Aangebrand, veneriek.
Aanklennen of aankleinen, lijmen, lokken, meetroonen.
Aankwatsen, aanspreken. Een niese (meid) of een sirool (man) aankwatsen.
Aanschieten, aanvallen. Hij heeft dien vrijer (kerel) aangeschoten.
Aanslaan, aanspreken. Een poging in ’t werk stellen. Ik zal dat heertje reis aanslaan. Sla dien broger (man) aan, misschien heeft hij poen (geld). Jongens, er moet aangeslagen worden, daar loopt mooi gajes (menschen daar wat van te halen is).
Aas-Neus, één, twee, (bij ’t kaarten en dobbelen).
Aberdoedas of Appeldoedas, zie Haberdoedas.
Achelen, bikken, eten.
Achtermeeluk, zakje, achter op den pantalon.
Achterwiel, rijksdaalder. Er is me een achterwiel voor dien joekel (hond) geboden.
Adje, agent van politie.
Afdokken, betalen, afstaan.
Afgelajen, af, afgetobd. Me niese is afgelajen. (Mijn meid kan niet meer).
Afgelooid, van alles beroofd.
Afgrissen, afrukken.
Afleggen, beloeren, ongemerkt nagaan, verkennen. De russen (rechercheurs) hebben hem afgelegen (beloerd). Dat spiese (huis) moet eerst afgelegen worden. Een smeris legt je af. (Een agent bespiedt je).
Aflenzen, afloeren.
Afloeken, afloeren. Als het gajes (volk) weggaat, zullen we afloeken, of het nobel (veilig) is.
Afroojemen, afloeren.
Aftrekker, onanist.
Aksie en refaksie, last en schade. Ga jij maar pleite (weg) met de kooler (trein), ik ga met de batterik (boot) dan heb je niks geen aksie of refaksie.
Amper, nauwelijks.
Arres, vrees, angst. In arres zitten. (In angst zitten).
Askelen, handelen; koopen en verkoopen.
Askenen, stelen, bestelen. Zeg mokkeltje, ik heb een mooie gooser voor je meegebracht, dien kan je askenen. Wel 60 goosers zijn dien dag geaskend.
Attenoj, hemel, zeg, kijk, als uitroep. Attenoj donder op (zeg ga weg). Attenoj daar komen Heintje en Pastoortje. (Hemel, daar komen twee bekende rechercheurs).
Averkoot, zak, beurs.
Azen, twee éénen werpen (bij ’t dobbelen).
Baardaap, bijzonder leelijke vrouw of een knappert (revolver) die niet schreeuwt (geen knal geeft).
Badderen, zwemmen.
Bajes, winkel, huis, gevangenis.
Bajeskar of bajeswagen, celwagen.
Bajesklant, iemand die veel in de gevangenissen terecht komt.
Bak, kop.
| Een bak zog, | een kop koffie. | |
| Een bak slobber, | ||
| Een bak zweet, | ||
| Een bak leut, |
Bak, verzinsel. Een bak zetten (een verhaal opdisschen).
Balbes, huisbaas. (Bollebof).
Baldoveren, klikken, nakijken. Pas op dat je niet gebaldoverd (nagekeken) wordt.
Baljisrool, (zie Basserool).
Bamser, (bamboesjeur). Een uitgaander; kroeglooper.
Bangmakertje, in zijn bangmakertje staan (ontkleed staan, als gereed om te vechten).
Banjer, heer.
Banken, kaartspel (vingt et un).
Bankie, bank. Een bankie zetten (een spelletje banken).
Barrasch, schurft.
Bas, stuiver, 5 spie. Kimmel bas (3 stuiver). Joet bas (10 stuivers). Geef me een bas bier.
Basserool, Heer; chef. Deisje (stil!) voor den basserool. (Neem je in acht voor dien meneer).
Bast, lijf. Hij had geen goed stuk kleeren aan zijn bast.
Batterik, schip, schuit, stoomboot. Ik heb hem met een batterik pleite moeten maken (weg moeten helpen).
Bauernfänger, kwartjesvinder.
Bavianen, hard werken; in ’t bijz. kolentremmen op een groote boot.
Bazaar, politiebureau.
Bedibberen, zeggen, praten, vertellen; ook: bedotten. Noppes bedibberen (houd je mond).
Bedissen, verdienen, (stelen). Weet je wat te bedissen? Ja, ik weet een mooie val (huis).
De Prinserij komt altijd, als er niets meer te bedissen (aan de hand) is.
Bedist, verdiend (gestolen). Kan ik het helpen, dat er zoo weinig bedist wordt?
Begieten, bevreesd. Je bent toch niet begieten, dat zaakje op te knappen?
Hij durft niet te seinen (informeeren) niet te dekken en niet aan te nemen (bij het zakkenrollen) ook, hij is veel te begieten voor de bajes (gevangenis).
Beginnem, spotprijs. ’t Is voor een beginnem te krijgen.
Begoulesj, veneriek.
Behaai, lawaai, drukte.
Behaaimaker, levenmaker.
