Zoo was de kamer een poosje stil en glanzend genotrijk om de lamp, vol met kleine tevreden geluidjes.
Toen kwam de baas op, leunde met den rug breed en behagelijk in zijn stoel, nam den bril van zijn neus en zei geeuwend:
—„Hè, dat 's er één!”
—„Staat er wat in?” vroeg zijn vrouw die haastig de kranten wisselde.
—„Nou.....” een versche hoeveelheid tabak stopte zijn mond dicht, hij klapte de koperen tabaksdoos toe, likte de bruine reepjes die over zijn onderlip krulden naar binnen en ging toen bedaard al kauwend voort: „nou, Dominé K. heeft het beroep naar Noord-Scharwou toch aangenomen.”
—„Hè, dat 's gek,” zei 't vrouwtje, „en voor een poos was het dat-ie bleef.”
—„Mag een mensch dan niet veranderen, wat zegt u?” vroeg hij zich tot zijn gast keerend.
—„Zeker,” zei die.
—„Nou, 'k vind het mal, hoor.”
—„Hoor es, vrouw,” begon de baas weêr en er volgde een uitweiding.
De gast zat te schommelen op zijn stoel; van achter en rondom de lamp kwam het praten der echtelieden tot hem; af en toe mengde er zich de stem van den knecht in, die onbekend met de gelegenheid, vragen kwam om verklaring. Het vreemde geluid der stem deed zijn buurman soms even opzien. Hij zag den knecht dan voor zich zitten, onnoozel en toch slim, kaarsrecht op zijn stoel met de krant op zijn knieën. Tegen den donkeren achterwand, waar een glazen kast kleurde in het donker met platte, doffe spiegelingen in de ruiten, zag hij den kop vóor zich. 't Was een beenige, oude-man-achtige kop, droog, hard overal, met rechte, dun saâmgeknepen lippen, met een rechten, driehoekigen neus, met rechte, dunharige wenkbrauwen, waaronder de grijze oogen naar achter gingen, vol slimheid wegkropen in de diepten boven het jukbeen; de ooren waren klein en hooggeplaatst; de slaapkuil er boven was hol en diep gemerkt tegen de slaaplijn en het voorhoofd bultte sterk op en naar voren als de sterk ontwikkelde voorhoofdknobbels bij sommige idioten; met een snellen zwaai werd de schedel vervolgens plat en verdween onder het korte, gele haar. Maar het praten ging voort en de gast vervolgde zijn luiheid, al luisterend naar de dompige stemmen. En wel een half uur lang was het kamertje vol met het gehaspel over kerkeraden en dominees-traktementen. De baas die zelf ouderling was in zijn gemeente, ontwikkelde zijn kennis, vertelde van zijn lange ondervinding, zijn begrippen over de gevallen en twisten, die, naar hij zeide, de kerk verscheurden. En uit al zijn kalme redeneering kwam de lijdzaamheid van zijn stevige, groote natuur, de vasthoudendheid van een werker in een afgesloten ruimte, samen met de uitgeslapen gevatheid van een buitenman. Nooit was hij verlegen iets te verklaren. Hij haalde de bewijzen voor zijn meeningen overal vandaan, maar 't liefst uit zijn omgeving, uit zijn vak, uit zijn dienstbaarheid, tusschen zijn bloemen vandaan, uit zijn ooft, uit zijn grond. Zoo liet hij zijn godsdienst zijn vak dienen en omgekeerd zijn vak zijn godsdienst. Hij kende de kerkwetten op zijn duimpje; bij het aanvaarden van zijn bediening had hij een geheelen winter lang de synodale wet bestudeerd, voorover op het boek met den vinger de regels volgend, de woorden spellend; wijze spreuken en spreekwoorden kende hij bij de vleet en ook had hij een groot geheugen voor grappige geschiedenissen. Hij wist zijn gesprekken te kruiden; hij plaagde ondeugend tusschen het vertellen door zijn vrouw met allerlei vieze verhaaltjes, breed lachend, knipoogend tegen den knecht, die evenals hij gewend aan mest, daarin geen kwaad zag. En zoo kon hij uren soms doorpraten, langzaam en kalm de avonden dood slaan. Liep zijn redeneering spaak, dan vulde hij de gapingen in zijn gedachtengang met zijn eenvoudig: „begrijp-ie” en ging ongestoord verder. En vol bewondering en liefde zat hem zijn vrouw zoo aan te kijken, al vond zij hem wel eens wat lang van stof. Maar van avond was hij kort en in zich zelven gebleven en na een oogenblik uitklappens weêr voorover gevallen op de krant. De droogte, het lange wegblijven van den regen, gaf hem het hoofd vol muizenissen, meende zijn vrouw.
En 't was weêr stil in de kamer, allen lazen de lange rubrieken met nieuwtjes. Na een poosje was de gast opnieuw met het hoofd tegen het schot komen leunen. Wat was het groot stil rondom buiten; alle avonden drong die gewaarwording zich op, wanneer in den late de nachtwind hoorbaar sluipen kwam langs het tuinhuis en om de boomen henen. Dat kwam telkens terug; maar alle avonden ook kwam voor hem dat geregelde nieuwtjespapier die prachtige rust storen, met het gevoel dat een duf riekende kelderlucht brengt die waaien komt in een frisschen dampkring. 't Was maar een oogenblikkelijk gevoel, dat spoedig wegstierf zoodra alles in huis sliep en de stilte voortging te suizen boven den onzichtbaren tuin die voortgroeide in de heerlijkheid van den nacht. Doch van avond waren de gesprekken die de nieuwtjes volgden dubbel vervelend, de lucht der versche drukinkt die opvloog uit de nog vochtige bladen, onuitstaanbaar leelijk; 't was als een verouderde ademtocht uit de hijgende longen der stad, een versufte echo uit een woelig en haastig leven..... En morgen en overmorgen, zou hij terugkomen die kwalijkriekende walm, uitgeblazen door de stad naar vier hoeken over de provincies; onafgebroken zou die zwerm van gedrukte verstrooiing voortgaan de hersenen te beroeren van duizenden met zoo een zondvloed van geestelooze overtolligheidjes.
De baas kwam weêr op.
—„Mag ik er even door, vrouw?” vroeg hij, „ik wou naar buiten.”
Hij ging om de tafel, men hoorde hem zijn sloffen die buiten de deur stonden aandoen, ze aanstootend tegen den steenen vloer en uitgaan.
—„De baas is stil van avond,” zei de gast.
—„Het weêr zit hem weêr in den weg,” antwoordde de tuinvrouw, „dat hindert dien man nou altijd, wil je wel gelooven dat hij er niet van slapen kan als de boel niet goed groeit, dan zit er wat dwars bij em, je hebt nog nooit zoo'n man gezien.”—
Ze begon weêr te lezen.
Mannestappen kwamen aan door de stilte buiten, ze klotsten wat harder op de steenen plaats van het koetshuis naast de tuinmanswoning, toen klonk de stem van den baas door de muren henen, een andere antwoordde, de klink der deur gaf een metalen tik en om den hoek van het schot riep de frissche stem „goeien avond samen.”
—„Dag baas,” zei de vrouw, „zoo laat nog?”
't Was de tuinbaas eener een uur ver afgelegene buitenplaats.
—„Hoe later op den dag hoe schooner volk,” zei hij.
—„Net zoo,” meende de knecht.
—„De baas komt de nachtcactus kijken,” antwoordde de baas. „Ga zitten, van D.....” hij vervolgde naar zijn hoekje schuivend: „heb je geen sigaar voor den baas, vrouw?”
De twee mannen raakten aan 't praten. De vrouw zette een bekertje vol sigaren op tafel, een blauw steenen bekertje, een kermisgeschenkje, dat hard, glasachtig glom om de dofbruine rechtopstaande einden der sigaren; toen dadelijk bedrijvig geworden, vroeg ze:
—„Wil je ook wat drinken, van D.?”
—„Dank je.”
Maar ze bleef voor haar stoel staan, in vertrouwelijke afwachting dat haar gul aanbod zou worden aangenomen, toen ging ze wat rommelen in de kast.
—„Weet je het wel?” vroeg ze uit het donker. „Neen dank je,” herhaalde hij kortaf om meteen zijn gepraat met den baas te vervolgen. Hij was half in het donker blijven zitten, zijn gezicht buiten den lichtkring der lamp; de eene arm achter om de leuning van zijn stoel geslagen, verdween in het donker.
