Al moeier werd hij, de wandelaar, en al vager voelde hij de dingen komen tot zijn bewustzijn. Ja, ja, het feest was uit; daar ginder glom nog maar een enkel vetpotje aan een armelui's-verlichting. Hij hoorde de geluiden in de lucht vergaan, hij hoorde niets meer dan het gesoes in zich zelven, het zeuren en neuriën van den deun: „we gaan niet dood!”
Hij was bij een water, waar de nieuwe stad spoelen komt in de oude, en daar, als door een nooddruft gedwongen, schudde hij de loomheid van zich af, hij wilde terug naar binnen, hij moest er bij zijn, bij het doodbloeden der pret, hij zou de laatste lichtjes zien sterven, en dan het ronken hooren van de zatte stad.
Dus ging hij weêr op weg, om de zieltogende pret te zoeken. Ja, het feest stierf. In de eerste groote straten zag hij het vuurleven gebluscht; als naglimmende vonken knapten en sisten nog enkele lampions, met opflikkeringen van smeerkaarsvlammen. Smeulend-rood rookten ze op de vette bodems der glaasjes. Hier was het er één, en wat verder twee of drie bij elkaâr geschoold, maar soms waren lange einden al uitgebrand en daar waren de rijen glaasjes vreemde risten, als hangende flarden, en de staketsels en wimpelmasten het vervallen overschot na een grooten brand. 't Was een langzame vernietiging. Gesmoord was het laaien der vlaggen en trofeeën; alleen boven de straatvlammen lekte en vloog het brandlicht nog op, langs de oranje en roode banen.
En hij ging tusschen geknakte heggen en door gehavende eerepoorten. Ze brokten en klontten samen, laag in het duister; dofzwart waren ze nu, met raadselachtigheden en verlepte boomengroen-kleuren, met verschroeide hoogsels op de takken van het naaldhout. Soms waren er gaten, bressen in de heggen getrapt, als waren er stoeten doorgestormd van opgejaagde wilde beesten; bij de poorten dreef de grond van de afgeschuurde naalden, ze glisten onder zijn voeten waar hij ging, hij kreeg het gevoel als liep hij op een boschgrond. En overal lagen afgerukte takken, ze lagen plat en vertreden, doodgestrekt in hun rechtvingerigen groei op het pad vol naalden; een harsgeur walmde sterk rond, overal, uit de open wonden van het opengescheurde, afgereten en gekneusde dennenhout. Daar lag een bord met een klinkend opschrift als een neêrgehaald blazoen, tusschen de scherven van met stokken afgeslagen lampions, en daar groezelde de vuile strook van een oranjewimpel, tot een touw gedraaid onder het lange gemurw van de slijpende voeten.
Ja, 't feest was dood, heelemaal dood, dacht hij. Zie, hoe de nachthemel begon te klaren al, hoe het donker dun werd en hoog boven de huizen klom. Maar ginder, van uit het midden uit, daar gromde het toch nog; 't was als een broeiende wolk die geluid uitmistte boven de straten.
Langzaam wandelde hij tusschen den dooden tooi in de stille straat. En hij zag ver van zich menschen komen, zacht zingend sloegen ze zijstraten in; maar achter hen volgden anderen, en toen was hij opnieuw tusschen menschen. Groepen van naar huis keerende feestvierders gingen aan hem voorbij, mannen en vrouwen. Moê en òp sjokten ze voort; aan elkaârs armen hingen ze, saâmgeregen, steun zoekend voor de slappe knieën en zwaaiende bovenlijven. Verfomfaaid waren de gekleede jassen, de hoeden ruig en gedeukt; de vrouwen hadden hun doeken omgeslagen naar achteren over den schouder, luchtgevend waren hoedelinten losgestrikt en de mantels open voor de borsten. Als een straatvlam een rij in het gezicht sloeg, kon hij zien hoe verlept zij waren, uitgebrand ook zij; in de lijnen en gelaatsgroeven, zieltoogden de dronkenschap en de pret-passie, de oogleden waren dik gezwollen, als doppen om de puilende oogen; onophoudelijk knipten zij ze toe. Daar liep een vrouw te slapen, met gesloten oogen liet ze zich voortslepen tusschen twee mannen, haar hoofd rolde op zij en dan in den nek, de wrong van haar hair was los, en ze had een witten zakdoek, met een tuit naar achteren, voor de ochtendkou om het hoofd geknoopt. Werktuigelijk bewoog haar mond op een klein lachje, want naast haar, aan haar oor, daar zongen de mannen nog, maar hun mond wilde niet meer wijd open en de feestdeun kwam heesch tusschen de benauwde spleet der lippen vandaan.
Neen, 't feest was nog niet dood. Want zie, hoe langer hoe meer, van alle kanten, begonnen de roodgloeiende deurgaten van kroegen en koffiehuizen raaskallend de pret naar buiten te smijten, bij horden van volgedronken feestelingen, op gulpen van smook en drankwalm, tusschen het stervend leven in de slapende straat. En dan schuimde dadelijk het geweld weêr op, dan geeselde de bezetenheid het arme en weêrspannige lijf, dan won de drank het van de afmatting, en in overspanning strekten de spieren zich stijf, de armen zwaaiden, en de slag der voeten klonk forsch als in den voornacht. En zóo danste bij brokken de drukte weg en de straten uit; zij holde door het licht en de schaduwen der schuchter wordende lantarens, tusschen den dooden tooi, onder de uitgebrande flarden van het feest, met den langen galm van den deun achter zich aan, die hol nabauwde tegen de huizen.
Dan kwamen er weêr anderen, rijen en rijen, maar de straat bleef stil. Alleen groeide er de geluidschuiving der moede voeten, van menschen die stemmeloos gaan.
Maar dichter bij het hart der stad daar gloeiden de kleuren nog fel, daar sloeg en zwatelde het gele gaslicht nog in sterren en cijfers en letters van vuur, dáár was het feest nog in zijn hoogste opbranding. Al wat de stegen geloosd hadden, het was hier, verbrandde hier in den laten nacht; al wat in het donker leeft en het licht schuwt, leefde hier onbeschroomd als in den vollen dag; al wat in krotten broedt en soest, lange dagen lang en den nacht wacht met doffe oogen; al wat daar woekert en dommelt of droomen bouwt van woeste begeerte, zich vergetelheid voorspiegelt in razernij, en het niet-bestaan-meer verlangt in een wolk van verrukking, was hier, ziedde hier, leefde zich hier uit in de hartaderen van de stad.
Want alle kelen zongen, iedere deur was een keel, uit alle kroegen en danshuizen zwollen de deunen zwaar en breed op dikke adems aan. Hij voelde zich loopen in een gelen lichtwalm, vol en bevolkt met metaalklanken en geschetter van koper; en de houten hobo's ze klaagden er hun neusgeluiden in uit, en de afgebeulde violen snerpten smartelijk zaagtonen uit versleten longen, en een rinkelen en tinkelen, soms tot een luien groeiend, snelde dwars door het geweld, van de eene deur in de andere, het wilde barbarengetingel van ijzeren triangelen.
Ja, alle kelen zongen, alles joelde er om het laatste en hoogste lied. In het bleeke van den ochtendlijk-wordenden hemel juichschaterde en schreeuwde het oranje, wild lachte en blerde het rood, piepte en gilde het wit en bomde het donkere blauw samen met het geduister van het dennegroen en met het gepurper der schaduwen; en uit en in den gelen smook, uit en in elk dampend feesthol, door de dreunende vreugde, onder het kleurenboffen der vlaggen, en van achter de als borsten bolstaande tochtgordijnen, opgeblazen door de pret daar binnen, kwamen de snelle flaplichten vliegen van glazen en flesschen, groeiend tot een gelui van lichtjes, schielijke en korte glasflitsen op de rinkelende kristallen luchters.
