XIV  OVERBLUFFEN *

Lies is een pittig ding met een frisch gezichtje, ronde en roode wangetjes. Prachtige, leuke ondeugende oogen. Een kind dat boeit.

Ze is het jongste van de drie kleine meisjes in het gezin, kinderen van tien, negen en twee en een half jaar oud. Moeder zegt, dat ze met de oudste kinderen nooit eenige moeite heeft gehad, met Lies des te meer.

Het geval interesseert me.

„Lies lijkt me toch een aardig meisje, echt beminnelijk.”

„Dat is ze ook, maar of het uit haar aard voortkomt of dat het langzamerhand een gewoonte is geworden, ik weet het niet. Wanneer haar stemming door 't een of ander maar even verstoord wordt, begint ze te huilen en blijft daarna uren lang drenzen. We staan daar machteloos tegenover. Alles hebben we geprobeerd. Door hardheid raakt ze angstwekkend overstuur. Zachtheid helpt evenmin. Ze wordt steeds moeilijker op dit punt”.

„Toe, gaat u eens in de vacantie met de kinderen meê uit. U zult het ondervinden”.

Gaarne aanvaard ik de invitatie, om te trachten het drensprobleem op te lossen.

Het was een schoone Juli-morgen, toen we om negen uur op stap gingen, beladen met alles wat kinderharte-wenschen in vervulling kan brengen. Nog wel naar een speeltuin, waarachter een groot weiland. Een eind buiten de stad zijnde, stevenden we arm in arm, vroolijk zingende op ons doel aan. Op eens, wee ons, bemerkt de kleine Lies, dat haar poppenkind een schoentje heeft verloren. Angst op aller gelaat.

—Het spreekt van zelf, dat ik niet ingreep. Ik wilde eerst de familie in actie zien.—

Als gefascineerd door het uitbundig geschrei van Liesje, gaan allen aan het zoeken. De zusjes loopen een heel eind terug. Het is vergeefsch. Het schoentje wordt verloren verklaard. Daarna vangt Liesje aan met het waarlijk ondraaglijke drenzen.

„Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe.”

„Je moogt mijn pop hebben als we thuis komen”, aldus het zachte oudste zusje.

„Moeder zal net zoo een paar nieuwe schoentjes morgen voor Liesje's pop koopen”, tracht Moeder te kalmeeren.

„Er is zooveel ander leuk speelgoed in den tuin,” troost het tweede meisje.

Niets, niets brengt maar eenige verandering.

Liesje blijft onbedaarlijk drenzen. Ehe...... èhe...... het poppenschoentje...... èhe......

Na een kwartier landden we bij de uitspanning. Zoodra we aan een tafeltje zitten om de lunch voor te bereiden, gaat Liesje vlak voor ons in het gras liggen...... drenzen. „Ehe...... èhe...... het schoentje.”

De een brengt haar chocolade. De ander suikertjes. Moeder zoete woordjes. Ze neemt alles aan en in zich op, maar...... blijft drenzen.

Liesje wordt in haar idealen bakschommel gezet en er weer drenzend uitgedragen. Naar de caroussel gebracht en er weer drenzend vandaan gehaald.

Moeder zegt, dat ze een voorbeeld aan de andere kinderen moet nemen, die zoo lief zijn. Dat ondervindt ze, maar zelf blijkt ze er geen trek in te hebben.

Ze blijft liggen drenzen. Ehe...... éhe...... het schoentje......

Nu weet ik er genoeg van. Heel kalm sta ik op, en ga even kalm naar Lies. Ik zet haar overeind, leg haar pop in haar rechterarm, neem haar linkerhandje en breng haar een heel eind verder. Ze was te overmand om tot het besef van verweer te komen. Ik leg haar meteen achter de gelagkamer in het gras. Ze kon ons van daar niet zien zitten. Ik zeg op deelnemenden toon: „ik vind het heel erg naar, dat je zoo'n verdriet hebt Lies. We kunnen je vandaag het schoentje niet weergeven. Wanneer je weer vroolijk bent, kom dan maar weêr bij ons terug.”

Lies was overbluft, door zulk een onverwachten tegenstand. Ze was aan zulk een wijze van behandelen niet gewend. Ze verroerde zich niet, zei niets tegen. Bij het heengaan knikte ik haar goedig vriendelijk toe. Het kind wist niet, dat ik haar uit de gelagkamer kon waarnemen en zoo noodig haar dadelijk kon bereiken. Na tien minuten scheen ze van den schrik bekomen te zijn. Daarna zette ze haar ondeugende stemming van verdriet in vermaak om. Niemand troostte haar meer of nam nog eenige notitie van haar. De grootste prikkel tot het drenzen was weg. Ze was om te stelen.

Ondeugendheid werkt zoo sympathisch. Ze is voor een flinken opvoeder een kracht, om alles voor het moeielijke kind te willen doen, zijn zware taak te verlichten. Helaas, dat diezelfde kracht bij de zwakke moeder tot verwennen leidt.

