T

Taal der vogels, XXVII, 16.
—Jezus in den mond gelegd, 73, n.

Taalkweeking, zie Arabieren.

Taalvoering, zie Gepaste.

Taboek (Zending van), IX, 82 en volg.

Tafel, bl. 152, n., 112.
—Gedekt van den hemel gekomen, V, 113, n.

Tafels, VII, 142, 149, 153.

Tagut; naam van elken afgod, II, 257 en volg; IV, 54, 78, zie Thagut.

Taghut, V 65.

Talk, een banaan, LVI, 28, n.

Taloet, zie Talut.

Talut of Saul, II, 248250.

Tamarissen; een kleine heester, XXXIV, 15.

Tasnim; eene fontein in het paradijs, LXXXIII, 27 en 28.

Teeken, VI, 124.
—Der nadering van den dag des oordeels, zie Jongste uur.

Tekst der schriften; het aannemen en verwerpen daarvan, V, 44.

Tempels, XXIV, 36, n.

Tempel van Cobâ, IX, 109, n.
—Zie Caaba.

Terugkeer tot God, II, 151; VI, 38.

Testamenten, II, 176 en volg. V, 105 en volg.
—Zie Vervalsching.

T. H. XX, bl. 344, n.

Thaghoet, zie Tagut.

Thagoet, zie Tagut.

Thagut, IV, 63, zie Taghut; XVI, 38.

Thaloet, zie Saul.

Thamoed, XXIX, 39.
—Een Arabische stam, die tot den afgodendienst overging, VII, 71, n.

Thamoedieten (De) houden met hunne kameelen beurten in het water drinken, XXVI, 155.
—Dringen op een mirakel aan, VII, 71, n. Zie verder Themoed en Themoedieten.

Thamud, zie Ad.

Themoed of Themoedieten, Arabische bevolking, IX, 71; XI, 64 en volg., 98; XIV, 9; XV, 80; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 141 en volg.; XXVII, 46; XXIX, 39; XXXVIII, 12; XL 32; XLI, 12 en volg.; L, 12; LIII, 52; LIV, 23; LXIX, 4 en volg.; LXXXV, 11; LXXXIX, 8.

Theodicea, LXXXIII, 4 en volg.

Thora (De) Pentateuchus, III, 2, 43, 58, 87; V, 47 en volg.; 70, 72, 110; VII, 156; IX, 112; XXVIII, 43 en volg.; XLVIII, 29; LXI, 6, LXII, 5.

Thojeba of de gelukzaligheid, XX, bl. 344, n.

Tobba, bijnaam van zekere Arabische vorsten, XLIV, 36; L, 13.

Tobbe, zie Hamyarieten.

Toekomstig leven, VI, 32; XLII, 19, zie Opstanding.

Toevluchtsoord, II, 119.

Toewa, zie Towa.

Tocht, IX, 93.

Toonbeelden van deugd, LXVI, II, 12.

Toorn (De), III, 128.

Toovenaars (De), VII, 109 en volg.
—Van Egypte, X, 77 en volg.; XX, 53 en volg.; XXVI, 33 en volg.

Tooverij, V, 110; VI, 7.

Towa, vallei, waar God tot Mozes sprak, XX, 12; LXXIX, 16, zie God.

Troepen, vijandelijke C, 5.

Trompet (De) van het laatste oordeel, teeken van den jongsten dag, XXXIII, 103; XXXVI, 49, 51, 53; XXXVII, 19; LXIX, 13; LXXIX, 6, 7; LXXX, 33.
—Zie Klank.

Tuchtiging van vrouwen, IV, 38.

Tuin, II, 33.
—Bezitters daarvan om hunne hardvochtigheid gestraft, LXVIII, 17, n.
—Of het Paradijs, zie Paradijs. Men vindt dit met beide namen bestempeld.

Tulband, zie Opgevouwen zon.

Twisten, geloofsgeschillen, XXIX, 45.

Twist nopens Jezus. IV, 156.
—Omtrent Maria, III, 39.
—Omtrent oude geldstukken, XVIII, 20, n.
—Over Abraham, III, 58.
—Van Christenen en Joden over de eenheid Gods, III, 101.

Twijfelaars, V, 47.

Twijfelachtige Mahomedanen, IX, 43 en volg.

Tijdelijke goederen dezer wereld, VII, 168.

Tijdingen, het is verboden valsche te verspreiden, IV, 85.

Tijdrekening der Arabieren, zie Arabieren.

Tijdstip en plaats van den dood der offeranden, XXII, 34.
—Waarop Noach in de ark ging, XI, 50.

Tijdverloop in de spelonk, XVIII, 18.

Tijdverloop tusschen twee profeten, V, 22, n.

U

Uitdaging om een hoofdstuk des Korans samen te stellen, zie Ongeloovigen.

Uiteinde van den goede, XVIII, 31, n.
—Van den zondaar, ald.