En in de zingende volte der straat daar zwaaiden en ijlden losgelaten en bezeten schepsels, wilde wezens in de kleuren voort; geslachtloos schenen ze; mannen in vrouwenrokken en vrouwen als mannen vermomd, in witgestijfselde jakjassen en in onderbroeken, oranje geverfd met afkooksels van fernambuk en provinciehout. In een rammelende armelui's vermomming staken zij; met den dollen en bonten smuk van hun grove vinding was hun lijf getooid; de uitingen van hun beschaafden barbarensmaak hadden ze met het plezier van kinderen en klein gebleven geesten over hun arme lichamen uitgestrooid. Want overal hadden ze strikken en kokardes en linten en bandelieren. Tot aan de randen der broekspijpen pronkten ze met sieradiën, gekocht voor weinige centen, met oud verknipt goed, sprekend en opzichtig gemaakt in potten kokend kleursel, en toen dagen vooruit zelf geplooid en geschikt in noesten en opgetogen vlijt. Vermaakte nachtmutsen van wonderlijk fatsoen, of papieren steken als de mutsen van boetelingen met kleuren bevlamd, zwierden op hun hoofden, hingen over de tronies, schuin op de losse haren.
Zóo hadden zij den geheelen nacht gedanst en genoten en gezwermd, de straten vullend met het plezier van hun vrijheid, en in de tuchteloosheid der feestwoede hadden ze zich vertoond tot in de rijke wijken. En nu vol van drank en pret klotsten en dansten ze hier, den nacht uit. Met afgezakte kousen op de grove schoenen stampten hun voeten onvermoeid de straat. „We gaan niet dood, we gaan niet dood!” gilden ze in het georgel der deunen. En onbeschaamd, als thuis, wierpen de vrouwen het hoofd in den nek, en toonden de naakte stukken van hun keel en borsten, en lagen in de armen der mannen, vol en zalig, die, dronken als zij, bot lachten met den breeden mond, en haar bewuifden met takken van dennegroen.
Maar woest opbonkend met de hoofden vooruit, schreeuwden en brulden zij dan hun hi, ha! hi, ha! en weg donderden ze weêr. Een steeg zwolg ze in; de deun echode in de steenen gang; en boven den warrelenden klomp van oranje en wit en donkere haren, slierden en vlogen de ballons aan de stokken en trokken vurige strepen, kringels en bollen van licht tegen den uitgang der steeg die blauwde in den kil komenden morgen.
En aan het einde, uit een anderen steegmond, daar kwam weêr een andere bende zoeken het geroezem van het gele gas. Zij kwamen naar hem toedraaien, hun armen sloegen de lucht, ze wuifden met de vingers naar het licht en wrongen de lijven-lijnen in de dierlijke drift van hun onverzadelijkheid. Achter hen aan liep een man met een groote vlag, een geverfd beddelaken was het, en op de punt van den stok was een groote aardappel tot een knop geprikt, de flarden van het verscheurde omwoelsel van goudpapier hingen er als vellen bij.
Voor de dwarse baan der oranjevlag, dwars gehouden door sjorrende handen, kwamen de bezetelingen aantuimelen in hun bont carnavalspak. Als beestenmanen zwiepten de haarbossen op en vielen over de oogen en rafelden en sloegen uit elkaâr op het schudden en kantelen der hoofden, die rood en gezwollen van drank en pret alle waren doorboord met het zwarte gat van den zingenden mond. Zoo daverden en rolden ze voorbij, langs hem, en walgend rook hij den drankwalm die uit hun kelen rookte.
Maar verder op daar voelde hij zich in eens in een heerlijke ruimte en lucht; de straat was weg en de dronkenschap en de roes en de begoocheling van het klaterende licht. Begeerig stond hij stil en zoog zich de longen vol aan den klaren en kouden morgen. Want dáár in het oosten, daar klom de dag, daar blonk een breede baan licht, in de lengte glorend, mat zilver en bleek watergroen in het parelblauw van den hemel. Innig kwam de dag opschemeren, een handbreedte boven den horizon, boven de laaghangende en rosse bank van mist waarin de stad rillend wegkromp als in een rooden rook. Daar kwamen de feesthuizen te voorschijn in den nuchteren morgen, met kleine en bangelijke silhouetten stonden ze, met de rafellijnen van hun schoorsteenen en van de telefoonhekken op de daken; 't was een lange, vèr verloopende grauwe rij, de kleuren der vlaggen waren er in te raden en soms lichtte er flauw een vensterglas met het bleeke geglimmer van den dageraad.
En verder op, daar spleet de dag scheuren in den nevel; de lantarenlichten begonnen te verarmen en te vervuilen in de roetkleur omlaag, en nog wat verder daar sparkelde de morgen al, door het donkere spinneraggewar van masten en touwen en sprieten van rustig vastgemeerde schepen.
Rondom was het stil en algeheel eenzaam. Een man kwam loopen langs den wallekant, hij had een langen stok over den schouder. Telkens stond het donkere figuurtje stil; één voor één verdwenen de roode gaatjes der lichten uit de blauwende schemering.
Huiverend in de kilte verliet hij zijn plaats; onder zijn voeten voelde hij de steenen glibberen, 't was of de grond zweette na de lange slijping en betrapping der eindelooze reeksen van brandende voeten; overal begonnen de huizen weêr los te staan, op te blokken uit den grond. Zie, nog gingen er menschen. Enkele paren schoven voorbij, ze keken schuw en beschaamd om hun verwaarloosde kleêren, hun boorden waren geel en het nuchtere morgenlicht druilde blauw op hun bleeke, uitgeputte gezichten, op hun slap vleesch met de kleuren van cadavers; aan den hoek van een steeg zag hij een vrouw in een oranjebroek en een wit gekreukt jak; zij stond voorover, leunend tegen een lantarenpaal; met gestrekten arm, hoog met den vollen greep der hand hield zij de ijzeren pijp omklemd. Hevig schokte en hikte haar lijf, en de vrije hand ging woelend en wroetend over de maagstreek in de plooien van het witte jak. Telkens boog haar hoofd met den zwarten haarbos, en toen hij voorbijging plaste als de gulp van een klaterenden pompstraal, klinkklaar als zuiver water, de inhoud van haar maag tegen de steenen.
Met slappe banen en zonder golving van plooien, zwaar en nattig, hingen de vlaggen lang langs de huizen neêr, de kleuren sliepen in de blauwing, en overal brokkelde er het overschot van het feest. De sterren en letters waren van rood gemeen hout. Ze hingen storend-vies beprikt met de bleeke kluiten van vetglazen.
Hooger vloog de dag tot den hemel op. Nu lichtte de heele lucht al. Kleine frischpaarse wolkjes dreven en dobberden er in rond; en beneden daar spiegelde het in ijzeren tramlijnen, lange glimslingers snel ijlend voor zijn oogen uit.
En toen was hij weêr op een plein, en in eens thuis, herkende hij den Dam.
Daar lag nu het hart der stad open en bloot, de zielzetel van het feest met zijn verflensten tooi. Wat een rommel! De weekheid des uchtends vloeide over de bonte prullen en vergoot haar vochtig tranenlicht over den verstoorden ernst van den Dam, tusschen de onorde der kleuren. De dag schreide zijn weening uit over de huizen, die omhangen met hun bonte opschik, suf dommelden en krachteloos, gelijk menschen in slaap gevallen in hun mooi pak; en midden op het plein daar rees een gevaarte van bontheid, daar begonnen in de hoogte de kleuren te schreeuwen en te vloeken tegen de teêrheid van den morgen; dof en onsamenhangend bromden de kleuren, als het razen van een troep bedronkenen, die in hun roes hardop droomen.
Daar stond nu de verrukking van al die menschen te verkillen in het vroege licht, de oogenlust van dat nu zoo uitgeputte volk, met zijn groote liefde voor kleinen en bonten smuk. Hier had het den geheelen nacht gezied en gekookt en geborreld.
De wind huiverde in de flarden. De wijde vlakte van den Dam was geheel verlaten. En met zijn oogen dwaalde hij de huizen langs, de monden der straten in, tot in de hartaderen der stad; ook daar was het stil, doodstil; het rood der vlaggen blauwde in den hangenden schemer, donker als stilstaand bloed.
