Title: Het Geldersch Byenboek
Author: Petrus Hendrix
Editor: M. J. Janssen
Release date: January 19, 2009 [eBook #27836]
Most recently updated: January 4, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27836
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
In Gelderlants Overkwartier
Maken by en byman goeden sier.
Oud spreekwoord.
De bijenteelt was oudtijds meer dan thans, ook in sommige gewesten van ons Vaderland, een niet onbeduidende tak van nijverheid. In de heidestreken van het tegenwoordige Limburg en Noord-Brabant trof men vele bijenhouders aan, die zich eene noemenswaardige opbrengst wisten te verschaffen uit de vlijt der kleine diertjes, door het verkoopen van honig, het bezorgen en persen van was ter vervaardiging van kaarsen en het distilleeren van een drank genaamd “meede”. Insgelijks werden geneesmiddelen, pleisters, confituren uit honig en was bereid; en wie kent niet de beroemde wassen beelden, groot en klein?
Het beloofde land der Joden, na de slavernij in Egypte, was een gewest overvloeijende van melk en honig en de zoetigheid des honigs wordt door de gansche oudheid geroemd.
Geen wonder dat behalve de Grieken ook reeds de oude Romeinen het bijengewin belangrijk genoeg vonden om hetzelve in prosa en dicht te beschrijven. Virgilius in zijne Georgica, Plinius en Columella verklaren ons op hunne manier den oorsprong en ontsluieren vele geheimen van het naarstig bijenvolkje.
De volgende eeuwen leverden meerdere overzetters dezer Latijnsche schrijvers van het akkerwezen “Rei rusticae scriptores” in verschillende taal en stijl; allen echter bleven min of meer slaafsche navolgers hunner meesters. Zelfs vader Vondel zond eene Nederduitsche vertaling van Virgilius’ Georgica de wereld in.
Meer vakkennis, grondiger onderzoek, dieper doordringen in de natuurkundige wetenschappen, zelfbekwaming door praktijk, een meer stelselmatige indeeling der insektensoorten kenschetsen de latere schrijvers over de Bijen, hare natuur, werkzaamheden, en behandeling in betrekking tot landbouw en koopwaarde.
In de 16de eeuw leefde in de Academiestad Leiden Dirk Outgers Cluijt welke veel bijdroeg tot de bevordering der kruidkunde in Nederland. Ten jare 1598 verscheen van hem een werkje “Van de Biën haeren wonderlycken oorspronck enz.” dat meerdere uitgaven beleefde. Theodorus Clutius, zoo hij zich op zijn Latijnsch betitelde, verdeelde zijn geschrift in 3 boeken: “I van de Biën inhoudende, van de nature, eygentschap ende hare ordentlycke regeringe, die sy met haren coninck onder malkanderen onderhouden; II van de regeeringhe der Biën, leerende hoe men die op ’t profytelyckste voeden ende regeren sal; III van den Honich, tracterende wat nuttigheydt ende profyten dat men daer uyt can cryghen, ende wat men daer van can maken”. Deze boeken zijn wederom in kapittels onderverdeeld en het geheele werk is gesteld in den vorm van samenspraken, die besloten worden met de volgende ontboezeming van zijn ondervrager: “Het is my gewest een genuchte om te hooren, verstaen hebbende al, dese wonderlyke werken die God hier boven in dese cleyne creaturkens geschapen heeft: En wel te recht mach David in syn Psalmen seggen dat Godt wonderlyc is in Syn doen en werken, en dat se ooc onbegrypelyc syn want men vint in dese creaturkens veel ongelooflyck en ongehoorde dingen, noch langs so meerder, dan men oyt te voren geweten heeft: wille daerom deur dese cleyn dierkens bemerken Godts wonderwerken! Hem lovende en danckende dat hy ons so veel na gelaten heeft, dat wy (alwaert dat wy willens blint wilde syn) moeten bekennen dat hy al regeert en bewaert tot ons besten, welcken sy gelooft, gepresen inder eeuwicheijt. Amen”.
Het werkje van Cluijt is op een wetenschappelijken voet geschreven, nogthans met bijbehoud der oude schrijvers.
In volgende tijden verschenen meerdere Hollandsche, Vlaamsche, Fransche en Duitsche verhandelingen over de bijenteelt, waarvan men eene beknopte opgave vindt in: Heckmeijer’s Handboek over de Bijen, Zwolle 1866 pag. IV.