Beheime, beest, dier, vee.
Kijk wat slaat-ie dat arme beheime.
Behojje, vrouwel. schaamdeelen.
Behojjebikker, een kerel, die leeft (bikt) van het zedeloos bedrijf van zijn vrouw of meid.
Ook een scheldnaam voor den houder van een café met dames. (Zie Kutpooier).
Beis, straat, buurt, volksbuurt.
|
|
Beis, telwoord twee. Beis hondjes, (2 dubbeltjes). Beis meier (ƒ200).
Beis, valsche omwegen. Maak geen beis met mij, leid me niet om den tuin.
Beisko, jood, snees, of in ’t algemeen iemand dien men in zijn zaak betrekt. Deis je voor den beisko. (Neem je in acht voor den opkooper).
Beizen, oogen. Die vrijer knijst (kijkt) link (loos) uit zijn beizen.
Beizie, dubbeltje.
Beizige, met zijn beizige, met zijn tweeën.
Beizig dollet, (2 × 4 = 8).
Beizig kimmel, (2 × 3 = 6).
Bekaan of Pekaan, hier. Noppes bekaan. (Hier is niets; niets aanwezig).
Bekattering, uitbrander, berisping, bekeuring.
Beknijsd, bekend. Beknijsd bij de prinserij (bekend bij de politie).
Beknijzen, bekijken.
Bekwaam, al de bekwame jongens (ervaren dieven) wonen in de Nes.
Bel, groot glas.
Belabberd, beroerd, ellendig. ’s Morgens sta je half belabberd op, en knijst uit je doppen als een verzopen mauwerik (kat).
Belatafeld, belazerd, zot. Ben je belatafeld? ook belaaitafeld.
Bemore, bevreesd, (zie Morig).
Bengel, een tik met een bengel, (een horloge met ketting of signetten).
Benosselen, zie nosselen.
Bensen, drinken.
Beseibelen, bedriegen.
Besjoche, zie Mesjoche.
Besjoechem, loos, bij de hand. Die een beetje besjoechem is maakt wel dat hij op tijd te bikken (eten) heeft.
Besjoechen, verliefd. Je ziet wel, hoe besjoechen zij op mij is.
Besjolemen, betalen. Besjoolmd, (betaald). Als je besjoolmt, dan kun je slapen.
Besluit, vrouwel. schaamdeelen.
Betoeft, goed weg. Die is betoeft, hij heb een paar meier op ze kippen. (Die is goed af, hij heeft een paar honderd gulden voor zijn aandeel). Spottend wordt van iemand die getrouwd is gezegd: Hij is betoeft.
Betoeg(d), gered, uit den brand, rijk. Een betoege goozer, (een rijke kerel).
Betoft, onder dak. Als ik jou spiëen had, was ik wel half betoft of heel.
Bevroren hond, gebochelde.
Bezaar, politiebureau.
Bezarretje, bekeuring. Ze hebben beide een bezarretje gekregen.
Bezokke of Besjoche, gek. (Zie Mesokke).
Bezoles, ziek, bedorven, kapot. (Zie Mezoles).
Bezolletje, koopje. Je hebt er een bezolletje aan.
Bezommen, geld. (Zie Mezommen).
Biet, suiker. Hij peest in de biet, (hij werkt in suiker).
Bivakken, in de open lucht slapen.
Bivakker, daklooze.
Bikken, eten, smullen. Hij bikt van zijn niese (meid).
Bikken-cement, warm eten; ook bikkesment.
Bikker, smulpaap.
Bikkesment, eten; warm eten. Zeg nou niet, dat jij alleen voor ’t bikkesment zorgt.
Bink, man.
Binnenkomen, in de gevangenis geraken.
Binnenmeeluk, binnenzak.
Binnen mikken, geborgen. Die zijn binnen mikken, (die hebben genoeg).
Blad, dak van een huis. Ze gaan met een nijf (mes) het blad op.
Blauw laken, lood.
Bobbert, lichaam, lijf. Op zijn bobbert krijgen (slaag).
Boddie, lijf.
Boender, smeerpoes, vuilik.
Bokkenvreter, veertig gulden.
Bokkepoot, marinier.
Boks, broek.
Boldoveren, zie Baldoveren.
Bollebof, de baas. De bollebof van de keet, (de chef van de zaak).
Commissaris van Politie; Directeur van een gevangenis; kostbaas; kastelein.
De bollebof van de luimkeet, (de kastelein van de slaapstee).
Die bakker is een godinne bollebof, (een flinke kostbaas).
Bolleboffin, kasteleines.
Bommelen, dobbelen.
Bommelaar, dobbelaar.
Bonjer, gesnapt. Als ik weer bonjer kom (gesnapt word), is het jou schuld.
Zij werden bonjer geslagen, (verraden aan de politie).
De snees (opkooper), wil ook niet graag bonjer worden.
Bonjer, ruzie, schuld. Je moet noodig nog bonjer tegen me maken. Ik heb nooit bonjer met hem gehad. Hij gooide de bonjer op mijn. Hij is bonjer. (Hij is gesnapt). Hij legde mij alle bonjer in de schoenen. (Hij gaf mij overal de schuld van).