Tusschen de rookwolken door spraken de beide mannen over de droogte, allebeî klaagden zij zich uit tegen elkaâr, kalm zonder gesticulaties. 't Was dan al een schrikkelijk droge zomer, en over en weêr begon ieder zijn tegenspoed op te sommen, dát groeide bij den een niet en dát weêr niet bij den ander. De perziken en druiven beloofden wel goed, maar de appelen en peren verdorden, je zou het zien, als er morgen regen kwam, vielen ze allemaal van de boomen af, en dan de groenten van de kouwe grond en de aardappelen daar wel de ziekte in kommen zou, was 't niet om bij te huilen. En 't volk dat al die dingen maar niet begrijpen wou!..... maar de blommen, zei de hovenier, ja, die hielden zich goed bij hem, nog nooit een jaar gehad van zooveel rozen, de tuinknecht kon het getuigen, 't was een lust voor de oogen, nee, maar een lust was het; overigens was het verdrietig..... Maar ze waren toch niet alleen, in Gelderland en Friesland beloofde de oogst ook niet veel had Floralia verteld. In 't Geldersche moesten de bijenkweekers uren vèr sjouwen met de korven, 't was gewoon een bankroet, er viel bijna niets te puren voor de bijen. De hei lag doodgeschroeid, en de boekweit en de spurrie bloeiden ook slecht... „zoo heeft ieder het zijne,” besloot hij wijsgeerig zich zelven troostend: „zoo zie je al weêr.”
—„Net zoo,” meende de knecht.
—„Nou, willen we es gaan?” vroeg baas van D., „ik heb nog een lange wandeling voor de borst.”
—„Ja, dat 's goed,—gaan jullie meê?”
Alle vier stonden op.
—„Dus van D., je weet het wèl,” vroeg de tuinvrouw, „geen glaasje boerenjongens?”
—„Nou, geef dan maar op...” en staande, met éen teug, dronk hij het glas leêg, dat de vrouw hem inschonk.
De knecht kwam op zijn kousen weêr binnen; hij had een lantaren in de hand, en deed het kaarsje er in ontvlammen met een half afgebranden lucifer dien hij aanstak boven de lamp; achter elkander gingen de vier mannen toen naar buiten.
—„Nacht, vrouw!” zei baas van D... die het laatst bij de deur was.
Met de oogen nog vol van het licht der kamer, traden ze in het dikke donker. En alles was weg. Om hen huiverde de zwarte nacht, die eenig heerschte, groot en alleen.
Ze liepen op. Langs den grond schoof en danste de lichtkrans der lantaren, die de baas, vooruitloopend, droeg in de langs zijn dij schommelende hand. Het licht ging vlottend meê langs het pad, een regelmatig gestraald, dof, rood licht, een in vieren gedeelde lichtkring, door de lange uitwaaierende schaduwen die de roedjes der lantaren wierpen in den wijd wegdoezenden rossen cirkel. Ze gingen den stal voorbij. Een matte gloor vloog even tegen de deuren van het koetshuis en wiegelde weêr weg, toen de tot een reus aangegroeide schaduw van den tuinbaas er voorbij duisterde; maar weêr kwam het licht op den dikken boomstam bij het zandhok, het gleed om den gladden beuk henen, die een schilferig uitzicht kreeg in het vage schijnsel, toen zonk de boom weêr achter hen weg tot een stuk van den nacht. Broksgewijs, bij kleine rosse schemeringen, herleefde de tuin. Ze waren in de oprijlaan. Telkens merkte het roode, diefachtige schijnsel even een stam en vlogen de onmetelijke schaduwen die de lantaren voor zich uit zond, tusschen de boomen dóor het hout in. Het rossig kaarslicht groezelde lang en onstoffelijk op het lage hout, het was als een damp om de lantaren waar de vier mannen donker in gingen. Nachtgeluiden gingen den lichtkring vooruit, een droog bladerig geritsel in de struiken, een vogel die opschrikte en slaapdronken tegen de takken aanvlerkte, een rat die over het pad schoot als een snel rollende bal, en het hout in.
—„Je kan ruiken dat het droog is,” zei de hovenier plotseling.
Ze waren in den tuin waar de bloemkas stond, en 't was zoo, er steeg een muffe lucht uit het zand, 't was alsof de grond zijn dorst uitademde in den nacht.
Bij de kas bleef de baas staan, hield de lantaren hoog op, gluurde naar binnen, het licht boven zijn oogen afsluitend met de hand en zei toen tot zijn gast:
—„Ik heb je 't wel gezegd; ze is nu heel open.”
De baas was het eerst binnengegaan. Het rosse vlamlicht der lantaren was komen vallen in het zwarte der kas en had het duister plotseling besprenkeld met roode loovers. De planten kwamen aangroezelen naar het licht toe, piekten op en spikkelden weêr weg, met kleine glansplekjes, met lichtende bladvormpjes en takjes, en dan vielen zij weêr saâm tot raadselachtigheden van gedoofd zwart en rosbruin, waarin het groen der bladeren verschemerde, gebroken en verweerd tot roestige kleuren. Boven op de kisting, dichter bij den lantarengloed, kwam het helrood der geraniums nog treffen in de oogen; het lag glanzig en diep, weggezonken in de rust, onheilspellend, somber, aaneengesloten als vlekken vochtig bloed; en er om heen sliepen de kleuren der andere bloemen en der bonte bladen; ze ontwaakten even als de lantaren bewoog, begonia's en primula's, het rose wit der hortensia's en van de gloxinia's het blauwe violet.
Maar dadelijk had de hovenier de lantaren geheven in den hoek waar de cactus stond, en met de optilling van zijn arm verschenen de bloemen voor de kijkende mannenoogen.
—„Zie je wel,” zei hij zich even omwendend, „ze is nu heel open.”
Niemand gaf antwoord. Als een bloem uit een tooververtelling, als een magische verschijning was de plant opgeroepen door de bundels van licht uit de vierkante ruitjes der lantaren. Wijd geopend zagen ze haar pralen, de grootste bloem naar voren gekeerd en de andere met afgewende bladen. In den saâmgedrongen gloed der kaarsvlam stond de bloem te gloeien, hevig als was ze van enkel licht; over den gladden opengespleten bekermond, van uit het gloeiende hart, kwamen de meeldraden nu recht snellen naar voren, gespannen draden van een glanzende materie, en de gele stuifselkopjes waren er bovenop gelijk kroontjes van rosrood poedergoud. De krans van schutbladen was wijd uitgeplooid geworden, ze krulden om, gekanteld tegen het donker, vlijmscherp als messenlemmeten was elk blad, en onbewegelijk stond de kelk in die krachtige omlijsting, vastgesnoerd in den stralencirkel, een statige ster daar onvergankelijk gemaakt.
Vol ingenomenheid hield de hovenier de lantaren hoog op voor zijn gast die dichterbij was gekomen, en bij het kijken scheen het dezen alsof de stilte rondom uitging van die bloemen, alsof de rust kwam uit dien hoek in de wolken van geuren. De bloem was zóo stil en stond zóo streng schoon, in zijn zuivere eenvoudigheid als een opgelost probleem, in zijn klankrijke helderheid als iets dat er volmaakt is; zoo scheen de bloem in het volle licht.
Na een klein poosje kwam de stem van baas van D. achter zijn rug om.
—„Jongen, jongen, dat is een mooi exemplaar, baas, maar ik vind de gele toch mooier.”
—„Ieder zijn meugt,” antwoordde de hovenier. Hij zette de lantaren voor op de kisting en ging leunen tegen de deurpost.
Oogenblikkelijk waren de bloemen gaan veranderen toen het licht dansende en schuivend verwijderde. Weêr een oogenblik was het den jongen man geweest of hij de meeldraden als voelsprieten had zien trillen, en de krans van schutbladen zich op en neêr bewegen, als de weeke leden van een zeester die ligt te kleppen en te dobberen in de zee. Hij begon het benauwd te krijgen in de kas; tot stinkens toe hingen de dampige bloemgeuren saâmgedrongen in de kleine ruimte. Griezelig kwam de bloem nu onder het kantlicht der laagstaande lantaren. 't Waren vage streepjes licht, die denken deden aan de visioenen op een japansche prent. 't Werd hem te eng. Boven zijn hoofd trokken zich de roeden der ramen tot een kruisnet; als door de tralies van een kooi zag hij door de ruiten heen in den zwaar-zwarten nachthemel.
Maar de drie mannen waren aan 't praten geraakt.
—„Je zou toch zeggen,” zei de knecht, „waar dient zoo'n blom toch voor.”
—„Ja, 't is een dondersch vreemd ding,” zei baas van D., „dat bloeit 's nachts, niemand ziet em.”
—„Ja, weet je,” antwoordde de hovenier, „hièr, maar, daar ginder in die verre landen, begrijp-ie, daar maken de zwarten er heggen van om de huizen, en as nou de buffels in den springtijd zijn, dan is er geen kwaad bij, begrijp-ie?”