Lies doet haar eigen laag schoentje uit en bindt het met haar haarlintje om het ontbloote voetje van de pop. Daarna gaat ze hinkepinken in het grasveld en laat haar popje deftig naast haar wandelen. Alles met een triomfantelijk gezicht. Ze heeft haar zin. Popje heeft twee schoentjes aan. Haar vroolijkheid, mede tengevolge van de heerlijke opwekkende landelijke omgeving stijgt ten top. Ze gaat grasbloempjes plukken, tooit haar pop en zichzelve er mede. Ik had moeite niet op haar toe te loopen en haar in mijn armen te troetelen, die kleine zomerfee.

Na een kwartiertje schijnt ze honger te krijgen. Ze begint haar popje te voeren. Telkens loopt ze naar het einde van de gelagkamer, waar ze om een hoekje het gezelschap kan zien zitten.

Nu ga ik naar haar toe.

„Zoo, je kijkt weer vroolijk! Nu gaan we een boterham eten en gezellig samen spelen.”

Ik maakte haar haren weer in orde en trok Liesje het schoentje weer aan, uit vrees voor een spontane verheerlijking van Moeder en de zusjes, die weer heel wat had kunnen bederven.

We bleven tot 's middags zes uur in den tuin, zonder eenig drensincident meer te beleven.

Op weg naar huis riepen de oudste meisjes enthousiast: „Moeder zulk een heerlijk dagje hebben we met Lies buiten nog nooit gehad.”

Lies liet zich gedurende de terugreis het plaatsje aan mijn hand niet ontnemen.

Zoo trok ik nog vele vacantiedagen met het gezelschapje de stad uit.

Moeder verklaarde me: wanneer Lies nog eens een enkelen keer dreigde in haar oude kwaal te vervallen, heb ik maar te vragen: „zal ik het Juffr. E. schrijven?” om het kind tot de orde te roepen.

Niet er op rekenen, zooals de moeder hoopte, dat ze, als ze ouder werd, wel anders zal worden, maar zorgen, dat ze ouder geworden, veranderd is. Daarheen moeten we het toch bij het opvoeden leiden.


Naschrift. Het voorvalletje toont duidelijk, hoe verkeerd het zoogenaamde „afleiden” is. In heel enkele gevallen, bij heel kleine kinderen, en als hoog uitzonderingsgeval, kan het er mee door, soms zelfs een redmiddel zijn, maar als 't zóó dikwijls aangewend wordt, dat het kind het merkt—en dat is zeer spoedig het geval—dan is het spel verloren. Het behoort tot een genre maatregelen, die ik als „omkoopings-paedagogiek” pleeg te karakteriseeren: deze nu is het ware middel om bedorven kinderen te kweeken. Daarentegen is overbluffen, door het kind plotseling te stellen voor de natuurlijke, maar ongewenschte consequenties van zijn gedrag, een uitstekend middel. Slechts vergete men nooit, dat er in de opvoeding geen middelen zijn, die altijd en overal helpen.

Overigens herinnert dit schetsje mij zoo levendig aan de wijze waarop Rousseau den verwenden en onhandelbaren jongen Chenonceaux tot rede bracht, dat ik mij voorgenomen heb dat aardige verhaal eerlang voor ons blad te vertalen.

 

XV  VOORZICHTIG INGRIJPEN *

Driejarige Han is een kleine strooper. Waar het hem bij het volvoeren van zijn plan dienstig is, ontziet hij een anders eigendom niet. En hij maakt plannen! Telkens andere. Vooral onverwachte.

Hij zit bijv. een half uur rustig bij je op den grond met zijn auto te spelen. Opeens krijgt hij den inval dat zijn machine over een berg moet, en dan is de mooiste bibelot op de naastbijzijnde console niet meer veilig voor hem.

Men vindt hem een lastigen jongen.

Ik meen, dat hij alle qualiteiten bezit, om een practisch degelijk mensch te worden. Iemand met moed, ijver en doorzettingsvermogen.

Zijn onbesuisdheid vind ik op dien leeftijd natuurlijk, vooral voor een kind van zijn aanleg. Als elk kind onderzoekt Han alles wat hij in handen krijgt, maar met nog meer durf om het uit elkaar te halen.

Geen enkele spoortrein, overigens zijn lievelingsspeelgoed, houdt het langer dan hoogstens vier dagen bij hem uit, 't zij hij van hout, van blik of van ijzer gemaakt is.

Een uitkomst. Perry kondigt als reclame, den zwaren onbreekbaren spoortrein aan. Gegarandeerd. Hij is wel kostbaar, maar moeder schaft er toch een aan. Ze redeneert: duurkoop, goedkoop.

Han bevestigt den regel door de uitzondering. Na twee dagen hebben de spiegel en het behang het reeds moeten ontgelden. En uit gegronde vrees voor de kleine zusjes laat moeder de „tank” verwijderen.

Eenig beeld van mijn neef Han, zult u hoop ik wel gekregen hebben. Han en ik zijn hartsvrienden.

Zijn vader moet er eens uit. Dokter heeft een drukke influenzapraktijk achter den rug. Het ouderpaar besluit tot een vierweeksch reisje naar Zwitserland. Juf en de twee kleine meisjes worden bij grootvader gestald, zooals grootvader het betitelde. Ik krijg het vereerend verzoek, zoolang de ouderlijke plichten bij Han waar te nemen. Verschillende moeders hebben hem liever niet. Vader heeft mij als medicus zoo vaak uit den nood geholpen; dat ik me gaarne bereid verklaar.