Toen, het plein in zijn slapende bontheid, in zijn wanorde van dronkenschap latend, zochten zijn oogen het oude stadhuis. Nog nooit had hij het zoo mooi gezien. Het stond in 't gezicht van al die kleinheid en versnippering; barsch, èenkleurig en somber, als een reus van ernst, als een stuk steen-geworden zelfbewustheid en trots van rijzende kracht. Machtig stond het in het hart der stad nu, in den ijlen morgen, gesloten in zijn lange blokkenorde, met een geweld van wil neêrgeploft op den grond. Lang zag hij het aan en ontzag daalde uit die hooge donkere steenheid diep in hem neêr. Hij moest de poorten zich zien rekken langs het grondstuk, hij zag den gevel breed en in zijn lijsten zich verfijnen en stijgen blijven zonder verlies van kracht; hij zag de gevelspits kroonen en het kroonstuk als neêrgeklapte vlerken schutten en bergen een schat van vinding; hij zag den toren opgaan en boren naar de lucht; maar neen, daar zwenkten de lijnen van den koepel terug, van onder tot boven stond de reus massaal, gesloten in zich zelven, gedrongen in zijn eigen kolossaal zijn. Ja, dat was groot, dat was groot, dat stond vast in den dag en in den nacht.
En met een opkomend gevoel van kracht boog hij toen de armen vooruit, haalde de longen vol, zijn mond ging open, en toen in eens drong de deun die hem bezeten had, dien ganschen langen en bangen nacht, als een galm van onvernietigbaar leven over zijn lippen en midden op den Dam zong hij: „Wij gaan niet dood.”
Daar schrok hij op, wakker geroepen door het geluid van zijn eigen stem. De stoel wipte voorover, sloeg den grond. Met de oogen nog vol slaap zag hij den zwarten kater wegspringen van zijn knieën en met den staart in de lucht hollen tot onder het fornuis. Daar bleef het beest hem aan zitten kijken met zijn groene en wijdrond geopende oogen.
Schurkend van kou stond hij voor zijn stoel. De lamp, die hem den geheelen slaap door op de oogen geschenen had, brandde rood en duister, dreigde uit te gaan. Even nog keek hij op de klok, mompelde, „kwart voor tweeën.” Daarna blies hij het licht uit en ging op den tast af naar zijn kamertje.
Door de deur van den zolder kwam de doordringende geur van rijpende meloenen hem tegen. 't Was bepaald benauwd.
Hij ging zijn kamertje in, stak de nachtkaars die op het beddetafeltje stond aan, en ging terug naar het venster.
Het huis sliep; het zware gesnork van den tuinbaas zuchtte door den zolder, gesmoord als een geluid onder een deken vandaan; en boven zijn hoofd daar ratelde op de pannen een klein gerikketik, een zacht nat geklikklak van vallende droppels.
Toen hij het venster open deed, kwam een vlaag vochtige warme lucht zwellen door het zwarte gat naar binnen; want buiten over den stillen tuin, kalm en overvloedig als een zoete zegen, viel de regen, in den nacht die 't geluid verdubbelt.
Maar die roode vlekken, die roode, dat is de kleur van La Mancha's rauwen grond. Ik kan dat boek niet opslaan, of daar zijn de smetten van mijn vingers, als ik doodmoe en laf voor de zon met ontstoken oogen thuis kwam uit dat helle veld rondom Alcazar de San Juan, in de herberg, o, die herberg, en dan neêrviel op mijn bed, o, dat bed, mopperend en me zelven kwellend met mijn kwade luim; om dan gretig te grijpen naar dien gelen bundel op mijn nachttafel, eindelijk, maar altijd te laat, vol verlangen geworden naar den hoogen lach die daar optrillert en steigert uit dat gezegende en eenige boek.
Maar toen ik in den spoorwagen het me zoo gemakkelijk maakte als een arme reiziger dat doen kan, had ik La Mancha nog niet gezien. Ik kwam van Aranjuez, waar ik me een paar dagen verveeld had, ik geloof uit noodzakelijkheid. Ik weet nog wel dat ik maar niet begrijpen kon hoe Don Carlos, zooals Schiller ons wijs maakt, daar zulke goeie dagen beleefd had, zeker amourskens. Ik had ze er niet, geen van beide; 't was stoffig heet; het stadje of dorp met zijn kippenloopachtige straten, zag er uit alsof er zoo pas een vulkanische aschregen op gevallen was. De koninklijke lusttuinen die zoo beroemd zijn, leken me tuin geworden opticaprenten van twintig jaren hèr. Bovendien was ik terecht gekomen in een groot hotel, een boeren-Escuriaal, waar de waard,.... maar Carajo, zulke dingen vertelt men niet,—zelfs de geestigheden van Sancho hadden geen vat op me, 't leek me of ik levend daar in Aranjuez was ingemetseld. 'k Zat maar te luieren in een schommelstoel, recht door mijn raam kijkend in den stijven kippenloop der straat, kalkwit in de zon, en naar de menschjes die als puuletjes scharrelden in het licht, weinige en dan nog maar even, want 't was heet. Aan het einde in de verte der straat, zag ik een brok van de zware ronde muurmassa der Plaza de los Toros, dat kon het kippenhok zijn, eng bepaald, alles eng, benauwd, al was het er nog zoo wijd; een verstijfde boel als al die nare ceremoniën, als de poppenvormen van het koninklijk bedrijf dat aan Aranjuez zijn kille lusttuinen schonk.
Maar ter nauwernood had, om even eenvoudig te spreken als de voorbeelden die onzen goeien Don het arme hoofd hadden op hol gejaagd, ter nauwernood, zei ik, had de blonde Phoebus de gouden tressen van zijn mooi haar gespreid over het hobbelige aangezicht der onmetelijke aarde, ter nauwernood hadden de met duizend kleuren geschakeerde vogeltjes (die in La Mancha niet zijn) met de harp-tonen van hun tongen, op een weeke honingzoete melodie, de komst vermeld der rooskleurige Aurora, die, latend de zachte sponde van haar jaloerschen echtgenoot, zich vertoonde aan de stervelingen op de hooge balkons (dat zijn zeker de bergen) aan den Castiliaanschen horizon of ik verliet evenals de Don, de loome veêren, steeg op mijn negentiende-eeuwsche Rossinante ('t was een bommeltrein) en nam mijn weg dwars door de oude en beroemde vlakten van Montiel.... neen, zoo ver was ik nog niet.
Maar een paar uur later ging 't er toch op los, sneed de trein, de oasen verlatend, schokkend met een ondergrondsch geluid van slingerende kettingen, dwars door een onmetelijke ruimte van rood zand, een urenlange en wijde vlakte, waarop geen bekoring lag, waaruit geen opwindende lijn steeg van een boom of een rots, waar geen waasje van damp de naaktheid sluierde of de ruimte kromp. Als ik van mijn boek opzag, draaide het roode veld door het spoorwegraampje aan mijn oogen voorbij, mijn kijken vloog de rauwe ruimte over, en door de droge zout-smakende lucht, tot aan den altijd rooden horizon die ijzerhard sneed in het brutale blauw van den hemel. Mijn God, wat een land, wat een jammerlijke ellende. Soms snelde een lange strook, vlakker en van een bleeker rood, aan het raampje langs, ik zag haar wegslingeren, kronkelen als een lang lint, en al wapperend met ijler wordende kronkels wegpunten naar de lijn van den horizon en dan kwam maar even de gewaarwording op: daar gaat een weg door dat treurige en doode veld.
En maar altijd sneed de trein langs haar ijzeren banen voort door het menschenlooze land. Als ik mijn oogen sluit nu en die snel gevloden gezichten weêr tracht op te roepen, dan komt me niets in de herinnering, niets, geen kar, geen ezel, niets, heelemaal niets dat uitstak, wat ik die groote leegte voor een poosje beheerschen zag, niets herinner ik me dan een zwarte ekster die opvloog van haar aardkluit, maar weêr neêrstreek dadelijk, om den voortsnorrenden trein na te gaan zitten kijken met haar slimme oogjes. Een enkele maal schoof een kale venta52) hortend achter de telegraafpalen voorbij, of er kwam in de verte de witte mierentroep aanstippelen van een begraven dorp met de groenige vlokken en strepen er om heen van moeielijk ontgonnen terreinen.