—„Hoe dan?” vroeg baas van D...
—„Wel,” vervolgde de hovenier zeker, „as ze dan in den springtijd zijn, dan worden ze al op een afstand bedwelmd door de stank, begrijp-ie, en dan springen ze de huizen niet om.”
—„Hé ja,” zei de knecht.
—„En is er morgen niks meer van te vinden?” vroeg de gast even glimlachend.
—„Nee, morgen is ze verslijmd, heelemaal versmolten, in zijn eigen sappen verslijmd, begrijp-ie, net as een slak waar je zout op gedaan heb.”
—„Er is je toch wat raars in de wereld,” meende baas van D...
De hovenier had zich schrap gezet tegen de deurpost en kauwde op zijn tabakspruim met een malende beweging der kaken.
—„Heb je veel meloenen gehad?” vroeg hij.
En 't gesprek verliep weêr naar de droogte. Natuurlijk en van zelve kwamen zij er op terug hun leed te klagen, over en weêr zeurend, alles herhalend, maar eindelijk eindigde van D..:
—„Nou, 'k dank je wel, baas, ik mot weg.”
Met een ruwen stoot van zijn voet vloog de deur der kas open; een dikke gulp frissche lucht bolde naar binnen en schuurde ritselend langs de planten.
—„'t Wordt al koud 's avonds,” mompelde hij, tegen den nachtwind huiverend.
Ze traden naar buiten.
—„O, de lantaren,” zei de hovenier.
Hij nam het licht terug uit de hand van zijn gast, die op zijn beurt de lantaren hoog hield boven de groote schitterende ster.
—„'t Is een heerlijke bloem,” sprak hij opgetogen.
—„Is 't niet,” zei de baas, „'t is jammer dat het volk 't niet zien kan, er is geen vlekje aan, je zou zoo zeggen dat 't marmer was, 't is precies een blom uit een spreukie.”
Snel had de andere even naar hem opgezien en toen verlieten ze de kas.
—„Ik zal je den tuin uitbrengen, van D...” hernam de tuinbaas, „je kan geen hand voor oogen zien.”
En stil gingen ze weêr achter het slingerende licht aan; op den pas schommelend ging het langs de dij van den hovenier, het merkte opnieuw de breede knieplooien om het gewricht van zijn been, of het lichtte op den bulterigen bobbel dien de sterke knieschijf gedrukt had midden in de broekspijp.
Ze sloegen links af een laantje in.
—„We gaan den kleinen moestuin langs,” klonk de stem van den hovenier in den nacht sprekend.
—„Zou u je niet vasthouden,” vroeg van D... aan den gast die op den tast af achter hem aansukkelde, met de onhandigheid van een stadsmensch die het groote duister niet kent, „je loopt anders het bosch nog in.”—
—„Zeg dat wel,” zei deze lachend terug. Hij deed met de hand een greep naar de jas van zijn voorman.
—„Geneer je niet, ga je gang maar.”—
De baas hield de lantaarn even hoog op, om zijn gast de takken te laten zien die over het wegje groeiden.
In de schemering van dansende vlekken laf licht, voor zijn oogen uit, tegen de brandige vlamglansen die schuw flikkerden over dunne stammetjes, of dan weêr een warnet van takjes even begloeiden, zag hij de schimmige mannen gaan, achter het forsche stuk donker aan dat de rug des hoveniers uitstalde op het rosse schijnsel; 't was een rustige, vertrouwelijke rug, gemoedelijk gebogen, met een stevige welving boven de schouderbladen.
Ze kwamen in de groote laan.
Als in een donkeren tunnel schoof de lantaarn weêr voort met het spokige kruislicht op den grond. Het donker was koolzwart geworden, het drong tegen de geopende oogen aan, ze verbijsterend tot volslagen blindheid en de gast voelde zich of hij onder een dik gewelf liep. Maar aan het einde der laan zag hij even daarna, rustgevend, een geelrood lichtje pinken; als met een dofrood floers, als met een tooneeldecoratie eindigde de laan: 't was de petroleumlamp op den straatweg; het silhouetje van het buitenhek stond er donker tegen uit.
Ze liepen de laan af.
—„Nou wel bedankt, baas,” zei van D... nog eens toen ze bij het hek gekomen waren.
Maar de hovenier ging meê tot op den straatweg.
—„We zullen van nacht nog geen regen krijgen,” was zijn eenig antwoord; „de wind is te hoog.”—
Om hen ruischte het door den nacht; waar zij stonden met de ruimte voor zich, was de stilte vol vreemde en innige geluiden; het jagen der onzichtbare wolken en het wiegelen der mollige boomkruinen scheen de lucht te vullen met een gewuif van onhoorbaarheid; maar soms als de nachtwind even aanrillen kwam en koud neêrsloeg in de laagte, dan zong er een zacht klotsend watergeluid in de ooren, de echo van een aangroeienden en weêr terugvallenden galm; een hoog, bolblazend gewaai vol vocht ging over de boomen en het land in.
—„Hoor de zee es aangaan,” hernam de baas met de schouders schurkend.
In de lengte van den weg pinkten de oranje vlammetjes der petroleumlampen; op groote afstanden verkleinden ze achter elkaâr, verloren en verarmd in het donker; ziek glimmend en mager boorden zij zich door het zware floers van den nacht.
—„Maar 't zal er toch wel gauw van komen,” vervolgde de hovenier zijn gedachten.
—„'t Zou tijd worden,” meende de andere.
Ter zijde, tegenover den ingang der plaats waarvan het hek stevig stond in zijn twee hardsteenen stijlen, bescheen het straatlicht een brok van een ander hek, een raster van ruwe palen en lange, rottige planken; en daarachter in de vage en rosse onzekerheid, kwam de logge en gehoornde kop van een zwart koebeest dat goedig en lummelig opzag met zijn natte oogen. Het lag vreedzaam neêrgevleid op de wei, onafgebroken maaide zijn bek in de eentonige herkauwing, en verderop schoot het land tegen het duister in, 't werd tot een grenzeloos zwart vlak, dreigend saâmgeslagen met den hemel, één nacht die alles verslond en bedekte in zijn groote heerschappij. Soms kwam een enkel geluid uit die donkere diepte aanvaren, het rammelend ijzergeluid der kluisters van een grazend paard, het schuren van een koe langs een paal.
—„Hé wat is dáar?” zei de knecht die op en neêr dribbelde op zijn plaats, „je zou zeggen dat er brand was in den polder.”
Noordwaarts, achter den rug der beide tuinieren om, wees hij op een langwerpigen gloedveeg die oplaaien kwam tegen de lucht; hij merkte onder zich den horizon met een weeke, gerimpelde lijn. Geheimzinnig scheen die glans daar te hangen, vast op zijn plaats; hij sloeg er een gat in de macht van den nacht; hij was als een groot St. Elmsvuur, een dwaallicht boven een poel, als een van zelven ontvlamde pestwalm boven een ontzettend lichaam dat in ontbinding is.
—„Wel nee,” zei de hovenier geeuwend, „dat is Amsterdam, het licht van Amsterdam, begrijp-ie.”
—„Hé,” zei de knecht, „zou 't geen brand zijn? Kijk, nou is het sterker.”
In de verte was het een oogenblik als verbreedde zich de lichtwolk, als kwam de glanzende nevel opvliegen tegen de lucht met een heir van glinsterende pijltjes, maar toen viel hij weêr terug tot zijn gloor van dwaallicht dat boven een poel zweeft, bleek lichtend in het duister.
—„Nou, nacht baas, groeten aan de vrouw, hoor.”
—„Wel te rusten,” zei van D..., ze allen een hand gevend.
—„Wel te rusten,” zei ieder terug.
Links stapte het donkere figuurtje den straatweg af, en de andere twee gingen met den tuinbaas, achter de lantaren aan, de plaats weêr in.
Elf gesmoorde metaalslagen waren aan komen waaien uit den verren dorpstoren en nog altijd zat de gast van den hovenier in de tuinmanswoning te soezen onder de lamp; alles in huis sliep den stevigen slaap van den voornacht, na een dag tobben in de open lucht.
Hij zat te rooken, met het hoofd lui achterover tegen het tochtschot geleund. Een tijdje had hij zitten lezen, nu lag het boek weêr voór hem op den rand der tafel, en als na een lekker eten, vol rustig genot, was hij aan het dommelen geraakt, vaag kijkend voor zich uit. De nacht rondom was gedrukt, zwijgend van een zware stilte; er hing een plechtigheid om de tuinmanswoning als was zij een altaar in een hooge en stille kathedraal.