Zijn oom Jan, van moeders zijde, een nog jonge man, houdt dol veel van den kleinen woesteling. Hij snoeft er niet weinig op, dat hij zoo goed met het vrindje kan omgaan. Hij verwent hem echter onzinnig. Dat moet spaak loopen. Uren mag hij bij hem op zijn kantoor komen spelen. Han vindt daar alles van zijn gading. Klosjes, pennetjes, gespen, knoopjes, kistjes enz. enz. Hij heeft daar ook zijn volledig ingericht magazijn. Oom vraagt me, of ik tijdens de afwezigheid van de ouders 's morgens maar dikwijls met hem op 't kantoor wil komen spelen. Hij is toch meest in zijn particulier kantoor.

Den eersten morgen dwingt Han reeds om er heen te gaan. Hij is al gauw geïnstalleerd. Bedrijvig loopt hij in zijn speelhoek heen en weer, terwijl oom mij een geheel nieuwe machine, zoo juist aangekomen, verklaart.

Drie, viermaal wordt onderwijl kort na elkaâr van de fabriek boven, door de spreekbuis gefloten.

„Ja, als het goed maar om tien uur beneden is om ingepakt te worden”. Een ander maal „driehonderd leesten tegelijk”. Zoo wisselen de antwoorden af.

Opeens loopt Han naar de buis. Een noodgefluit blaast hij. De meesterknecht komt aangesneld en krijgt natuurlijk een verward antwoord op zijn vraag „en wie”. „Dertien leest gauw ja!” Han doet de fluit er weer op. Even later informeert de meesterknecht wat dat beteekent. Oom antwoordt lachend „een opdracht van onzen driejarigen bezoeker”. Meteen verbiedt hij Han, weer te fluiten. Han zwijgt: in gedachten verzonken keert hij naar zijn magazijn terug.

Een paar minuten later, hetzelfde tooneeltje.

De meesterknecht verzoekt nu dringend er voor te zorgen, dat het kind het fluiten laat. Het stoort hem in zijn werk. Oom, reeds eenigszins opgewonden, zegt Han, dat hij niet meer naar de spreekbuis mag gaan.

Haast op hetzelfde oogenblik holt Han opnieuw naar de fluit, maar voordat hij ze te pakken heeft, loopt Oom driftig op hem toe en geeft hem een flinken klap in het gezicht.

Ik weet niet wie meer verontwaardigd was, Han of ik. Hij trapte, beet. Ik riep hem dadelijk tot me, nam het schreiende kind in mijn armen. Daarna bracht ik hem gauw tot kalmte.

„Maar ventje”, berisp ik nu, „Oom had toch gezegd dat je niet meer fluiten mocht.”

„Maar, maar,” snikt hij nog, „ik heb niet gefloten.”

„Je hebt niet gefloten?”

„Nee......e, ik was toch immers Oom, ik speelde toch magazijntje!”

Oom heeft diep berouw over zijn onrechtvaardig ingrijpen. Hij heeft het kind hartelijk lief. Hij wil hem met weldaden overladen om zijn fout weêr goed te maken.

Han wil niets meer van hem weten.

Het kind wilde niet langer blijven en was ook later niet meer te bewegen er heen te gaan.

Han bleef Oom haten[4].

Deze had de liefde van het kind verspeeld.

 

XVI  SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TOT VERBETERING *

Reeds een paar jaar lang geef ik Riekje Zondagmorgen van elf tot twaalf pianoles. Op verlangen van de beide kinderen, mijn leerlingetje van tien jaar en een driesten knaap van ruim zeven, blijf ik dan bij hen koffiedrinken. Daarna gaan we „en familie” naar Artis. Dat vinden we allemaal echt genoegelijk. Vader is een ingewijde. Hij leert ons de belangrijkste kleinigheden omtrent de daar aanwezige dieren en planten. En op zoo een gezellige wijze. Het eene dienstmeisje, dat dan niet haar vrijen dag heeft, mag toch 's middags een paar uren uitgaan. De familie eet maar wat later dan gewoonlijk en meestal eenvoudig. Een kind met „thuis blijven” te straffen is dus niet mogelijk, zonder een ander eveneens te treffen. Dat doorvoelt ons baasje heel goed. Hij vreest dien dag niets en neemt het waar. Hij doet heelemaal zijn best niet.

Huug is een robbedoes. Wanneer het weer het maar eenigszins toelaat, is hij 's morgens in den tuin. Hij leeft daar geheel vrij. Hij klimt in den boom, spit, wroet, harkt in zijn tuintje, en is dan geen goede kleeren nut.

Voor de koffie frischt Moeder hem zóóver op, dat hij daarna nog zelf op zijn kamer andere kousen en schoenen heeft aan te doen en zich in het wandel-matrozenpak moet steken, werk, dat een flinke jongen als hij, keurig in tien minuten verrichten kan.

Ik ben nu reeds zes Zondagen getuige geweest van de moeite, die de jongen den ouders veroorzaakt.

Allen staan gelaarsd en gespoord bij de voordeur als Huug gewoonlijk nog bezig is met zijn toilet.

