordigs niks meer doen, wat zeg ú nou.... maar ik word toch afgekeurd, ik heb een springaar in mijn oog, hier in mijn rechter.... een springaar”....
Dat beloofde wat. Het geslenter van den ochtend, het de-held-zijn van een troep wilde jongens, allen dapper omdat ze zich hadden aangegeven voor den soldatendienst, het schetteren onder elkaâr over oost en zee en mooie kleêren, het getrakteer, het telkens er nog ééntje pakken, het luidruchtig geboemel van jeneverkroeg naar jeneverkroeg, had hem losgemaakt in het geontdooi van den winter en het leven in hem wakker gegeeseld.
En hij was dien middag onwederstaanbaar. Gelijk het bruis op de lippen van een bezetene borrelde het leven over zijn lippen: het spoog uit zijn oogen, het schuimde in zijn mond, het leefde uit zijn losgeraakte armen en beenen; met zijn handen, niet lui meer, begeleidde hij in de lucht zijn vaag gevisionneer. En in het opgeblazen durven, in het zelfgevoel van zijn dapperheid was hij aan 't tabakspruimen begonnen.... „een man mot kenne pruimen wat zegt ú nou, ja.... want wie geen slokkie lust.... dat 's geen kerel.”.... En hij stond half te kauwen of dan weêr de heete pruim in zijn mond heen en weêr te gooien; er kwam een klein vies optrekken van het wangenvleesch om de neusvleugels, de mond viel een beetje open, want 't overvloedige sap kwelde hem en kwijlde zijn mond vol. Dan liep hij van zijn plaats, in 't fatsoensbegrip van bij een heer niet op de planken te mogen kwalsteren en hij spoot het tusschen zijn scherpe tanden door sissend in den kachelbak, of wel, dikwijls als hij niet durfde wegloopen van zijn plaats, slokte hij met een weêrstrevend gewring van zijn heele keel het bittere sap naar onder.
Zoo ging de middag voorbij, van werken geen sprake; telkens bovendien liep ik even kijken naar de kisten, in de spanning van het wachten op haar sterven. Zijn luidruchtigheid ging heel veel over mijn hoofd heen, ik was met mijn gedachten niet bij hem.
Dus deed hij wat ie wilde; met zijn wildebeesteninstinkt voelde hij dat hij de baas was; de enkele malen dat ik hem verbood, lachte hij slim of hield zich sentimenteel; maar dan rommelde op den zolder weêr zijn genot rond en zijn luidruchtige pretstem kletste voort; hij rakelde al zijn kennis en kunstjes bij elkaâr, opsnoevend tegen zich zelven bedacht hij nieuwe dingen, om mijn aandacht te hebben, om het werken, het stilstaan te ontkomen.
Hij keerde een brandend stompje sigaar met zijn lippen in den mond om en rookte met het vuur naar binnen, en flapte het dan weêr zijn natte lippen uit, en trok en haalde met hol ingezuig van zijn elastieke wangen het natte en half uitgedoofde eindje weêr in rooden brand. Hij beet een cent door midden, het koper knauwend en wringend tusschen de klem van zijn wreede tanden. Hij maalde een stuk kool uit de kachel fijn, knersend liep het zwarte sap zijn mondhoeken uit. O.... maar hij kon nog wel wat anders.... Hij begon omgekeerd over den zolder te loopen, zijn handen met gesloten vingers als van een aap, plat op den grond, de beenen knieknikkend in de hoogte spartelend, het vuile jasje als een jak afhangend om zijn kop en handen. En daarna nam hij een stuk papier „pampier, genogt” en vouwde het in wel vijftig repen, langzaam, geduldig, als was het een gewichtig iets, precies, en begon toen: „kijkt u” er meê te draaien en te wringen, het uit te klappen en dicht te slaan, het te rimpelen en te plooien tot allerlei figuren als een volleerd goochelaar. Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon: „Dat is voor 't eerst, Heeren en Dames, een kleine hand-harmonica,” lijmde en zong zijn kermisstem als stond hij midden op de markt onder een hoop kijkers, of voor een deftig huis met veel kinderen om zich in een wijde straat. Figuur na figuur kwam en wrong hij van 't papier, dingen met stompe gelijkenis aan de dingen die zij verbeelden moesten. „Dàt is een tràp om meê naar bóven toe te gaan; kijk nou draait ie, dat is een kerkraam.... en dàt een kokarde die de heeren postiljons op de hoeden dragen en dat een ster voor kòningen en kèizers. Dat is een zonnewaaier om te verkoelen.... en dat een époulet die de heeren officieren op de schòuders dragen.... Dat is een klein schilderhuisje en dat een wijnglas waar de heeren graag sjampànje uit drinken.... en dat een kánapee en dat een voetenbankje en dat een kinderenwieg, Suja.... Suja....”