Als alle avonden, na den goedennachtwensch, en de vermaning die er gewoonlijk bijkwam van goed op het licht te passen, was hij om tien uur alleen achtergebleven met de zwarte huiskat, ineengerold naast zich op den stoel. Het beest lag te slapen met den kop tusschen de pooten, weggedoken in zijn zachte huid.
Vermoeid van het lange staren in de lampvlam, had hij al gauw zijn oogen gesloten, en zoo bleef hij stil zitten, wippend met de voeten; en in zijn hoofd droomden de gedachten, kalm en gelijkmatig kwamen ze op de eentonige maat van den tiktak der klok.
Stoorloos, stoorloos was de nacht. Hij voelde de loomheid er van dringen in zijn spieren, zijn leden van krachteloosheid bevangen; maar warm wolkte de tabaksrook om zijn hoofd en in de narcotische prikkeling die hij opsnoof door de neusgaten, leefde zijn verbeelden heviger.
Zoo bleef hij onbeweeglijk, in het heerlijke gevoel van alleen zijn, in de lekkere verdooving van zijn lichaam, onder het genot van de machinale werking zijner hersens, die de indrukken verteerden, natuurlijk, evenals een maag de ingenomen spijs.
Want hij wist het eigenlijk zelf niet waaraan hij dacht. De geleefde dag met zijn wonderlijk volzijn van indrukken spookte wel na in zijn hoofd, maar nooit kwam een indruk bij hem terug die niet andere opriep; als schimmen waren ze dan nu ook weêr komen dolen, sommige al zoo lang geleden geleefd.
Daar waren donkere herinneringen uit zijn kindsheid, ze waren uitgesleten en vaag, als spiegelbeelden op den achterwand van een verweerd foelieglas. Wat een vreemde jeugd had hij gehad en wat lag zij ver achter hem, die grootgrijze eentonigheid!
De kat was opgestaan. De stoel die op ongelijke pooten waggelde, klopte op den grond. Dat deed hem opzien. Met een hoogen rug stond de zwarte kater te rekken, hij schudde rillend met den kop en zag hem toen aan met de groene phosphorische oogen die klein werden tegen het licht.
—„Kom maar hier, poes,” zei de jonge man zacht op zijn knie kloppend.
Voorzichtig naderde het beest zijn knieën, stapte over, ging sluipend en kopjes gevend onder de hand door, draaide een paar maal rond om zich zelve in eene matte flikkering van zijn glanzend haar en plooide zich toen neêr op zijn nieuwe ligplaats, met den staart voorzichtig om zich gekruld.
De gast was weêr in zijn luiheid teruggezonken, werktuigelijk streelde zijn hand het gladde vel van den kater wiens tevreden spinnen weekweelderig naar hem opsteeg.
Van zijn vierde jaar af had hij zijn jeugd gesleten tusschen de muren van een weeshuis; en in eens was hem nu een dag in het hoofd gekomen, een dag als het heden geweest was, zwaar en gedrukt, vol met beloften van regen; 't was op de groote binnenplaats van het huis, een vierkante ruimte ingesloten tusschen hooge gebouwen. Hij zag ze weêr. Twee er van waren nieuw en de andere twee waren ouderwetsche huizen van mooi metselwerk, met witte blokjes om de bogen der hooge ramen.... Ja, juist: 1608 stond er in den hoogsten gevel, in een krullig geornementeerden steen gebeiteld; daar was ook een torentje boven op, en een klok was er die sloeg. De andere gevel was in het midden doorbroken door een groote poort, 't was net een tunnel die poort, het verwulfsel was bekruist met bogen die vroeger veelkleurig waren beschilderd geweest; aan het einde was een eikenhouten deur die de poort afsloot van de straat, een dikke poortdeur was het, hoog en breed als voor een middeneeuwsch kasteel, met zware dwarse sluitboomen verzekerd; ijzeren bouten en groote spijkerkoppen, die er schurftig en verroest uitzagen onder de verflaag, waren er als overheen gezaaid, en er was ook een kijkvenstertje met tralies en een ijzer klepluikje. 's Morgens van half tot heel negen uur ging er een kleine deur open in die groote poortdeur, dat was voor de schoolkinderen die geen weezen waren. En in eens kreeg hij het gevoel terug wat die open deur geweest was in zijn gekerkerde en gebonden jeugd. Dan zag hij een poosje in het daaglijksch leven daarbuiten. Hij zag menschen druk voorbijgaan, een oogenblik loopen in het vierkante raam der deur, haastig en met doellooze oogen kijkend, achter den zwarten rug van den ondermeester om, die met zijn magere beenen op de stoep de wacht stond te houden. Dan zag hij de groentevrouwen en de mannen die naar het werk toe gingen, hij hoorde ze niet alleen, hij kon ze zien ook. Dat waren altijd oogenblikken geweest van bizonder genot. Maar die namiddagen op de wijde binnenplaats met haar vier tuinen in de hoeken en de vier besteenvloerde paden met den zonnewijzer juist in het middenpunt.... een groote wereldbol was het, okergeel geschilderd en de jongens klauterden bij zonnig weêr op het voetstuk, om te zien hoe laat het was. De vier paden hadden namen, hoe was het ook weêr? .... „Kinderpad, ziekenpad, schoolpad, regentenpad,” .... zoo was het, en dan dat welvende hemelveld boven de plaats, het eenig uitzicht. Soms was het heet blauw, en dan weêr van een luchtig vochtig grijs of bestapeld met blanke wolken. Ja, 't was ook net zoo'n dag geweest als vandaag, dikke grijze vachten dreven en joegen boven de plaats; 't was warm, de kleine jongens hadden niet willen spelen, ze droegen allen, evenals hij zelf, lange blauwe boezelaars die tot op hun schoenen hingen, en die hen als ze overeind stonden op oude mannetjes gelijken deden. Ze lagen nu allen lui in het warme zand van den speeltuin.... en in eens was er een jongen hardop gaan zingen: „ooievaar, lepelaar, stokkedief, die altijd over de huizen vliegt”... en toen had hij zelf naar boven gekeken, en een blank-statigen ooievaar gezien die met breede klepslagen de ruimte begon over te steken boven zijn hoofd. In het midden gekomen, was de vogel onbeweeglijk met de vlerken gebleven, drijvend op de lucht, en hij was toen doorgezeild, prachtig hoog over de ruimte, met de roode pooten als een roer achter zich aan. Hij had het dier nagekeken terwijl de jongens zongen, totdat het heelemaal weg was achter den toren om. Toen, hij voelde het weêr opnieuw, was hij voorover in het zand gaan liggen huilen, kwaad dat hij niet uit mocht en geen ooievaar was die vliegen kon. Eerst hadden de jongens gevraagd wat hem scheelde en vervolgens hadden ze hem uitgejouwd, omdat hij niet had weten te zeggen waarom of hij gegriend had. Een van hen was gaan klikken, en de moeder was gekomen en die had ook niets uit hem kunnen krijgen. Toen had hij tot straf in den hoek moeten staan omdat hij zoo koppig geweest was. O, hij herinnerde zich dat alles alsof het gisteren gebeurd was, zijn geheele jeugd ontwaakte, broksgewijs en door elkaâr, in zijn soezend hoofd. Dat waren de donkerder jaren die op zijn schooltijd gevolgd waren, ze lagen weifelend op den grond van zijn herinnering, vol zwarte gaten, vergeten en half uitgewischte tijden, maar er waren ook kleurige vroolijkheden die uitsprongen ruw en schril. Daar lag een heele tijd, zijn beste jeugd, van zijn elfde jaar tot zijn manworden, van de eene werkplaats naar de andere, elf lange jaren van verspilde frischheid, gesleten in een rauwe omgeving, tusschen ruw werkvolk. 's Maandags waren ze meestal dronken en dan kreeg hij slaag, als hij om ze te sarren, de jenever niet gauw genoeg halen wou, of de haringen voor het opfrisschen. God, god, wat een tijd! Geheele rijen van gezichten gingen voorbij, aangezichten van eens gekende menschen. Daar gingen de rijen weesjongens en meisjes, waar waren ze gebleven zijn lotgenooten in de groote weezenfamilie? Daar gingen moeders-suppoosten met kornetten op en droge secure gezichten; daar gingen zalvend-bebakkebaarde weesvaders; deftige regenten en hooge regentessen; een er van leefde altijd in zijn herinnering, dit was een mooie dame, die had hem prenten gegeven toen hij ziek was en heel andere versjes geleerd dan de schoolliedjes waren. Maar daar kwamen andere rijen, ruwe, groflachsche werkmanskoppen, met lippen die vloekten en tabakpruimden, met oogen die 's Maandags ontstoken waren en onrein; daar gingen de brommende bazen voorbij met hun nog knorriger zoons, en de heerschappen die op het werk kijken kwamen. Soms kwam er ook een vriendelijk gezicht tusschen al die onverschillige menschentronies. Hij kende ze nog wel; dat was de ondermeester, die altijd zooveel te vertellen wist; dat was Rudolf, die naar zee was gegaan, een lange slungel, de jongens noemden hem Stoop; bij het weezenvolkje stond hij hoog in aanzien, en hij had de beroemdheid van mooi te kunnen teekenen; nooit was hij weêr teruggekomen, want op een goeien dag was hij overboord gewaaid, werd verteld; en dat was Leentje met haar lang korenblond haar, ze was aan de tering gestorven; en dat kleine werkmannetje met zijn bult en zijn breeden lachmond; en dat was een oud gerimpeld vrouwengezicht, dat hij altijd zag in de herinnering van dien tweeden tijd, en hij kon het niet anders zien dan in de warme schaduw van een zonnigen werkeloozen Zondag.