Bonk, leugen, verzinsel.
Bonsen of Bonzen, aardappelen.
Boosjer of Boosor, vleesch.
Boot afhouden, lijntrekken. De dokter zegt dat is maar boot afhouden (voorgewend ziek zijn om vrij van werk te komen).
Borjen, (zie jenner). Een medespeler voor de leus, die tot het complot der kwartjes-vinders behoort.
Boterpapiertje, huwelijksbewijs. Wij hebben geen boterpapiertje noodig.
Botten, eten. Botten en bensen (eten en drinken).
Bout, agent van politie, (koperen bout).
Hij is van koper, en niet van goud,
Daarom noemen ze’m, de koperen bout.
De bouten scharrelen hier erg in de beis, (straat of buurt).
Bouten, zich ontlasten, een groote boodschap verrichten.
Boutje, potje, sommetje. Ik waag dat boutje.
Boutkitje, privaat.
Bovenkruis, sleutel. (Zie kienen).
Bovenmeester, commissaris van Politie.
Braceletten, handboeien. (Paternosters).
Brand, hij heb de brand. (Hij is dronken).
Branderig, heet, belust. Hij staat branderig op mijn joekel (hij heeft veel zin in mijn hond).
Brandspinozer, brandkast.
Branie, heer, praatsmaker.
Brankalie, kaalhoofd.
Brasem, kerel. Wat een olmse brasem is dat. (Wat een gekke kwast is dat).
Brassen, verlangen, hunkeren.
Brasser, lokduif.
Breektiejijs, breekijzer.
Brem, chocolade.
Broekmeeluk, broekzak.
Broochem, voorwerp, goederen. Massel en broochem (goede zaken).
Broocher of Broger, man. Een sikkere broger (een dronken man).
Brommer, ketel. Een loensche brommer (een koperen ketel).
Bronzen, slapen.
Bruggetrekker, leeglooper.
Bruintje, bier.
Buiter, dronkaard.
Buizen, drinken, zuipen.
Bulboef, (zie Bollebof).
Bulle, kleeren. Mooie bullen, (zie Spulle).
Bult, bed. Bultzak, beddezak.
Bulten, bevallen. Dat niese moet bulten.
Bijbel, spel kaarten.
Bijl, balie. Ik moet voor de bijl (voor ’t gerecht).
Bijt, teleurstelling. Hij ging uit jatten (stelen) maar liep een bijt op. De grandige had een bijt. (De agent kwam bekaaid weg).
Bijter, nijptang.
Cabanes, herrie.
Casavie, brief, bankbiljet.
Cenijve, brand.
Chocoladewagen, celwagen.
Citroendraaier, gebochelde. (Krates, kriek).
Couchee, bed.
Croupier, kashouder van dobbelaars.
Daai, klap.
Daai, steen, dobbelsteenen, diamant, ook keien. Ik koop van alles: een stelletje foks (een partijtje goud) of een paar daaien. Een veemsteker (ring) met daai. Hij rolde met z’n test (hoofd) tegen de daaien. Een loensche daai (een valsche diamant).
Daaitje, steentjes, diamanten, keitjes.
Daas, zot, krankzinnig. Als hij maar niet zoo daas is geweest, hard weg te tippelen. Zou je niet zeggen met een stel dazen uit Meerenberg te doen te hebben?
Dajem, eed. Loensche dajem (valsche eed).
Dalf, op de dalf van (gebedeld van).
Hij drinkt een jajempie (slokje) op de dalf van een ander.
Dalfenoor, (zie dalver).
Dallastdekker, armoedzaaier.
Dalles, armoede. Hij heb de dalles. (Hij is aan lager wal) (zie gedallist).
Dallet, 4.
Dalven, (dalleven, dalfen), bedelen, schooien, ook zwerven.
Dalver, (dalfer), zwerver, landlooper, bedelaar, ook dalfenoor. Een sjofele dalfenoor (een arme drommel).
Dampen, iemand de dampen aandoen (de pest injagen).
Dansspiese, danshuis.
Darren, sarren, tarten. Laat je niet darren.
Dein, Plezier, (zie dijn).
Deinzen, afzakken. De sooger deinst. (De kerel zakt af, gaat weg).
Deisje, (deize), stil! Hou je mond. Spreek niet zoo luid. Deize voor den vrijer (kerel), die daar steunt (zit).
Deken, grasveld. Daar ligt een goozer (man) op de deken (in het gras). Die heeft vast poen (geld) bij zich.
Deken (groene), het gras. Luimen op de groene deken. (Op ’t gras slapen).
Dekkel, politieagent.
Dekken, aan ’t gezicht of gehoor onttrekken. De persoon, die genomen wordt, staat tusschen den roller en den dekker. Gedekt smoezen (zacht praten).
Dekkie of Detje, halve cent.