Het stijve papier ratelde tusschen zijn vingers, frommelend en friemelend en knijpend en rekkend: „ziet u, 't pampier is te stijf, 't mot olifant wezen”.... ontwikkelde hij met veel armgewerk en vingergeschik, het gevirtuoos een beetje ontwend, zijn reeks van papieren gelijkenissen. En hij liet de gewrichtjes der vingers knakken en kraken, als hij met een slag, een hokus-pokus-slag, het eene figuur uit het andere haalde, tot het vermaak der menschen die hij denkbeeldig om zich had. Het lesje liep af.... de letter K kwam, een Spaansche halskraag werd een preekstoel met een trap er aan.... en toen de raderen van een stoomboot die door het water vaart.... „Dat is een priëel,” zong hij.... „en dat het mussie dat mijn zalige grootmoeder droeg, is ze niet zàlig dan is ze ten minste gelukkig uit de vòeten.... en dat is een spùugbakkie.... en dat een kuipersschaaf.... en dat een koetslantaren.... en dat, Dames en Heeren, is een Engelsch zoutvat en als je nou allemaal wat geeft dan heb ik óók wat.”
Het gestrookte en beduimelde papier, grauw geworden onder het geknoei van zijn morsige vingers, had den vorm nu van twee lompe bekervaatjes met de punten vast aan elkaâr. In de kneep in 't midden hield hij de gelijkenis bijeengevat tusschen duim en vinger. Hij stak het bakje bedelend vooruit, nam met de andere hand zijn bontpet nederig af, hem van boven vattend aan den bol, als een pleister trok hij het ding van zijn kop en ging toen rond.
—„Nee, 't was maar gekheid, ziet u,” zei hij even bedremmeld.... „maar ziet u, u weet nou wel veel... maar ik ken ook een heele boel.... Och, mijnheertje lief, ik kan nog wel wat anders doen.... en ziet u, u hebt nou wel veul gezien van uw leven misschien, maar dat hebt u nog nooit gezien... geef u me nou eris een slok petroleum.”
—„Wat?”
Maar eer ik het beletten kon, had hij de oliekan van zijn plaats getild en ontstopt.
—„Och nee, geeft u me nou maar es een lucifertje. Nee, wees maar niet bang, 'k zal geen kwaad doen. Zet u de deur maar even open.... Toe, geef nou hier.... och bè je belazerd, 't is wat mooi.”
En toen zette hij de kan aan zijn mond en zoop met de lippen tot een tuit gehold een forschen slok van het vieze vocht. Zijne oogen lachten triomfantelijk boven zijn vetten mond, hij draaide met het gezicht naar de deur, vervolgens streek hij de lucifer aan. En langzaam, en nogmaals omkijkend, ging zijn arm met het brandende stokje tot vlak boven zijn kin, en toen spoot hij in eens, met een blaas van zijn wangen, met een klein voorover- en teruggeruk in de schouders, de olie met de lippen poederend, het stille geel en blauwe houtvlammetje in.
En als een garf van fijn vuur vloog er een roode vonkenvlam, een meer dan een meter lange pluim van vlammend gesprankel voor zijn mond uit. 't Was alsof het leven vuurlaaiend braken kwam uit zijn strot; met schrik om het hart, met kloppende keel stond ik het aan te staren. 'k Zag zijn wild dartele oogen blikkeren van genot, witlichten in het vuurleven boven den bundel van poederend vonkengoud. Hij kneep de lippen dicht alsof hij de vlam afbeet, ze was uit; ik hoorde het als ver lachen spoelen in zijn vollen mond, maar om hem was het een oogenblik donker.
Maar alweêr een sproeisel van laaiend licht, een schoof licht; een gulp van zijn heeten adem geleek het in brand gevlogen, zijn beestennatuur ontploft als een vuurpijl, uitsissend uit zijn kokende binnenste.
Had ik me vergist? Had ik onder de vonkenkolom dóor mijn poes niet zien schuiven uit haar sterfhoek? Had ik niet een klein donker geslinger gezien naar het open buiten? Maar de jongen bleef vlammen spuwen, zij vlogen en stoven de deur uit, want met een laatste inspanning van zijn longen en wangen spoot hij zijn bek leêg. In vonkengewervel, in kort gebrok van roode vlammetjes, flakkerend als vurige vlinders in het poeder van stuivende lichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door het gat tot in het kleine portaal.
En toen.... een gesmoord klots, klots, een dof bonkend gecadanseer van een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een trap, kwam stommelend naar binnen.
.... Doodsvlammen, doodsvlammen....
Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach, een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in zijn dol plezier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach, bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een triomf-blazende trompet.
—„O, o!” proestte hij. „O, God, o, Jezus, kijk nou, menheertje, ze wier levend, maar nou is z' er geweest. O, kijk toch, kijk”....
En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.
En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik weêr nu hoe ellendig klein en mager dat ze was.
En langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar op van het vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam over haar en mij, daar waar hij hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van heetschokkende ademstooten.
—„Ga maar weg, Louis,” zei ik, toen hij beneden was, „hier is je geld.”
—„Mot ik morgen weêrom komme, menheer?” vroeg hij, uit zijn nat gezicht nog lachend.
—„Nee.”
—„Overmorgen?”
—„Nee.”
—„Niet? Dan zal u me wel weêr kommen halen.”
Hij draafde weg, met het geld rammelend. In de verte van het pad hoorde ik hem nog aangaan tegen de kinderen met zijn luidruchtige jongensstem; maar in huis was het opnieuw stil.
En toen heb ik haar gedragen naar boven, en stil heb ik een laken genomen, een schoon linnen van mijn bed, en ik heb dat zorgvuldig gespreid, glad over het mousselien van het stoelkussen.
En zooals ze was in de strakke strekking van haar dood-zijn, heb ik haar nedergelegd, den staart hoog in de blanke plooien.
En op mijn veldstoeltje heb ik mij over haar gezet toen, en ik ben haar aan gaan zitten kijken zoo ze daar lag, wel wat weggezakt in het kussen, maar niet zoo klein meer als straks, zóo ze daar lag, mij aankijkend met het oog open en vol verwijt, uit het witte getreur van het armelui's lijkenlinnen.
Toen al het eetgerij van de tafel weg was, ging ze de stoelen één voor één zetten tegen den witten kalkmuur, de zaal was toch al niet groot, mopperde zij; ze wilde alles zelve beredderen, ze had het heel druk met haar zware spierronde armen die van onder uit haar opgestroopte mouwen puilden, rood en vol van bloed. En als ze aandribbelde en een oogenblik staan bleef onder den lichtkring der lamp, dan kwam haar welgedaan gezicht stralen en glimmen als was het besmeurd door de pomade die glansde op haar kapsel; jong zwart haar nog, sierlijk geplakt om haar voorhoofd en om haar slapen, in een reeks van kleine krulletjes, 's morgens zoo éen voor éen gemaakt met al de ijdele zorgvuldigheid die Spaansche vrouwen geven aan haar knutseligen haartooi. Dan was haar wangengezicht licht, een beetje gehit door de haastigheid, en daarin doesde een klein rond neusje lodderig weg, tusschen een paar prikkelende oogjes die er steenkoolzwart uit boorden en boven een breed bloeienden mond, een paar slurpende lippen, omgeschulpt in hun geplooi, krullend tot twee donkere groefjes naar de hoeken, vaag onder het donsje van een teêr knapenkneveltje.
Doch in haar kissebissige haast drentelde ze gauw weêr rond en snauwde ze tegen haar dochter Consuela die haar opgejaagd en verward in de voeten liep; van alle kanten te gelijk kwebde haar mond en zwermden en zwatelden haar hooge woorden; ze schold de oude dienstmeid die werkeloos stond te schemeren in het donker van de gangdeur, voor animala56), maar de meid bleef staan, de handen onder het blauwe keukenschort, eventjes geniepig lachend om haar dunne, ingevallen lippen.
En al maar pruttelend had de senora toen de zware pootige mesa57) dichtgeklapt, haar met een til naar achterover aangepakt en in haar armgespan genomen, het houten gevaarte tegen haar geweldigen buik opgebeurd, en zoo, met den bobbel op het tafelblad en de handen er stevig omgekromd, zeulde zij voetje voor voetje vooruit, stenend boven haar buik, schommelend met de tafel waarvan de vracht een donkeren spierslinger trok onder in haar arm. De tafel plompte neêr met een harden bonk, en de senora, doodaf, viel als een zwaar pak neêrgesmeten op den stoel die 't dichtst bij was.
Consuela stond met de lamp in de hand niet wetend wat te doen. 't Licht door de wit-steenen lampekap omlaag gestuurd, viel op de onderhelft van haar bakvischachtig meisjesgezicht, liet de oogen in schaduw, maar gleed afstroomend langs den sluiken rok van haar daagsch japonnetje. Doch de moeder schreeuwde haar toe de lamp op het buffet te zetten. Por Dios, ze kon daar toch niet eeuwig als een kerkkandelaar blijven staan; er moest nog zooveel gedaan worden. Zij was alweêr overeind; de brasero58) moest nog weg; was 't niet al warm genoeg na al dat eten. En met hetzelfde aangepak van haar machtige armen bukte ze naar den vloer, ze beurde den wichtigen houten ring met koperen bak vol gloênde asch den grond af en dribbelde er meê vooruit en gaf aan de kat, die er zich bij te koesteren zat, een schopje met haar zwart-gepantoffelden voet; schrikspringend en met den staart in de lucht, hoepte het beestje voor zijn sjouwende en blazende meesteres de gangdeur uit en de keuken in.