Er was op die tweede periode ook een betere gevolgd, hij had toen als man moeten beginnen wat een ander begint als kind.... en....
—..Miauw! klaagde de kat, de streelende hand was ruw geworden en het beest kreunde tegen.
Met het even opkijken zag hij het witte schort van den hovenier achteloos achtergelaten in den rieten leunstoel; 't lag ineengerold, de wrong van de sterke lenden zat er nog in, vol knoeiende krinkels, en de banden hingen er slap en leêg bij.
Toen was in eens de Narcerus met haar twee wonderlijke bloemen bezit gaan nemen van zijn verbeelden. Hij moest zich haar voorstellen, zooals zij nu stond in dien ruwen hoek van de donkere kas, onzichtbaar in al haar blank mooi-zijn, stil openbloeiend in den nacht, om even onzichtbaar te sterven in de wolk van haar eigen hartegeuren. Was het niet zeldzaam zoo mooi te zijn alleen om zich zelve? En het verlangen bekroop hem die bloem weêr te gaan zien, haar op te roepen opnieuw uit het duister, maar de deur was toch gesloten en zijn lichaam was zoo lui, dus bleef hij maar doorsoezen in de stilte met de warme kat op zijn knieën. De wind suiselde om het tuinhuis heen, 't was een geluidje als van zijden slepen die langs ons voorbijgaan. Hij schurkte met de schouders van genot. En hij dacht aan het verhaal van den tuinbaas. Ja, ja, in dat gebrekkige vertelsel, in dat kinderlijke verhaal van wilde buffels, stilstaand en tegengehouden door bloemengeur, en het geloof waarmeê het verteld werd, was daar niet veel in van de bekoring der bloem zelve, en die bloem was ze niet als hoorde ze thuis in den tuin van Scheherazade, de arabische sprookjes-sultane? Want ze kwam uit het oosten, had de baas verteld, uit dat wonderland het oosten, waarvan de verhalen rondspoken in de hoofden van alle kinderen, groote en kleine; uit het oosten, uit een vaag land, dat in de kleine verbeelding van het volk leeft als een vèr vermoed oord van melk en honig, van hitte en zwarte menschen; van het werkelijke oosten, dat zijn weeke weelde brengt met zijn dadels en rijpe vijgen; uit dat oosten dat de menschen tusschen de nevelen bezoekt met zijn droomerijen en dat hun, godgewijd, zijn bedwelming zendt uit de bladen van hun Heilige Schriften; uit dat wereldstuk door droomers bedroomd; uit het oosten waar het licht begint; uit het oosten, dat is uit alles wat ver af is en daarom schoon, als alles wat onbereikbaar is en daarom doet sterven van verlangen.
Zacht snorde de kater, als een die een bidsnoer afprevelt, en de rook kringelde warm op.
En ook in zijn leven was dat oosten getreden als een schoone bezoeking; 't was nog niet zoo lang geleden dat hij een grond beloopen had, waar de mensch om zijn god te vreezen met verdwaasde oogen bidt naar de dalende zon. 't Was aan het einde geweest van een lange reis, als een steelsche blik in een schoon maar verboden oord, dat hem die het gezien heeft des daags vervolgen blijft met zijn gezichten, en zijn nachten onrustig met droomen bezoekt. Nu was hij er weêr, nu zag hij weêr dat lange zandige strand waar hij aangeland was, met zijn heuvelrijen van esmerald en rood purper om de baai der zee. Hij hoorde het schuimende klotsen weêr, het breken en tuimelen der waterbanen in den avondvloed, het lange deinen der opschuivende golven, meeuwwit bekuifd, met sappig smaragd in de diepten, vol donkere blauw-waterkleuren in de omkrommende valling. En hij zag de wandelende Arabieren weêr in hun blanke tunieken, met de mantelkap in den bruinen nek, of warmtegevend over de geschoren kruin getrokken.
Daar gingen ze, de deftige zwartbaardige Oosterlingen die zonder gebaren spreken, koelte zoeken in de avondbries. Hij hoorde ze gaan, het kleppen van hun baboesjes, van de roode en gele muiltjes met neêrgetrapt hielstuk, op het natte strandzand. En hij steeg met hen naar de poorten op, tusschen de opkronkelende poorten in, waar de schildwacht zwijgend zat op zijn steenen bank; hij had de wijde broek gemakkelijk opgesjord in het kruis en joeg den rook uit zijn kiffpijpje, uit een kleinen rooden kop en dikken rieten steel met gouddraad omwonden, door zijn wijde neusgaten heen, onder zijn zwartkijkende en star peinzende oogen door. Zijn lang geweer met koperen loop en omgebogen pistoolkolf stond onder de greep van zijn hand. En verder dwaalde hij in die wonderlijke stad, tusschen het bedrijvig gewemel van veel menschen die bij den dag leven... hij slenterde weêr tusschen het bonte gekleur van veel natiën, saâmgestroomd aan de poorten van het weelde-belovende Oosten; van den zwarten, kleinschedeligen Etiopiër, langs den rechtop wandelenden berg-Arabier, die het roode foedraal van het hem onmisbaar geweer als een tulband windt om de geschoren kruin van zijn lang-mageren, fanatieken kop; langs den geelhuidigen en vuil gekaftanden Jood, die zijn rijkzijn verbergen moet en met neêrgeslagen oogen loopt; langs den ijdelen en donker uitzienden Spanjaard, die deftig doet als een Oosterling; langs den kortharigen Brit met zijn blond vleesch en koude oogen; langs den stevig gerugden Noorman, wiens kaken log uitgegroeid zijn en wiens kauwspieren dik, van het vele eten. En hij klom hooger de heuvels op van de stad, naar het marktplein dat leêg liep en waar de ezels en honden los doolden in het achtergebleven vuil; hooger op zag hij de kolossen der kameelen staan, zwaar en losgepakt tegen den nachtwordenden hemel; ze kwamen uit het binnenland, diep uit het hart van het Oosten en hadden de weeke weelde meêgebracht op hun monsterige ruggen. En nog hooger klom hij, waar de graven zijn, hij zag de vrouwen zitten, vormloos, weggesluierd in hun dikplooiïg wit opperkleed, neêrgeknikt onder het takkengestekel en gewaaier van aloës, biddend bij hun dooden, droef gebogen, klagelijk saâmgeplooid, onderworpen nog voor hun doode meesters... murmelend hun: „Allah Akbar, God is groot.”
En als hij dan opkeek, zag hij, tusschen de plantenarmen door, plassen van het blauwe, lage watervlak en de heuvels met hun kleinoodiënkleuren, en de golvend gekartelde slanglijn van den ringmuur om de stad, en de witte blokken, stapels van bordessen op elkaâr, met het geheele Kasbah, het optronende paleis van den grooten heer: het blanke visioen van een afrikaansche stad vliedend onder een komenden nachthemel zonder licht. O, wat was dat alles nu vèr, weg waren de ruwe kanten, de harde indrukken, ze bestonden niet meer, ze waren uitgesleten in het weeke liefhebben der droomende herinnering, alles was zoo vèr en zoo mooi en hij zou het wel nooit weêr terug zien.
Zoo gingen soezend de minuten voort, en rondom de tuinmanswoning zuchtte de nacht haar smartelijke stilte uit, en het tikken der klok was als hamerslaagjes, als het koortsige kloppen van een menschenhart.
Slaperig opende hij de oogen. Hij zag de couranten netjes opgevouwen en tot een dik stapeltje gemaakt, liggen op de tafel. Toen vielen zwaar zijn oogen weêr toe.