Derig, grond, aardoppervlakte, ook weg. Een linke derig, (een slechte weg). Een toffe derig (een goede weg). Schoren of poen onder de derig gewoer maken (goederen of geld onder den grond stoppen). Ga de derig maar op. (Ga maar de straat op). Ik ga de derig op. (Ik ga op stap of op reis).
Detje, halve cent.
Deurkienen, sleutels voor deuren. (Zie Kienen).
Dief, verkorting van hartedief. Jonge, wat een mooie dief (mooie vrouw) is dat.
Dinkelen, (zie tippelen).
Disch, tafel.
Dobberen, (zie Doppen), vechten. Ze waren aan het dobberen, omdat Jaap aan Lukas zijn prames (aandeel) niet gegeven had.
Doei, honger. Als ik mijn nefke zag smikkelen, vergat ik mijn doei en mijn armoe.
Doerak, deugniet. Wat dee ze zich aan zoo’n doerak te vergooien.
Dofferd, klap, maar ook ketel.
Een rooie dofferd (een ketel van rood koper).
Een gele dofferd (een ketel van geel koper).
Dof gajes, loos volk, rechercheurs.
Doft, knap, netjes. Dofte flep (goede papieren).
Dokken, afdokken, betalen.
Dold of Dollet, zie dallet, 4. Hij zit weer voor dollet jantjes (4 jaar) in de bajes. Dold meier (ƒ 400).
Dollen, groot doen (b.v. met geld rammelen).
Dolmen, slapen.
Dolmspiese, slaapstee.
Dolver, boksijzer.
Doorgefourneerd lommerdbriefje, hoer.
Doorslaan, bekennen, de zaak blootleggen. Ik heb niet doorgeslagen en zoodoende is hij vrijgekomen.
Doorslaan op een ander, alle schuld op een ander werpen. Lammetje had een hekel aan een jongen die doorgeslagen had.
Doorslaander, iemand die voor de rechtbank alles bekent.
Doortimmeren, doorslaan.
Dopkien, sleutel zonder gat. (Zie kienen).
Doppen, vechten.
Doppen, oogen. Goed uit zijn doppen kijken. Hij wreef zich de doppen eens uit.
Dormen, luimen, slapen.
Dossement, papiergeld.
Dot, groote hoeveelheid. Daar steunt een dot poen. (Daar zit een hoop geld).
Dravertje, fiets, rijwiel.
Drenzen, dreinen. Hij begon te drenzen als een klein kind.
Drosjes, gekheid, onzin, malligheid.
Drossen, op den loop gaan. Mijn niese heeft ’m stiekem gedrost (ze is stil weggeloopen).
Druif, kerel. Wat is me dat voor een druif?
Drukken, zitten. Waar druk je voor?
Drukkerd, straf. Een haaie drukkerd (een zware straf).
Drutten, twee drieën werpen, (bij ’t dobbelen).
Duimeling, duim.
Duimen, (duimsen). Valsch spelen. Wat, duim ik ze? Zeg dat nog eens, dan zal ik je een smeer in je tronie geven.
Duimpje, daalder, ƒ1.50.
Dun, klare.
Dusken, kleine jongen.
Dijn, plezier. Hij lachte of hij de grootste dijn had.
Edelvolk, beroepsdieven. (Zie nobele).
Eegit, 1. Eegit jantje (1 jaar).
Eens, achterdocht, vermoeden. De grandigers (politie) hebben eens op je.
Eesche, huismoeder, echtgenoote.
Ei, Die werkt met een ei. (Hij heeft altijd geld, maar hoe hij er aan komt, is een raadsel).
Emmer, scheldnaam voor hoer.
Emmes, (zie Immes) goed. Een emmese lik (een deugdelijke gevangenis).
Engelschman, Engelsche sleutel. (Zie Kienen).
Engerd, vervelende vent.
Ertje, electrische schel.
Ezeltje, lessenaar. Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand ezeltje (vaste lessenaar).
Ezeltje, winkellade. Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade gelicht). Het ezeltje springt (de lade springt los).
Ezeltje, foulard, das. Een zijden ezeltje (een zijden das).
Ezeltjesdrijver, ladenlichter.
Fakkel, brief, bedelbrief, brandbrief.
Fakkelen, schrijven, een brief schrijven.
Falle, lichaamsgebrek.
Falle maken, een lichaamsgebrek voorwenden, om er mee te gaan dalfen, (bedelen).
Feemen, (zie veemen) vingers, grijpelingen.
Fidel (letje), vloo.
Fiets, 2 Rijksdaalders.
Fietsen, handen, ook wel beenen. Daar zag ik Frans, met paternosters om ze fietsen. Hij had z’n keesje in z’n linkerfiets gespuwd.
Fietsen, uitoefenen van de bijslaap. Dat niese is bezoles van het fietsen.
En als het fietsen is gedaan,
Dan moet het meisje in de kraam.
Filippie, tien gulden.
Fladder, krant, maar ook kaart. De Fladders (een spel kaarten).
Flapdrol, meid, waar geen boon aan gelegen is.
Flauwe kul, onzin.