De senora bleef toen in de keuken, de comedor was in orde. De matte stoelen, alle vóor aan de zittingen vochtig donker geworden van het veel bezeten zijn en glimmend door het lange gerij der beenen, stonden langs de muren gedrongen, stijf, sportig en leêg, zielloos de gasten wachtend. Op het buffet, hoog zooals Consuela haar gezet had, in den hoek 't dichtst bij de deur, stond de lamp groengoud schitterend op het oude brons der fijn gefigureerde oliepeer; eenzaam brandde de vlam boven het stortbad van haar eigen licht. En 't was er omheen op de buffetplanken en waterglazen een stil en innig geglans, beweêrlicht door het snel opgeflikker der karaffen en waterglazen, die ondersteboven gekeerd om het stof, de planken vulden met het waterachtig donker van hun glaslichamen.
Aan den anderen kant doesde de lichtcirkel der lamp over het deurgat heen tot in de gang en daar verschemerend, kwam dan terugkrommend op de eerste stoelen, maar liet het groote kale veld van den witten kalkmuur in de dun uitgespreide schaduw van het goudene lampgeschijn. Zoo was de comedor weggevaagd achter het weinige licht. In een hoek tegenover het buffet aan den wand geschoven, schuilde de tafel, en daar stonden nog meer stoelen onder de geluikte ramen, die overdag uitzicht gaven in het patio59); twee schuine ijzeren bouten kruisten daar den wand, de luiken klemmend in het binnenzicht der kozijnen. De meid was even naar binnen komen sloffen; ze zette een karaf met glazen op een rood gelakt presenteerblad klaar op de tafel en slofte toen weêr heen, de handen dadelijk onder de schort. En in den wachtenden comedor was daar de klok het eenige levende ding, zooals zij zwart midden op den muur haar slinger heen en weêr stuurde, die dof-gloeiend glansde in zijn eeuwig gaan.
Van uit de keuken kwam in een wadem van warm water en lauwe etens-geuren, een door-elkander-slaan van vrouwenstemmen, tegen elkaâr oppratend, een holderdebolderachtig gekijf, verbrijzeld door het geklikklak van steen slaande tegen steen, kwaad bewogen borden in een vaatwerk, het onverschillig gedoe der meid die almaar krieuwende met de senora en Consuela, den etensboel wegwaschte. Dan klepten er deuren in de gang, voeten stapten er, en stemmen zeiën: „buen paseo, buenas noches.”60) Twee mannen gingen het deurgat voorbij, een er van pakte het licht op den witten handboord van zijn bewegenden arm. Ze bleven wat lachen in de keuken, kwamen weêr terug, zacht met elkaar pratend. En even daarna kwam de stem der padrona hun weggaan nagalmen: „Non llegad esta noche tanto tarde, caballeros, vienen muchas gentes.”61) Een jongensstem met den baard nog in zijn keel praatlachte wat terug; toen kwam de witgejakte padrona voor het deurgat staan; ze had de armen opgestoken als een wanhopende en almaar lachend riep ze: „Si, si.... o, estos perfidos muchachos, o. o.. o... o!”62) Ze deed een paar stappen vooruit om beter verstaan te worden: „Si... si.... mujures tambien, puedo asegurar a Ustedes!”...63) „Si.. si!” herhaalde ze met de hand als een roeper aan den mond. „Volved pronto Senor Juan y Frasquetito”64) toen met een: „Toma!”65) smeet ze haar laatste woorden hun achterna: „Carmela va bailar!”...66)
Laat in den avond kwam Frasquetito binnenstappen in het gebabbel dat uit de open deur van den schemerenden comedor feestelijk hem te gemoet kwam. De lamp was voor mogelijke ongelukken blijven staan in de hoogte op het buffet. Er waren nog niet veel menschen en er moesten er zooveel komen: el caballero de abajo67) nog en zijn vrouw, en de dokter, maar die zou wel laat komen, en dan Carmen nog die dansen zou, zeker, o, ademas muchos68). Zoo snoefde de padrona. Ze was nu deftig in het zwart. Prettig en zelfvoldaan blonk haar vet gezichtje in haar neêrgezegen zwart zijdene voornaamheid. Ze had al haar gouden ringen aan haar vingers en boven op den knoedel van het hoog opgekamde haar, met een rijkdom van krulletjes als een vlechtwerkje op haar voorhoofd geplakt, was de speldeknop voor de mantilla pronkend als een gouden knikkerbal. Ze zat achterover, met de hand steun zoekend aan de zitting van den stoel, om meteen zoo haar ongemakkelijk lichaam een beetje te helpen verzetten. Zoo keuvelde ze met een ouden, deftig uitzienden mijnheer, een rijken wijnkooper, die voorover gebogen, deed of hij erg luisterde, op haar knieën keek, speelde met zijn zwaar gouden horlogeketting, aldoor gewichtig knikkend met zijn kaal en glimmend hoofd.