Daar kwam de torenslag, 't was twaalf uur; de slagen rekten zich lui uit en galmden slaapdronken na in zijn hersens. 't Geluid kwam weerbarstig, als verbrijzeld tegen een dampkring zwaar van water, verstrooid geraakt en moeielijk voortgestompt door den dikken nacht. Werktuigelijk was hij begonnen te tellen: „ééne, tweeë, drieë,” 't was of het onderste gedeelte van zijn lichaam weggenomen werd, en een gevoel van waaiende spinraggen ging over zijn voorhoofd, over zijn oogleden en over zijn wangen; „acht, negen,” herhaalde hij, „acht, negen, acht, negen,” ging het al stiller en verder van hem weg... toen sliep hij met het hoofd tegen het tochtschot en met den zwarten kater ineengerold op zijn knieën.
En hij droomde dat hij lag hoog op de helling van een heuvel; de glooiing was bewoeld met klein, bleekblauw groen, fijne varens met gespleten en gekorven blaadjes en glinsterig, rondbladerig, kruipend kruid. Hij lag lui uit en zag boven zich in een stillen hemel die sterreloos was, een effen lichtveld, staalblank blauw. Over hem daalde het maanlicht en overal over den heuvel, hij zag de donkere schaduw uitgaan van zijn liggend lichaam, scherp gebeeld op den kriewelenden plantengrond; want laag achter hem rees de klare maan, zuiver in den nacht stijgend.
En toen zijn kijken weêr opklom langs de glooiing, die uitschoof wit van 't maanlicht besneeuwd, zag hij donkere, veelarmige gewassen staan, ineengekronkeld en tot een heg vergroeid; ze stonden op den uitersten rand, daar waar de glooiing verliep en de vlakte begon; en groote sterrebloemen zag hij blinken tusschen het takkengewar, witte nachtbloemen, opengefonkeld in het stralen der volle maan; en een reukdamp kwam dalen van boven, de zware geuren van de bloemen der Narcerus.
Toen werd het zijn willen die bloemen weêr te zien en dichtbij. Hij kroop langs de helling op, tot waar de planten groeiden uit den grond. Zóó bleef hij stil liggen, met het hoofd gesteund in de beide handen; boven zijn oogen zag hij de twee bloemen der cactus. De grootste was licht gebogen naar den grond. Hij kon diep inzien in het gouden hart, dat, bloedend gekleurd, tusschen uit het stralengepraal der schutbladen de lange meeldraden snellen liet, zwaar van het bevruchtende stuifmeel. En de kleinste was meer afgekeerd en puntte zijn witte bladen weg in het geduister der takkenschaduw.
Stil bleef hij in zijn bewondering. Hij voelde zijne leden zwaar liggen en wegzakken in den fijn begroeiden grond en de kracht van zijn spieren en knoken drukken als een logge macht.
In het smettelooze maanlicht was alles zóó ijl en omstoffelijk; het kleine gegroei op den grond beefde in het witte licht en daarboven fonkelden de bloemen, lichtend als licht zelve. Een gevoel van onrust begon hem te bekruipen, een wrevelig, maar week gevoel over zijn eigen grofheid. Toen, ja, hij had het zeker gezien, de blaadjes klepten.... de bloemen bewogen, ze gingen los van den stam en kwamen langzaam aanwandelen, als hoogpootige spinnen. Tot voor hem kwamen ze, daar keerden ze om en groeiden in eens vast aan den grond.
En nu ze onbewegelijk als marmeren bloemen waren, onder den blik van zijn neêrgeslagen oogen, hoorde hij dat ze spraken en het verbaasde hem niet.
—„De nacht is eeuwig,” kwam uit den afgekeerden mond der kleinste bloem, brommende als een orakel.
En uit de grootste ging óp het geluid van een menschenstem:
—„Wij zijn kinderen van één nacht en wij pralen om niet; onder de bloemen die bloeien is geen ons gelijk, ons schoon-zijn is de bloei der begeerte.”
—„En de begeerte is eeuwig,” prevelde de afgekeerde bloem.
Maar de andere hernam weêr:
—„Onze hoogste schoonheid is de schoonheid van één nacht en onze eenige bloei de rijkdom van dien nacht; waar wij bloeiend in de stilte staan, daar is het duister niet dof en het donker niet dood, wij kunnen rondzien waar onze geuren gaan, blauw is de nacht waar wij bloeien.”
—„Bloeien is behoefte en behoefte is eeuwig,” viel de kleine in.
Maar de andere sprak weêr:
—„Tusschen de wimpers van onze ontwakende oogen, toen wij geboren werden uit het licht, ging de zon weg, westwaarts, in een droom van roodrookig goud; en toen het licht henen gloeide en de avondhemel als een gewelf van luister was, zagen we ze staan, mannengestalten hoog, met prevelende lippen en verlangenden blik. Opwaarts bewogen ze de handen uit de lange, wijduithangende mantelmouw en ze strekten ze in de lichte lucht, ze bewogen ze op een breed rythme. Op de duistere aarde vielen ze neêr, de hooge gestalten der bidders, lang lagen hun hoofden tot den grond, fluisterend dronken zij het stof der aarde in, die ze zóó heilig kusten in hun dronken vervoering.”
—„Allah akbar, het licht komt van Hem,” murmelde de afgekeerde bloem.
Maar de andere sprak:
—„Toen de maan nog donker was en de aarde duister onder een hemel befeest met geschitter van sterren, zijn ze langs ons heen gegaan, de zonen en dochteren der menschen die elkander zochten. Ze hadden hunne lange kleederen opgenomen tot aan de knieën voor den loop van hun verliefde voeten. En ze hebben geleefd bij ons, in onze geuren leden ze de smarten die vreugden brengen en de vreugden die in smarten vergaan. Wij hebben hun leven verstaan in het gejuich en geklaag dat om ons ging op de woorden van den waanzin der liefde. En als het geklepper van hun baboesjes weêr stil was geworden in den nacht, hebben wij de geuren uit onze kelken nagezwaaid aan hun liefde, als wierook uit witte vaten van albast.”—
—„Het leven groeit in de macht van den nacht, het duister is bevolkt met de kiemen der geboorte, groot is de macht van den nacht.”
Zoo sprak de eene bloem, maar de andere hernam weêr:
—„Als het groot gouden oog van den dag was tot de rust gegaan, en weêr een dag dood aan den tijd die nooit geboren is en nooit sterven zal, als het oog van den nacht begint te ontluiken en pinkt aan de lucht als een sikkel met scherpe hoornen, als de aarde zwelt in het donker onder de wassende maan na een dag van grooten groei en de lucht zwaar is van bevruchting, zijn er wilde schaduwen langs ons heen gestormd, stoeten van wilde buffels die elkander zochten; en aan onze takken zijn de vale vlosvlokken blijven hangen uit hun ruig lijf, dat langs ons henen schuurde in den razenden gang, en zij hebben ons verpletterd in de wilde beweging, als de grond dreunde onder het gestamp hunner driften.”
—„Wij werden geboren uit het licht en wij gaan met het licht,” klonk het uit de afgekeerde bloem.
Maar de andere sprak weêr:
—„Als de hemel nog nachtblauw is, maar uit het oosten het licht al opschemeren komt achter den donkeren bol der aarde om, als het groot wordt en groeit en het duister bekampt met vlagen van glinsterend zilveren pijltjes...”
Maar plotseling kwam met een zwaai de schaduw van een hand die de vingers groot-uit gestrekt houdt, voor de oogen des slapers; het breede goedronde gelaat van den hovenier kwam opdringen uit de diepte van het droomveld, en hij hoorde zijn stem, zeggend met het hooge geluid:
—„We hebben van avond de kas licht gemaakt.”
En in eens waren de bloemen verdwenen. Helle stroomen gekleurd licht kwamen neêrregenen voor zijn oogen om te storten tegen den grond en uiteen te slaan als stuk stuivend en plots poederend water. Maar de regen hield op en 't bleef tot een lichtenden mist, tot een glanzenden nevel in zijn droomende oogen. Geroezemoes groeide er uit en door heen, geluiden van wild water, gerommel en gereutel en gesieper zong uit den bangmakenden dampkring van stuivend licht. En de geluiden groeiden aan met lange streken, ze wrongen zich saâm tot een aandeinende golf, die weêr terugslaat. En op de stroomingen begonnen klanken te komen die stemmen geleken, ze zetten uit en drongen óp gelijk aan den zanggalm die uit de openstaande kerkdeur van een protestantsch bedehuis bollen komt, waar de gemeente zingt.