Dreigen, straffen, niets heeft geholpen.

„Ik kàn heusch niet gauwer”, verdedigt hij zich met een overtuiging, die een ander kan doen gelooven, dat het hem nooit zou lukken.

Moeder zegt nu voor het eerst, dat hij bij Johanna thuis moet blijven, wanneer hij niet binnen vijf minuten klaar is.

Huug gelooft er blijkbaar niets van. Hij gaat zich quasi haasten, maar schiet niet op.

Ik ben op Moeder's verzoek in de kamer bij hem gebleven. Ze hoopt, dat ik het op eene of andere manier met hem zal klaar spelen.

„Arme jongen! Je moet je zoo haasten. Ik geloof wel, dat je je werkelijk niet gauwer kùnt aankleeden. Weet je in hoeveel tijd ònze Nol zich verkleedt na de koffie?” vraag ik.

Hij, nieuwsgierig: „nu?”

„Zonder te wasschen, in vijf minuten. Maar Nol is ook al acht. Jij bent nog maar zeven en een half. Jij bent nog maar een kleine jongen. Neen, je kunt het nog niet.”

„In hòèveel”, vraagt hij verachtelijk, „in vijf minuten? Peuh! Ik kan het wel in vier.”

Na vier minuten geniet ik het voorrecht Huug, „tiré à quatre épingles”, Moeder en Vader bij de voordeur te presenteeren.

Daarna houdt Huug aan mijn arm, onderweg een kleine nabetrachting.

„Acht, en zeven en een half is eigenlijk even groot niet waar, net eendere jongens?”

„Ja, dat heb ik vandaag nu ook gemerkt. Den vorigen Zondag geloofde ik het nog niet. Ik hield je nog voor klein.”

„Dat vond ik zóó naar, want ik kòn het toch wel. Het was alleen maar vervelend je zoo te haasten.”

Ook door zijn verdere vragen en opmerkingen kreeg ik de stellige overtuiging, dat zijn eigen minderwaardigheidsgevoel, gewekt door mijn verontschuldigend medelijden, Huug veel dieper getroffen had, dan de verwijten en straffen door anderen hem toebedeeld.

Hij voelde zich gekleineerd, iets wat een flinke jongen niet dulden kan.

We hebben daarna geen enkelen Zondag meer last met hem gehad.

Schaamte is een machtige hulp tot moreele verbetering.


De opvoeder zij er voor gewaarschuwd, dat, voor het toepassen van de bovengenoemde behandeling noodig is, dat het kind beschikt over de kracht, tot het uitvoeren van de hem opgelegde taak en het niet-voldoen er aan, uitsluitend op onwil, ongehoorzaamheid, wilszwakte, kortom op zijn onmacht berust. Anders zou het kind, door op zijn minderwaardigheid te worden gewezen, zich ontmoedigd kunnen gaan voelen dat tot mindere inspanning leidt, of het zou door de zucht om net zoo te zijn als de geprezene, tot naijver kunnen geprikkeld worden en zich daarom bovenmatig gaan inspannen. Het middel zou dan erger zijn dan de kwaal.

 

XVII  DE GENOEGENS VOOR HET KIND *

Vierjarig Truusje noemt het gewoon weg „taartjesdag”.

Ze geniet hem of beter gezegd, ze ondergaat hem, behoudens buitengewone gevallen, gemiddeld eens per week. De verjaardagen van de Grootouders, ooms en tantes, alsmede de herdenking van hunne trouwdagen, de verjaardagen van nichtjes en neefjes, van Moeders intiemste vriendin, van het getrouwde dienstmeisje van Grootmoeder, het factotum in de familie, de verjaardagen en den trouwdag van het eigen gezin. Want Moeder neemt Truusje alle dagen mede op hare wandelingen en bezoeken. Truusje is toch bij niemand zoo veilig, meent ze. Iets, dat ik niet gaarne onderschrijf. Moeder laat het kind hare leefwijze volgen, terwijl ze juist in hoofdzaak rekening moest houden met de belangen en de behoeften van 't kind, die geheel verschillend zijn.

Ieder op zijn beurt vindt, dat Truusje bij zoo een bijzondere gelegenheid wel een taartje extra mag hebben. Ik ben aan de familie verwant en daardoor van tijd tot tijd in de gelegenheid Truusje op zoo een receptie waar te nemen. Ze gedraagt zich zeer bescheiden. Meestal in een crapaud gedoken zet ze een gezicht alsof ze overdenkt, dat ze de taartjes wel heel lekker vindt, maar de menschen toch erg vervelend.

Vanmiddag bracht het kind zelf, de Moeder van hare dwaze behandeling terug.

Het dienstmeisje van Grootmoeder, dat zeer veel van kinderen houdt en waarschijnlijk geen critiek van haar jeugdige gast verwachtte, loopt, terwijl nog aller oogen ter begroeting op Truusje gevestigd zijn, als hare hulde, met een glaasje limonade, waaronder een klein badje, onmiddellijk op het kind af.

Met een afkeurenden zijwaartschen blik, vergezeld van een wegwijzend handgebaar, stuurt Truusje haar terug, zonder een woord te zeggen.