Ik weet niet meer waar ik den eersten windmolen zag. Ik had het opgegeven uit het raam te zien. Ik vond La Mancha in mijn boek heel wat mooier. Dus las ik er weêr geducht op los. Ik zag voor me onzen ridder zitten, stijf, rechtop in zijn verroeste rusting, tusschen de herders in hun kleêren van schapevachten met grof naaisel; uit hun roode, diepgelijnde koppen keken de oogen oplettend, want de Don orakelde. In de holte van zijn vooruitgestoken hand bekeek hij eenige goudkleurige eikels; geheel opgegaan was hij in een ridderlijke droomerij; op den grond lagen de overblijfselen van een vleeschmaal; Sancho had het hoofd in den nek geworpen en daarboven de leêren wijnzak en nu klokte hij naar hartelust met gesloten oogen.
—„Gelukkige tijden,” begon de Don, „en gelukkige eeuwen, die, aan welke de Ouden den naam gaven van den gouden tijd, niet omdat dit metaal dat in onze eeuw van ijzer zoo hoog gesteld wordt, zich toen zonder eenige moeite verzamelen liet, maar omdat zij die toen leefden deze twee woorden niet kenden: het mijn en het dijn.”
En met de eikels in de hand, wier goudkleur dien gouden tijd terugspiegelde in zijn verdwaald hoofd, orakelt hij voor de tuitende ooren der herders zijn ridderlijk ideaal van den geluksstaat. Met dikke woorden en bloemrijke zinnen, zooals het past in een mond van een doler als hij, vertelt hij van dat verloren land waar alles goed was en alles rechtvaardig, waar elke bloem groeide voor elken mensch en elke gouden eikel voor ieder die hongerde; en als alle groote dwazen en ook als allen die met het hoofd leven deze bange wereld uit, bevolkt hij zijn wereld met zoete wezens, met nimfen, herders en herderinnen, naakt en kuisch, zonder de wilde zweepingen van groot geworden driften, zonder de bruisingen van het donkerroode bloed, zonder de warrige ondeugden van een geslepen en kronkelig brein. Toen orakelde hij: „toonden de verliefde bewegingen der ziel zich zooals zij waren, zooals zij werden gevoeld, kinderlijk en onbewust, zochten zij zich geen waarde te geven door een kunstmatige omwikkeling van woorden”....
Zoo gaat hij voort, telkenmale verloren in zijn verbijstering, maar zacht wiegen er woorden van wijsheid tusschen den krulligen omhaal van zijn verrukten geest.
Ik weet wel dat ik dit gedeelte altijd met graag genoegen herlees, ik weet niet of ik gelijk heb, als ik daar de eerste sporen vind in dat boek, hoe later uit dien volslagen gek, uit die schepping van grooten lachlust, langzamerhand een ongelukkige groeien zal, een hoog opgevoede geest, een zonderling die dikwijls een ziener wordt, onder de sublieme bedoelingen van zijn schepper.
—„Caballero, un molino, un molino a vento, caballero,” hoorde ik achter me zeggen. Een poosje te voren was er een reiziger ingestapt. We zaten nu met zijn tweeën in den wagen. Ik zag om. 't Was een stevige boer die voor het raampje stond. Hij droeg de breedgerande sombrero van de Spaansche gezeten boeren. Uit den inham van zijn laag uitgesneden vest kwam het witte overhemd met een boord zonder das, en onder zijn vest vandaan puilde om zijn buik een roode gordel, die hem nog dikker maakte. Hij keek tevreden naar me om. Ik zag in zijn vollemaansgezicht twee kleine guitige oogjes stralen die dicht bij elkaâr kropen. De trein naderde, geloof ik, Tembléque. Ik boog me uit het andere raampje en zag de roode woestijn hier en daar bestreept met gele rijen, strepen afgesneden koren, als regels van stoppelige bossen stroo gestoken in het zand. Als ik langs het hoofd van den boer heen keek, werd het veld langzaam-aan geler, een dor gele volte werd het, bar geel in de groeiende zon, en daar midden-in rees de stompe kolos van een molen met een van stroo gevlochten dak, als een muts van vreemd fatsoen bovenop den steenen en geringden cylinder, waaruit de gaten der vensters als donkere oogen staarden.
Aan den tegenovergestelden kant van den windsteller sloegen de armen der wieken in de lucht; van onderen rustten zij op het land en zooals ze nu stil waren en elkaâr bedekten, en 't was alsof er maar twee wieken waren, geleek de kolos op den romp van een reus die op zijn lans staat te rusten tusschen het koren in; en de saâmgevlochten knoedel boven op het stroodak was als de kam van een helm waaruit de panache is weggerukt.
Toen stoof de trein voorbij tientallen van maaiertjes. Ze gingen achteruit loopend langs het gele koren, dat als een dijk tegen hen aanstond; met lange armzwaaien als op een commando bewogen zij zich, sneden zij met de zeisen de volle garven af.
Tembléque kwam en ging voorbij, andere molens stegen op heuvelklingen uit het veld; langzaam verdwenen ze uit het gezicht in hun houding van peinzende reuzen, en langzaam aan begon het veld weêr te dorren tot zijn roode eenzaamheid.
Ik was weêr teruggezakt in den heeten wagen. De dorre adem die uit de vlakte zwoegde, hing in de houten kast. De felle zon sloeg van het land op en brandde neêr op den wagen. Mijn keel was als gezouten. Speekselloos brandde mijn tong tegen het verhemelte aan. Zonder lust lag ik languit op de bank en probeerde te slapen; maar de dorst kwelde, 't was bijna middag, de hitte werd onuitstaanbaar. Daar hoorde ik opeens achter me het natte klokken van vocht; ik sprong op en zag achter me mijn dikken reisgenoot met het hoofd achterover geleund op het wagenschot. Zijn dik gezicht verdween geheel achter een leêren wijnzak. Tusschen de gebruinde spieren van zijn rooden gestrekten hals zag ik den koelen stroom van den wijn dalen. Met volle teugen dronk hij.
Eindelijk, Goddank, hield hij met drinken op, veegde zijn lippen af met den rug van zijn hand, keek op en zag me aan. Een goedige, dikke lach kwam op zijn heele gezicht, in zijn geknepen oogjes, in het bollen van zijn wangen, in het lang uitrekken van zijn mond. Met een snel gebaar stak hij mij den wijnzak toe, en vroeg: „quiere Usted?” Ik zei niets, maar bracht de tuit aan mijn lippen, deed net als die goedige Sancho het zooeven gedaan had; ik legde mijn hoofd op het wagenschot en bleef zeker zóó wel een kwartier lang met de oogen kijken naar de zoldering van den spoorwagen.
Mijn boer viel toen op de bank in slaap en ik keek opnieuw door het raampje in de draaiende vlakte. Er was geen wolkje aan de lucht, de zon brandde neêr op de naakte huid van La Mancha.
De trein kwam en ging gillend weêr verder, Huerta, geloof ik, voorbij; links moest Argamarilla de Alba liggen, waarvan Cervantes zich zoo genereus den naam niet herinneren wilde bij den opzet van zijn boek. Geen mensch was ingestapt. Even had ik den bruinen kop van een vrouw gezien, een gelen doek om het hoofd gewonden en om het gore haar. Zij had een witte, ronde, steenen kruik met een klein tuitje in het midden bij zich; ze hield die gesteund in de zij. Van tijd tot tijd schreeuwde ze: „agua fresca, agua bonita para bebere,” met een heesche, moede stem. Ik zie haar diep ingezonken oogen nog, die branderig gloeiden als werd zij door koortsen verteerd, en dien breeden, zwaarmoedig hangenden mond met droge barstjes in de paarse lippenhuid. Maar de trein rommelde voort door het zand. De vlakte van Montiel blakerde en schroeide onder den geesel der zon en ik viel weêr terug op mijn harde bank, bijna bang geworden van dat verschroeide en doodsche land, waarin de dorpjes verloren zijn als een schip op de groote zee.