—Mire69) daar was Frasquetito al... Caspita, hij had zijn guitarra bij zich,... en olé!... „musica y alegria!”70) jubelde de meisjesstem van Consuela uit een anderen hoek van den comedor.
't Was een lange slungel met een schonkigen jongenskop, een boersche verschijning, die met sloome beenen naar binnen kwam. Hij was geboortig uit Huelva en beproefde hier in Madrid zich bekwaam te maken voor Toledo, voor de militaire akademie; want hij zou eenmaal officier zijn. Omdat hij nog zoo jong was en al zoo veel praats had, werd hij door zijn tafelgenooten, plagend, Fransje genoemd in plaats van Frans. Maar wat zou dat? Zou je dan denken dat Napoleon geen praatsmaker geweest was? Hoe wou je anders in tijd van oorlog de soldaten aanvuren? Geen beter dan hij kon uren schetteren over de Carolinakwestie, en stokstijf hield hij vol dat geen Pruisisch soldaat het uithield tegen een Spaansch, die, matig, uren kon marcheeren met pak en zak, op water en brood, en die bovendien allen valiente71) waren. Hij zat bij 't comida72) naast Dr. Avilar, die echt Castiliaan, deftig, bijna nooit iets zei, geen wijn dronk—Frasquito beweerde uit armoe—een donker ernstig man, overtuigd revolutionair, die dadelijk na den eten zijn diario73) uit den zak haalde en begon te lezen.
Aan zijn andere zij zat 's middags een vreemdeling, een schilder, die in 't museum van het Prado copieën maakte naar Velasquez; hij noemde dien zijn amigo74) en probeerde zijn weinigje Fransch aan hem te luchten.
Overdag zat hij in zijn kamertje studentikoos sigaretten te rooken, waarvan hij er altijd een als een pennenhouder had zitten achter zijn oor en die 't vel van zijn rechterhandsduim hadden bruin gebrand, en tokkelde dan, lui met het hoofd tegen den muur, op zijn guitarra, de stores van het patio-venstertje neêr, zoo de uren doorlevend in het lommer der binnenkamer, soezerig in het gemurmel van zijn zwaarmoedige landsliederen. Maar soms leerde hij, en dan kon ieder in de gang van het kosthuis hem hooren leeren: „el padre.. le père. en... de las madres... des mères... à la hya... à la fille.. las hermanas... les soeurs”... of wel hij begon voor de zooveelste maal het begin van den „Télémaque” op te dreunen: „Calypso ne pouvait se consoler du départ d'Ulysse” omdat hij dat kennen moest voor zijn admissie.
In huis deed hij altijd zijn guttapercha-boord af, dat was luchtiger, en dien lei hij dan om weêr wit te weeken in zijn waschwaterkom.
Nu ook had hij het zich gemakkelijk gemaakt, thuis, zonder stijfheid aan zijn jongenshals kwam hij binnen, overdreven buigend met een gewilde snaakschheid. De senora vroeg hem of Don Juan nog niet kwam, hij bracht haar, „o, este perfido muchacho,” met een aardigheidje over vrouwen aan het lachen. Vervolgens maakte hij zijn compliment voor de dame die naast de padrona zat. Met zijn guitarra achteruit gestoken, langs de beenen strak gestrekt, stond hij, een troubadour op een oud prentje gelijk, zijn grimassen te maken voor de knieën der terugknikkende schoone. 't Was een mooie Andaluze, een jongere zuster der padrona, met de feestdagen over. Achteruit geleund zat ze op haar stoel, vol komend zoo met haar zwart glimmend corsage uit het mat-glanzende plooien- en krookengeschik der zwaar zijden japon, die overal over den stoel hing en bij elke beweging kraakte. Achter van haar hoofd, omdalend langs haar gave ronde wangen, vielen de plooien der uit de mode rakende mantilla; een gespin van kantrag omwolkte het ovaal van haar gezicht en een strooisel van fijne gaasbloempjes borduurde in de plooien en brokkelde over haar schouders. Ze bewoog de handen zacht in den schoot, wolkjes frischheid zoo opjagend naar boven met haar rooden, zacht wiegenden waaier, en kleintjes lachte haar mooie mond, terwijl ze verwonderd keek onder de loome oogleden vandaan naar den grappig doenden Frasquetito.