Duidelijker groeiden de geluiden aan, ze werden ontzettend. Angst overviel den slaper, een beklemming zakte op zijn borst, 't was of twee knoestige handen zijn ribben samenkraken wilden aan de ribbenzijden. Daar kwam een lollende deun opzetten, hij zwaaide en draaide boven den grommenden geluidenchaos, zweeg, viel als vermoeid neêr, maar sprong dan vervaarlijk weêr op, en spiraalde naar achteren met een woesten en buitelenden dwarrel. Almaar groeiden de geluiden in kracht, het bange concert werd al voller en voller;.... daar kwamen reeksen van rauwe kreten, luchtstooten wild uit de longen gestuwd, harde ademtochten, heete hijgingen tot geluid geperst, en met hen kwamen galoppeerende en hortende horden van daverend stampgeluid, klanken van hout op hout en van ijzer op steen. En daar stegen geluiden omhoog, saâmgeschroefd tot zuilen van geluid, en verder op ging een andere jubelende kolom de hoogte in, en daar éen en ginder éen, boven een poel van rumoerige kleuren waar alles gloeide in een hel van licht en gedruisch.
Hoort, daar begon de deun weêr, harder, komend van dichterbij. Dat klonk niet vroolijk, dat was een logge, dikke deun door dronken-menschen-kelen bezield geraakt, en opgezwollen van pret in de ruimte uitgeschreeuwd; dat was een lijzige plezierdeun, een uitbundig feestlied met een klacht tot ondergrond, een feestwijs gezongen met een naar neusgeluid of uitgeklaagd door een houten hobo, een lachen met zoute tranen achter in de keel.
Maar langzaam klaarde de nevel op en door het dunner wordende gordijn kwamen lichten pinken, lange rijen van lichten, dubbele reeksen begon hij te tellen: gele, onbewegelijke gasvlammen, sidderende roode en witte vlammen, blauwe vlammen en maanstralig elektrisch vuur; een stankwalm van gesmolten vet, van brandende talk prikkelde zijn neusgaten en hij voelde de ademwolk van veel menschen. Helderder en scherper begrensde zich de droom; hij begon lange stoeten te zien die donker slingerden, bewegingen van zwart, gestalten die voortschoven onder het geroezemoes van licht.
En in eens herkende hij waar de droom hem gebracht had. Hij was in de hoofdstad en de hoofdstad vierde feest. Hij herkende de straat waar hij was, hij voelde het asfalt ervan gladgeslepen onder zijne voeten. Tusschen de elkaâr opstootende menschendrommen waarin hij zich meê voelde gaan, zag hij stukken van den vloer, geelrose vlekken onder het net van lichtjes, die een stralend dak vlochten boven zijn hoofd. Want overal zag hij lichtjes, kleine, weinig glans gevende lichtjes, maar die in hun duizendtallig zijn gloeiden tot een gewelf van vuur; over de straat vlogen ze in kruislijnen, guirlandes ervan hingen zwaar gebogen over de geul der smalle straat, van den donkeren muur tot den donkeren muur. Opwaarts en over elkaâr heen, torsten ze in hun samentreffing, kronen van dubbele rijen gloeiende pitten, rood en wit en blauw geschilderde glazen; het dikke vet lag er troebel op den bodem in, en één voor één hingen ze in een ringetje van gevlochten draad, zwart streepje op den lichtenden wand van elk glas. De winkels waren weg, de deuren en uitstallingen gesloten, gebarrikadeerd en dichtgespijkerd met planken als bij een oproer. De ondergevels en winkelpuien geleken stomme, strakke dijken, die versterkt en opnieuw gelapt, den woedenden stroom moeten binnen houden.
Maar naar boven, boven de lichten en geluiden uit, daar gloeiden de vlaggen en trofeeën, ópbrandend. Donker kwamen ze dalen, neêrgelaten uit den donkeren nachthemel; de roode banen zakten bloedrood aan en verschroeiden boven de guirlandes tot een rauw oranje, de wimpelstrooken verbrandden tot licht rood, het blauw vergroezelde tot groen en het schemerend wit purperde, met bleek rose op de plooien. Op den luchtstroom van beneden bewogen al die kleuren zich als op een licht geblaas.
En overal over de in lichtheid wegwolkende lengte der straat, tusschen de festoenen en lichten door, boven en tusschen de banen der vlaggelappen, die een schijn kregen als waren het de hoog opgetrokken decoraties van een tooverballet, boven en tusschen de donkere lijnen van lijsten en kozijnen, waar het licht brandig langs vloog en die oppijlden en wegschoten naar den nacht toe, in de gevels die soms als brokken waren van een verbrande buurt, met hun door den nacht opgeslokte kappen en daken, zag hij de donkere gaten der opgeschoven vensterramen bebloemd en befeest met tuilen rooskleurige menschengezichten; ze tuurden alle naar beneden; met levende oogen staarden ze door de guirlandes en festoenen van lichten heen omlaag in de geul der straat.
Als door een zwaar loopende, drabbige rivier opgestooten en meegevoerd, voelde hij zich gaan. Hij zag voor zich niets dan ruggen, zwarte, benauwde, stomme ruggen. Soms was het of de zwarte rivier rondwentelde in de smalle bedding der straat; dan smeet de stroom hem rechts tegen de huizen aan en hij voelde zich opgaan in het gedonder van lawaai-makende menschen, en dan weêr links, waar hij tegen een anderen menschenstroom aankwam die teruggolfde. Dan zag hij een oogenblik zoo'n stoet voorbijgaan; 't waren krachtige mannen en opgeschoten jongens, allen met oranjestrikjes op de borst, of tusschen het lint van den in den nek gezakten hoed; er waren veel vrouwen bij, opgedrild met omslagdoeken of burgerlijke mantels. Ze hiha-den met de mannen meê. Een oogenblik zag hij ze in de dronken en bevlamde gezichten, ze waren vertrokken en misvormd door de opwinding, vuile zweetstralen daalden onder de hoeden vandaan, de haren plekten en kleefden en waren in de war, de oogen glommen wellustig, de monden waren opengeschreeuwd tot donkere gaten. Met geluiden van verschrikking gingen ze voorbij. Hi! ha! dreunden de zweetende mannen, ze hielden de vrouwen aan de gebogen armen en stieten elkaâr in de ruggen op. Hi! ha! hijgden ze als moesten hun longen te bersten, voort donderden ze, stampend daverden hun voeten op het asfalt en ze sloegen een bres in het gedrang, op den hamerenden rythmus van hun wild gezang.
Maar oogenblikkelijk rolde de bedding weêr vol en sloot de stroom zich toe.
Kalmer ging het nu voorbij, de opwandelende beweging kabbelde rustig vooruit. 't Waren rustige wandelstoeten, tevreden menschen elkaâr verdringend, huisgezinnen opgepropt achter elkaâr. Ze schoven vooruit op een luchtig danspasje... vroolijk zagen hun oogen en alles bewonderend, in de rooskleurige gezichten. En ze waren allen met oranje versierd, met geplooide rosetjes of met geverfde immortellenboeketjes. Sommigen hadden van tin gegoten medaljes aan een geel sigarenlintje op de borst gespeld of aan strikjes met de nationale kleuren. Velen hadden kinderen bij zich, ze droegen ze op den arm of sleurden ze aan de hand mede door de volte. Als een wolk van stof steeg de opgewondenheid uit hen, een vol geroezem van blijde stemmen en luchtig slijpende voeten; één gerol van uitgelaten mannenlachen ginder, hier het giegelen en gillen van een vrouw die in het gedrang gekitteld werd, daar het benauwde huilen van een verdrongen kind, dat zich den hoed voor de oogen voelt gekneld en bang wordt van het donkere leven.
Maar hi, ha! hi, ha! daar kwam weêr een andere stoet de stikvolte doorslaan en, dadelijk woest geworden en verschrikkelijk, smeet de stroom hem opnieuw tegen de huizen aan.
Weêr was hij tusschen de ruggen in benauwdheid, weêr zag hij niets dan de stomme vlekken der ruggen, de dansende en opgolvende schouders, de hoederanden boven botte achterhoofden, met de roode, uitwijkende oorzoomen er onder. Daar keek een kop even om, een rood-gloeiend hoofd met lichtglimpen in de oogen, die gediept en donkerder glommen door den hartstocht der pret, achter zich voelde hij den heeten adem van eene vrouw wademen in zijn halskuil. Daar begon een man te zingen, dat was de deun, de lijzige deun, en als aangestoken begon ieder mede te zingen: de mannen in de gekleede jassen, de vrouwen en meisjes als dames gekleed. „We gaan niet dood, we gaan niet dood!” zong het om hem, fatsoenlijk-lollig en heesch-krijschend en opgeblèrd en uitgebruld ging het van hem weg. „We gaan niet dood, we gaan niet dood!”... gerekt en onafgebroken herhaalde zich de deun over de hoofden heen, onder de festoenen van lichten door. Er liep een groote, stevige man voor hem, zijn sterke schouderbladen puilden door zijn nauwe gekleede jas, en die rug zong meê, de uitzetting der longen zwol door het laken heen. „We gaan niet dood!” zong hij met een vette stem, zijn rug wrong zich in de plooien, hij trok gezichten; dan geleek hij op een doodskop en dan weêr, als de schouderbladen bewogen, op een grooten vlinder. Maar moê zweeg het gezang, en het lange gesijfel van slijpende voeten bleef breed sluipen langs den vloer.