En door zoo'n oord nu doolt in dat prachtige boek, die onsterfelijke dwaas Don Quijote, de schrale ridder van de droevige figuur, de man die niets gewoon kan zien, die avonturen vindt waar ze niet zijn, die niet spreken kan als de barbier of de pastoor van zijn dorp, die eene bange zorg is voor zijn nicht en gouvernante. Langs de stoffige wegen gaat daar de zonderling met zijn boordevol hoofd in dat leêge land met zijn nuchtere bevolking, overal in hutten en venta's komt hij, gaat hij in de kinderlijke opgewondenheid van zijn missie, en waar hij met slagen wordt beloond voor zijn opgedrongen bijstand, weet hij zich te troosten door de gedachte aan den onsterfelijken roem van zijn daden.
En daarnaast, dat vind ik het tweede heerlijke in dat ruime werk, in dat vast gegroeide geesteskind, gaat die andere onsterfelijke man, de schildknaap Sancho Panza, de stevige boer met al de hebbelijkheden van zijn soort en ras, met zijn boersche babbelzucht, naïveteit en uitgeslapen slimheid, met de groote behoeften van zijn zwaar lichaam, eten, drinken en slapen, een stuk menschensoort op en top.
Zoo gaan ze dwalend naast elkander voort, de verrukking en het gezonde verstand, en hoe meer zij dwalen in zich zelven, dringen zij zich samen; hoe langer ze dolen groeit er uit hun samenzijn een vuurwerk van vernuft en de zegen van een goed hart, het gevleugelde mooi-zijn en de fonkelende vinding.
De trein was nog altijd niet in Alcazar de San Juan, het centrum van La Mancha, waar ik naar toe op weg was. Mijn boer slaapt met gesloten vuisten en open mond, zooals Sancho slapen kon als zijn buik vol was; en de vlakte gloeit.
Met reinen spot van een superieuren geest die een geheele periode belachen wil en kàn, dacht me zoo, heeft Cervantes de groote kale armoede van La Mancha, die nuchtere werkelijkheid, gezet tegenover den pronkzuchtigen smuk en de onzinnige krullerijen, het gekozen tot strijdperk voor zijn dolenden ridder, tegenover den leugenbombast der ridderromannenschrijvers die hij belachen wou. Maar hij heeft niet kunnen ontkomen aan de wet der natuur, die hij zelve leeraart in zijn proloog, dat elke gelijke zijn gelijke voortbrengt, en zoo dolen nu die twee uitingen van zijn hooge persoon, zijn twee gelijken, zijn twee geesteskinderen die hij gevoed heeft met zijn roode hartebloed, door die roode vlakte.
En Cervantes zal niet sterven ook zonder die wet boven zich te hebben erkend, als hij, oud en op, zijn „pequena pluma” aan den wand hangt en zijn belagers in de ooren schreeuwt zijn fier woord, en een oorlogswoord voor elke oorspronkelijke daad:.... „Blijft daar staan, schelmen! dat niemand er aanrake, want voor mij alleen werd Don Quijote geboren en ik voor hem.”....
De locomotief gilde en de vlakte werd weêr bestreept met geel koren; de grond golfde tot heuvels en er kwamen weêr molens; aan den eenen kant stippelde Campo de Criptano met de fameuse Sierra de los Molinos, aan den anderen kant ligt Tobosa met haar aardwoningen in het zand, de residentie van Dulcinea.
De trein stopte, de boer werd wakker en zocht naar zijn wijnzak. Bij een hek, langs de lijn, zag ik een oud, mager paard staan droomen in gezelschap van een grijzen ezel. Kameraadschappelijk druilden zij bij elkaâr, het oude knollebeest met den langen hals op den hals van den ezel, Rossinante en Sancho's grauwtje.
Ik was in Alcazar de San Juan....
Waar zou mijn poes zijn; al drie dagen was ze nu weg. Uren had ik haar loopen zoeken, wat kon zoo'n beest er in godsnaam aan hebben nu, in zulk een getij aan 't vagebondeeren te gaan, te blijven slenteren in zulk een metaalharde nachtkou, die alles wat teêr was en onverzorgd, wel vermoorden zou. In het land voor de deur was nu toch niets te halen, het oude gras stond er bevroren, wit als oude haren, dood met het doode land, en in den tuin hiernaast was 't niet veel beter; was zij bij de buren, bij den zwarten kater? Misschien was ze wel vermoord, de jongens van het pad schieten met katapulten, tusschen de rasters door, op de katten, die in 't land snuffelen, ze verkoopen de huiden dan, en zij hád zulk een mooie huid;—God, als die snotneuzen haar eens vermoord hadden. Waar zat zoo'n beest anders zoo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu 'k me zoo alleen voelde, zij zoo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondloopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op den luien stoel naar me komen zien aanzetten, den geringden staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zich zelve opstak. Ik wou haar achter de kachel zien gaan liggen nu, al knipoogend tegen den rooden gloed, ik wou haar de leedjes zien gaan rekken in lui welbehagen, en dan lekken haar lang lijf glimmend met de roode gespouwen tong. Kijk, dan begonnen de zwarte ringen in haar vel te glimharen dat het een lust was, onder den onverpoosden arbeid der elastieke tong, die met lange vegen, in rugveeringen, het vlugge lijf rein streek. Soms hield ze dan in eens op, lang liggend nog, maar de kop was geheven en spits geoord; de oogen wijd gespalkt sloegen als barnsteen aan 't starlichten, en de staart klopte dik en boos-zwart den grond. Hoorde ze het leven van een muis, of een vogel rommelen in zijn gootnest? Maar 't zwarte rondtetje der pupil was al weêr als een gordijntje tot een donker strookje saâmgeschoven, ze lag al weêr languit op den grond, en het snorren kwam zelf-tevreden tusschen de witte snoetsnorren uitbrommen; kijk, zoo zou ik haar weêr willen zien liggen nu, op den rossen vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zóo als een miniatuur van een koningstijger op een roode rots, die zich heet stooft, geslagen liggend door 't zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldigen kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.
Op mijn groot tralievenster was het een gewirwar, een heen en weêr gesnel en gespoel van ijle ijsdraden, vooruit en terug, zigzaggend, pijlrecht en hoepelkrom, krimpend en brekend en doorschietend als flinten in geborsten glas. Op den matten grond van den waterdampaanslag was het als etsgespeel, aan alle kanten schoten de ijsbloemen uit, ruit na ruit bebloeiend.
Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes uit den vriesnacht komen; blauw staalglansde het buiten achter het gekristalliseer op mijn raam; verstijven voelde ik rondom mijn huis den nacht tot een hooge kou, een droog pegeldek van ijs en witte ruigte strekken gaan rondom mijn pannendak, wijl hoog uit den hemel almaar meer blauwe koude neêrduisterde, almaar méér witte kou opijsnaalde uit den klinkenden grond, tot al de levenslucht ervan krimpen en saâmschrompelen zou, en het laatste klein leven vermoord, meedoogenloos onder het hooge gepraal, onder het ver-affe gekilklink der streng starende sterren. Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes, kreungeklaag komend van een kind in koorts....
Toen naar beneden en rond gaan zien in den nacht op het pad; maar van mijn poes geen spoor, er was niemand, er was niets, er was alleen koud duister en klare kou; er was een ijsblauwe lucht, een wijdweg strekkend glazuur, bekrast en bepriegeld met sterren, veredelsteende vonken, als bevroren lichtdroppels zoo koud, tinkelend om den fosfoorstroom van den melkweg, die als een veel bereden ijsbaan, beroofd van harden glans, dwars door het luchtveld ging. Gelijk de koepel van een geweldige ijshal stond de hemel boven het lang-uit-geschuif van het land, boven de rij grenshuizen der laatste nieuwe-wijkstraten, massale schimmen van staand donker voor de uitgebluschte aureool van het licht der stad, een dof steenduister, waarin twee of drie venstervierkantjes eenzaam waren van warm rood leven. En boven duistere loodsenhokken boog de hemel klaarder en killer om en op, die waren weggeschaduwd in het warrig geblok van een fabriek, waar middenin, als een reusachtige ijskegel het hooge gestijg van den schoorsteen klom; boven het zwartverkleumde padzand met de dorpershuisjes laag staande in de kou, met krampachtig gesloten venstertjes, aan elkaâr geleund, stomp, nietig en zwaar duister, Samojedenwoningen in een geruischloozen noordernacht, zóó verloren in de ontzettende verstijving.