Allen hadden schik in hem; de dentiste die op de tweede piso75) woonde, een luidpratende, zich veel bewegende man, een blonde Arragonees met roode wijnwangen, een goede vent al zag hij er wat bar uit, vertelde Frasquetito, met een gezicht dat bijna enkel snor was (twee dikke wreedharige snorbossen van een koperdraadkleur had hij als een valsche karnevalsknevel geplakt zitten onder zijn neus) bulderde bravo en deed zijn lippenvlaggen wapperen en trillen en sprong en reed op zijn stoel alsof de zitting ervan betooverd was. Consuela giegelde en riep den geestigen Frasquito bij haar te komen, maar juist had de dentiste hem bij den knoop van zijn jasje vastgekregen, dus knikte hij maar even naar haar om, koddig, met de hand op de plaats waar zijn hart zat.
—„Buenas noches!” zei Arturo, de man der senora en kwam witgevest in het lamplicht binnen. Hij zag bleek en lijdend, vermoeid en schuw school het blauw van zijn oogen in den belangstelling-vragenden kop. Hij hield zijn zoontje aan de hand, een mooi aangedrild kereltje, vier jaar ongeveer, gestoken in een wit uitstaand gestreken jongenspakje, met een brandroode sjerp er over heen. Het ventje stond er stijf in, naast de knieën van zijn vader, heelemaal in de schaduw van een buitensporigen wandelhoed, die als een kolossaal boomblad schuttend zich omboog over zijn kleinheid. Hij werd bewonderd. Consuela sprong op en begon haar broertje te zoenen en te knuffelen, zoodat de vader riep: „Hombre! je verkneukelt hem heelemaal!” De kleine plakte zijn handje in het gezicht van zijn zuster, de gasten lachten om den bijdehanden Arturito.
Pruttelend ging Consuela naar haar plaats, de hand aan de wang, kijkend met zwarte oogen, donkerder nog van den toorn, haar broertje na, die in de laagte van stoel tot stoel ging op aanraden van zijn dikke mama. De vader was in zijn mooie houding bij de deur blijven staan, leunend op zijn wandelstok, wachtend om zijn jongen zelf naar bed te brengen.
Maar Frasquetito was naast den extrangero76) gaan zitten die ook gevraagd was. Hij vond dezen met zijn rug tegen de tafel, zeker in zijn hoek. 't Was een klein persoon, een beetje stevig, een beetje rossig, een bril op zijn neus, een man die zich blijkbaar vreemd voelde en stil in zich zelven voortleefde. De eerste dagen dat hij in de Casa was, hadden de studenten getracht een loopje met hem te nemen; 't scheen dat hij er niets van gemerkt had. Frasquetito voorop, deed zijn best; zij spraken vrijuit over hem, in de zekerheid dat hij 't wel niet verstaan zou. Hij gaf zich dan ook al heel weinig moeite; meestal bracht hij aan tafel een boek meê, lei het naast zijn bord en las er uit tusschen het kauwen door. De eenige met wien hij soms wat praatte, was Arturo, die wel Fransch sprak, maar die at meestal niet meê of kwam pas bij het dessert.
Arturo was telegrafist; hij was vroeger, evenals de studenten, slechts kostganger geweest, maar nu sinds eenige jaren leefde hij met de padrona die weduwe was. De kleine Arturo was uit hen geboren. Maar men nam in 't huis niet veel notitie van hem. Frasquito had den schilder al gauw verteld dat hij onder de plak zat, en dat hij een zwakke man was en dat die vrouw zijn geheele gestel had ondermijnd. Maar zonder die inlichting had de vreemdeling zelf veel kunnen zien; alle dagen hoorde hij het paar twisten en het stemmetje van den telegrafist ondergaan in het forsch-ademend gepraat der padrona. De heeren aan tafel maakten onder elkaâr gekheid om 't geval. Don Juan wist zeker dat zij van Arturo genoeg had, Doctor Avilar goed aankeek, maar die zou zich wel niet zoo gauw laten inpalmen... och wat, een vrouw was altijd sterker dan een man... en Consuela, haar dochter.... maar die was ook niet zoo onnoozel als ze er uitzag.... had Don Rafaël niet gezien dat ze zich door den brievenbesteller op den mond liet kussen, achter de deur. En ze vonden dien altijd lezenden schilder „demasiado franco,”77) niet beleefd genoeg, vervelend, en „bruto como todos los temperamentos del Norte.”78)
Doch op een goeien dag had de vreemdeling zich in eens met een kort gezegde in hun spreken gemengd; ze waren er beteuterd een oogenblik van, verlegen dat hij hun gesprek begreep, verbaasd, waar hij toch, caramba, que cabeza79) dat Spaansch vandaan gehaald had. Dr. Avilar had plots opgekeken toen boven zijn krant vandaan en geschaterd had hij van uit zijn zwarten snorbaard met een ongewoon kort harden lach. Na dien tijd werd de schilder ontzien en was het ijs gebroken; Frasquetito vooral, beschaamd geworden, noemde hem nu zijn „amigo”, vroeg de uitspraak van moeielijke Fransche woorden, deed zijn best te bevallen, was niet zoo snaaksch meer jegens den vreemdeling.