Flens, melk.
Flep, getuigschrift. Dofte flep (goede papieren); linke flep (valsche papieren).
Flepje, papiertje, briefje. Een flepje van 100. Een groen flepje (ƒ40). Een geel flepje (ƒ25). Een ros flepje (ƒ60).
Flik, krant. Daar zal wel een labe (een hoop) van in de flik steunen (in de krant staan).
Maar ook: spel kaarten. Kees is een jongen, die met de flik peest (met de kaarten werkt).
Flikflooier, mooidoener.
Flikker, vuilik, sodomieter; veel als scheldnaam gebezigd zonder bepaalde beteekenis. Het bennen flikkers hoor, die russen (rechercheurs), ze loopen altijd vlak achter je kont.
Flip, lade, kast, waggon, etc.
Flok, hemd.
Flonkewit, lekker eten.
Foelie, kerfstok. Je hebt veel op je foelie.
Fok, rijk, ook wel bril. Een fokke vrijer (een rijke kerel). De goozer had een fok op ze penooze. (De man had een bril op zijn neus).
Foks, goud. Het foks gaat in den pot (de smeltkroes) waar je bijstaat.
Een paar fokse bellen.
Fokse, me fokse (mijn schat).
Foksespiese, goudsmidswinkel.
Fokse oksenaar, gouden horloge.
| Fokse cent, | gouden tientje. | |
| Fokse schrabber, | ||
| Fokse spie, |
Fokse medaille, dat niese is bekroond met de fokse medaille (er is niets meer aan die meid gelegen).
Fokse slang, gouden horlogeketting.
Foks-malogemer, goudsmidswerkplaats.
Fokse veemsteker, gouden vingerring.
Fonk, (zie vonk). Licht.
Fonkert, (zie Vonkert). Kachel.
Forts, een kleinigheid, een duit. Ik geef er geen forts voor.
Frotterin, smeerpoets, vuil wijf.
Gaai, man.
Gabber, kameraad, vriend.
Gabbertaal, taal der kameraden, Bargoensch.
Gabel, vork.
Gadjeener, slager.
Gaf, 20.
Gajes, (zie gaai), volk, menschen. De steeg is vuil en het gajes, dat er steunt, zijn meestal luitjes van de universiteiten (gevangenissen). Dof gajes (loos volk, rechercheurs). Link gajes (niet te vertrouwen personen). Om gajes gaan (om zeep gaan, krepeeren). Het gajes is pleite (de bewoners zijn uit). Tof gajes (volk dat niet hindert, in tegenstelling met link gajes, politie).
Gakmoos, (zie Jatmoos), handgeld, eerste inbeuring.
Galf, mes.
Galg, knip van een deur, ook: bretel. Onder- en bovengalg.
Gallach, pastoor, priester.
Galsterd, gemeene kerel.
Gammel, ziek. Dat niese is zoo gammel als de pest, door en door kapot.
Gammor, domoor, ezel.
Gannefen, stelen, bedriegen.
Gappen, pakken, stelen.
Gasjewijnen, weggaan, er van door gaan. Sjewijn (fiets).
Gasse(r), zwerver.
Gassenen, trouwen.
Gasser, spek, ook zwijn.
Gasserol, pet.
Gassie, pet of muts. Glimmend gassie (agent van Politie).
Gattes, deugniet.
Gavver, zie Gabber. Kameraad.
Gebbetje, grapje, lolletje.
Gebeft gajes, Heeren van ’t Gerecht.
Gebenscht, gezegend.
Gebrand, gebrande jongen (iemand die veel op zijn kerfstok heeft).
Gebroedsel, familie. Span, daar steunt gebroedsel van je. (Kijk, daar staat familie van je).
Gedagis, iemand de gedagis ingeven. (Iemand de les lezen, hem inlichten of waarschuwen).
Gedallist, op straat, op de keien, zonder geld. Ik ben (of ik sta) gedallist. Schei uit, ik ben net zoo gedallist als jij.
Gedekt, aan het gezicht of het gehoor onttrokken. Hij staat gedekt. Gedekt smoezen. Houd je gedekt (zeg niets).
Gediegen of gedegen, bekend.
Gedoft, gepoetst. Hij draagt altijd een paar gedofte hiepen (schoenen).
Gedrost, op den loop gegaan. Ook: naar de bajes gebracht.
Geeltje, bankbiljet van 25 gulden.
Geflescht, beetgenomen. Ik heb hem geflescht.
Gefloten, gestolen. Gefloten goederen.
Gehaaid, flink, ferm, handig, doorkneed. Een gehaaide jongen. Dat gaat hier gehaaid, hoor!
Gehad, bemachtigd. Ik heb gisteravond wat schooren gehad (goederen bemachtigd).
Gehandeld, gestolen. Hij had een paar stukkies blauw laken gehandeld (lood gestolen).
Geheibeld, gestoord.
Geilkenen, deelen.
Geiluk, aandeel.
Gein, pret, plezier. Ik had mijn grootste gein in dien ouwe.
Geintjes, grappen, lolletjes.