En in dat groote buiten-dood-zijn waren de pad-lantarens vreemde dingen, schril kindergespeel in een sterfhuis, stille, rood afschijnende kaarsen, door vreezende handen gezet bij het lijk van een dooden machthebber.
Maar de meêgenomen warmte van boven was allang verloren en de kleêren uitgedampt, met naaldprikken begon de kou in mijn huid te steken tot diep in het vleesch; den vriesdood voelde ik opkruipen door mijn schoenzolen heen, naar boven, naar mijn hart, waar ik stond; huiverend en vanzelf begeerend naar warmte en licht leven, keerde ik om op het pad, maar riep nog eenmaal, zag onder het geschijn van een lantaren een rood wolkje van rook, mijn adem om mij, hoorde het geluid van mijn stem klanken weêr en bauwen als teruggestooten op metalen wanden, toen was ik binnen in 't donker der trap en ging ontevreden naar boven.
Mijn groote lamp hing als een zon midden in de zoldering, sloeg haar licht tegen de achterzijde van een doek, dat afgewend op een ezel stond, en smeet een vlaag donker de zoldering in. Ik wierp de kachel met kolen vol, want gloeiend moest zij blijven, en toen schurkte ik weêr in mijn stoel, met al het genot van de warmte tusschen de knieën te hebben. Waar zou dat beest zijn, als ze nog leefde vroor ze bepaald dood, dat kon niets weêrstaan, niets dat zoo klein was als mijn kleine kat.
Maar stil blijven, onmogelijk; onrustig was ik aan 't heen en weêr loopen begonnen en telkenmale in den op-en-neêr-tred, zag ik hoe op mijn raam het gebloemte der kou groeide, almaar dóor ging het geheimvol gevirtuoos zijn gespeel. De ruitbladen waren nu dik bevroren, elk blad was een veldje met wit onkruid bewoekerd. De nacht buiten was weg, het lamplicht stuurde glansspritsen henen, deed gele gouddraden fonkelen in het zilveren ijsgespin.
Dat was een vreemde flora: daar waren bloemen, geheele tuilen bloemen van kristallen en rijk gerank van naaldijs; daar waren wintertulpen met lippende bladen, gestreept als zomeranjelieren, gekarteld en gesplitst; daar waren bekerbloemen als vischbekken open, windekelken uit ertsen opkomend, droog geneeskruid, wit ijsloof; daar was een wild opgeschiet van niets-waard-zijnd onkruid, en het rijke gebluf en gewring van kas-orchideeën; daar waren gestekelde distels, gansche bossen harige brandnetels, en daar wilde kervel. 't Was allemaal wild gewas, verwaaid klein goed, door elkaâr gewoekerd; 't zag er uit als ruig veld er uit kan zien waar wieders door gingen, mannen met zware klompenvoeten; gestroopt en verfomfaaid was de bohemenvegetatie, verpletterd, als wilde planten worden door een wilden wind.
Kijk, daar in de hoogte was een ruit bevaagd met schimmen van bloeisel, zooals ik dat buiten dikwijls zag, diep schemeren onder water, op den grond van een vijver; ik kon ze hier zien groeien, en worden tot de ragteêre karkassen van boomloof bewaard tusschen de bladen van een oud boek; en naar lager, daar was het een forsch gestengel, een geslier en gescheut dwars over het glas, in neêrhangend bladgewapper, gelijk pluimriet, als flakkerend lies, als lang gladiolussengroen. Klein gevlok, sneeuwklokjes, groeiden er verborgen tusschen. Daar was een ontbloeien van kristal-metriek en plantenlenigheid, metrieke bloemen, prisma's en octaëdertjes aan varens gewonnen, mineraal-rijkdom gegroeid aan duizendnaaldige dennen of aan het fijne getak van rendiermos; daar waren pluimen pronkende pauweveêren en daar een bezemig gehaar en gestekel als borsteltjes kattesnorren. O, 't was een mooie flora, het witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten, dat tot ruigten worden ging in gester en gestengel, in geblader en gekristalliseer.
Zou het toch niet kunnen, dat mijn poes was in den tuin hier naast, ze hield van boomen en verzot op vrijheid als ze was, hield ze er van te zitten in het hoog takkengearm om daar te loeren naar vogels; ze hield van dat hoog zitten in den wind, stevig gezeten in den haak van stam en tak; ze was wel eens zóo hoog geklommen, dat ze niet meer omlaag durfde komen, stijf bleef onder de hagelbui van steenen die haar opjagen wilde en er toen uitgehaald worden moest. Toen had ik haar geslagen, en als zij nu weêrkwam zou ik haar weêr slaan en haar die kuren wel afleeren van altijd weg te loopen en mij te laten alleen.
Bah! zoo'n beest, waarom niet; 't was als de rest, 't zocht zijn pleizier en haar eigen goed leven. Bah, zoo'n beest, waarom niet?
Maar met dat al had ik toch maar niets geen macht iets te doen. Rondloopen bleef ik, op en neêr, van het wit koude raam naar de roodheete kachel en dan weêr naar het wit bebloemde raam, op en neêr, als een beer in zijn hok. Ik had wel willen lezen, maar jawel, op iedere bladzij kwam een kattekop, en.... werken.... maar werk eens, werk eens als ge wat liefs verloren hebt! Bah! werken, was alles hier óm me geen werken? Scheen 't lamplicht niet in een werkzolder, arbeid belichtend, geploeter overal. Bah, werken. God, god wat was het koud hier. 't Begon hier al even hard te vriezen als buiten; kom, nog wat kolen in het vuur en dan....
Hoor! daar komt de schorre schreeuw van een nachtboot in den Amstel, nu is het al laat. Hoe laat? ik hoor het galopje van den klokketik niet, de klok staat stil; maar die boot zal het ijs wel scheuren, denk ik, hij zal den boel om zich heen stuk slaan, 't moet wel. Hoort, daar gilt ie weêr, wat een neusgalm, 't rochelt de pijp uit, 't lijkt wel of zijn gelawaai door een mist komt. Zou 't zijn gaan misten? Vorst en mist dat is schelvischweêr, en schelvischkoppen dat is al eten voor mijn poes, en dat is de trek waarom ze 't huis uitloopt.
Drie dagen was ze nu al weg, de Bohémienne.
Waar zou ze zijn, waar, waar?
Wat was het hier goed, wat was de kachel goed, de warmte goed. Ze gaat lustigjes langs 't hard ijzer der pijpen op, teêr aan te zien trillert ze op, snel ijlend kringelt ze fantasieën om de pijparmen; ze stijgt in het laag gebalk, ze wemelt tot een rookje in het goud geschijn om de lamp. Zoo vult ze den zolder, mijn domein, met loom gedroom, zóó wekt ze begeerten naar voortbestaan in zoel gemak, waarbij men zich de handen wrijft; wat zou mij de groote dood buiten maken kunnen, wat de winter met zijn tirannie van ijs, weefde hij daar niet in een gril van zijn opperste bekoring mijn huis met bloemen vol?...
Waar zou ze zijn, waar?...
Zou ze liggen tusschen de stammen der boomen, tusschen de stammenmasten in den tuin hiernaast; of zou ze liggen in het droog-knappend gekreupel, dood gevallen uit een hoogen boom; zou ze daar liggen, krom op de aarde of weggezakt in het vaalrotte loof? Dood, dood, gevoelloos voor kou en naar weder, en voor mijn roepen doof....
Of zou ze liggen, lang uit, plat in het leêge land, in het witte gras; zóó klein, zóó niets, dat niemand haar meer zal vinden; dood gestrekt in de al-koude winden, in een kuil, dien een paardenhoef sloeg toen 't nog zomer was.