Uitlegging van het boek, VII, 50 en volg.

Uitroep van den man, die Jozef uit den put trok, XII, 19.

Uitspanning, XXI, 16 en volg.

Uren waarop de slaven zonder verlof de kamer niet betreden, XXIV, 57.

Uur van het middaggebed, XVII, 80.
—Van het nachtgebed, aldaar.
—Van het ochtendgebed, aldaar.
—Of dag van het laatste oordeel is aan geen twijfel onderhevig, XVIII, 20; XLIII, 61, 66.

Uien, enz., bede tot God die te laten groeien, II, 58.

V

Vagevuur (Het), VII, 44, n.

Vallei van Honein, IX, 25.
—Der mieren, XXVII, 18.

Valsche aantijging, IV, 112, 113.
—Getuigenis, IV, 108, n.

—Goden, II, 22, n.
—Maten en gewichten, VII, 83.
—Maten en gewichten, zie Bedriegers.

Valstrikken spannen, VI, 123.

Vasten (De), II, 179183; V, 91.

Vastendagen, II, 180, 181, n. en 183, n.

Vee, VI, bl. 171, n.

Veldslag, zie Bedr.

Verandering van hemel en aarde, XIV, 49.

Verblijf, IX, 6.
—In de hel, IV, 93.

Verbod omtrent het verblijf van belijders van eenen vreemden godsdienst in de nabijheid van Mekka, IX, 28, n.
—Valsche maten, zie Maten.
—Van drinken en spelen, II, 216.
—Van het gebruik der waterputten van de Thamoedieten, VII, 75, n.
—Van slechte dingen, VII, 156, n.

Verboden boom, VII, 18 en volg.
—Huwelijken IV, 27.
—Spijs aan de Joden, VI, 147.

—Spijzen, het eten van vloeibaar bloed, VI, 146.
—Spijzen, VI, 147; XVI, 116.
—Spijzen, zie Voedsel.
—Voedsel, V, 46.
—Vrucht, zie Adam.

Verbond met de duivels, XXVI, 222, n.
—Met de ongeloovigen, LX, 1 en volg.
—Met de ongeloovigen aangegaan, IX, 4.
—Men moet dit in acht nemen, XVI, 93 en volg.

Verbondenen XXXIII, bl. 448, n.

Verdediging van den zondaar, IV, 106.

Verdeelers, beteekenis van dat woord, XV, 90. n.

Verdeeling van den buit, VIII, 42.
—Van hemel en aarde, XXI, 31, n.

Verderf II, 10, n.

Verdoemden (De), III, 80 en volg. 102; VI, 69; VII, 42 en volg; XI, 108; XXVIII, 28, 100 en volg.; XXI, 45 en volg.; XXII, 20 en volg.; XXV, 29 en volg.; XXXI, 5, 6; XXXIX, 17 en volg. 61; XLIV 4350; LIV, 41 en volg.; LVI, 40 en volg.; LXIX, 25 en volg.; LXXVII, 15 en volg.; LXXXVIII, 17; LXXXIX, 22 en volg; XCVIII, 5; CIX, 1 en volg.

Verdoemenis, zie Vonnis.

Verdrukking der Joden, VII, 166.

Verdrijving uit het paradijs, II, 34.

Vereering der vrouwen, IV, 1.

Vergefelijke zonden, zie Zonden.

Vergelijken met insecten, II, 24.

Vergiffenis, V, 16.
—Van een huichelaar, IX, 81, n.
—Der berouwhebbenden, XXXIX, 54, n.

Verhindering van Abrahams offer, zie Bevel.

Verkwistenden, XVII, 2931.

Verlangen naar den dood, III, 137.

Verleiding, VIII, 25, 39.
—Van sommige dienaren door satan IV, 118.

Vermaningen des profeets, XXIV, 63, n.

Verminkten en zieken; het eten met dezen niet onteerend, gelijk de afgodendienende Arabieren geloofden, XXIV, 60.

Vermogen der weezen, IV, 2.
—Der zwakken van zinnen, IV, 4.

Vermoorden, II, 79.

Vernielen door wind, zie Sodom.

Veronderstellingen (Sommige) zijne een zonde, XLIX, 12.

Veroordeelde spotternijen, XLIX, 11.
—Laster, XLIX, 11.

Verontschuldiging bij den Heer, VII, 164.

Verruiling van vrouwen, IV, 24.

Vers (Het) van den troon, II, 256 n.

Verschietende sterren, zie Sterren.

Verschijnen van den duivel, VII, 15.
—Voor God, rijkdom noch kinderen verzellen u daarbij, VI, 94, n.

Versierselen, bij het bezoeken van den Caaba, VII, 29, 30.
—Zie Gouden.

Verstoktheid der afgodendienaars, XXXVI, 6 en volg.

Verstooting der vrouw. II, 226 en volg.; IV, 24, zie Echtscheiding.