Gekloft ook wel geklopt, gekleed of netjes gekleed. Hij loopt joven (mooi) gekloft, draagt een paar godinne (beste) hiepen (schoenen) en heeft een godinne gooferd (hoed) op. De heitjes-piejijzers loopen er gewoonlijk gekloft bij.
Geknipt, aangehouden.
Gelicht, gerold. Ik knijsde dat de vink werd gelicht. (Ik zag dat de portemonnaie werd gerold).
Gelitanieerd, gebruikt (gezegd van een vrouw). Als dat niese 10 of 12 maal op een avond gelitanieerd is, etc.
Gelooid, sterk. Een gelooide gooser (een sterke kerel).
’t Gemot, ’t Gerecht. Ik heb lieve zaakies gehad en nooit last van ’t gemot.
Genifterd, gedood.
Gepensionneerde, veeljarig gestrafte. Gepensionneerd met het fokse medaille (iemand, die 20 jaar gezeten heeft).
Gepiept, gestolen.
Geplakt, gevangen, gearresteerd.
Ges, ook wel get of gis, 8. Ges knaken (8 rijksd.).
Geschaakt, gesnapt. Al wordt er een geschaakt, geen moed opgeven!
Gescheft of Gesjeft, een geschefte jongen (een, die reeds veel in de gevangenis is geweest).
Geschote, gezien, begrepen. Heit niemand je geschote?
Geseewerd, gestolen. Zie Gezeeferd.
Gesimpt, geschreid.
Gesjankt, getrouwd; ook gesnapt. Laat mijn meid geweest zijn, wie ze wil, nu is ze gesjankt, meneer.
Gesjochten, arm.
Geslagen, gestolen.
Geslikt, gestolen.
Gesprongen, uitgegeven. Drie loensche (valsche) knaken (rijksd.) zijn er gesprongen.
Het ezeltje is gesprongen. (De lade is open gegaan).
Geteistem, uitvaagsel. Wij komen niet meer met dat geteistem in aanraking.
Gevazel, valsch spel.
Geweirim, kameraden. Is dat je geweirim? (zijn dat je gabbers?)
Geweldje, geweldpleging. Een krakie (inbraak) en een geweldje; ’t wil wat zeggen ook.
Gewikst, glad, slim, loos, scherpzinnig.
Gewoer of gewoerig maken, wegstoppen. Ik heb het gewoere gemaakt onder de derig (aardoppervlakte).
Gezeeferd of gesewerd, gestolen. Een kar met gezeeferd blauw laken (gestolen lood).
Gezopen, beetgenomen.
Gibbissen, bijten. Dat joekel (hond) heb me in me fiets gegibbist.
Gies, meid, dienstmaagd, vrouw.
Gif, slim. Zoo gif binne we ook wel.
Gif (Kif), boosheid. De gooser sloeg alles kort en klein; dat komt door de kif.
Giftig, boos.
Gila, spek.
Gilleskrauter, dief of inbreker op klaarlichten dag.
Gilkemen, Gilkunnen of Gilkanen, deelen. Zie Geilkenen.
Gimme, boter.
Gis, loos, verstandig. Hij is een gisse jongen; hij laat zich niet meevoeren.
Ook: onveilig. ’t Is me hier een beetje al te gis. Zie ook Ges.
Glimmende gajes, politiemannen in uniform.
Glimmende gassie, agent van politie.
Glimmert, politieagent.
Glimmerik, oog, ook politieagent. Ze hebben hem in de glimmerikken. Gekleurde glimmerikken (blauwe oogen).
Glonis, raam, glasruit. Kijk me die gooser daar zitten roojemen door die glonissen. (Kijk me dien vent daar zitten kijken door de ruiten).
Gnajen, (ngajin), 70.
Gnorel, onbesnedene, christen. (Zie Orel).
Gochem, loos.
Godin, oprecht, echt, vertrouwd, best. Een godinne jongen. Godin! ik weet het niet.
Jozef Godin (de eerlijke Jozef). Godinne schoren (kostelijke of eerlijk verkregen goederen).
Godinne, houd je goed!
Goïm, christen.
Goj, de mannelijkheid.
Gok bajes, speelhuis.
Gokken, spelen om geld.
Gokker, speler.
Goksie, voor de goksie (voor de grap).
Golof, melk.
Gondel, dame. Frits is verschud (opgepakt); hij nam een vinkie (portemonnaie) met 23 centen van een gondel.
Ook: de achterzak op de japon van een dame. Daar zit een vinkie in die gondel. Kijk, wat een gondel, ’t lijkt wel een gaper.
Ik besteedde mijn laatsten schrabber (cent) aan een kluif voor me gondel.
| Gondelbajes, | Bordeel. | |
| Gondelspiese, | ||
| Gondeltas, |
Gons, een steek, een por.
Goochemerd, de rechter van instructie. Je moet voor den goochemerd kotsen (opbiechten).
Gooferd of Goofertje, hoed. Geef je goofertje maar hier!