Vermoord....
O, mijn kleine, mijn koningskat, als ge zóó dood zijt, als ge zoo moet verdwijnen, dan zal ik u bouwen uit mijn harteschat een ruim rein graf, een mausoleum van ijslijnen.
Daarvóor is heel de hemel mijn, zoo hoog en koud hij mag schijnen, ik zal er van nemen ijslijnen en weven een wade om uw kleinheid fijn. Met gebloemt van de kou, met sneeuwgeontblader, met dons van rijp en met briljanten van ijs, kom ik u dekken, zal ik u strekken in mijn doodenpaleis.
Daar is 't gewulf van blauw kristallijn, en dáar zullen sterren en doodsvlammen zijn....
Wat was dat? Neen, deze maal bedroog ik mij niet.
Dat was miauwen en dat kwam van dichtbij, van achter de deur. Opgesprongen, de deur opengerukt. Br... wat een ijskou, de wanden zijn wit, de straatdeur staat aan. Opengelaten. Maar daar zat ze op 't vloermatje. O, klein, wat klein. Brr... wat een ijskou. Ze staat niet op. Ze knipoogt tegen het helle licht uit den zolder. Wrevelig en een beetje haastig stap ik over haar heen en geef haar een stootje met de punt van mijn schoenvoet. A là. Zacht, ze gaat al, naar binnen, mager, enkel vel.... Ze gaat onhoorbaar, met kleine schokjes in 't gebeentetje der schouders, net als een arme slokkerd doet die een zwaar geladen handkar voor zich opduwt. Brr.... Holderdebolder de trappen af, de deur met een smijt toe, dat de glazen rinkinken in den vriesnacht.
Boven. Daar zat ze, midden op den vloer, de door de kou geslagene, ijselijk in het licht, de twee voorpootjes naast elkaâr geblokt op den grond. Rechtop zat ze op den zoom der schaduw van het doek op den ezel.
Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd beest, een oud beest, een verloopen beest. Waar waren haar jonge oogen, haar klein kinderronde oogen? waar haar mooi vel met de glimmende runen? waar haar ijdele staart, en waar, waar het heerlijke fluweel van haar oortjes? Neen, verdoemd, dat was een vreemd beest. Dat keek niet meer, dat schuwoogde, dat waren de vage oogen van een zielig mensch, overgeplant in een vreemde omgeving. Dat was ziek gekijk, niet dat van mijn beestje,.... verdoemd.
Miauw!.... wat een vèr geluid.... Dat kwam nog uit het land, dat kwam nog van de straat, en 'k had het wel gezien, het bekje van binnen was niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit....
.... Miauw!.... „Schei uit, beest. Schei uit, of 'k jaag je weg”....
In mijn stoel en aan 't redeneeren: „waar kom je van daan? waar heb je zoolang gezeten hé?”....
—„Heb je geen honger? Al drie dagen staat daar vleesch en brood en melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest.”
—„Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de kachel. Kom je niet?”
Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalig levenden kop er aan, het haar voelde stug en koud.... het zachte gedons onder den buik was aan elkaâr gekleefd en tot piekjes bevroren.
Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal....
Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn oogen.
—„Kom, Louis, sta nu eens een beetje stil.”
—„Ja, mijnheer Ko,” zei hij onderworpen.
En 't was weêr een poosje werkstil in mijn atelier. Onder het daklicht, tegenover mij, stond de jongen poseerend voor zich uit te kijken, de handen in den zak. Zoo had ik hem eens voor de deur zien staan als straatventer van lampeglazenwisschers en komfoor-treeftjes, en ingepakt dadelijk door zijn mooi openluchts-uiterlijk, had ik hem overgehaald bij mij als model wat geld te verdienen. Dat deed ik nu al een tijdje, 't was wel een goedkoop model, maar 't ging maar niets.
Nu stond hij daar. Hij haalde met een luien ruk zonder de handen te gebruiken, zijn broek die met een touw om zijn heupen hing, op, en keek vervolgens uit de blauwe oogen schuin, op zijn gemak het raam uit, naar de groote lucht, in de wittige zon, waarin droge sneeuwpluisjes als losgestoven donsveêrtjes, men weet niet vanwaar zij komen, voorbijgingen aan het raam.
—„Neen, Louis,” zei ik.
De jongen keek den zolder in naar mijn gewerk en een onnoozel-slimme lach spleet het rood van zijn zinnelijken jongensmond vaneen, de wangen poffend; maar eer ik goed opkeek was die lach weggemoffeld met een lippenbeweging alsof hij hem snel inzoog en stond hij zoetsappig voor zich uit te kijken. Ik wist al lang dat de schooier me uitlachte. In zijn vlagen van losbandige onverschilligheid had hij me meermalen gezegd, hoe zot hij het vond zich zoo af te beulen op zijn bakkes.
Maar opnieuw zochten zijn oogen verstrooiïng en hij zei:
—„Ze hèt 't leelijk te pakken.”
Hij sprak van de poes, die in elkaâr gekrompen zat in de kussens van den rieten stoel onder het raam. Gisteren was ze den geheelen dag onrustig geweest en had haar bedorven maag en ziek lichaam rondgesleept door den zolder; maar nu bleef ze stil, wilde niets eten en drinken; suffend zonder slapen zat ze kleintjes, soms met lustelooze oogen kijkend naar mijn bewegen.
—„'t Is toch een lief beestje, 't is toch jammer.”
De schelm. Zooeven had hij mij gezegd dat ik haar maar dood moest slaan; hij wou 't wel doen, hij wist de huid te verkoopen voor zestien stuivers.
—„Kom, poes, gaap eres,” zei hij, in eens uit zijn onbewegelijkheid schietend, en met het gele borsteltje van een lampewisscher begon hij 't beest aan den neus te kittelen.
Ze schoof stom achteruit, bang voor het gele gedrocht.
—„Wil je het gauw laten, hè.”
Een wreed lachen schoof kort hortend den jongen den mond uit. Hij was voorover gevallen van plezier, den krulharigen blondkop met de ruige petkluit van oud bont vooruit, saâmgevallen schaterde hij 't uit, de handen op den buik, onder het blauwe gezwabber van het bijna plooilooze vest.
—„'k Mot altijd zoo lachen als u kwaad wordt,” zei hij, toen 't eindelijk gedaan was; „maar 't is toch een lief beest, 't is toch jammer.”
—„Eergisteren heb ik nog twee katten gevangen,” praatte de jongen voor zich uit met zijn spuugstem. „Eén heb ik er op zijn kop getrapt, daar kennen ze niet tegen.”
—„Niet?”
—„Nee, ziet u, ik schoot em eerst met een steen, hij liep in het land bij ons op het erf, bij de wagen van m'n zwager, ziet u, en daar begon ie te draaien, en toen dacht ik, wacht; en 'k liep naar em toe, en ratsch, mijn hiel op zijn kop. Kijkt u, zoó.... Ach, toen was ie toch meteen uit zijn lijen ook. Wat zegt ú nou?”
Zijn hals en krop was onder 't vertellen aan 't zwellen gegaan; zijn stem werd almaar natter, of 't water hem van achter kwam loopen in den mond; toen hij met zijn hiel draaide en stompen gaf in den grond op de denkbeeldige kat, had er een scheutje oogenwit woest geflikkerd, maar langzaam zakten zijn zware oogleden neêr, 't brutale smoel was weg en hij stond weêr onderworpen, 't hoofd sentimenteel op zij.
En toen zijn stem met een hap ophield was het stil, opnieuw werkstil. Beneden onder het raam trippelden kinderen voorbij, de school ging uit. Ik hoorde hun druk gekibbel, hun opgewonden-zijn in de langzaam vallen gaande sneeuw. Daar ginder kwam gillend een jongen hard aanloopen; achter in mijn werkend hoofd kwamen de frissche geluidjes, jubelend geklank, hoog lachjesgesteiger vol jonge onnoozelheid. Maar als bezeten arbeidde ik voort, worstelend om het vliedende gezicht te vatten en te hervatten op dien jongen, dat ik me telkens en telkens, dagen lang, ontsnappen zag en verder weggaan en dan weêr even aankomen, in de wisseling van het geweldige leven dat uit hem spotten kwam. Beneden uit de steenhouwerswerkplaats bomde het onder me, het dof klopgeslaag der houten hamers gruizelend den steen.