De gezelligheid in den comedor werd telkens grooter, er kwamen immer nog gasten bij. Zoo pas was het de mijnheer van beneden geweest, een nietige man, die achter zijn statige vrouw aanging, een bleeke Madrilena. Omdat ze toch de straat niet over behoefde te gaan, kwam ze zonder hoed, ongekleed in een havanabruin huiskostuum met een groote poef van achteren. Nu was het de huisgenoot Don Juan, die staakrecht door de deur kwam, in de puntjes verzorgd, zoo hij kwam van de paseo; 't was een Aranjuees, doctor in de rechten, die in Madrid zijn carrière zocht, royalist als Frasquetito en een politiek twistzoeker met Dr. Avilar. Maar zijn groote passie, dat waren de toros. Zondags aan tafel, na elke corrida, overstroomde hij de eters met zijn verrukt-zijn om een mooie overwinning of met zijn luidruchtige kwaadheid over het mislukken van zijn geliefd genot.
Hij groette beleefd, maakte zijn compliment voor de Andaluze, en, mooie man, praalde hij voor haar met zijn witte tanden, die aaneengesloten blonken als het gebit van een neger tusschen uit zijn zwarte en zuiver geknipte knevel en puntbaard. Frasquetito vertelde dat hij een vrouwengek was, die allerlei buitenkansjes had. Juan bleef bij de Andaluze zitten praten, almaar bevallig, spitsend aan het puntje van zijn baardje, of onder het causeeren dóor knipte hij met den langen nagel aan den pink van zijn witte rechterhand.
Bij den stoel van den dentiste was een kleine opschudding, de mijnheer van beneden weigerde met „muchisimas gracias”80) de hem aangeboden plaats, maar de senora gaf van uit haar hoek hard lachend raad; de dentiste liep weg, drentelend ging zijn rustelooze vroolijkheid van den eenen hoek naar den anderen.
Langzamerhand geraakten de gasten op hun gemak, de comedor begon te gonzen van gezelligheid. Frasquetito had herhaaldelijk willen praten met den extrangero, maar 't kon niet vlotten. Zijn buurman, afgezonderd in zijn hoek, bleef of hij iemand wachtte, stiller en stiller geworden in dat rondgezwerm van vreemde spraakgeluiden, van veel woorden, niet tot hem gezegd, aanspoelend in zijn ooren, veel woorden die hij niet verstond. Hij hoorde het lispelen om zich, rustloos als het gezwatel van bladeren in een boom, een gegons als een ruimtewind van geheimen vol, een loom lippengebabbel als van water dat eeuwig loopt, vertrouwelijk gezeur en geleuter, gaande van mond tot oor; maar opschietend als vinnige visschen uit 't vlakke water van 't gefluister, kwamen tot zijn bevatting de hooger gezegde woorden in het gehinnik van het gelach en het geklank der taal, wanneer een bedoeling natrilde in het levende geluid; hij hoorde het uitsissen en uitzeggen, hij zag de woorden aankomen van achter de gesloten tanden, het optillen van het lippenvleesch en buitjes van spathagelend geluid den mond uitgaan, scherp als een gezegden hoon uitgestooten, dan als met een beet afgeknapt, nijdig. En stemmengegrom kwam overal vandaan, klanken opdoemend als uit de diepte van den buik, een kelderachtig geknor gorgelend door de keel, wanneer uit een wijd opengeganen mond een woord kwam met de zware Arabische jota81), die als een stuk Noordsche ernst gromt door het gesuizel van de zuiderspraak.