Vertrouwde goederen, zie Onderpanden.

Vervalsching der Schriften door Joden en Christenen, III, 64, n.
—Der Schriften, zie Christenen.
—Van Testamenten, II, 177.

Vervloeking van de verbergers der duidelijke leer, II, 154.

Vervulling der wenschen, III, 145.

Verwaarloozing van Gods bevel, VII, 149.

Verwoeste steden, XLVI, 26.

Verwoesting van tempels, enz., XXII, 41.

Verzen van den Koran, II, 183, n.; XV, 87.

Vischvangst (De), V, 97.

Visioen, XIII, 45.
—Der gelukzaligen, X, 27, n.

Vleesch, dat mannen en vrouwen mogen eten, VI, 140.

Vloeken eener natie, VII, 36.

Vlucht der uitgewekenen naar Medina, VIII, 26, n.

Vluchtelingen naar Ethiopië en Medina, IV, 99, n.

Voedsel, XVI, 69.
—Der bewoners van Mekka bij hongersnood, XXIII, 77 n.
—Door Joden of Christenen gereed gemaakt, V, 7, n.
—Verboden en niet verboden spijzen, II, 168; V, 1, 4; VI, 118.
—Voor hen, die niet in den Koran gelooven, LXXIII, 13.
—Zie Verboden.

Voedsters huwen, IV, 27.

Voeren langs den rechten weg, IV, 174.

Voertuig, zie Kameel.

Vogel. Elk mensch heeft zijn vogel aan den hals bevestigd, dat wil zeggen elk mensch heeft zijne bestemming, XVII, 14.

Vogels door Jezus gemaakt, III, 43. n.
—Zie Taal.

Volk dat één godsdienst belijdt, zie Ommat.
—Zonder kleedingen, zie Gog.

Volken, zie Yajoej.

Volmaakte vrouwen; aantal daarvan, LXVI, 12, n.

Vonnis der verdoemenis, door God bij den val van Adam uitgesproken, XXXVI, 6, n.

Voogd, II, 282.

Voorbeschikking Gods, IX, 122.

Voorschriften, V, 7.
—Der zedeleer, II, 77, 147150, 263, en volg.; XXIII, 98; XXXI, 13, 14; XLI, 34; XLII, 34 en volg.; XLVI, 1416; XLIX, 10, 13; LVIII, 10 en volg.

Voorspoed der ongeloovigen, III, 196.
—Van den mensch, XVII, 14, n.

Voorspraak, wie die verkrijgen zal, XIX, 90.

Voorzorgen nemen tegen den oorlog, IV, 73.

Vordering van den profeet, II, 102.

Vriendelijkheid, beter dan aalmoezen met onvriendelijkheid gegeven, II, 265.

Vrienden kiezen, V, 61; LX, 1.

Vriendschap, zie Geloovige.

Vroomheid, godvreezendheid, waarin die bestaat, II, 172.
—Zij wordt aanbevolen, XXX, 29.

Vrouw, die geschorst is, IV, 128.

Vrouwen (De), IV, 1 en volg.; XXIV, 2, 6, 10 en volg., 26, 31, 59; LXV, 1 en volg.; LXVI, 15.
—Zij zijn voor de mannen geschapen, XXX, 20.
—Voorschriften, haar betreffende, II, 226 en volg.
—Zij zijn den mannen ondergeschikt, II, 228; IV, 38.
—Onvolmaakte wezens, XLIII, 17.
—Voor wie zij zich kunnen toonen, XXXIII, 55.
—Onaangenaamheden, waaraan zij zijn blootgesteld, II, 222.
—Van het hof van Egypte, XII, 31.
—Overspeelsters IV, 19.
—Hoe men haar moet behandelen. IV, 23.
—Haar, die men niet bemint, aldaar.
—Zij moeten bij overtredingen gestraft worden, 38.
—Geloovige en ongeloovige, LX, 10.
—Haar, die de profeet kan huwen, XXXIII, 49 en volg.
—Geloovige LXVI, 11, 12.
—Hare eischen, XXXIII, 28, 29, II, 46, IV, bl. 129, n.
—Van het paradijs, LVI, 3437.
—Van onberispelijk gedrag, zie Mohsinat.
—Zie Aantal.
—Zie vereering.

Vrouwenlisten, CXIII, 4,

Vruchten van het paradijs, II, 23.

Vrijdag, door Mahomet vooral bestemd voor Gods openbare vereering, LXII, 9, n.

Vrijmaking van een slaaf, XXIV, 33.

Vrijstelling; IX bl. 219, n. 1.

Vuur dat door wrijving wordt verkregen, XXXVI, 80; LVI, 70, 71.
—Door wrijving ontstaan, zie Hout.
—Ontsteken, II, 16.
—Uit den hemel nedergedaald, V, 31, n.
—Zie Wijze.

Vijand, II, 34.
—Zie Zwarte.