Gooien, ik heb er alle kienen (sleutels) opgegooid (aangewend).
Goozer, kerel; ook vrijer. Een haaie goozer (een sterke kerel). Uitgaan op sikkere goozers (dronken kerels).
Heb je mijn goozer van avond nog gezien?
Kijk me die goozers eens tippelen.
Goozertjes, id. id., ik ga op de goozertjes tippelen.
Goozertippelaar, die bij avond op dronken lui uitgaat, om ze te berooven.
Gouden ploeg, groote dievenbende.
Gouden regen, rijke buit.
Gouden spie, gouden tientje (fokse spie).
Goudvink, officier.
Grammonen, gereedschap voor inbraak.
Granderik, hemel.
Grandig, voornaam, deftig. Grandig gekloft of geklopt (deftig gekleed).
Grandige, heerschap. Zeg grandige, stiek (geef) me een bas (stuiver), dan heb ik net luimspieën (centen voor slaapgeld) genoeg.
Grandige(r), politieman.
Grauwe erwten, hij is in de grauwe erwten gevallen (hij is mottig).
Grazen, iemand te grazen nemen (beetnemen, bedotten).
Greppel, grens. Over de greppel gaan. (Over de grens of naar ’t buitenland gaan).
Gribus, gevangenis. Ook een verdachte steeg. Pas op dat je niet in die gribus gaat.
Grikse, wandluizen.
Grimmerigen, lachen. Loek, de gooser grimmerigt. (Zie de vent lacht). Wat grimmerigt die gooser schijnheilig. (Wat lacht die kerel smerig).
Groen, dom, onnoozel. Er zijn nog wel groene goosers onder de prinserij.
Groene deken, het gras. Luimen op de groene deken. (In ’t gras slapen).
Groentjes, onervaren jongens.
Grom, klein.
Grom, kleintje (kind). Dat niese zit met grom (is zwanger).
Grommerig, jong, klein. Hij heeft zulke grommerige jatten (kleine handen), dat hij haai (goed) op de meeluk kan peezen (zakken rollen).
Grommetje, kind. Bet heeft twee kleine grommetjes. Ze zit den heelen dag met de grommetjes opgescheept.
Ook meisje. Een grommetje waarschuwde hem, dat de vrijer (man) een nijf in zijn jat had.
Groot Bajes, strafgevangenis te Leeuwarden.
Grootlef, hart, moed; ook wel goed geluk, avontuur. Op groot lef tippelen (zonder vrees, zonder iets te ontzien op diefstal uitgaan). Hij had bij “Moeke” een goede cent schuld; dus ging hij op groot lef tippelen. Ze hebben hem op grootlef geplakt (ze hebben hem op goed geluk aangehouden).
Groot-Mokum, Amsterdam.
Groote knoop, rijksdaalder.
Grijns, gezicht. Hij gaf den rus (rechercheur) een mekajem (klap) voor zijn grijns, dat ie tuimelde.
Grijnzen, huilen.
Grijpelingen, vingers.
Haai, sterk, groot, bij de hand, geducht.
Een haaie gooser (een sterke kerel).
Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt.
Hij is haai met de flik (de kaarten).
Een haaie lel. (Een groote borrel).
Een haaie drukker (een zware straf).
Habbekras, bagatel. Voor een habbekras kwam hij weer in de lik (gevangenis).
Haberdoedas (appeldoedas), peuter, stomp, klap. Habe du das.
Hal, politiebureau. St. Pietershal te Amsterdam. De kar met het gezeeferd blauw laken werd naar de hal gebracht.
Half meier, 50 gulden. (Meier, 100).
Half poppie, halve gulden.
Halfvast, onzeker. Ik ga er halfvast op. (Ik ben er niet zeker van).
Hallas (Halles), herrie, drukte.
Halvebroer, boezemvriend.
Halve rooderug, 500 gulden.
Ham (Heim), huis. Ik smeer hem (ga weg) naar ham.
Handje, een handje geven (waarschuwen).
Handvol, 5 jaar. Ik wed, hij krijgt kimmel (3) jantjes (jaren). En ik wed, hij krijgt een handvol (5).
Twee handen vol (10 jaar).
Hassebassie, slokje.
Hebbedinge, zaken.
Heetspeler, iemand, die met hartstocht speelt.
Heibel, drukte, rumoer, herrie, ruzie.
Heibelmaker, ruziemaker.
Heilie, drukte. Wat maak je weer een heilie.
Heit, 5. Heit jantjes (5 jaar). Heit meier (ƒ 500).
Heit en dollet, 5 + 4 = 9.
Heitje, 5 stuivers (kwartje). Ik zet er een heitje.
Heitjes-piejijzers, kwartjesvinders.
Helle, wijs, slim.
Hengelen, de klink van een deur etc. lichten met behulp van een ijzerdraad.
Hengs, uitroep, bij het toebrengen van een kopstoot.
Hengst, schok hem een hengst (geef hem een stoot of klap); kopstoot.
Hiep, schoen, ook wel klomp. Meneer had zoo goed als geen hiepen om de kleezen.
