Met den terugkeer der gevluchte leiders wordt de strijd ingericht. Rogier, om den opstand te besturen, vestigde op 't Stadhuis eene Bestuurlijke Commissie met D'Hoogvorst en den oud-genieoffieier Jolly; hij benoemde don Juan van Halen als opperbevelhebber der patriotten en stelde Engelspach-Larivière tot bijzonderen agent der uitvoerende macht aan. Mellinet, Niellon, Chazal, Grégoire en andere Franschen kregen een commando of werden aan het hoofdkwartier verbonden. Het plan der vrijwilligers was voortaan zeer eenvoudig: Prins Frederik in de Warande insluiten en hem beletten in de stad te dringen; daarom slopen zij in de voornaamste hotels der Wetstraat en der Koningstraat en beschoten van daaruit, onzichtbaar en verschanst, de dappere maar blootgestelde Hollandsche troepen. Alsdan liet de prins houwitserbommen op de stad werpen.
Tot hiertoe had de verschrikte burgerij lijdzaam de beweging gadegeslagen; de beschieting der stad wekte haar uit die onverschilligheid op. Om haar bepaald tot de Omwenteling over te halen, liet de Bestuurlijke Commissie, te middernacht, eene proclamatie in de straten aflezen, waardoor zij, op leugenachtige wijze, de burgers tegen eene tweedaagsche plundering der stad door de Hollandsche soldaten waarschuwde! Het uitwerksel was verbazend: de bedrogen burgerij sloot zich bij de barricademannen aan.
De vluchtelingen van Valencijn waren intusschen met 300 vrijwilligers in Brussel aangekomen; dit versterkte den moed der patriotten in de hoogste mate. Op bevel van Rogier durfde zelfs Van Halen eenen vermetelen aanval op de Warande wagen, die natuurlijk mislukte; zijn stafoverste Pletinckx aarzelde niet om aan de Hollandsche voorposten een antwoord der Bestuurlijke Commissie te overhandigen, waardoor alle onderhandelingen verworpen waren, maar hij werd aangehouden en op Antwerpen gericht. Doch Van Halen's koene daad en de nieuwe proclamatie der Commissie, die aan de gesneuvelden een nationaal grafmonument op het St Michiels-, nu Martelaarsplein, beloofde, versterkte nog den moed der patriotten. Na een strijd van drie dagen, hadden de Hollandsche troepen, verre van eenigen vooruitgang te maken, zelfs terrein verloren; en terwijl zij zich aan ontmoediging overgaven, klom de onversaagdheid der vermetele patriotten in dezelfde mate. En weer bleven 's nachts de barricaden verlaten; prins Frederik en zijne generaals, aarzelend en radeloos, handelden echter minder dan ooit; 's anderendaags zou het overigens reeds te laat wezen.
Want, op Zondag 26en September vernam de Brusselsche bevolking dat de Bestendige Commissie door een Voorloopig Bewind vervangen was, samengesteld uit D'Hoogvorst, Rogier en Jolly, die zich nu het driemanschap, graaf Felix de Mérode, Gendebien en Sylvain Tan de Wever toevoegden; hunne eerste daad was een oproep tot de Belgische soldaten die zij van hunnen eed ontsloegen. Reeds was de trouw der Belgen, die onder de wapens waren, aan 't wankelen gebracht door den indruk der behaalde voordeelen hunner strijdende landgenooten; talrijke soldaten werden afvallig en namen de vlucht; het leger was door de afscheiding tusschen Hollanders en Belgen met ontbinding bedreigd!
Prins Frederik en zijne generaals waren ontmoedigd door den hardnekkigen weerstand en door het nieuws van den voortdurenden aantocht van nieuwe vrijwilligers uit Henegouwen, waar al de garnizoenen éen voor éen, uiteengingen of zich gedeeltelijk bij het oproer aansloten. Daarbij werd den 26en het Hollandsche leger ingesloten door den brand die het Paleis der Staten-Generaal en het Koninklijk Paleis bedreigde. In dien toestand oordeelde prins Frederik dat de hem opgedragen taak van rustherstelling en bescherming der vredelievenden onmogelijk te volvoeren was en besloot tot den aftocht; omstreeks middernacht werd het bevel in dien zin gegeven en om drie uur hadden de troepen de Warande ontruimd; tot groote verbazing der vrijwilligers vonden deze 's anderendaags in den morgen het slagveld verlaten ...
Die overwinning verzoende alle partijen om triomf te vieren; door het gemeenschappelijk vergoten bloed werd de opstand eene nationale zaak. De gematigden en de vreedzame burgerij, die tien dagen te voren om de troepen geschreven hadden, sloten zich nu bij het zegepralende werkvolk en het gepeupel aan en schaarden zich aan de zijde der revolutiemannen; voortaan zal er maar éene partij meer bestaan, met éen doelwit: het leger naar Holland terug te drijven.
De vier Septemberdagen hadden aan de Hollanders 150 dooden en 2000 gekwetsten gekost; de Belgen telden 450 dooden en 1300 gekwetsten; al de eer der overwinning werd den Franschman Mellinet toegeschreven.
Het onverwachte nieuws der bevrijding der hoofdstad verspreidde zich bliksemsnel; van den uitslag van den strijd te Brussel hing immers het behoud van het Hollandsch bestuur in bijna alle steden en gemeenten af; alom namen de inwoners de wapens op, verjoegen de troepen uit Brugge, Bergen, Doornik, Namen, Philippeville en Mariembourg, twee dagen later uit Meenen en Ieperen, en kwamen de rangen der Brusselsche overwinnaars vergrooten. Aldus had de nederlaag van prins Frederik de afvalligheid van bijna gansch België tot gevolg; ook ging het Hollandsche leger door de desertie der Belgen in weinige dagen tot een staat van geheele ontbinding over.
Nauwelijks had de geestelijkheid van het omliggende platteland het oproer te Brussel vernomen, of haar strijdlust hernam met dezelfde kracht als ten tijde der Brabantsche omwenteling. De opstand tegen «den protestantschen dwingeland» werd met gloed gepredikt en de boeren-vrijwilligers, met den bekenden naam van «patriotten» bestempeld, werden vóor hun vertrek door den dorpsherder gezegend. In Vlaanderen hadden de geestelijken afgewacht welken keer de zaken te Brussel zouden nemen; en als het bleek dat de Waalsche revolutionnairen sterker waren dan de regeering, hebben zij de beweging gevolgd. Nu bleek het genoeg door die spoedige wapening hoe de stijve en verwaande houding der Hollandsche ambtenaren het lagere volk en de buitenlieden afkeerig van het Noorden gemaakt had. Ook stroomden uit Ronse en Kortrijk, uit Ninove en Aalst enz. reeds op 26en September groote benden opstandelingen naar Brussel toe: meest allen behoorden tot die gemeentewachten die de regeering zoo onvoorzichtig had ingericht.
Op Maandag 27en September, was de volksvereerde Louis de Potter triomfantelijk te Brussel binnengetreden en door het volk met uitbundig gejubel onthaald. Reeds 's anderendaags werd hij in het Voorloopig Bewind opgenomen, en vormde met Rogier, Van de Wever en E. de Mérode het Hoofdcomiteit, dat met de uitvoerende macht bekleed was.
Met weergaloozen ijver en wonderbaar vernuft, bemoeide het Comiteit zich met het herinrichten van leger en bestuur; zonder geld noch middelen regelden zij het nieuwe beheer.
't Was in 't vuur van den strijd te Brussel, dat de Staten-Generaal in den Haag eindelijk het principe van de bestuurlijke scheiding tusschen Noord en Zuid aangenomen hadden, in de Tweede Kamer met 55 stemmen tegen 45, in de Eerste met 31 tegen 7 (29en September). Twee dagen later benoemde koning Willem eene commissie belast met het onderzoek van de maatregelen door deze verandering geëischt, de inrichting en de bepaling der betrekkingen tusschen de twee groote deelen van het Rijk; maar de Belgen namen aan dit werk zelfs geen deel meer.
Alhoewel de Vorst, na ontvangst van een Adres geteekend door vele aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje den 4en October aan het hoofd der Zuidelijke gewesten geplaatst had, en, in afwachting dat de scheiding van Noord en Zuid, overeenkomstig de grondwettelijke vormen, bekrachtigd werd, hem toeliet te regeeren met een bestuur uitsluitend uit Belgen samengesteld; alhoewel de prins dit door zijne proclamatie te Antwerpen 's anderendaags kond maakte en daarbij de vrijheid van onderwijs en van taal beloofde, voldeed deze bestuurlijke scheiding bijna niemand meer. Het bloed der gesneuvelde strijders had den haat tegen den Hollander zoozeer opgejaagd, dat het denkbeeld der volstrekte Belgische zelfstandigheid meer en meer veld won; wel hadden Gent, Antwerpen, St Nikolaas en Dendermonde zelfs tegen de bestuurlijke scheiding verzet aangeteekend; het was te laat: noch protesten, noch proclamatiën konden meer baten.
Den 4en October, twee dagen na de sluiting der laatste zitting der Staten-Generaal, vaardigde het Hoofdcomiteit het volgende decreet uit: I. De Belgische provinciën, met geweld van Holland losgerukt, zullen eenen onafhankelijken Staat vormen. II. Het Hoofdcomiteit zal zich ten spoedigste met het ontwerp eener Grondwet bezighouden. III. Een Nationaal Congres, waarop al de belangen der provinciën zullen vertegenwoordigd zijn, zal bijeengeroepen worden, en over de Grondwet beraadslagen.