Wat een wuft gegroeide neus en 't leek wel of die vagebond honderd monden had; zoo straks was zijn hals rank als een schooljongenshals en nu was 't een krop dien hij opblies, een zak dien hij volstopte met zijn opborrelende wilde neigingen.
Maar in een geslobber van zijn oude kleedij, lui staakbeenend in de afgerafelde broek en te vadsig nog om zijn handen uit den zak te halen, liep hij van zijn plaats zonder iets te zeggen, met de voeten sloffend en zakte neêr op 't matte stoeltje dat ik voor hem had klaargezet als hij rusten wou.
—„Je krijgt zoo'n pijn in je rug van dat staan.”—
—„Och kom, je hebt gisteravond zeker weêr te veel jenever gedronken, je kop is van morgen net zoo rood als een rooie kool.”—
—„Heere God nee, ik ben er af.”—
Hij zat al met de ellebogen op de knieën neêrgelaten, en met zijn bontpet als met een dood beest spelend, hing hij voorover, log, vierkant, een vracht op den vloer. En zoo liet hij me neêrkijken op zijn gemeenen rug, die bot kwam onder het opgestop van de vracht oude kleêren, welke arme menschen om de kou over elkander dragen. Onder het neêrstortende vallicht was die rug als een vlak stugheid, een hard klankbord, waar elke goede redeneering op afstuiten en stuk slaan zou. Er was iets zoo geweldig beestachtigs in het geglimmer van zijn ronden rug, iets zoo laags bij den grond in dien nederig gebogen slavenbast, hoe was het mogelijk dat ik in die kluit grofheid ooit had gezien en er telkens weêr inzag, eventjes, eventjes, het frissche van een openluchtskind, het losse van een vrijen lanterfanter die gaat zoo 't gaan maar wil.
Zoo had ik hem gezien en zoo was ik hem begonnen, dwalend van uitzicht, mak als een wilde zomervogel in den ontbering-brengenden winter; maar toen 't geld gekomen was, 't geregelde geld, toen verdween dat alles; dan kwam hij 's morgens aanzeulen, hunkerend naar meer geld, opgeblazen, met de uitspatting in de oogen van den vorigen avond, met het zwelgen nog zwellend in zijn wangen en hals. 'k Zou hem maar weêr een poosje de wei in sturen; maar hoe kreeg ik hem dan terug; hij woonde met zijn moeder in een kermiswagen en driemaal op een dag sprak hij er van om soldaat te worden en dan weêr naar zee, en dan weêr wat anders, uitvliegen, uitvliegen, 't was een ellende.
Stil zat voor me, toen ik mijn palet neêrlag, mijn poes met ingezakten rug, met de bekkenschonkjes en schouderplaten stekend door het vel, tot een bangelijk hoopje saâmgehurkt in het mousselien van het stoelkussen. Ze had de pootjes opgetrokken, weggeborgen onder het haarvel en de staart als kouwelijk om zich getrokken. En ze was zoo stil, men merkte niet dat ze er was; alles aan haar was stil, het kopje met den bleeken bloedloozen neus, stil; en de oortjes steil, aan de randen droog en dor, zonder een knipje beweging; ze was een doodstille zieke zóo; alleen achter in haar halftoeë oogen donkerde en schroeide de levende koortspijn. Ik had haar een legertje gemaakt bij de kachel, denkend dat ze 't koud had, maar sluipstappend en kleinlijk klagend was ze de warmte ontloopen en teruggekomen onder de frischheid van het raam. Toen had ik haar maar aan haar lot overgelaten, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.
—„Neen! 'k wil ze niet meer!” spuugstemde de jongen met zijn kop naar den grond.
Hij zat wat te frommelen met zijn zwarte vuilvingers aan het dotje van een rouwstrikje op zij van zijn pet, toen kwam hij overeind, eerst de eene arm, dan de andere.
—„Ik kan er anders wel teugen, ziet u, maar twintig borrels dat is toch te veul, wat zegt ú nou?”
—„Jij liever dan ik.”
—„Wat?” schoot hij snoeverig uit, zich ferm en recht makend, „de broer van Jan drinkt er wel dertig.”
—„Wie is Jan?”
—„Wel Jan, dat is de baas van het danshuis waar ik wel es speul, u weet wel.”
—„O ja.”
—„Een goeie man die Bram, die houdt veel van me, maar hij heeft al twee maal een toeval gehad; hebt u dat wel eens meer gehoord, menheer, de vlam sloeg hem de keel uit, van de hitte van binnen, van de brandende jenever!”
Er ging een ribbeling door het vel onder zijn oogen en zijn woorden kwamen uit zijn mondholte zacht en bang, toen hij nog eens zei:
—„Nee, 'k wil ze niet meer.”—
Maar dadelijk zijn angst verjagend, verzette hij zijn dunne beenen en kletste voort:
—„We hebben samen al wat een lol gehad, want 't is wat een goeie man. Hij mag me graag. Ze magge me allemaal graag. Weet u nou hoe dat komt?”
—„Nee? Ziet u, dat komt omdat ik altijd zoo vroolijk ben. Ik ben altijd vroolijk, ziet u. Ik maak m'n moeder altijd aan 't lachen, ziet u. Laatst toen mijn vader zaliger stierf, heb ik er nog aan 't lachen gemaakt. Ze zei teugen me: „Louis, wil je nou nog niet eres je ouwe vader voor 't laatst gedag zeggen”.... en ze huilde zoo.... ik zei, ja moeder.... en toen ben ik naar zijn bed gegaan bij ons in de wagen.... ziet u.... en ik heb gezegd, „nou dag, vader, 't ga je goed.” Toen is mijn moeder beginnen te lachen. O god, ze lachte zoo.... ik dacht dat ze mijn ouwe weêr heelemaal levendig lachte. Ziet u, daarom maggen ze me nou allemaal zoo graag.”
Ik was geduldig over hem gaan zitten en liet hem zijn praatzucht uitbuiën. 't Waren juist de dagen als hij den vorigen avond gezwendeld had dat hij zoo doorsloeg, om 't werken te ontkomen. En hij had een slag van verhalen doen, hij kon me soms aan 't luisteren zetten naar de echo van zijn wild leven. Uit zijn ongeleerd hoofd spon hij soms tafereelen, waarbij 'k mijn studie en mijn werk vergat.
Hij kon me vertellen hoe hij ging zoodra de kou voorbij was, met zijn wagen, zijn gewielde woning, en zijn moeder, die hij zijn kokkerol noemde, zijn vader: stérestan, en met zijn hit, gaande van kermismarkt tot kermismarkt, levende in de groote lucht, in de groote zon. Hij kon me vertellen van zijn bivakken aan de straatwegen, met het paardje grazende aan den kant van een trekvaart, hij deed 't ho.o.o.... ho.... van de schippers tegen de schuitjagers na. Hij kon vertellen van warme zomerdagen met gestolen aardbeien verfrischt, en van zoel wasemende nachten met hooilucht vol. En hij vertelde graag, al snoevend, van zijn jongensvechtpartijen en van de groote die hij had gezien, nadruk leggend op het mooiste en bloedigste, in het meêgaan met zijn verhaal. En ze waren soms wel wat bont zijn geschiedenissen en vol van noodkreten uit houten reiswagens, angstkreten uitgestooten in den nacht, van onder de neêrgeslagen zeilen der veldtenten, om hulp roepend, en van onder de hangende nachthuiven om mallemolens, waar 's morgens vroeg, mannen met woeste nachtharen elkaâr nazaten met bloote messen om een vrouw, zoekend elkaâr te steken en te dooden in het morgendonker, tusschen de houten paarden door en tusschen het stijve geschommel der geel geverfde leeuwen van het caroussel.