Hiepenmaker, schoenmaker.
Hintemer, gemeene, vieze, ontuchtige kerel; sodomiter.
Hip, avontuurtje; ook snol. Dat niese loopt op een hip. Ze kan hippies bij de vleet krijgen.
Hobbelbak met daaien, tafel waarop met dobbelsteenen gespeeld wordt.
Hoed, agent van politie.
Hoed, spuug bloed,
Zooals de waterleiding doet.
Hoek, brigadier van politie te Rotterdam. Dubbele Hoek (Majoor idem).
Hoerenkolkje, Oudezijds Kolk, een grachtje b/d. Prins Hendrikkade te Amsterdam achter de St. Nicolaas kerk. Ik wou de vink in het Hoerenkolkje gooien toen ik merkte, dat er nog cassavies in steunden.
Hollanders, sleutels met kruisen. Ze waren bezig eenige Hollanders uit te peezen (uit te vijlen). Zie Kienen.
Hommeles, twist.
Hondje, dubbeltje.
Hoofdsmeris, Hoofdcommissaris van Politie.
Hoog gaan, gearresteerd worden (verschut gaan).
Hoogeschool, gevangenis te Leeuwarden.
Hoogstapelaar, spotnaam voor iemand, die een schijntje verdient. Schrijver van bedelbrieven in hoogdravenden en hartroerenden stijl.
Hotel Bellevue; id. de houten lepel etc., gevangenis.
Hortsik, paardevleesch. Ook: paardenslager.
Huidje, jas.
Huis, verstand. Ben je dan heelemaal je huis kwijt?
Huppelwater, jenever.
Iezel, huis. Een leeg iezel (een onbewoond huis). Ik ga dat leege iezel op, om blauw (verkort voor blauw laken). Op de leege iezeltjes tippelen (op onbewoonde huizen uitgaan).
Immes, (zie emmes), goed, echt, prettig. Een immese lik (een goede gevangenis). Immese schooren (best goed).
Ook: heusch. Het is immes.
Als ik maar één neutje (slokje) gehad heb, voel ik me weer immes (lekker).
Knijs immes uit je lampies (kijk goed uit je oogen).
Inspringer, opgeschoven raam.
Intippelen, binnengaan.
Jajem, jenever.
Jajemen, drinken.
Jajemer, drinkebroer.
Jajempie, slokje, borrel.
Jandoedel, jenever.
Jantif, Paschen.
Jantje, jaar. Hij was pas ontslagen van 2 jantjes.
Jas, een jas met staldeuren (een jacquet).
Een jas krijgen (slecht wegkomen; in ’t ootje genomen worden). Hij heb een jas gehad (hij is voor den mal gehouden).
Iemand een jas geven (hem voor ’t lapje houden, of hem erin laten vliegen). Zie Vrijzetter.
Jaspenen, zitten. Hij jaspent in de lik.
Jat, hand. Wat een jatte heeft die! Doe weg die jat. Met de jat peezen. (De hand ophouden, bedelen).
Jatmoos, (ook jetmoos), handgeld. Heb je wat benosseld, van avond? Noppes (neen) ’k heb den heelen dag getippeld en nog geen jatmoos gehad.
Jatmouzen, kleinigheden stelen; die met de handen te grijpen zijn, bijv. appels, peren, een zakmes etc.
Jatten, stelen. Zie Jat.
Jatter, (ook jetter), dief. Die goozers zijn zelf de grootste jatters.
Jeile of Jeilie, geschreeuw, ophef.
Maak er maar zoo’n jeilie niet van.
Jen, grap. Voor de jen (voor de leus).
Jennen, spelen, liegen. Ik ga jennen. Jen wat voor me.
Jenner, speler. De jenner heeft de bank.
Ook: Quasi-toeschouwer, die mee in ’t complot is, maar zich houdt als een vreemde; ongeveer als voerder, verlokker.
Jennetje, leugen.
Jensen, gebruiken. Een niese (meid) jensen.
Jetje, ik gaf hem van Jetje (een pak slaag).
Job, onnoozel.
Job, schip, schuit, stoomboot. Hoe hard moest ik niet bavianen toen ik op die job was.
Joekel (tjoekel), hond. Daar is een joekel in de bajes.
Joentje, (zie Joetje).
Joet, 10. Beis joetjes (20). Hij heeft er al beis joetjes opzitten (20 jaar). Joet bas (10 stuiver); Joet meier ƒ1000.—.
Joet-beis, 12.
Joet-dold, 14.
Joeter, 10 stuivers (1/2 gld.).
Joetje, gouden tientje.
Jokef, Jozef.
Joosie, je zult er een joosie aan hebben (ik zal je maar gelijk geven).
Joven, goed, mooi. Een joven ponum. (Een mooi gezicht).
Jouker, duur. 7 pietermannen (7 gld.) is toch niet te jouker. Een poenbroekie is nog jouker ook, op Kattenburg betaal je er 7½ piek voor.
Jozef godin, de brave Jozef.
Juutje, (zie Joetje).