België's zelfstandigheid was onherroepelijk gevestigd.
De prins van Oranje, alhoewel niet met bepaalde volmacht gewapend, had nochtans alle hoop niet opgegeven. Hij had rondom zich te Antwerpen drie ministers, La Coste, Van Gobbelschroy en den hertog van Ursel, en tien getrouw gebleven Belgische afgevaardigden, onder welke Lehon, De Brouckère, De Gerlache en Surlet de Chokier. Hij poogde door allerlei beloften, als instelling der ministerieele verantwoordelijkheid en der jury, zijne verloren populariteit te herwinnen. Tegelijkertijd knoopte hij onderhandelingen met de leden van het Voorloopig Bewind aan. Hierin was Lord Ponsonby, de Engelsche gezant te Brussel, hem reeds voorgekomen. Deze kende de kuiperijen van Gendebien met de regeering van Louis-Philippe en de tusschenkomst van den Franschen gezant Generaal Vallazé gedurende de Septemberdagen, en spande al zijn pogingen in om de vereeniging van België met Frankrijk te verijdelen. Kon men de scheuring van het rijk der Nederlanden niet beletten, zoo bleef dan nog, als dam tegen Frankrijk, een onafhankelijk België, onder den Engelschgezinden prins van Oranje, het verkieslijkst; de scheiding van Noord en Zuid intusschen was voor Engeland, dat onder de mededinging van den Hollandschen zeehandel en van de Belgische nijverheid erg leed, van groot œconomisch belang.
Aan den anderen kant zond de prins van Oranje den Russischen prins Kolovsky, die, uit zijn gezantschap te Wurtemberg ontslagen, nu Gent bewoonde, bij de generaals D'Hoogvorst en Van Halen, alsook bij De Mérode, Van de Weyer en L. de Potter; zeer lang bepleitte hij de zaak van den held van Quatre-Bras, maar stuitte op de weigering der leden van het Voorloopig Bewind. Nochtans verklaarden tien Belgische volksvertegenwoordigers dat ze hem als onderkoning van den grondwettelijken Belgischen Staat wilden doen uitroepen; de prins bad daarop zijn vader om ondersteuning van Rusland en Engeland en bood Louis-Philippe, in ruiling van een openbare afkeuring van de kuiperijen der Fransche partij te Brussel, zijne voorspraak bij den Frankrijk bedreigenden Czaar, zijnen schoonvader, aan; uit al zijne macht wenschte hij het schoonste deel van het koninkrijk voor zich te herwinnen, met het inzicht het later met Holland te hereenigen.
De prins wist niet dat zijn vader hem intusschen in alles tegenwerkte. Willem had inderdaad, den 2en October, zijn minister Verstolk van Soelen gelast een rondschrijven aan Pruisen, Oostenrijk en Rusland te richten om hulp te vragen, en zijn gezant Falck te Londen bad om de dadelijke zending van Engelsche troepen; alleen Pruisen bracht op onze oostelijke grenzen een leger samen, maar moest daarmee ophouden voor de dreigementen van den Franschen zaakgelastigde (11en October). In Holland zelf had Willem zijn volk te wapen geroepen, denzelfden dag dat Oranje te Antwerpen zijne verzoenende proclamatie had uitgeplakt! Verder riep hij Van Maanen opnieuw in 't ministerie van justitie en verleende het opperbevel der troepen aan prins Frederik, bijgestaan door Chassé, commandant van Antwerpen; alzoo vuurde Willem de oude oneenigheid tusschen zijne beide zonen opnieuw en geweldig aan. Aan den prins van Oranje liet de Vorst, die tot dan toe de omwenteling niet wilde erkennen, maar nu plots een oogenblik akte van afstand wilde doen, de toelating geworden om de souvereiniteit van België te aanvaarden, maar mits zulke voorwaarden, dat zij van eene verregaande verblindheid omtrent den staat van zaken getuigt (13en October). Van wege den prins zelf waren het hersenschimmen wanneer hij hoopte zijne voorstellen te zien aanvaarden; want noch de geestelijkheid die in hem den protestant zag, noch de adel die zich grootendeels door de priesters liet leiden, noch de kleine burgerij en de werklieden die zich reeds te ver gewaagd hadden en die onrechtstreeksche wederaanhechting bij Holland verwierpen, wilden van hem weten; en hoe overtoegevend hij zich in zijne besluiten ook toonde, toch waren de verordeningen van het Voorloopig Bewind nog veel breeder opgevat, en alzoo werd hem de loef afgestoken.
Want, nadat het Voorloopig Bewind enkele uitstekende mannen, als De Gerlache, Van Meenen, Nothomb, Lebeau, Devaux, De Brouckère, belast had met het opstellen van een ontwerp van Grondwet en een Kieswet voor de benoeming van 200 Congresleden, vaardigde dit krachtdadig en onvermoeibaar Comiteit, onder den invloed van den philosoof en republikein L. de Potter, zeer vrijzinnige besluiten uit, zooals de vrijheden van vereeniging, van godsdienst, van drukpers, de openbaarheid der gerechtsdebatten, zelfs de volledige vrijheid voor de schouwburgen, maar ook de vrijheid van onderwijs. Alras verwezenlijkte het Bewind het programma der Unie of liever overschreed het.
De prins van Oranje, wiens toestand hachelijk werd door het vertrek der Belgische afgevaardigden (6en-10en October) en door de opstootjes in Antwerpen zelf, werd door burgemeester en raad genoopt om deze door een beslissende daad te stillen, en waagde zijne laatste troeven. Den 16en October, vaardigde hij eene nieuwe proclamatie, zonder voorkennis van den Koning, uit, in deze bewoordingen: «Belgen, ik herken u als eene onafhankelijke natie; kiest vrij uwe afgevaardigden voor het Nationaal Congres. Ik stel mij in de provinciën die ik bestuur, aan het hoofd van een beweging welke u leidt naar eenen nieuwen en vasten staat van zaken, waarvan de nationaliteit de kracht zal uitmaken»; overigens stelde hij Ducpétiaux en Pletinckx in vrijheid en beloofde de schifting van de Hollandsche en Belgische soldaten.
Door deze ongelukkige proclamatie verloor de prins ineens zijn spel. Want, niet alleen werd hij reeds twee dagen later bepaald over boord geworpen door het Voorloopig Bewind, dat hem het recht ontzei te spreken «van provinciën die hij bestuurde» en van «politieke nationaliteit die hij zou stichten»: niet alleen deed hij het Hollandsche volk in woede ontvlammen «omdat hij Holland had verloochend», maar zijn stoute stap werd door Koning Willem als hebbende zijn macht te buiten gegaan veroordeeld en in volle zitting der nieuw vergaderde Staten-Generaal van het Noorden afgekeurd (20en October); na die harde bestraffing van zijn vader trok, vol zelfverloochening, de ontmoedigde prins naar Londen, in de hoop aldaar bij de conferentie der Mogendheden meer bijval te vinden, doch niet zonder vooreerst tot de Belgen zijn wenschen voor hunne welvaart gericht te hebben (25en October).
Het is anders ontegensprekelijk dat deze proclamatie den laatsten slag toebracht aan de stervende macht zijns vaders; zij verjoeg de angstvalligheid van een massa wankelmoedige lieden, die uit schrik of berekening nog vreesden met de Nassau's af te breken, en die dit voorwendsel aangrijpende, om hun geweten en hunne belangen in veiligheid te houden, zich verhaastten te verklaren dat indien zij naar 't Congres of tot eene openbare bediening geroepen werden, zij zouden aannemen.
«Wat alle denkbeeld overtreft, zegt De Gerlache, is het getal verzoekers belust op een deel van den buit. Iemand die deel uitmaakte van het pas gevestigde gezag en die voortijds in de grootste onbekendheid leefde, zag zich bestormd door eene menigte versch ontstane vrienden, die er in toestemden zich te wagen in de openbare ambten, uit loutere liefde voor het vaderland en, zooals zij voorgaven, om er de verraders uit te sluiten, die zij officieus kwamen aanklagen.»
Het gansche Vlaamsche land werd nu afvallig, uitgezonderd Antwerpen door Chassé bewaard en Maastricht door Dibbits verdedigd. Te Gent had de Patriotische Maatschappij de Brabantsche kleuren opgestoken; het Voorloopig Bewind, om Brussel tegen die gelukzoekers te bevrijden, had het Parijsch-Belgisch legioen, den 7en October onder burggraaf de Pontécoulant aldaar aangekomen, naar Gent gestuurd; na eene botsing met de oude burgerwacht, die hare ontbinding en hervorming tot gevolg had, begon Pontécoulant de beschieting der citadel, waarin de Hollandsche kolonel Destombes zich opgesloten had (13en October), doch zich vier dagen later moest overgeven; ook te Brugge werd hij eene week later belast een opstand te gaan dempen; maar in Zeeuwsch-Vlaanderen werd zijn troep plunderaars door de Hollanders deerlijk te Oostburg teruggeslagen (len November).