Het voormalige land van Kessel onder het Geldersch Overkwartier behoorende, bezat onmeetbare heidevelden zeer geëigend voor de bijencultuur, die dan ook van oudsher een voorname tak van winst vooral voor de Peellanders was. In de oude Gerichtsprotocollen en andere stukken komen herhaalde gevallen voor, betrekking hebbende op het standgeld der bijenkorven, opvangen van zwermen, verpachting van den bijenstand, belasting op de “opsetters” enz. dat alles de groote honig- en wasproductie aanduidt. Van de Maasstreken bragt men in bepaalde jaargetijden de bijen naar de ruimere Peelheiden en zoo behoorde in de vorige eeuw in de heerlijkheid ter Horst, de helft dezer opbrengst tot de inkomsten der kerk. (Steffens, Geschied. der aloude heerl. Horst, pag. 165 seq.). Te Venraij had de vicarie van Sint Theunisaltaar een derde gedeelte van den bijenstand en het Schepenzegel van dit dorp had, behalven de sleutels van Sint Pieter, een bijenkorf in zijn wapenschild. (Zie Maasgouw 3de jaargang 1881 pag. 422 seq.).
De Eerwaarde heer Petrus Hendrix, kapelaan te Lottum, die gelijk meerdere zijner Kessellandsche ambtsvoorgangers een nijvere bijenhouder was, en jarenlang liefhebber en beoefenaar dier teelt is geweest, heeft tot gemak van eigen bewerking en tot gerief van anderen, die zich op deze kennis toeleggen, de vruchten zijner “ondervinding en pratijk” zooals hij zegt, in schrift gebracht en te boek gesteld, waaraan hij den 11 December 1786 de laatste hand legde en zoo dien geestesarbeid voltooide.
De schrijver die eene groote opmerkingsgave bezat, heeft hoofdzakelijk de bewoners van den Peel, Maas, Niers en hunne omstreken op het oog, waarom hij dan ook vooral met plaatselijke omstandigheden, grond, weersgesteldheid en gebruiken rekening houdt. In groote wetenschappelijke natuuronderzoekingen verdiept de schrijver zich geenszins, trekt de gevolgtrekking welke de ouderen uit den stand der planeten op vruchtbare of onvruchtbare bijenjaren maakten in twijfel en zet slechts nauwkeurig te boek wat hij zelf van de bijen gezien, van hare vijanden weet, en van de behandeling, gereedschappen en hutten des bijenmans kent en ondervonden heeft. De taal waarin de schrijver zijn werk opstelde is de Nederlandsche, zooals ze in boeken op het laatst der vorige eeuw in het Roermondsch Kwartier gedrukt, voorkomt. Het geheel is doormengd met plaatselijke of platte uitdrukkingen en woorden die ontegenzeggelijk den Maaslandsch-Kleefschen tongval verraden1.
Ongetwijfeld heeft de Kapelaan-bijenman, behalve anderen ook, het boek van den Leijdschen botanicus Cluijt voor oogen gehad, daar hij gelijksoortige zegswijzen bezigt en ook de catechetische vorm in vragen en antwoorden gebruikt, doch veel wijdloopiger en meer geregeld dan deze de verrichtingen en werkzaamheden aangeeft.
De titel van het werk luidt:
“Byen boeck ofte Pratyk der byen dat is, hoe de byen langhs den kandt van de Maes, Peel, Niers en naebuerige Platsen moeten gehantert en bearbeydt woorden, opgestelt by maniere van saemenspraeck door Peeter Hendrix à Meerloo”.
En het slot:
“Finis ofte eynde van dit byenboeck gemaeckt door het pratyk en ondervinding van den eerwaarden Peter Hendrix, Capelaen tot Lottum, hac die 11ma Decembris anno 1786”.
Een register of bladwijzer bij het werk gevoegd geeft ons de indeeling des boeks, in 30 deelen, waarvan de meeste in verschillende hoofdstukken of kapittels gesplitst zijn, te kennen.
Wat nu den schrijver aanspoorde zijne ervaringen te boek te zetten verklaart hij ons in de voorrede tot den leezer.
Als een verder staaltje van ’smans wijze van opvatting, taal en stijl geven we hier ietwat uit het 2de Capittel van het tweede Deel waarbij de schrijver verklaart hoe dat in de jaren 1782 en 1783 zich hier te land een vijand van de bijen vertoonde, tevoren onbekend en genoemd Bijenwolf.
“Disciepel vraeght: Hebben de byen eenen wolf?
“Meester antwoordt: Anno 1782 en 1783 heeft sych vertoondt een gedirte hetwelck geene mensch gedenckt van ooyt gesien te hebben, maer uyt Duytslandt en Vranckryck hebben nieuwspapieren gemeldt dat aldaer in de annales ofte jaerlyxe aentekeninghen gevonden wierdt, dat omtrent voor hondert jaeren dit gedirt ook geregeerdt heeft en veel schaede aen de byen veroorsaeckt hadde en het volgende jaer de pest onder menschen gevolght was, voor welk quaet den goeden Godt ons genaediglyk bewaert heeft.