En eensklaps voelde hij toen zijn armen vrij worden en ruimte komen voor en achter. Een frissche gulp lucht kwam van boven neêr in de benauwing; hij zag naar de vlaggen; hij zag de lichtspatten op de vergulde knoppen en de lange snelle strepen der vlaggestokken; 't geleken groote vaste spelden die de decoraties vastprikten; toen wierp de stroom hem uit. Hij was op een plein.
Daar kon hij ruim ademhalen. De vurige monding der straat met zijn brand- en feestkleuren in de hoogte lag achter hem, en van onder braakte de zwarte vloed donkere gestaltetjes, als stukken modder, als verbrande sintels uit. Ze stoven weg over het plein of vielen weêr terug in de wielende woeling.
't Was dadelijk donker geworden. Voor zich zag hij het gevaarte van een toren opspalken, zwaar staan uit den grond en zich uitleden en wegschuiven met den kop in den nacht. „Waar ben ik?” vroeg hij zich af; hij wist het niet, al zijn plaatselijke kennis was in de war.—Want verder op zag hij andere straatmonden gapen en laaien, en vreemde poorten zag hij er pralend aan den ingang staan, donker tegen den brand der stad.—En overal, hoe hij zich keerde, daar straalden wijduit-stralende sterren; ze hingen los en laag in de lucht;.... en daar flikkerde het lichtende karkas van een gebouw omhoog;.... en dáár waren gloeiende letters geschreven of lekte vlammend cijferschrift. En hij dwaalde maar door, doelloos door, met een bang en vreemd gevoel bij zich. Dan was hij in een verlaten buurt waar het leêg rook en waar magere lichtjes arm en half uitgewaaid sidderden.... En dan was er in eens weêr een stralende pagode voor zijn oogen, als een Jaggernautsdiensthuis, opgetrokken van lijnen licht; 't zag er zwart van menschen, saâmgepakt en geschoold tot een gemeente, vereerend, stom, in geslagen aanbidding stonden ze, tot een veld vol stille houdingen geschaard om den voet des tempels; want tot achter het licht door zetten de kringen zich uit, onafzienbaar waren de rijen daar van rood-begloeide hoofden.
Toen liep hij weg, verbijsterd, uit den kleuren-brand van het tinkelende licht. Maar de ernstige grachten, ze spiegelden het vuurleven terug, het water vloeide er van, het lag tot in zijn diepste diepte er meê bedruppeld. En hij liep voort, almaar voort, als iemand die angstig in een vreemde stad holt, op goed geluk af. Drukke menschen gingen met zwaaiende armen aan hem voorbij, door straten waarin de nacht koolde. Ze zochten den kortsten weg naar het licht toe. Daar waren de huizen duister-zwijgend en onversierd, een enkele vlag gloeide er hoog boven een stille straatlantaren; en hier en daar kwam de feestkleur van het licht vierkant slaan uit een venster in het donker der straat. Dan zag hij in 't voorbijgaan door de ruiten heen, tusschen de pronkerige letters door op de glazen geschilderd, rond-opgezwollen tonnen schijnen, of dik gebuikte flesschen, of lange glimmende tinnen maten; en daarbinnen, naar buiten dringend, daar hoorde hij het feest weêr leven, kleiner; daar loeide de pret bij brokken na, daar vergloeiden de stukken plezier, gestoven, verdwaald uit het brandende hart der stad. Verder ging hij, verder, dóór en langs nauwe stegen, waar de geur van groen naaldhout vocht met den vetwalm van schoon-uitbrandende lichtjes en den gotenstank. Soms moest hij stil staan; dan zag hij mannen in overhemden en vrouwen in witte gestijfselde jakken, rauwe bleekblauwe jakken in het oranje-licht; ze zaten suf op van binnenshuis gezeulde stoelen, zat, achter hun walmende vetpotten en prieelen van bonten smuk; de leêge flesch stond in de vensterbank en nu zongen ze zalig aandoenlijke liedjes, sentimenteel geworden door den drank. Maar de stegen schenen stil, ze hadden hun bevolking geloosd naar het hart der stad. Doelloos liep hij. Hoort, hoe het er gromde, hoe vol de lucht was van de bezetenheid en de verrukking der stad. 't Was als een wagengerol, uitrollend hoog naar de wolken. Hoort, daar was de deun weêr met zijn grafgalm; vèr voor zijn oogen, daar trok een joelende troep over een brug, hij hoorde het harde trappelen der voeten op het hout; hij zag groote roode lichten, ballons aan stokken gedragen, schommelend heen en weêr als gekleurde manen; ze riepen bloedige vuurschijven op in het duister-spoelende grachtwater, onder de donkere holen der brugbogen. De troep joelde voorbij, de vuurschijven in het water sloegen tot krinkels tegen een zwarten, loggen schuitromp.
Hoort! de deun rommelde nu in een steeg. „We gaan niet dood, we gaan niet dood!” tegen de vuile muren op, tegen de blinde vensters aan. Wèg galmde de bende, maar als de naslepende rookpluim van een trein op het weiland, zoo bleef de deun er nadeunen in zijn ooren.
Rusteloos moest hij voort met de groote behoefte in zich om de volheid der vroolijkheid te zien. Hij kwam in buurten die menschenloos waren, waar alles sliep of uit was. Hij ging over de welvingen van bruggen, onder de grootstaande kleppen der ophaalbruggen door... de kettings rammelden in de stilte. Hij liep langs rasters en langs verlaten werven, waar vastgemeerde schuiten dommelden; de gereedschappen lagen verstrooid tegen den grond, als neêrgesmeten door gejaagde handen; in de donkere stilte sloop een zwarte kat sluik over lange stapels van houten planken; of een magere hond, een bleek uitziend beest, kwam uit het duister in het licht van een straatvlam, hongerig snuffelend met den neus langs den grond. Het schoof geluidloos voort op den druk van zijn zachte pooten. En hij kwam in nieuwe of in aanbouw staande wijken waar het kelderstil was. Als brokken van een fabriek stonden de zwarte huizenklompen; als een stad in puin, met dreigende silhouetten, verstrooid op de braakliggende terreinen; het rook er onhuiselijk naar kalk en naar stuivend zand; de wind maakte er leven, een stuk voddig krantenpapier, de vetgeworden omwikkeling van een werkmansboterham, rolde ritselend en kreukend over den ruwen puinvloer.
Maar waar dat hij dwaalde en hoe dat hij liep, overal werd hij vervolgd door den galm van den deun, die zich in zijn hersens had vastgeklemd om hem niet meer te verlaten. Het vervloekte refrein zong in hem, het ding kriewelde in zijn keel en drong plagend tegen de lippen op. Bezeten ervan liep hij voort door de nachtelijke buurten, met de borreling in zich, in zijn ooren hoorend hoe dat zelfde gelol opborrelde uit het hart der stad, hoe het heerschte en van de ruimte bezit nam, als een bol gewaai, met een open gedreun, dat in de verte als het diepe en onderdrukte geeuwen was van een moe stuk leven.
En langzaam aan, in de ontzettende en van verre gonzingen levende stilte, voelde hij zich een gedeelte worden, een klein uitgespuwd gedeelte van dat in vlammen en kleurenvuur feestvierende gedrocht, de stad. Een leêg gevoel van verlatenzijn, een doove loomheid begon te zakken van zijn hoofd in zijn beenen. Doodmoê werd hij, maar willoos bleef hij doorslenteren, voortgestuwd door den machinalen drang van zijn in beweging gezet lichaam; met looden voeten liep hij de straten uit, de lantarenreeksen langs en langs de stomme gevels; recht weg vloden de rijen kijk- en luchtgaten. Soms ging hij voorbij oude, dorpachtige huisjes, ze kropen laag en benauwd weg in de schaduwvlagen der groote steenen blokken. De stad had ze verdrongen, doodgekneld, verstikt. En dan weêr zag hij een onttakelden molen staan, een duisterstompen kegelromp, met een geharrewar van planken en houten als oorlogstuig in de laagte, met de verganen kapsteller in de hoogte; log en wiekenloos wankelde hij op het leêge erf, maar daar scheen hij koppig in den grond gegroeid, en stond weerbarstig met het stompe voorhoofd, donker en verwoed tegen de gladde steenen gevels der vooruitdringende stad, die hem den toestroom van wind in de hoogte afsneed en zóo gevangen hield. Nu lag het molenaarshuis verzonken, weggezakt in het zand.