Terzelfdertijd rukten met twee duizend man luitenant-kolonel Niellon en de kommandant der artillerie Kessels op tegen het leger van prins Frederik en Bernard van Saksen-Weimar, een 40,000 man sterk; deze troepen, juist ontredderd door de schifting van Hollandsche en Belgische soldaten, stonden langs de Rupel en Nete, met den rechtervleugel te Boom, het centrum voor de bruggen van Waalhem en Duffel, den linkervleugel boven Lier; Niellon verraste Lier zonder slag of stoot, versterkte het, sloeg een tegenaanval af en verplichtte het gansche leger zich onder de muren van Antwerpen terug te trekken. Bij dit nieuws stelde Chassé de havenstad in staat van beleg. 's Anderendaags overrompelt generaal Mellinet, met het tweede leger, de brug van Waalhem en sluit zich den 24en op Ouden-God met Niellon aan. Reeds den volgenden dag namen zij Borgerhout en Berchem in, alwaar graaf Frederik de Mérode doodelijk gekwetst werd; enkele dagen vroeger was de tooneelspeler Jenneval, de dichter der Brabançonne, te Lier gesneuveld.
Op het zicht der vluchtende Hollanders staat het lagere volk te Antwerpen op; straatgevechten ontstaan; de strijd wordt vooral rondom de poorten geleverd; een gedeelte der Hollandsche troepen begint den aftocht naar Breda, terwijl het andere de muiters beschiet.
Den 27en 's morgens trok eene afvaardiging van Antwerpsche notabelen bij generaal Chassé om hem te vragen het gevecht te staken; zij overhandigden hem tevens eenen brief van den oud-tolbeambte Frans Vanden Herreweghe, afgevaardigde van het Voorloopig Bewind, die hem vroeg zijne troepen in de citadel en het arsenaal terug te trekken en een wapenstilstand met de patriotten te sluiten. De bevelhebber nam het voorstel aan, gaf bevel aan zijne manschappen om zich over de wallen naar het kasteel te begeven en leverde de sleutels der stadspoorten aan Vanden Herreweghe.
Kessels en Niellon, nauwelijks met de vrijwilligers de stad binnengerukt, deden zich door de verdedigers der citadel, onder den schijn dat zij vredeonderhandelaars waren, inlaten, en legden de verklaring af, dat de gesloten wapenstilstand, als zijnde geteekend door een onbevoegde burgerlijke overheid, geene verbindende kracht had voor de Belgische troepen. Daar Chassé ze naar den afgevaardigde van 't Bewind verzond, durfden zij met dien Vanden Herreweghe en Mellinet rond den middag aan den generaal een geschreven voorstel richten, waardoor zij de citadel, het arsenaal en de krijgsvloot met al het oorlogsmateriaal opeischten met tijdsbepaling van vier uur om te beslissen.
Doch nog vóór twee uur hadden reeds de onstuimige patriotten, ondanks den wapenstilstand, op de Hollanders van het arsenaal geschoten. Deze waren genoodzaakt dit vuur te beantwoorden; de aanvoerder Kessels, die eerst getracht had zijne vrijwilligers te doen ophouden, richtte op het einde zelf een kanon tegen de hoofdpoort der omheining en deed ze springen. Dan gaf de lankmoedige Chassé, op aandringen van Saksen-Weimar, ondanks zijn afkeer, maar woedend over die «hatelijke trouweloosheid», het bevel om het St Andries-kwartier met houwitserbommen, granaten en kogels te beschieten. Ook de vloot beantwoordde den aanval der vrijwilligers met haar grof geschut tegen de kaaien te richten: het bombardement van de prachtige koophandelsstad eindigde slechts om 7-1/2 uur, na overal vernieling en dood gezaaid te hebben. De openbare gebouwen, de private huizen stonden weldra in lichterlaai; het arsenaal, waarin zooveel schatten opeengestapeld waren, werd ook de prooi der vlammen (27en October).
Alsdan kwam een nieuwe afvaardiging van Antwerpsche ingezetenen, dragers van eenen brief van den moedigen en standvastigen Rogier, om Chassé tot een nieuwen wapenstilstand over te halen, wat deze toestond. Bernard van Saksen-Weimar scheepte daarop een deel der troepen in, en liet aan Chassé eene genoegzame bezetting.
Alhoewel de gansche schuld van dit verschrikkelijk bombardement aan de verwatenheid der Belgische vrijwilligers lag, werd Chassé's handelwijze door de leden van het Voorloopig Bewind en hunne dagbladen, als de uiting van een barbaarschen wraaklust en Hollandschen handelsnijd voorgesteld, en «steeg er bij dit nieuws een kreet van afgrijzen door gansch België op.» «De gematigdste burgers, schrijft De Gerlache, riepen uit dat geene verzoening met de Hollanders meer mogelijk was, dat een stroom van vuur en bloed ons voor altijd van Willem en zijn stamhuis scheidde!» De laatste hoop van den prins van Oranje was verzwonden; zijne zaak was reddeloos verloren.
In eene maand dus was het Hollandsche leger van den Belgischen bodem verjaagd. En nochtans ontbrak het de omwenteling aan hoofdmannen, aan voorbereiding, aan richting. De koene handelingen van het onbemiddelde Voorloopig Bewind en voornamelijk de werkdadigheid van Rogier kan men hierom niet genoeg bewonderen. Trouwens het waren de menschen niet die de gebeurtenissen leidden, maar wel de gebeurtenissen die met ongemeene snelheid de menschen met zich sleepten.
De weifelingen van den koning, de machteloosheid van den prins van Oranje, de ontbinding van het Hollandsche leger, de schuldige lamlendigheid van de militaire gouverneurs, alles was de revolutionnaire aanvoerders en de Belgische vrijwilligersscharen zoo buitengewoon gunstig geweest, dat die spoedige overwinning niemand moet verwonderen.
Chassé's krachtdadig optreden stuitte dien geweldigen aanloop; het was het einde der Belgische zegepraal. De Hollandsche legers sloten zich weer aaneen, 's Konings oproep tot den strijd werd met geestdrift door zijn Hollandsch volk begroet; met algemeenen wedijver kwamen burgers, studenten, werklieden de rangen van het leger en van de schutterij aanvullen en stortten de groothandelaars en de reeders hunne schatten in de Staatskist. Het gansche volk stond, in het Noorden, op tegen de «verraders» van het Zuiden; niet dat men België wilde veroveren, want de Tweede Kamer drukte «haar verlangen uit, om wettelijk volkomen van eene mislukte verbintenis verlost te worden», doch eenvoudig om het bedreigde Nederland te verdedigen.
Het woord was echter niet meer aan het gekletter der wapenen, maar aan de diplomatie van de groote Mogendheden. Evenals deze de beide landen door hunne handteekeningen vereenigd hadden, zouden zij ze door protocollen en verdragen van elkander scheiden.
DOOR
VICTOR FRIS
De commissie der Grondwet, den 12en October 1830 voor de eerste maal vereenigd, besloot, denzelfden dag reeds, met 8 stemmen tegen 1, dat de regeeringsvorm het grondwettelijke koningdom wezen zou; daarna bepaalde zij de grondslagen van de Constitutie en, na er lezing van gegeven te hebben aan het Voorloopig Bewind, gaf zij het ontwerp den 28en uit. Den 10en November kwam het Nationaal Congres, dat de akten van het Voorloopig Bewind zou bekrachtigen en de Grondwet bespreken, te Brussel bijeen. Na eene openingsrede van L. de Potter, die de tusschenkomst van de Mogendheden mocht aankondigen, werd E. Surlet de Chokier tot voorzitter van het Congres gekozen. Twee dagen later gaf het Gouvernement provisoire, dat tot daartoe een willekeurig en eigenmachtig gezag uitgeoefend had, zijne macht aan het verraste Congres over. Dit echter nam bij handgeklap, op voorstel van De Stassart en door gebrek aan tijd om te beraadslagen, het besluit het Voorloopig Bewind te verzoeken het uitvoerend gezag te behouden, zooals de leden van dit Bewind het overigens gehoopt hadden.
De twistzieke L. de Potter nam zijn ontslag, daar hij de opperste en wettige macht voor het Voorloopig Bewind eischte en dien machtsafstand afkeurde (13en November). Den 16en benoemde het Voorloopig Bewind, ten einde zijne taak te vergemakkelijken, een diplomatisch Comiteit, dat de rol van een ministerie van buitenlandsche zaken zou vervullen, met S. Van de Weyer als voorzitter, graven van Aerschot en de Celles als ondervoorzitters, Ch. Lehon en Nothomb als leden: die inrichting was dringend noodig.
Immers, op 21en October, had Falck te Londen, in naam van koning Willem, aan Lord Aberdeen gevraagd, bij de gezanten der Mogendheden te willen aandringen op een spoedige bemiddeling en op het verwezenlijken van een wapenstilstand tusschen Holland en België, om inmiddels de herstelling van de goede betrekkingen tusschen beide landen te bewerken. Daarin stemden, na lang dralen hunner regeeringen, de gevolmachtigden der vorstelijke hoven toe, en door een protocol van 4en November stelde de Conferentie te Londen vereenigd een wapenstilstand aan Holland en aan België voor. Het Voorloopig Bewind, verheugd over de tusschenkomst der Mogendheden en over de vaststelling van de bestandsbepalingen, nam den 10en, dag van de opening van het Congres, dit voorstel aan, dat beslist den 21en goedgekeurd werd. Door de toezegging van dien wapenstilstand tusschen Noord en Zuid, erkende dus van 't begin af de Conferentie het volbrachte feit en verleende aan de Belgische opstandelingen eigenlijk den titel van oorlogvoerenden.
Den 18en November bekrachtigde het Congres bij eenparigheid, zonder nochtans eenige beslissing van de Conferentie van Londen af te wachten, het besluit van het Voorloopig Bewind aangaande de onafhankelijkheid van België, «behoudens de betrekkingen van Luksemburg met den Duitschen Bond.» Den 22en besloot het, met 174 stemmen tegen 13, dat de regeeringsvorm «de erfelijke monarchie, beperkt door eene volksvertegenwoordiging» zou zijn; dit deed de Belgen de sympathie der Mogendheden inwinnen, die nooit een Republiek zouden geduld hebben. Den 23en stelde Constant Rodenbach de verdrijving van het huis van Oranje voor. Wellicht ware dit overijlde besluit nooit genomen geweest, zonder de onbehendige drukking van de gevolmachtigden van de Conferentie, die verklaarden dat die stemming België met de Mogendheden in de war zou brengen; talrijke leden veranderden, uit protest, hunne zienswijze, zoodat, met 101 stemmen tegen 28, verklaard werd, dat de leden van het huis van Nassau voor eeuwig buiten alle heerschappij in België zouden gesloten zijn.
Die voor Oranje zoo harde slag hinderde tevens deerlijk de plannen van de «Conferentie van Londen».
De verkiezing van Willem's zoon had sedert het begin van October, aan Louis-Philippe de gelukkigste oplossing geschenen; en zijne ministers Maison eerst en later Sebastiani deden den gezant Bresson in dien zin te Brussel werken. Het Engelsche ministerie Wellington-Aberdeen was den prins zeer genegen; wat de Oostelijke machten betreft, Pruisen, waar zijne zuster een kroonprins onlangs gehuwd had, en Rusland, waar hij met de zuster van den Czaar in den echt was getreden, zouden hem hunnen steun verleenen. Maar de kuiperijen van Bresson stuitten op de hardnekkige weigering van de Belgische clericalen. De beschieting van Antwerpen, alhoewel Oranje daar niet de minste schuld aan had, had zijnen naam bij het volk hatelijk gemaakt. Alzoo viel het eerste ontwerp van de Mogendheden.
Koning Willem, in zijne hoop op de gewapende tusschenkomst der Mogendheden verblind, was in zijne verwachtingen nog gesterkt door de behoudsgezinde troonrede van Willem IV van Engeland, doch moest op het einde fel klagen dat zijne verbondenen hem in den steek lieten. De algemeene wensch van de Europeesche regeeringen bleek integendeel voor eene vreedzame oplossing te zijn.
Wel bestond er in Frankrijk een parti de la revanche, die sedert de Septemberdagen de aanhechting van België bij Frankrijk, en de bescherming van de «oudste dochter der groote Juli-week» eischte. Had Louis-Philippe aan dien onstuimigen drang toegegeven, en hadden van hunnen kant de onderteekenaren van de Sainte Alliance het werk van het Weener Congres willen in stand houden, weer zou ons land het slagveld van Europa geworden zijn. Louis-Philippe, de voorzichtige Vorst, wilde echter, kost wat kost, eene verwikkeling met het buitenland vermijden, uit vrees voor zijn eigen troon. Met Engeland, dat het eerst de Juli-monarchie erkend had, wenschte hij innig het Hollandsch-Belgisch vraagstuk op diplomatische wijze te beslechten. Naar Londen had hij dus gezonden den sluwen Talleyrand, wel bekend om zijne voorliefde voor een Fransch-Engelsch verbond, en deze wist, in enkele dagen, de Engelsche regeering tot dezelfde opvatting over te halen: alzoo mislukten te Parijs de onvermoeibare pogingen van Gendebien en van de Fransche partij omtrent de rechtstreeksche of onrechtstreeksche inlijving van België bij Frankrijk. Talleyrand had dus het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen doen zegevieren, nog vóor de Conferentie.
Pruisen, op het zicht van den steeds toenemenden gelukkigen uitslag van de Omwenteling te Brussel, was weldra van meening veranderd, en verkoos het behoud van den Europeeschen vrede, boven het verleenen van gewapende hulp aan den altijd om steun smeekenden Willem.
Metternich in Oostenrijk, overtuigd dat de Hollandsche zaak verloren was, en ten zeerste misnoegd over het zegevieren van het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen, gaf aan Esterhazy last, in overeenkomst met de Fransche, Engelsche en Pruisische gezanten, het best mogelijk te handelen in het belang van het Europeesch evenwicht.
Czaar Nikolaas, over dien nieuwen volksopstand in Europa woedend geworden, had bedreigingen laten hooren, sprak van een sterk leger naar België en Frankrijk te zenden, om er den ouden staat van zaken te herstellen, en, als voorwacht, het Poolsche leger, onder het bevel van zijn broeder Constantijn, voorop te sturen. Maar, als Pruisen zijn toetreding ontzegd had, viel alras zijne krijgszuchtige stemming, en verklaarde hij niet alléen te willen optreden. Overigens, de opstand der Polen, te Warschau, bij het nieuws van hunne aanstaande mobiliseering, belette hem zijne voornemens uit te voeren.
Niet op het slagveld, maar aan de groene tafel der diplomaten, zou over het lot van het Rijk der Nederlanden beslist worden.
Koning Willem had slechts de bemiddeling van de Conferentie ingeroepen; zij trad weldra als scheidsrechter op. De stoutmoedige uitroeping van de Belgische Onafhankelijkheid en van de uitsluiting der Nassaus had haar verrast. De krachtdadige houding van het Congres heeft ontegensprekelijk de werking der gezanten beïnvloed, en niet minder de besprekingen van den afgevaardigde van het Voorloopig Bewind, Sylvain Van de Weyer, met de politieke leiders te Londen; overigens, de val van het behoudsgezinde Wellington-ministerie en het optreden van de liberalen, met Grey aan het roer en Palmerston aan de buitenlandsche zaken, was voor de zaak van de Belgische Omwenteling een hooge troef (17en November); nog nauwer sloot Engeland zijn verbond met Frankrijk, en nam het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen als het hoofdartikel van zijne uitheemsche politiek aan. Intusschen zag Palmerston klaar in, welk een groot œconomisch voordeel er in de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland, voor Engeland lag. Overal hadden de Nederlanden, die dezelfde handels- en nijverheidselementen als Groot-Britannië bezaten, dit land op al de wereldmarkten eene heftige mededinging aangedaan, dank zij vooral de ontzaglijke ontwikkeling der Nederlandsche vloot. Als eilandsmogendheid vreesde Engeland die mededinging des te meer, daar ze kwam van eenen continentalen Staat en samenviel met den aanleg van de eerste spoorwegen in Engeland.
Op meesterlijke wijze bemachtigde dan ook de Engelsche diplomatie de leiding der onderhandelingen met het dubbele doel: Frankrijk te beletten, 't zij geheel, 't zij gedeeltelijk, België in te lijven; en de Belgische provinciën, onder eenen Engelschgezinden Vorst, volkomen van Holland af te scheiden en tot een onafhankelijken Staat te maken.
Ook Talleyrand wees, naar hij beweert, een hersenschimmig voorstel van verdeeling van België tusschen Nederland, Frankrijk en Pruisen, mits afstand van Antwerpen aan Engeland, met minachting van de hand; hij had overigens van zijne regeering last gekregen de Nederlanden in twee te splitsen en van België een onafhankelijken Staat met een vorst te maken.
Louis-Philippe, in antwoord op de aanzoekingen van Gendebien, weigerde België, tegen welken prijs ook, aan te nemen; hij weigerde zelfs zijn zoon den Belgen tot Vorst te geven en verklaarde, uit loutere vrees voor zijnen troon, niets dan den vrede alleen te willen. De aanstelling van een Duitschen prins, die een zijner dochters zou huwen, scheen hem toe te lachen; men sprak van den prins Leopold van Saksen-Coburg, die pas voor de Grieksche koningskroon bedankt en over wien Van de Weyer reeds aan Aberdeen gesproken had. Dit laatste denkbeeld werd door Talleyrand bijgetreden; en op 14en December kwam hij met Palmerston overeen, dat de verkiezing van Leopold en zijn huwelijk met Louis-Philippe's dochter, het eenige middel was om iedereen te bevredigen. Van den prins van Leuchtenberg, zoon van Eugène de Beauharnais, wiens kandidatuur sedert half November in België voorgesteld was, wilden de Mogendheden niet weten.
Alzoo hadden Engeland en Frankrijk, tegen den wil der Oostelijke machten, de Conferentie van richting doen veranderen; van bemiddelend, was zij beslissend geworden; de vreemde kabinetten wisten wel dat zij geen recht hadden om tusschen te komen, en toch kwamen zij tusschen, terwijl zij zich tevens verschuilden achter het principe van het Niet-Tusschenkomen! De uitslag liet zich niet lang wachten. Den 20en December werd, onder aandrang van Palmerston en Talleyrand, het protocol onderteekend dat, tot groote verwondering van beide partijen, de ontbinding van het Rijk der Nederlanden uitsprak, en het Voorloopig Bewind uitnoodigde, ten spoedigste gevolmachtigden naar Londen te zenden, om de vraagstukken, door die scheiding opgeworpen, op te lossen. Falck en Koning Willem teekenden onmiddellijk protest aan, tegen die ongehoorde aanmatiging van bevoegdheid; zij betwistten aan de Conferentie het recht zoo een beslissing te nemen en riepen de onderhandelaars binnen de grenzen van hunne opdracht terug. Niets baatte. De afgezanten te Londen wisten wel dat niemand in Holland de hereeniging met het Zuiden wenschte, zelfs Falck niet. Den 3en Januari 1831 nam vol vreugde het Diplomatisch Comiteit van Brussel, maar onder voorbehoud, het Protocol aan, en zond Van de Wever en Vilain XIIII als commissarissen bij de Conferentie naar Londen.
De erkenning van de onafhankelijkheid van België dagteekent van dit oogenblik. Zij was een triomf voor de Engelsche diplomatie; ook Louis-Philippe jubelde over de vernietiging der barriere in 1814 tegen Frankrijk opgericht. Hierom hadden de Franschgezinde groep te Brussel, met Stassart en Gendebien, en de Annexionistenpartij te Parijs, met generaal Lamarque en Mauguin, hunne pogingen geenszins gestaakt. Gendebien, door de Fransche regeering bij zijn herhaald aandringen afgescheept, schreef aan zijne ambtgenooten van het Voorloopig Bewind «dat het beter was de vereeniging met Frankrijk af te kondigen, ten einde Louis-Philippe bij de Mogendheden verdacht te maken, en hem te dwingen partij te kiezen voor de Belgen en desnoods met de Belgen.» Van de Wever, in samenvoeling met graaf de Celles en met toestemming van minister Sebastiani, drong nogmaals bij den Franschen Vorst aan, opdat hij zijn zoon, den hertog van Nemours, tot Koning aan de Belgen zou geven, wat eene vermomde inlijving bij Frankrijk zou geweest zijn. Firmin Rogier werd belast met aan de Fransche regeering te vragen of, in geval de Belgische gewesten de Fransche vlag opstaken en de onmiddellijke vereeniging met Frankrijk eischten, Frankrijk de opstandelingen zou ondersteunen. Op Gendebien's raad, dreigde dan ook het Voorloopig Bewind, den 31en December, de Conferentie van Londen met de afkondiging van de vereeniging van België met Frankrijk: Palmerston en Talleyrand wisten wel anders!
Intusschen stond de Conferentie voor het zoo moeielijke vraagstuk van de vaststelling van de grenzen van Holland en België. In de verwaandheid van hun onverhoopt geluk, hadden de leden van het Voorloopig Bewind Zeeuwsch-Vlaanderen, de gansche provincie Limburg en het Groothertogdom Luksemburg geëischt. Zekere groep, die voortdurend met de militaire ondersteuning van Frankrijk schermde, hitste de gemoederen tot de herneming van den strijd op, zoodat de afgevaardigden der Conferentie, Bresson en Ponsonby, te Brussel, vele pogingen moesten doen om die heethoofden te stillen.
De sluwe Talleyrand, die bij 't verzaken der volledige aanhechting van België dan toch met het gansche Fransche volk eene vermeerdering van grondgebied verhoopte, poogde intusschen, te Londen, van den tragen gang van de Conferentie gebruik te maken, om allerlei slinksche voorstellen te doen; nu eens stelde hij den afstand van Saksen aan Pruisen voor, terwijl de Koning van Saksen België in ruiling zou bekomen en men het Rijnland aan Frankrijk zou afstaan; dan weer den afstand van Luksemburg of van Philippeville met Mariembourg aan Louis-Philippe. Doch Palmerston weigerde een duim gronds weg te geven van hetgeen aan de Conferentie niet toebehoorde (5en-9en Januari 1831).
Middelerwijl zette de Conferentie haar werk voort, en bepaalde eigenmachtig, als scheidsgerecht, de grondslagen van de scheiding van België en Holland. De koppigheid van Koning Willem die eerst de Schelde geopend en ze, ondanks de bedreigingen der Mogendheden, weder gesloten had, alsook de weerwraak der Belgen die het belegerde Maastricht weigerden te ontzetten, hadden de afgezanten zeer misnoegd. Den 20en Januari beslisten de gevolmachtigden dat Holland tot de grenzen der Republiek der Vereenigde-Provinciën, in 1790, terugkeeren, en daarbij het Groothertogdom Luksemburg verkrijgen zou. De vrije scheepvaart moest op stroomen en rivieren in toepassing zijn, volgens de bepalingen van het Congres van Weenen. Den 27en volledigden zij hunne besluiten met de Staatsschuld tusschen beide landen ongeveer gelijk te verdeelen, voorstellende aan België de betaling der 16/31 te laten, alsook de verdere deelneming aan den kolonialen handel. Het belangrijkste artikel van de 20 was hetgeen, waardoor de vijf Mogendheden de eeuwige onzijdigheid van België uitriepen, en ook de geheelheid en de onschendbaarheid van zijn grondgebied. Talleyrand, die wel begreep dat de Belgische neutraliteit een tegen Frankrijk gerichte waarborg was, had als een leeuw gekampt, om die onzijdigheid ook tot het Groothertogdom te doen uitbreiden, of, zooniet, Philippeville en Mariembourg voor Frankrijk te verkrijgen: hij stuitte op onoverwinbaren tegenstand, vooral van Palmerston.
Het protocol van 20en Januari werd den 29en aan het Nationaal Congres, dat reeds aan de stemming voor de koningskeuze was, voorgelegd: de vergadering stelde een protest op tegen alle beperking van het grondgebied en tegen alle verplichting die men België zou willen opdringen, zonder toestemming van de Nationale vertegenwoordiging.
Daarentegen en tot eenieders verbazing deelde Falck aan de Conferentie de verklaring mede (18en Februari), dat zijn meester de grondslagen van de scheiding ten volle bijtrad, volgens de protocollen van 20en en 27en Januari. 's Anderendaags reeds antwoordden de afgezanten op het Belgisch protest door eene nieuwe akte. Daarin beriepen zij zich op de rechtvaardigheid van de grensverdeeling, alsook op de noodwendigheden van hunne eigene overeenkomsten en belangen, en bevestigden uitdrukkelijk dat de door hen vastgestelde schikkingen fondamenteele en onherroepelijke schikkingen waren.
Door zijne bijtreding tot de protocollen van Januari, had Willem feitelijk afstand gedaan van zijne rechten op de Zuidelijke Nederlanden; hij heeft later, doch te vergeefs, deze daad over het hoofd willen zien; de fout was begaan, maar zij liet hem toe, als de Belgen weigerden zich naar de protocollen te schikken, gewapenderhand op te treden.
Intusschen had het Congres de bespreking van de verschillende artikelen der Grondwet voortgezet. Een kijkje op zijne samenstelling zal beter zijne werking verklaren. De cijns- en bekwaamheidskiezers hadden bijna evenveel liberalen als katholieken naar Brussel gestuurd, en alzoo werd de gematigde liberaal Surlet de Chokier van Luik, bij De Gerlache's afstand, tot voorzitter gekozen. De geest der clericale afgevaardigden en zelfs der priesters onder hen was intusschen merkelijk gewijzigd: de katholieke De Gerlache, voorzitter der voorbereidende Grondwetscommissie, getuigt uitdrukkelijk dat de liberale denkbeelden van den priester Lamennais het opstellen van het ontwerp beheerschten. De liberalen deden de vrijzinnige denkbeelden, die de Juli-omwenteling pas bevestigd had, in menig debat zegepralen; maar het grondbeginsel van de overmacht van den Staat op de Kerk werd verworpen (23en December) en dank zij den doctrinair Defacqz werd de rechtstreeksche verkiezing der Parlementsleden vervangen door een cijnsstelsel waarbij 't getal kiezers voor gansch België op vier en veertig duizend gebracht werd.
Titel I van de Grondwet werd aangenomen in een redactie van den volgenden inhoud: De uitvoerende macht behoort aan eenen erfelijken en onschendbaren Koning, en aan zijne verantwoordelijke, door hem benoemde en afzetbare ministers; die Koning mag de Kamers ontbinden, op voorwaarde, in de veertig dagen nieuwe verkiezingen te bevelen. De wetgevende macht werd aan den Koning en aan twee eigenmachtige vergaderingen gezamenlijk toegekend (12en December), een Kamer van volksvertegenwoordigers, rechtstreeks voor vier jaren gekozen door de burgers die een minimum-belasting van 20 gulden betaalden, en een Senaat, die slechts half zooveel leden als de Kamer zou tellen, door dezelfde kiezers voor den tijd van acht jaar gekozen onder de burgers van ten minste veertig jaar oud en twee duizend gulden rechtstreeksche belastingen betalende (17en December). De rechterlijke macht werd toevertrouwd aan onafzetbare voor het leven benoemde rechters, en voor lijfstraffelijke en politieke zaken aan de jury.
Titel II, handelende over de «Belgen en hunne rechten», bevatte talrijke zeer vrijzinnige bepalingen, zooals de vrijheid van de eerediensten, de vrijheid van vereeniging en petitionnement, de vrijheid van de drukpers; art. 17 verleende de door de katholieken geëischte vrijheid van onderwijs; door art. 117 werd de scheiding van Staat en Kerk op eigenaardige wijze bepaald, in dezer voege dat de bezoldiging van de geestelijken aan den Staat opgelegd werd, alhoewel aan dezen, door art. 16, alle inmenging in benoeming en aanstelling der geestelijken en in hunne onderlinge betrekkingen ontzegd was; de scheiding der beide machten bevrijdde dus de Kerk van hare lasten en liet haar hare voorrechten. De vrijheid der eerediensten hadden de clericalen, ondanks de pauselijke voorschriften, toch in de Grondwet nedergeschreven, omdat België bijna uitsluitend roomsch-katholiek was en het petitionnement bewezen had dat de priesters volkomen over de bevolking beschikten. Uit vrees voor dwingelandij, uit achterdocht voor verdrukking, werd de meest uitgebreide decentralisatie ingevoerd, krachtens het heerlijk beginsel dat alle macht uit het volk komt.
Niettegenstaande zekere gebreken is de Belgische Grondwet, door het Congres langzaam voorbereid, een monument van wijsheid, dat aan talrijke andere grondwetten tot voorbeeld gediend heeft, en waaraan de Hollandsche wetgevers, bij de herziening van hunne Grondwet in 1848, zich klaarblijkelijk gespiegeld hebben.
Ook werd het charter onzer vrijheden den 7en Februari 1831 met eenparige stemmen aangenomen, te midden van de moeielijkheden over de koningskeus, die wij in enkele trekken willen schetsen.
Sedert den 2en Januari had Gendebien opnieuw bij Louis-Philippe en bij zijn minister Sebastiani vruchteloos aangedrongen, opdat de Koning zijn zoon Louis de Nemours aan de Belgen tot Vorst zou schenken. Firmin Rogier liep dezelfde blauwe scheen, drie dagen nadien, alhoewel hij bevestigde dat, in den schoot van het Congres, eene sterke partij zich voor de vereeniging met Frankrijk verklaarde; Sebastiani had bovendien de verheffing van een Belgischen burger tot Koning afgeraden, en wilde nu ook van den in België impopulairen Leopold van Saksen-Coburg niet meer weten. Enkele dagen later, bij de vraag of de keus van den zeer begaafden zoon van Eugène de Beauharnais, den hertog August van Leuchtenberg, Frankrijk zou behagen, antwoordde de minister aan Firmin Rogier dat «van al de schikkingen, degene aangaande den hertog van Leuchtenberg wellicht de onaangenaamste en de noodlottigste was; dat het gouvernement nooit zijne toestemming zou geven in de verkiezing van den hertog tot vorst der Belgen, omdat het door een Leuchtenberg bestuurde België het middelpunt zou worden, waar al de hartstochten der Bonapartisten aan het gisten zouden geraken.» En hij deed in dien zin door zijn gezant Bresson de schandelijkste drukking op het Congres uitoefenen (11en-21en Januari).
Met fierheid besloot daarop het Congres de voogdij van Europa af te schudden: na een lang debat nopens het punt, of men het oordeel der Conferentie van Londen — zoo was men reeds in hare inmenging in 's lands zaken gewoon; — zou inroepen, werd deze vernederende consultatie met 89 stemmen tegen 62 verworpen; men verwierp zelfs de raadgevingen van het Engelsch kabinet, dat men wist meer en meer tot de kandidatuur van Oranje over te hellen; doch door eene wonderlijke tegenspraak, die den geestestoestand van het Congres kenmerkt, besliste de vergadering, met 80 stemmen tegen 75, dat men Louis-Philippe nopens den kandidaat tot het koningschap zou raadplegen (19en Januari). Niettegenstaande de aanvallen van de annexatiepartij in de Fransche Kamer, luidde twee dagen later het antwoord der Fransche regeering onveranderlijk «dat ze niet zou toestemmen in België's annexatie; dat ze de kroon niet zou aanvaarden voor den hertog van Nemours; dat ze, zonder voornemens te zijn inbreuk te maken op de vrijheid der Belgen in de keus van hun souverein (!), nochtans de keus van den hertog van Leuchtenberg niet zou erkennen.»
Dit voortdurend aanbod door de Franschgezinden van het Diplomatisch Comiteit, — de Rogiers, Gendebien, Van de Wever, de graven d'Aerschot en de Celles, — van België aan Frankrijk, weerkaatste geenszins de meening van de groote meerderheid van de bevolking. Geheel Vlaamsch-België en inzonderheid de almachtige geestelijkheid, de talrijke partij der Onafhankelijkheid, teekenden tegen deze weinig eerlijke handelingen der Fransche groep protest aan, en Jottrand stelde de mannen van het Voorloopig Bewind, die eigenmachtig deze aanbiedingen gedaan hadden, in volle Congres aan de kaak.
Daar de inlijving bij Frankrijk dus eene feitelijke onmogelijkheid bleek, besloten de leden van het Voorloopig Bewind, alsook die van het Diplomatisch Comiteit, op het einde van Januari, alles in het werk te stellen om de keus van Nemours te doen gelukken, «wat op hetzelfde neerkwam als de vereeniging met Frankrijk.» Om Louis-Philippe's besluiteloosheid uit den weg te ruimen verzonnen De Stassart en de Franschgezinden de volgende list: de candidatuur van den hertog van Leuchtenberg, die Frankrijk niet kon aannemen, doordrijven, om deszelfs toestemming in de verkiezing van den hertog van Nemours af te dwingen.
't Was dus tusschen Nemours en Leuchtenberg dat de strijd in 't Congres zou geleverd worden; men wist dat aartshertog Karel van Oostenrijk, door enkele Vlamingen voorgesteld, geen kans van slagen had, en van den minderjarigen Otto van Beieren of prins Karel van Napels, van wie men vroeger wel eens gewaagde, was er geene spraak meer.
De keus van Leuchtenberg, dank zij De Stassart's kuiperijen, dank zij de woede die Sebastiani's drukking in het Congres verwekt had, scheen omstreeks 20en Januari verzekerd; zijn portret werd in de straten uitgedeeld; meer dan drieduizend handteekeningen bevalen zijne candidatuur aan het Congres aan. Den 28en begonnen de debatten over de koningskeus.
Om Leuchtenberg's verkiezing te verhinderen maakten Louis-Philippe en Sebastiani rechtsomkeert; alles was nog niet verloren voor de Fransche regeering, want op 25en Januari hadden 52 afgevaardigden, onder welke de voorzitter Surlet, de onder-voorzitter De Gerlache, F. de Mérode, de twee Gendebien's, eene petitie voor Nemours onderteekend; maar er moest dadelijk gehandeld worden.
Markies de la Woestine werd naar Brussel, waar hij veel vrienden telde, gezonden om de inzichten der Congresleden te polsen. Hij liet weldra in het Palais-Royal weten dat de verkiezing van prins August verzekerd was, indien men hem niet uitdrukkelijk den hertog van Nemours tegenstelde. De gelastigde Bresson kwam dus den 28en uit Parijs terug «met de bepaalde machtiging om te beloven dat indien de kroon den hertog van Nemours aangeboden werd, zij door Louis-Philippe voor hem zou aangenomen worden.» Markies de la Woestine gaf daarvan officieuse bevestiging. Deze guitenstreek liet aan de Fransche uitgezondenen vrij spel, lokte de heerschzuchtigen aan door het aas van een gemakkelijken bijval, en deed den moed der Fransche partij herleven. De Stassart deelde aan zekere Congressisten een brief mede, die eene weigering van den hertog van Leuchtenberg liet voorzien; daarenboven werd een weinig voor de stemming het valsche gerucht verspreid, dat vertrouwelijke brieven van Firmin Rogier de aanvaarding van Louis-Philippe verzekerden; dit besliste over de keus: den 3en Februari 1831, na een zesdaagsch debat en na eene tweede stemopneming, werd de hertog van Nemours tot Koning der Belgen uitgeroepen met 97 stemmen, tegen 74 aan Leuchtenberg en 21 aan Karel van Oostenrijk; de Vlaamsche provinciën hadden meerendeels voor Beauharnais' zoon, de Waalsche meestal voor den Franschen prins gestemd.
Men dacht dat de regeeringloosheid nu een einde genomen Had, en het nieuws der verkiezing werd overal met gejubel onthaald. De gouverneurs deelden aan burgemeesters en gemeenten het heuglijk bericht van de benoeming van het hoofd van den Staat mede, en denzelfden dag nog kondigde burgemeester Rouppe te Brussel aan de ingezetenen de benoeming van Louis I tot Koning der Belgen aan!
Bij het verlaten van het Congres vernamen de leden de aanhouding te Gent van kolonel Ernest Grégoire die, op het laatste oogenblik, een opstand ten gunste van den prins van Oranje had willen teweegbrengen.
Niemand besefte op dit oogenblik de ellendige fopperij, waarvan Congres en Voorloopig Bewind de slachtoffers geweest waren, noch de verfoeilijke dubbelzinnigheid waarmede het Fransch gouvernement de vertegenwoordigers van de Belgische natie om den tuin geleid had.
Nu, sedert den 1en Februari, had de Londensche Conferentie, door een geheim protocol, de hertogen van Nemours en Leuchtenberg uitgesloten; en Frankrijks gezant, die eerst Palmerston omtrent Nemours' verkiezing had gepolst en met bedreigingen was afgewezen, had dit besluit moeten onderteekenen. Meer nog, wanneer men te Londen de overigens verwachte, maar toch indrukmakende verkiezing van Nemours vernam, werden Sebastiani en Talleyrand verplicht de Conferentie gerust te stellen, door de plechtige verzekering dat Frankrijk zich bij die uitsluiting hield (5en-7en Februari).
Het was 's anderendaags dat de Belgische afvaardiging, — Surlet de Chokier, Lehon, de Brouckère, F. de Mérode — die in hare naïveteit het besluit van het Congres aan Louis-Philippe moest overbrengen, te Parijs aankwam. Met de grootste hoffelijkheid ontvangen, zag de deputatie het koninklijk gehoor van dag tot dag verschuiven, en eindelijk op den 17en vaststellen; want de regeering, genepen tusschen de oproerige eischen van de annexatiepartij en hare verbintenissen tegenover Europa, zat in erge verlegenheid.
Intusschen ontving het Voorloopig Bewind van Lord Ponsonby mededeeling van het nieuwe Protocol van Londen, met Talleyrand's handteekening bekleed (9en Februari). In zijne verwaande verblindheid zond het de boodschap terug; alleen Lebeau, de beroemde liberale redenaar, zag klaar in de diplomatische sluwheid van Frankrijk, en maakte er 't Diplomatisch Comiteit een verwijt van, zich te hebben laten bedotten.
Onder de Parijsche ministers waren er verschillende nochtans, die tot de aanvaarding overhelden, en Louis-Philippe's oudste zoon ondersteunde krachtdadig hunne meening; maar Frankrijk lag gekluisterd door de noodwendigheid van den vrede en door de besluiten van de Conferentie. Reeds den 14en wist men te Brussel dat Louis-Philippe weigeren moest, en voor de leden van de deputatie was het antwoord niet twijfelachtig meer. Wanneer den 17en Surlet de Chokier en zijne gezellen vóor den koning gebracht werden en het besluit van het Congres voorlazen, verklaarde Louis-Philippe met geveinsde ontroering dat het hem smartte zijne vaderlijke wenschen te moeten offeren aan Frankrijks belangen, die hem dwongen te weigeren; maar hij verzekerde den nieuwen Staat zijne bescherming: de toer was gespeeld, Leuchtenberg's candidatuur was gevallen!
«Welk vertrouwen, schreef Palmerston dienaangaande, kan men in eene regeering stellen, die met slinksche streken omgaat, zooals de raadgevers van Louis-Philippe tegenover België, welke hier eene zaak bevestigen en ze elders loochenen; de goedkeuring van de verkiezing van Nemours door Bresson beloven en dezelve door Talleyrand weigeren; hunne verklaringen en beginselen veranderen, zoo dikwijls zij een tijdelijk voordeel ontwaren.»
Met woede en teleurstelling vernam gansch België de schandelijke politiek van Frankrijk. Vele afgevaardigden stelden dan de keus van een inlandschen Vorst voor, Félix de Mérode of de prins de Ligne; doch de eerste wees het voorstel met kracht van de hand, de tweede moest, door toedoen zijner vrouw, weigeren. Anderen dachten nu weder aan Leopold van Saksen-Coburg, doch Sebastiani had bluffend verklaard, dat Frankrijk dien Engelschgezinden prins, in geval van benoeming, met het kanon zou wegjagen.
De Fransche partij wilde terstond de volkomen en onvoorwaardelijke inlijving bij Frankrijk stemmen, en op deze wijze aldaar een uitbarsting van het nationaal gevoel verwekken. De Orangisten, te Luik zelfs, eischten den terugkeer van Koning Willem. De aanzienlijkste Congresleden, en inzonderheid het Voorloopig Bewind, raadden alsdan het aanstellen van een Regent aan, altijd in de hoop dat de Fransche politiek stoutmoediger zou worden en Nemours, na zijne meerderjarigheid, krachtdadig en zelfstandig zou optreden.
De voorzitter van het Congres, Surlet de Chokier, werd den 24en Februari tot Regent benoemd; De Gerlache verving hem op den voorzitterstoel; 's anderendaags verleende het Congres eene som van 150,000 gulden aan de oud-leden van het Voorloopig Bewind.
Als een echt proconsul van Frankrijk, werkte de zwakke Surlet uitsluitend om een zuivere Fransche strekking aan de handelingen van zijne regeering te geven, en daarin werd hij door zijn eerste ministerie — Goblet, Van de Wever, Gendebien en Tielemans — bijgestaan. Hij was overtuigd dat hij eerstdaags zijne plaats aan den hertog van Nemours zou kunnen afstaan, en sedert Lehon door Louis-Philippe als gezant van België ontvangen, en generaal Belliard als Fransch gevolmachtigde te Brussel gezonden was(4en Maart), won die overtuiging meer en meer veld. Maar de val van het ministerie van den onbekwamen en weifelenden Lafitte en het optreden van den krachtdadigen en vredelievenden Casimir Périer in Frankrijk stelde deze hoop te leur; ook de Engelsche diplomatie hield er de hand aan om die poging te verijdelen, en Palmerston, die in Chokier slechts een Franschen stadhouder zag, aarzelde niet den Regent te doen inzien, hoe weinig eervol die afkeer voor de Belgische onafhankelijkheid was. Wat zijn misnoegen en dit der Conferentie tegen Chokier nog vermeerderde, was dezes proclamatie van 10en Maart tot de Luksemburgers, waarin de Regent verklaarde dat, trots de Conferentie, bij de Belgen de vaste wil bestond om het Groothertogdom te behouden.
Het bestuur van den Regent, een zeer braaf doch onbeduidend man, zonder schranderheid noch krachtdadigheid, werd door de grootste regeeringloosheid gekenmerkt; reeds den 20en Maart was het eerste ministerie gevallen, en het duurde zes dagen eer een nieuw gevormd was. «De Belgen toonden zich zoo onbekwaam om eene natie te worden, dat de Conferentie ernstig aan eene verdeeling begon te denken.»
Ziende dat de Oranjepartij het hoofd opstak te Gent, te Antwerpen en te Maastricht, stichtte Gendebien, den 23en Maart te Brussel, met behulp van de regeering, de Association Nationale, gevaarlijke tweede regeering, die hare vertakkingen over het land verspreidde en eene soort van schrikbewind over België deed heerschen. Zij riep om oorlog tegen Holland ten einde den toestand te redden. Ontegensprekelijk dreigde de Omwenteling onder te gaan; het schip begon reeds te kraken; Lord Ponsonby, de Engelsche gezant, trachtte baron van der Smissen, gouverneur van Antwerpen, tot een Orangistischen opstand te bewegen, die echter mislukte, dank zij de krachtdadigheid van kolonel Clump (25en Maart 1831). De tuchteloosheid dreigde de ontreddering van het leger te volledigen.
Gent was het middelpunt der Orangisten; de oppositie had er reeds tweemaal de Oranjegezinden als raadsleden naar het stadhuis gestuurd: de gemeenteraad, tweemaal ontbonden, was sedert 4en Februari door eene Veiligheidscommissie vervangen, en Gent, evenals Antwerpen, in staat van beleg verklaard. «Alle tucht, zegt De Gerlache, was teniet, zoo wel bij de militairen als bij de burgers. De officieren klaagden elkaar bij de regeering en in de dagbladen aan. Men kan het niet betwijfelen dat vele, zelfs hooggeplaatste lieden, volgaarne aan de restauratie der Nassaus zouden geholpen hebben, om met dien toestand gedaan te maken. Maar het volk was er zeer tegen.» Inderdaad, œconomische oorzaken en private belangen hadden gemaakt dat de Orangisten voor het meerendeel grootnijveraars en groothandelaars waren; de nieuwe mekanieken hadden eensdeels een vermindering van handwerkgebruik en een uitwijking van buitenlieden naar de steden teweeggebracht. Reeds lang had dit eene veete tusschen industrieelen en werkvolk veroorzaakt, doch nu werd die nog verscherpt door het stilvallen van getouwen en andere mekanieken wegens de onlusten en de vredebreuk met Holland. Die werkloozen, ja broodloozen, vierden nu, 't zij uit eigen beweging, 't zij opgehitst door de patriotische vereenigingen, hunne woede bot op de bijzonderen, en zoo geschiedden er te Gent, Brussel, Mechelen, Ieperen, Bergen en Luik, gewelddaden en plunderingen, straffeloos, onder het lijdzame oog der regenties (28en Maart, zaak Voortman te Gent). Er bestond tusschen het bestuur en de plunderaars, onder welke zich talrijke betaalde of geld uitdeelende Franschen bevonden, een soort van geheime overeenkomst. Voor de oppositie of de verdachten was er geene bescherming; men hoorde zelfs minister Lebeau beweren, dat de plundering der Orangisten, hoe betreurenswaardig ook, een schrikkelijke noodzakelijkheid was om de vijanden van de openbare orde te beteugelen. Het redactiekantoor van de Orangistische bladen werd dan ook geplunderd, en Bon de Lamberts, gouverneur van Oost-Vlaanderen, aarzelde niet om een anarchistisch manifest te onderteekenen, door Lebeau zelf als monsterachtig bestempeld, waardoor hij den Messager de Gand buiten de wet stelde.