“D. Vr. Waerom noemt gy dit gedirte eenen wolf?
“M. A. Dit gedirt wordt genoemd den wolf, omdat het mit geenen anderen naem bekent is. Eventwel magh het mit recht den wolf der byen genoemdt worden, want den natuerlijcke wolf en kan onder de schaepen zoo grooten schaei niet verorsaecken als dit gedirt onder de byen”.
Voor zoover bekend, is het “Bijenboeck” van den Kessellandschen schrijver nooit ter perse gelegd of in druk verscheenen, doch of zulks ter wille van geldelijke onkosten, of uit bescheidenheid of bedeesdheid gebeurt is, blijft ook na lezing des boeks een raadsel. Een groote verspreiding mogt evenwel dit werk onder de vakmannen genieten en op vele dorpen zoo als Lottum, Horst, Venraij, Well, en zelfs in het land van Kuijk worden nog verschillende exemplaren in copie aangetroffen. De eene bijenman schreef het van den anderen af, waardoor het werk van Hendrix niet verbeterde. Er verschenen exemplaren, die van elkander zeer veel in spelling verschilden. Een der minst verbroddelde afschriften en denkelijk met het oorspronkelijke het meest overeenkomende hebben we hierbij benuttigd; het is Anno 1809 vervaardigd door “Gerardus Vaeghs woonaegtig op Stalberger Hoof2 in de Welder Loy”. Het geeft ons des schrijvers geduld te kennen dat hij wellicht gedurende vele winteravonden beoefend heeft.—Een ander afschrift in meer moderne spelling loopt tot en met het 23ste deel en werd voor de kleinste helft afgewerkt den 12 November 1812 door Abraham Janssen uit Over-Loon.
Het afschrift van Vaeghs, hetwelk hier het licht ziet is een in folio, op zwaar papier met duidelijke hand geschreven. Het exemplaar telt negen en zestig bladzijden en heeft een grijs papier tot omslag; de bladen hebben, door het veel gebruik dat daarvan gemaakt werd, veel geleden; zij hebben wat de schooljongens noemen “ooren” aan de punten en zijn vol vlekken.
Het oorspronkelijk handschrift van Petrus Hendrix hebben wij niet kunnen ontdekken, zoo dat wij niet weten welke spelling hij gebruikt heeft en volgens welke grammatica hij zijn boek heeft opgesteld. Wij zijn dus genoodzaakt de schrijfwijs van Peter Vaeghs te volgen, die zoo als wij zoo even zeiden, ons dunkt het meest met de schrijfwijs van den auteur overeentestemmen.
Wat den titel aangaat van het boek hebben wij ons eenige vrijheid veroorloofd die ons de lezer, naar wij hoopen, niet euvel zal duiden. De titel door Hendrix gekozen en door ons hierboven vermeld, scheen ons te lang en te omslachtig; de nieuwe titel “Geldersch Bijenboek” drukt duidelijk uit wat de schrijver voor had, namelijk het schrijven van een boek over de bijen voor de landlieden van den kant der Maas-, Peel- en Niersstreek, en voor de naburige plaatsen van het Overkwartier.
En nu een kort woordje over den schrijver zelven.
De eerwaarde heer Petrus Hendrix was geboren te Meerloo uit het huwelijk van Michiel en Allegonda Wismans, en werd aldaar gedoopt den 13 Augustus 1723. Bij den afloop zijner theologische studiën was hij van 1747–1751 kapelaan te Blitterswijck en in die jaren eenigen tijd deservitor der vacante pastorie aldaar. Ten jare 1751 werd hij bevorderd tot de meer beduidende kapellanie van Lottum, waar hij in het 47ste jaar zijner Priesterwijding en het 72ste zijns levens overleed. Het sterfregister meldt het volgende:
In het jaar 1795 den 5 Maart stierf de eerwaarde heer Petrus Hendrix, gedurende 44 jaren kapelaan en zielzorger dezer parochie, en werd in de kerk begraven.
Eene bizonderheid van ’s mans uiteinde is bekend gebleven. Als zijn lijk op het praalbed volgens gewoonte met brandende waskaarsen omringd was, viel door eenig toeval een der waslichten om, en hadden reeds de ornamenten en lijkgewaden vuur gevat toen juist op tijd komende bidders blussching aanbrachten.
Zoo hadde dus het product van ’s meesters geliefde bijen, namelijk de was, eene voorzeker niet gewenschte lijkverbranding kunnen doen ontstaan!
Moge deze kleine bijdrage strekken tot nadere kennis van den Limburgschen schrijver en tot verder naricht over het eertijds zoo bloeiend bijengewin in ons Geldersch Overkwartier.
Well, den 4 April 1890.
M. J. Janssen.