Waarheid, V, 86. —Spreken omtrent God, VII, 168.
Waarschuwing, zie Dag.
Waarzeggerij is verboden, V, 92.
Wacht-engelen afgelost, XVII, 80, n.
Waïla, vrouw van Noach, XI, 42, n.
Walid Ebn al Mogheira, een van Mahomets grootste tegenstanders, XC, 5, n.
Wallen of dammen, zie Al Arem.
Ware en valsche leer, II, 257.
—Geloovige, XL, bl. 498, n.
Water, uitgebreid gebruik daarvan in het godsdienstige en gewone
leven, XXV, 50, n.
—Uitgieten, beteekenis daarvan, XI, 42, n.
Wedervergelding, zie Wet.
Wedervergeldingsrecht, II, 190.
Weegschaal (De), XXI, 48; LVII, 25.
Weerspannigheid tegen Mozes, zie Karoen.
Weerwraak, zie Wedervergelding.
Weerzin van het opgelegde juk, II, 286.
Weezen II, 218; IV, 2 en volg. 126; VI,
153; XVII, 36.
—Groeien op, IV, 6.
—Zie vermogen.
—(Vrouwelijke), zie Huwen.
Wegzenden der vrouwen, zie Scheiding.
Weigering, de ongeloovigen te beoorlogen, II, 191, n.
Welbewaarde tafel, wordt alleen door engelen aangeraakt, LXXX, 15, n.
Welvoeglijkheid, XXIV; 57–59, zie Beleefdheid.
Wenden van het aangezicht, II, 136; IV, 50, zie Kebla.
Wet nopens godsdienst zedelijke plichten, VII, 142.
—Van wedervergelding, II, 173; V, 48,
49; XXII, 59.
Wind XLVI, 94, n.
Winden (De) aan Salomo onderworpen, XXXVIII, 35.
Witte en zwarte aangezichten, III, 102 en volg.
Woeker (De), II, 276–278; XXX, 38.
Woonplaats der Thamoedieten, VII, 72.
Woorden tot de apostelen gericht, XXIII, 53.
Wrok uit de harten genomen, VII, 41.
Wijn (De), II, 216; V, 92, 93.
—Rivieren daarvan, XLVII, 16.
Wijze in het Oosten om vuur te verkrijgen, XXXVI, 80, n.
—Van vergoeding van een ei, XXIII, 14, n.
—Waarop de kameelen worden vastgebonden, XXII,
37, n.
Yahia, volgens sommigen Jezus, III, 34.
—Diens kuischheid, aldaar. Zie voorts Johannes.
Yahya, schriftverklaarder, zie Al Beidâwi.
Yajoej, XVIII, 93, n.
—Zie Gog en Magog.
Yathreb, oude naam van Medina, XXXIII, 13, n.
IJzer, LVII, bl. 562, n.
—IJzeren voorwerpen door Adam uit het
paradijs medegebracht, LVII, 25, n.
Zacharias, III,
32; VI, 85;
XIX, 1; XXI,
89.
—Komt in Marias kamer, III, 32.
—Ouderdom, III, 36.
Zaken waarvan God alleen bewust is, XXXI, 34.
Zakkoem, XXXVII, 60–64; XLIV, 43–46; LVI, 52,
53.
—Zie voorts Al Zakkoem.
Zamharir, groote koude, LXXVI, 13, n.
Zedeleer, zie Voorschriften.
Zee, zie Bahr.
Zeeën (De beide), XXV, 55; XXVII, 62;
LV, 19; LXXXII, 3.
—Van Perzië en Griekenland, XVIII,
60, n.
Zegel der profeten, zie Mahomet.
Zeïd, aangenomen zoon van Mahomet, XXXIII, 37, n.
—Ebn, Haretha, Zeïds vader, aldaar.
Zelfmoord (De) verboden, IV, 33, n.
Zendeling, Apostel, zie Profeet.
Zenden van blijkbaar licht, IV, 174.
Zeven (De) slapers, XVIII, 8–13, 15
en volg.
—Slapers, zie Spelonk.
Ziel, XXXIX, 43.
—ten opzichte des doods L, 18.
—Zie Dood.
Zielen van martelaars in kroppen van vogels, II, 149.
Zingende meisjes, door Al Hodar gekocht, om hen de Moslems wilden worden, van hunne bedoelingen af te brengen, XXXI, 5, n.
Zoenprijs, zie Scheiding.
Zoleikha, Potiphars vrouw, XII, 21, n.
Zon, punten van den gezichteinder, waar zij in den loop van het jaar opstijgt, XXXVII, 5.
Zondaren III, 123.
—Zie Apen.
—Zielen van hen, LXXIX, 2, n.
Zonden, VI, 120, 152; XIV,
11; XLVIII, 2.
—(Hoofd en vergefelijke), LIII, 33.
—Vergeven, IV, 51.
—Vermijden, IV, 35.
Zondig gebruik van Gods namen, VII, 179.
—Volk, zie Dag.
Zondvloed (De), LXIX, 11, zie Noach.
Zoogloon, uit te betalen aan de vrouw, van welke men scheidt, LXV, 6.
Zuivering, zie Reinigingen.
Zusters erfdeel van een kinderlooze; bestemming van het overige, IV, 165, n.
Zuster, zie Broeder.
Zwakke (De) zal vergiffenis worden geschonken, IV, 100.
Zwarte lever, bij de Arabieren teeken van een vijand XX, 102, n.