Aan den anderen kant zien wij de Fransche annexatiepartij, die steeds in aanraking was met den woelgeest L. de Potter, republikeinsche opstooten trachten te verwekken, onder andere de muitzieke Mellinet met zijne vrijwilligers te Namen, doch zonder de medewerking der ontmoedigde burgerij.
Het zij hier terloops opgemerkt dat, evenals zijn wapenmakker der Septemberdagen, don Juan van Halen, die, in October 1830 aangehouden, reeds de volgende maand in beschikbaarheid gesteld was, Mellinet in Augustus op wachtgeld geplaatst werd; Ernest Grégoire zat opgesloten en Parent, De Culhat en De Pontécoulant waren haast vergeten. De Association Nationale, die met bombast den oorlog en de verovering van Zeeuwsch-Vlaanderen en van Luksemburg eischte, stuitte, in hare revolutionnaire woede, op de algemeene zucht naar vrede en naar herstelling van orde, handel en nijverheid. Vreezende nochtans, dat die tweede regeering de overhand zou nemen, gezien de zwakheid van Surlet's bestuur, en onzeker over den uitslag der verkiezingen, die wellicht de Orangisten in meerderheid naar de Kamers konden zenden, weigerden de Congresleden hun ontslag te nemen, en besloten zich in Mei opnieuw te vereenigen; zoo pleegden zij een wezenlijken Staatsgreep (12en April).
Maar, was het tweede ministerie van den Regent even machteloos en zonder gezag als het eerste, het draagt nochtans de verdienste weg, het Congres tot toenadering met de Londensche Conferentie overgehaald te hebben, en België een uitstekenden Koning geschonken te hebben. Minister Lebeau, een knap redenaar en een behendig politicus, had, op 2en April, aan het Congres laten inzien dat de diplomatische onderhandelingen, van het eerste oogenblik, België tegenover de Mogendheden gebonden hadden, en men dus de tusschenkomst van de Conferentie in de buitenlandsche zaken moest ondergaan. Aangespoord door Lord Palmerston en diens agent Lord Ponsonby, die de candidatuur van den Prins van Oranje bepaald opgegeven had, stuurde hij een deputatie van vier Congresleden naar Londen, bij prins Leopold van Saksen-Coburg, den veertigjarigen weduwnaar der kroonprinses van Engeland, om hem de Belgische kroon aan te bieden; tusschen de afgevaardigden bevonden zich de hoofdman der katholieken, F. de Mérode en pastoor De Foere, die in 't Congres verzekerd hadden dat de keuze van eenen protestantschen prins, gezien de bepalingen der Grondwet, hen niet deerde. Den 22en April te Marlborough-House ontvangen, ontmoetten die afgevaardigden zulke tegenwerpingen van wege den prins, dat Paul Devaux ze op 10en Mei kwam vervoegen. Onderricht door zijne ervaringen tijdens de onderhandelingen voor de Grieksche koningskroon, en geraden door zijnen vriend baron Stockmar, stelde de voorzichtige Leopold de aanvaarding der kroon afhankelijk van de overeenkomst van België met de Mogendheden; hij eischte dat men te Brussel vooreerst uitdrukkelijk het protocol van de Conferentie van den 20en Januari zou aanvaarden, mits zich later, bij de uitvoering, om betere voorwaarden te beijveren.
De Belgische afgevaardigden deden inzien, dat het Congres nooit in den afstand der in de Grondwet vermelde provinciën Limburg en Luksemburg zou toestemmen, doch lieten voorzien dat Leopold, als koning, een voldoenden invloed op de Kamers voor de oplossing van dit vraagstuk zou bezeten hebben. Van eene onzekere kroon wilde de ervaren Leopold echter niet weten.
Middelerwijl worstelde het ministerie van den Regent tegen de inwendige anarchie en vreesde de ophitsing tot den oorlog met het buitenland. De Conferentie van Londen stelde aan de Belgische regeering den 1en Juni als termijn voor de aanneming van het protocol, den 18en Februari door koning Willem onderteekend, en dreigde met vredebreuk in geval van weigering. De Nederlandsche Vorst verwittigde haar insgelijks dat, indien zij op bepaalden datum tot de grondslagen der scheiding, volgens het protocol van 20en Januari niet zou toegetreden zijn, hij zich vrij zou achten om voor eigen rekening te handelen.
De oorlogspartij verhief dadelijk het hoofd op; uit vrees voor den krijg ijlde Ponsonby naar Londen, en Belliard verwittigde Talleyrand, zoodat men tot eenige toegeving aan de Belgen besloot, om Leopold's aanneming te vergemakkelijken. Den 21en Mei beloofde dus de Conferentie onderhandelingen met koning Willem aan te knoopen, om, mits een te bepalen koopsom, aan België het bezit van Luksemburg te verzekeren, maar men bleef aan den gezetten termijn van 1en Juni vasthouden.
In de hoop dat de koningskeus een gunstigen invloed op de beslissingen van de gevolmachtigden zou uitoefenen, besloot Lebeau, eerst tot de verkiezing over te gaan. Hij deed dus, den 25en Mei, door 96 Congresleden de candidatuur van Leopold voordragen; en ondanks de pogingen van de Fransche partij om de verkiezing van den Duitsch-Engelschen prins te doen mislukken, niettegenstaande hare razende aanvallen om het ministerie Lebeau omver te werpen, werd de prins van Saksen-Coburg, na een tweedaagsche discussie, met de groote meerderheid van 152 op 196 stemmen gekozen (4en Juni): aan de Conferentie werd niet eens geantwoord. Een deputatie van 12 leden, met De Gerlache aan het hoofd, werd belast die benoeming aan den prins aan te kondigen; haar vergezelden Devaux en Nothomb, secretaris-generaal voor de buitenlandsche zaken, om de Conferentie tot gunstige voorwaarden over te halen.
De weigering der Belgen, om hunne aanspraken eenigermate te verminderen, deed een oogenblik de hoop op eene vreedzame oplossing verliezen. Talleyrand, door die halsstarrigheid ongeduldig gemaakt, kwam alweer met zijn plan van verdeeling voor den dag; terwijl Leopold, door het Engelsche Hof en Palmerston ondersteund, zich onverpoosd bemoeide om voor België aannemelijke voorwaarden te verkrijgen, zette Koning Willem onophoudend zijne oorlogstoebereidselen voort; hij vroeg niets beter dan de afvalligen de scherpte van zijn zwaard te doen gevoelen en gaf dus, den 22en Juni, aan de Conferentie nogmaals te kennen, dat, indien de gevolmachtigden, ondanks hunne stellig genomen verbintenissen, nalieten middelen aan te wenden om het protocol van 20en-27en Januari door België te doen eerbiedigen, hij verplicht zou zijn, zijn toevlucht tot zijn eigen middelen te nemen. Op die bedekte oorlogsverklaring antwoordde de Conferentie met den 26en Juni een protocol van XVIII Artikelen op te stellen, dat een voor België veel voordeeliger ontwerp van verdrag dan dit van 20en Januari uitmaakte. Wel bleven voor Holland de grenzen van 1790 behouden, maar de volgende artikelen openden aan de Belgen het vooruitzicht, eens in het bezit van Maastricht te geraken, en bij de ruiling der ingesloten gronden nog een grooter gedeelte van Limburg te bekomen. De linker Scheldeoever moesten zij opgeven, doch het vrije gebruik van de Vaart van Terneuzen werd hun toegezegd. Het vraagstuk van het Groothertogdom werd van het Hollandsch-Belgisch geschil afgescheiden, om afzonderlijk door Willem, den Duitschen Bond en den aanstaanden Vorst van België, afgehandeld te worden; intusschen zou Luksemburg door België voort bestuurd worden. Ook in plaats van de schulden te verdeelen, legde men aan elk land zijn eigen oorspronkelijke schuld op, met uitsluiting der gemeenschappelijk uitgegeven sommen. De voordeelen, men ziet het, door de Belgische afgevaardigden en door den prins van Saksen-Coburg van de gevolmachtigden verkregen, waren van niet geringen aard. De Mogendheden schenen vergeten te hebben dat zij, den 19en Februari en den 17en April, hunne schikkingen van 20en Januari als fondamenteel en onherroepelijk gevestigd hadden.
Dan verklaarde Leopold aan de afvaardiging, die hij toen eerst wilde ontvangen, dat hij de Belgische kroon zou aanvaarden, indien men door het Congres dit verdrag der XVIII Artikelen kon doen aannemen. Lebeau aarzelde niet: alhoewel hevig en hartstochtelijk bestreden door de Fransche aanhechtingspartij, door de Orangisten, door de Republikeinen, en niet het minst door de afgevaardigden van Limburg en Luksemburg — de twee provincies die gevaar liepen door het verdrag verbrokkeld te worden — bood hij de driftige en dreigende oppositie eenen kalmen en welsprekenden tegenstand, en na negen dagen discussie, wist hij de meerderheid van het Congres tot de aanneming van de XVIII Artikelen over te halen. Ondanks de nieuwe kuiperijen van de Fransche propagandisten, die te Brussel en te Luik een openlijken opstand tegen de Belgische regeering wilden inrichten, en de Republikeinen, die te Gent en te Geeraardsbergen eene militaire samenzwering op touw gezet hadden, werd, den 9en Juli, het Verdrag door 126 tegen 70 stemmen aangenomen.