Haar mimiek, zoo goed uitgevoerd, doet Moeder in een lach schieten. Zij alleen begrijpt de oorzaak van deze weigering, die ze het gezelschap nu verklaart.

Moeder heeft kort geleden een nieuw dienstmeisje gekregen, wier netheid bij het bedienen nog vaak te wenschen overlaat. Ze heeft haar reeds eenige malen, wanneer er bezoek was, op dezelfde wijze als Truus nu, met een kopje of glaasje teruggestuurd. Nadat het bezoek vertrokken was, had ze het meisje haar fout onder het oog gebracht. Truusje is daar meestal bij tegenwoordig geweest.

Het kind had de handeling van Moeder zoo volleerd nagebootst; dat ze die maar al te goed gevat moet hebben. Ze moet er zich op getraind hebben om haar bij de eerst voorkomende gelegenheid toe te passen, zoo natuurlijk was haar vergoelijkende, berispende uitdrukking bij de terugwijzing.

Men merkt daaruit ook weer, hoe verkeerd het is, kleine tekortkomingen van ondergeschikten in het bijzijn van kinderen te releveeren. We moeten het kind slechts op het goede in zijn huisgenooten wijzen. Het zal daardoor welwillend jegens hen worden en hen achten.

Dat is ook noodzakelijk voor het kind tegenover de oudere, die, in welke betrekking hij ook tot hem staat, altijd zijn meerdere is, die gehoorzaamd moet worden.

Truusje werd verlegen onder het algemeen gelach, dat op Moeders uitlegging volgde. Ze huilde bijna. Om zich een houding te geven, zette ze haar pop op den schoot rechtop voor zich en gaf haar den troostkus, waaraan ze zelve behoefte had.

Je bent een flink lief meisje, suste ik haar en leidde haar af door met haar te gaan spelen.

Truusje verschijnt voorloopig niet op de recepties. Moeder en ik hebben een poosje samen gesproken. Moeder heeft een ontwikkeld, liefhebbend meisje van zeventien jaar bij Truus tot gezelschap genomen. Het kind is sedert dien tijd veel normaler, veel vroolijker geworden, en minder critisch.

Dergelijke genietingen, als recepties, mogen een heel enkele maal plaats hebben. Het gewone eigen doen is een eisch voor het kind. Bovendien moeten de genoegens voor het kind onverdeeld zijn. Dat kunnen ze niet, wanneer ze voor groote menschen èn kinderen tegelijk bestemd zijn. Deze hebben verschillende eischen. Ze zullen het kind zeker nadeel toebrengen. Het kind wordt, eigenwijs, veeleischend, onvoldaan, kortom het gaat in elk opzicht physiek en moreel achteruit.

 

XVIII  OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN *

Het is met groote Hansen lastig kersen eten, maar met kleine kinderen niet minder.

Corrie is bijna drie jaar, een slimmerdje. Ik ben bij het kleine meisje gelogeerd.

Volgens Moeder leert ze alles met een merkwaardig gemak.

„Corrie kan dit jaar nu wel zonder hulp kersen eten, ik doe er de pitten niet meer voor haar uit.”

Theoretisch zoo mooi.

Ze leert haar: Steeltje in de hand nemen, daarna de kers in den mond brengen, voorzichtig de helft der vrucht van de pit eten, de kers uit den mond halen, het steeltje er uit doen en op het schoteltje leggen, de ontvleeschde pit in het handje nemen en de rest oppeuzelen. Moeder doet het eenige malen voor en Corrie zegt het keurig na.

—Moeder is blijkbaar nog niet doordrongen van het groote onderscheid tusschen kennen en kunnen. Ze schijnt ook niet te weten dat het een verkeerd en dus ongeoorloofd middel is, kinderen door bang maken, tot een juiste handeling te brengen, anders zou ze stellig haar volgend commentaar achterwege hebben gelaten.—

„Je moogt de pit nooit in den mond hebben zonder ze vast te houden en ook niet afzuigen, nadat je de vrucht ervan hebt gegeten, want ze kan naar binnen glijden en dan gaat er een kerseboom in je buikje groeien”, plaagt ze.

Corrie zet een onverschillig en tegelijk ernstig gezicht. Ze gelooft er niet zoo heel veel van, maar...... Moeder zei het zoo rustig...... Moedertje weet het altijd wel, dat had ze ervaren.

„En groote menschen dan, Moedertje, die doen toch ook de kers in den mond zonder haar vast te houden.”

„Als je groot bent, dan kun je dat ook!”

—Moeder liet haar eenige kersen eten, ging weer aan het werk in de kamer en liet Corrie zich oefenen, in wat Moeder haar reeds eigen dacht.—

En...... Corrie probeerde...... de hartstochtelijke begeerte van „het kind” te bevredigen: ook groot te zijn, met het haast natuurlijke gevolg, dat de pit, den slokdarm binnenvloog.

Ze schreeuwde het uit, doodsangst beving het kind, ze wilde wegvluchten, maar werd door Moeder tegengehouden.

Het was aangrijpend het kind in die hevige opwinding te zien, die Moeder niet tot bedaren wist te brengen. Ze had het immers zelf verklaard „er zou een kerseboom in haar buikje groeien.”

Bij ingeving liep ik op het kind toe met een kers in de hand, slikte die in één oogenblik met de pit naar binnen, uitroepende „lekker gefopt, dom kind, lekker gefopt!!” en begon uitbundig te lachen.

Mijn comediespel bracht plotseling de gewenschte reactie. Corrie lachte zenuwachtig mede.

Daarna bracht ik het kind, door het af te leiden, spoedig tot geheele kalmte.

Laten opvoeders(sters) altijd bedenken, dat ze zelfs op het meest intelligente kleine kind in ernstige zaken nooit rekenen mogen vanwege het ongelijkmatige, het onverwachte, het impulsieve, dat elk kind in meerdere of mindere mate eigen is.

We moeten het kind bewaken van oogenblik tot oogenblik en bovenstaande leering, waar we dit kunnen, vooral de Moeders „uit het volk” trachten bij te brengen. Vele ongelukken, in onbewaakte oogenblikken, zouden niet meer plaats vinden, wanneer het bovenstaande door haar bedacht werd, door deze Moeders, die het kind als alle Moeders liefhebben.


Naschrift. Ik vind in dit schetsje het schrikaanjagen en dan nog wel met zoo'n ouderwetsch middel, het ergste. Een kersepit doorslikken is zoo verschrikkelijk niet. De kinderen altijd en overal bewaken, kunnen we eenvoudig niet. Maar wie het kind wat leeren wil, moet altijd iets wagen. Taak van den opvoeder is, te weten wat hij (zij) waagt en of dat niet te veel is.

Voorts komt het mij voor dat moeders misrekening vooral daarin school, dat zij niet genoeg rekening had gehouden met de natuurlijke zucht van het kind om „groot” te worden en al vast „groot te doen”, en niet begrepen had, dat zij door haar domme vermaning die zucht juist opwekte en prikkelde.

 

XIX  WAT HIELP *

Op zijn zesde jaar kreeg onze Tom de eerste pet van zijn Moeder en op zijn dertiende, de tweede. Daartusschen, heeft hij alle, en het waren er vele, als zondeboeten uit zijn spaarpot moeten betalen.

Pet I, was in de gracht gewaaid. Pet II was onder het woeste vechten, door den vijand verscheurd. No. 3, had hij, gebukt over het portier van den trein, die in volle vaart reed, laten vallen enz. enz.

En wat had hij niet al meer moeten vergoeden! Het repareeren van de pendule, nadat hij om den verplichten tijd van het pianostudeeren wat te bekorten, den grooten wijzer een te fikschen draai had gegeven, een gegoten paraplustandaard, dien hij voor zijn acrobatentoeren had misbruikt enz., te veel om op te noemen. Bij elken verjaardag en voor een goed schoolrapport, werd zijn spaarpot wel weer wat aangevuld, maar deze werd allengs voelbaar lichter. Om de illusie voorloopig gaande te houden, verhielp hij dit gebrek, door het zilvergeld te verkoperen. Zoo rammelde zijn spaarpot zelfs nog meer dan die van de andere kinderen, hoewel arme Tom met zijn scherp ontwikkelde zintuigen, het klankverschil daarbij pijnlijk opmerkte. Edoch, terecht overdacht Tom hier, zoolang er leven is, is er hoop. Nog meer optimistisch tegenover de toekomst dan het doorsnee-kind, vergat Tom na elke uitbetaling heel gauw, dat zijn bezit kwijnde. Hij bekommerde zich slechts om den spaarpot op het oogenblik, dat er een schadebetaling plaats had. Ze waren werkelijk droeve momenten voor Tom, vol spijt en goede voornemens.

Luchthartige naturen als hij, moeten ter genezing van hun defect, tot meer intense gevoelens gewekt worden door de straf.

Na zes jaar kreeg Vader ten slotte die aanwijzing.

Moeders veertigste verjaardag was op handen. Reeds een maand tevoren vergaderden de kinderen van zes, acht, negen en onze elfjarige Tom elk vrij oogenblik, om dien dag extra te vieren. Ze waren vol ideeën. Ze wisten zoo goed, waarmede ze hun lief Moedertje blij zouden maken. Tom, de aanvoerder, had de meest royale voorstellen. Hij wilde bloemen èn een cadeautje geven. Ze mochten van Vader alles zelf bedisselen. Op een middag, toen Moeder was uitgegaan, trokken ze gezamenlijk naar Vader om voorschot en de geheele financieele questie met hem te regelen, want de plannen stonden nu vast.

Stelt u Tom's grooten schrik voor, toen hij na alle krachten beproefd te hebben op het door hem in opwinding ten slotte ontzielde varken, daaruit slechts dertien en een halven cent vermocht te putten, terwijl de zusjes en het broertje maar hadden te grasduinen in hun overvloed.

Vader maakte van dit voorval gebruik.

Hij vond het van zelfsprekend, dat Tom Moeder op geenerlei wijze kon verrassen. De zusjes mochten hem niet bijstaan. Trouwens onze fiere Tom, zou dat niet geduld hebben. Moeder een cadeautje geven van een andermans geld. Hij liep eenige dagen in zak en asch rond en kon geen uitkomst vinden.

(Moeder was door Vader inmiddels ingewijd). Op een avond, toen Tom reeds op bed lag, riep hij Vader bij zich. Onder heete tranen vroeg hij hem om raad.

„Je kunt het alleen nog door een groot offer goed maken,” opperde vader. „Over veertien dagen moet ik ƒ 2.50 betalen voor een kwartaal lidmaatschap van de korfbalclub. Ontzeg je dat genoegen en geef Moeder van dat geld een cadeautje. Zeg den jongens, dat ik het geschikter vind, dat je een poos niet medespeelt.” Het was een offer zoo groot, haast niet om te dragen voor een jongen van elf jaar en sportliefhebber als onze Tom. Zonder te aarzelen nam hij het voorstel echter aan. Na dien tijd is er een ernstige verbetering ingetreden in zijn onbesuisd gedrag. De spaarpot wordt nog maar alleen aangesproken voor zijn genoegens.

We mogen nooit laksheid bij de opvoeding betrachten. Vinden we niet spoedig het juiste pad, laten we verschillende bewandelen en geen sleurgangetje gaan.

Die zoekt, die vindt.


Naschrift. Dit laatste is zeer waar. Intusschen zou ik wel gaarne het oordeel van anderen over het hier geschetste opvoedingssysteem vernemen, dat mij, zoo oppervlakkig beschouwd, niet vrij schijnt te zijn van een zeker mercantilisme. Alhoewel het mij toch ook herinnerde aan het volgend voorval uit mijn eigen leven. Mijn twee bengels van 11 en 12 jaar, met wie ik, destijds weduwnaar, de slaapkamer deelde, hadden de gewoonte hun schoenen altijd zoo slordig buiten de deur te zetten, dat ik er iederen avond over struikelde. Vermaningen noch straffen hielpen, zelfs niet het in den slaap wekken en uit hun bed halen van de beide boosdoeners. Totdat ik mij op een dag in een bui van gemelijkheid liet ontvallen: „als het nu nog eens gebeurt, zal ik inhouden van je weekgeld” (dat niet meer dan eenige centen bedroeg!). Het was mij geheel ondoordacht ontvallen, maar het merkwaardige feit was, dat het euvel plotseling en voor goed ophield. Tot op den huidigen dag heb ik niet begrepen, wat eigenlijk die miraculeuze werking veroorzaakt heeft. (Sedert ik dit schreef, verzekerde mij een ervaren opvoeder, dat 't geld inderdaad vaak een merkwaardigen, haast mysterieuzen indruk op kinderen maakt, en dat hij ook in zijn eigen huis met zeer kleine boeten wonderbare resultaten bereikt. Hebben meer lezers ervaringen op dit gebied?)

 

XX  TWEE VLIEGEN IN ÉÉN KLAP *

„Twee vliegen in één klap!”

Juffie is eigenlijk nog maar een groot kind. Waarschijnlijk juist daarom zoo geschikt voor onze kleine peuters. Met ons schattig, tweejarig vrouwtje kan ze het best vinden. Zus en ziekelijk broertje, kinderen van vijf en zeven, aanbidden haar. Maar aan onzen oersterken Ab heeft ze een broertje dood. Ze zijn dan ook twee contrasten. Juf teer, kalm, zwaartillend, het knaapje beweeglijk, impulsief, luchthartig. De eenige eigenschap, die ze gemeen hebben is: heerschzucht. Dat is jammer. Juf kan zijn rechtmatige kinderlijke vrijheid niet respecteeren. Met alle kracht, waarover Ab beschikt, komt de kleine geweldenaar steeds daar tegen op. Juf ziet ook niet in, dat ze het kind wel offers moet brengen, die lijnrecht met haar gevoelens in strijd zijn.

Tot Ab's voordeel is Juf physiek heelemaal niet tegen hem opgewassen. Toch loopt het nog vaak spaak tusschen hen beiden. We willen, dat Ab in zijn vrijen tijd met het broertje en de zusjes samen speelt. Dat achten we om vele redenen goed voor den jongen. Het geeft telkens heftige scènes tusschen Juf en Ab, die we, als we thuis zijn dadelijk vermogen te keeren. Moeder en ik durven echter nooit tegelijk van huis gaan en Ab bij Juf achter laten. Dat is heel lastig. Wat nu? Juf wegsturen, de arme achttienjarige wees, met hare vele goede eigenschappen? We kunnen er niet toe besluiten. Ab brengen, waar we hem hebben willen is een werk van langen tijd. Dus moeten we Juf trachten om te vormen. Ze voelt zich thuis bij ons en is ons innig genegen. Twee flinke hulpmiddelen bij de opvoeding van een pupil.

We beginnen met nog eens ernstig na te gaan, waar de zieltjes in conflict komen, om daarna te pogen voorloopig den onmiddellijken vrede te verzekeren, wanneer ze samen zijn.

Het gaat in hoofdzaak om de volgende verschillen. Ab, een jongen uit één stuk, wil absoluut zijn (rechtvaardige) afhankelijkheid van ons dragen, maar hij kan ze in het minst niet van Juf ondergaan. Juf wil ons in alles volgen, maar kan zich op geen enkel punt van Ab de wet laten stellen, zooals zij het noemt. (Wij verklaarden dit boven anders.) Welnu. We dienen het dus zoo te regelen, dat beiden niets in te brengen hebben. Hun omgang wordt tot in de kleinste détails volgens vaste wetten, van hoogerhand, door Moeder in overleg met mij bepaald. Er moet een macht regeeren, die boven hun rechtstreeksch afzonderlijk willen uitgaat. Ze gehoorzamen nu direct ons, die hun beider belangen zoo goed mogelijk hebben vereenigd. We leeren tegelijk Juf, Ab's kinderlijke persoonlijkheid eerbiedigen en Ab zich onderwerpen aan degene, die boven hem gesteld is. Het was een moeilijke taak, waarbij de omstandigheden ons hielpen. Alle te voorziene questies zijn door ons behandeld, als: Ab moet in de kinderkamer spelen, Juf wil hem dit altijd toestaan, maar hij zal streng gestraft worden, wanneer hij het (volgens ons althans) Juf lastig maakt. Juf zal hem toestaan elk spel voor den dag te halen, waarmede hij wil spelen. Ab is verplicht vóór zijn vertrek weer alles keurig op zijn plaats te bergen enz. enz. We hebben Juf duidelijk gemaakt, dat ze op den duur niet bij ons zal kunnen blijven, wanneer ze zich niet met Ab verdragen kan. Ab kent ook zijn boeten.

Het gaat een tijdlang bijzonder goed. Ze scharrelen rond zonder ooit onze inmenging te verlangen.

Moeder en ik wagen het hoe langer hoe meer samen afwezig te zijn. We gaan nu zelfs heen, zonder een enkele waarschuwing te geven.

Op een middag bij onze thuiskomst is echter weer „Holland in last”.

De deur wordt haastig opengedaan door het keukenmeisje, die Ab doodsbleek met gezwollen oogleden aan den arm heeft hangen.

Jufs behandeling had den jongen zoo overstuur gemaakt, dat het kind tot vandalisme was overgegaan.

We waren nauwelijks vertrokken, toen de impulsieve Ab, gesuggereerd door het zien van een plaat in „De Prins”, opeens in het hoofd kreeg een „Stadion” te formeeren. De beide zusjes, met wie Juf zoo rustig kralen zat te rijgen, werden door hem opgeëischt en opgewonden. Alle stoelen, de tafel, de naaimachine—wat is er niet noodig om een „grootsch” stadion te bouwen, gereed voor den a. s. wielerwedstrijd!—werden overhoop gehaald. Zelfs zijn fiets van den zolder. Dat was voor de kalme, ordelijke Juf opeens te veel. Ze ontsteekt in drift, en op het oogenblik, dat Ab voor de deur staat, grijpt ze hem onverwachts beet en sluit hem buiten.

In blinde woede bombardeert Ab de deur en schreeuwt. Zonder resultaat. Het keukenmeisje, afgekomen op het tumult, vleit Juf, belooft haar hulp, smeekt Juf den jongen toe te laten.

Juf blijft onverbiddelijk.

Om haar onrechtmatige overmacht te wreken, haalt hij een nieuw, voor haar kostbaar, blousje uit de kast, sleurt het door de modderige goot en werpt het voor de deur van de kinderkamer. Ze ontdekt het bij onze thuiskomst, als ze de deur ontsluit.

Juf verlangde een schadevergoeding uit Ab's spaarpot. We meenden zulks niet te moeten toestaan.

Het verlies van de blouse, was het gevolg van haar eigen onverantwoordelijk handelen. De jongen was haar in onze afwezigheid speciaal toevertrouwd. Ze wist heel goed op welke wijze ze Ab tot rede had kunnen brengen. Haar was geleerd hem af te leiden door zelf mede te spelen. Ze had den laatsten tijd steeds ervaren, dat ze hem dan tot haar vrijwilligen medewerker van het goede kreeg. Maar in een minder evenwichtig, wilszwak oogenblik had ze haar oude methode gevolgd en Ab geheel bebaasd. Dat was haar onmogelijk gebleken. Ab voelde dat als een onrecht. Ab moest er geleidelijk toe komen haar te gehoorzamen. Dat waren we overeengekomen.

Ze kreeg geen schadevergoeding. Haar werd de keuze gelaten „daar zonder” te blijven of er mede op tijd te vertrekken. Ze besloot tot het eerste voorstel.

Ab moest voorloopig zijn eigen kamertje missen. Dat was een groot verlies voor hem. Zoodra wij er zeker van waren, dat hij waardevolle zaken wist te ontzien en een anders bezit te respecteeren, zou hij het weer mogen betrekken.

Om te voorkomen, dat Ab wrok tegen Juf ging koesteren, lieten we haar, ze had het wel noodig na de verwikkelingen, dien avond na het eten naar bed gaan. We zeiden, dat Juf vanmiddag al heel ziek was geweest. Ze zou hem vast nooit meer buiten de kamer zetten. Ze zou ons liever zeggen, wanneer ze zich minder goed voelde, dan mocht ze rust gaan nemen.

Ab zag, toen hij kalm was, heel goed in, welke wandaad hij begaan had, door in woede eigen rechter te spelen.

Het ging daarna best tusschen hen.

Ze hadden beiden ter waarschuwing van het geweten een verlies te overdenken.

Ze waren door „schade” wijs geworden.