Stil zat de vreemdeling, verloren in dat wonder van een gesproken spraak en meêdrijven liet hij zich op dat groote mysteriënmeer, dat hij om zich hoorde ebben en spoelen al breeder en zwoeler, een geluiddrang die de wanden zou uitzetten, te groot geworden voor den comedor. Een waas van vocht begon te nevelen in zijn dichte oogleden, als een vlies cirkelde het zich voor den oogbal; hij voelde de saâmdrukking der pupil en de rimpeling boven de brauw, als wanneer hij zich tot kijken moest inspannen, tot turen zijn oogen vernauwde. Toen was 't een oogenblik of alles wat hij om zich wist, schijnen kwam binnen in de luiken van zijn oogen, verinnigd en vereenvoudigd.
Maar Frasquetito begon zijn snaren aan te slaan en „musica, musica,” joolde de meisjesstem van Consuela uit een hoek van den comedor.
Hij keek op. Een valscherm van licht gelijk, sloeg de lamp in zijn oogenzien, hoog, als zwevend boven den vloer; en langs den witten schemerwand zag hij de donkere menschen zitten, zwarte spoken, vaal-lampzwart, met handen en koppen begloeid van een doovig rood; in het natte oogwit spritste het licht en er was naglimmend gefonk in hun gouden sieradiën.
Ze zaten allen stil, leunend naar elkaâr nog, half pratend naar elkaâr nog, in onbewuste spreekbewegingen gebleven, onderbroken in hun gesprek door de eerste akkoorden der guitarra.
Over den vloer, tusschen de stoelen vandaan, zag hij de poes sluipen, stil-donker levend op het strak wachtende plankenveld, dat tusschen hem en de menschenrij kaal en leêg lag, doorploegd met stijve naden en met de bloemen van het nervige hout.
Maar bij den ingang der deur was de lichtcirkel van de lamp rossig op den grond en daar midden-in stond op de voeten wijd vaneen geplant, maar hoogerop leunend tegen het buffet vol glazen, de dentiste in zijn leverkleurig pak, lachend uit zijn wijnrooien kop, met het licht brandend in zijn geel haar en in zijn vlamkleurige snorren.
—„Cantemos, cantemos!”82) daverde zijn stem.
—„Olé, olé,” schreeuwde Consuela dadelijk klaar; ze begon in de handen te slaan.
—„Quien sabe cantar el flamengo?”83)
—„La senorita.”84)
—„Don Juan.”85)
—„Excusame Usted.”86)
—„Si, si.”
—„Toca, toca, Frasquetito.”87)
Allen riepen tegelijk. In het gehaspel der stemmen stemde Frasquito zijn guitarra die hij als een kind op zijn schoot had, de hals stak hem hoog boven den schouder uit.
Arturo, die zijn zoontje had naar bed gebracht, kwam weêr binnen en nam den stoel naast Frasquetito.
—„Venga par aqui, caballero!”88) stoorde bevelend bijna de soldatenstem der padrona; „aqui, par aqui,” riep ze met de hand op de zitting van den stoel kloppend, die nu ledig was aan haar zij.
Boven het klankgat van zijn guitarra gebogen loopend, den jukbeenigen kop schuin, den jongensmond open, verstrooid door aandacht, luisterend naar het timbre van het geluid dat zijn hand uit de snaren tokkelde, zoo liep Frasquito over naar den stoel aan den anderen wand.
En de comedor was geheel stil geworden van menschengepraat; de klok tikketakte met klein droog geratel boven den jongen, die het zich gemakkelijk maakte, zoo hij dat in zijn kamertje gewoon was. Hij schuurde met zijn hoofd langs den muur om een goed plaatsje te vinden. De Andaluze, die zingen zou, kwam op uit haar behagelijke keuvelhouding met Don Juan, leunde naar den kant van den speler om beter met hem samen te gaan.
—„Un momento,”89) vroeg deze.
Hij wrong een paar der schroeven boven in het schopje aan den zwarten hals van zijn guitarra nog wat vaster, ze knerpten onder het weêrgestreef der snaren die wit voorbij het donkere klankgat zich spanden, vervolgens beproefde hij nog even met zijn duim, de toon zoemde, toen lei hij het hoofd achterover.
—„Pronto, que tocar?”90)
—„Un tango, un tango!” riepen drie, vier stemmen.
—„Bueno, un tango.”91)
En als het geluid van een gong in een oostersch huis begon het. Zijn hand, slap in het polsgewricht, flapte heen en weêr, met slierende vingers sloeg hij de snaren over. Het klaagklankte en trilde uit den hollen buik van zijn instrument, ernstig en zwaar, den toon van een violoncel nabijkomend was het snaargeluid, en het weende en zoemde na als het sterven van een gongslag in een oostersch huis.
En meteen daarop, hoogkeelde de Andaluze een aanroependen tweeklank uit, den verren kreet van een dwaler in de bergen geleek het, toen ze zong: