Paradijs of tuin; verblijf der zaligen en zijne geneugten, II, 23; III, 13; IV, 60; X, 9; XIII, 22–24; XIX, 61–64; XXXV, 30; XXXVI, 55 en volg.; XXXVII, 39 en volg.; XXXVIII, 48 en volg.; XXXIX, 21; XLI, 30; XLIII, 70 en volg.; XLVII, 16 en volg.; LV, 46–78; LVI, 10–39; LVII, 21; LXXVI, 11–22.
Passie van Jezus door Mahomet verworpen, zie Mahomet.
Pelgrimstocht, IX, 3; XXII, bl. 365, n.
Pelgrimstocht naar Mekka, II, 153, 192, 193; III, 91; V, 2, 95, 96, 97; XXII, 35.
Pentapolis (De); de omvergeworpen steden (Al Motakifat), IX, 71, LIII, 54; LXIX, 9.
Personen welke op den dag des oordeels niet met schrik zullen worden getroffen, XXVII, 89.
Persoon die Jozef uit den put trok, zie Malek Ebn Dhor.
Pharao, II, 46;
III, 9; VIII,
54; X, 76–92; XI,
99; XIV, 6; XVII, 103 en
volg.; XX, 25 en volg.;
XXVI, 9 en volg.; XXVII, 12; XXVIII,
2 en volg.; XXIX, 38. XXXVIII, 11
en volg.; XL, 25 en volg.;
XLIII, 45 en volg.; XLIV, 16 en volg.; L, 12; LI, 38 en volg.; LIV, 41 en volg.; LXIX, 9 en volg.; LXXIII, 15 en volg.; LXXIX, 17 en volg.; LXXXV, 17, 18.
—Hij wil den hemel bereiken, XL, 38 en volg.
—Bezitter der staken, XXXVIII, 11.
—Doet een hoogen toren bouwen, om den God van Mozes aan te
vallen, VII, 133, n.
—Door wilde dieren bewaakt, XL, 48, n.
—Er was een geloovige in zijn gezin, XL,
29.
—Zijne vrouw zie Asia.
Pharaos onrechtvaardige handeling, VII, 101.
—Ontevredenheid over Mozes’ antwoorden, XXVI,
26, n.
—Hij eischte, door zijne onderdanen aangebeden te worden, 28.
—Volk, III, 9.
—Woorden bij zijn uiteinde, X, 90.
Plaats bij Gods troon, zie Illioen.
—Der oproeping, L, 40.
Plaatsen in de schrift voorbijgaan, V, 18.
Plagen, XLIII, 47, n.
—Over de Egyptenaren, VII, 130.
Plant, zie Jaktin.
Pleegkinderen, het huwelijk daarvan, XXXIII, 4, 5, 37.
Plek waar Saleh en zij die in hem geloofden, vergaderden om te bidden, XXVII, 52. n.
Plichten der mannen omtrent de vrouwen na de echtscheiding XXXIII, 48.
—Jegens bloedverwanten, zie Bloedverwanten.
Poort biddende binnengaan, IV, 153.
Potiphar, XII, 21, n.
—Diens vrouw, zie Zoleikha.
—Wil Jozef tot zoon aannemen, XII,
21.
Prediker: woorden die hij gebruikt, II, 19, n.
Propheet Mahomet (De), zie Mahomet.
—Zijne voorrechten en plichten der geloovigen jegens hem,
XXIV, 63: XXXIII, 49 en volg.; XLVIII, 8, 9.
Profeet (De) bedriegt niet, III, 155.
—Uit Mekka verdreven, IX, 40.
—Hij ontvangt den buit eener expeditie naar Al Nadir, LIX, 6, n.
—Zie Ahmed. Zie Dhu’ Lkefl, Elisa en Elias.
—Zie Edris, Hoed, Lot, Noach,
Shoaïb.
—Zie Omwikkeld.
—Zie Vermaningen.
Profeten en zendelingen of apostels, XIX,
42, n.
—Wat zij zijn, XXI. 7 en
volg.
—Zij hebben alleen de openbaring van een eenigen God ontvangen,
XXI, 25.
—Er zijn van verschillende graden, II, 254; XVII, 57.
—De geloovigen maken geen onderscheid tusschen hen, II, 285.
—Men moet in hen gelooven, III, 74.
—(De oude), XXXIII, 38
en volg.
—(De valsche), VI, 93.
—XXI, bl. 355, n.
—Zie God.
—Zie Onderscheid.
Raad van Mekka’s voornaamste bewoners, XCVI, 17, n.
Rabb, meester of heer, III, 74, n.
Rail, zie Zoleikha.
Ramadan (De), maand, waarin de Koran werd geopenbaard II, 181.
Rawasiya, grondslag of basis, XXXI, 9, n.
Redding der Arkbewoners, VII, 62.
Regen (De); God zendt dien, XXX,
47.
—De oude Arabieren waren van gevoelen, dat zij dien aan sommige
sterren verschuldigd waren, XXV, 52, n.
—Van steenen op de achterblijvers, VII,
82.
Rechter, zie Scheidsrechters.
Rechters omkoopen, IV, 159, n.
Reinigingen, zuiveringen, IV,
46.
—Met zand, bij gebrek aan water, V, 8 en 9.
Reis der Israëlieten door de woestijn, V,
29, n.
—Gedurende vier maanden, IX, 2.
—Naar den hemel, zie Mahomet.
Reita Bint Saad Ebn Teijm, die des nachts haar dagwerk vernietigde, XVI, 94, n.
Reizen op zee, XVII, 68 en volg.
Rekeningen (Het opmaken daarvan), II, 198.
Ressoel, bode of profeet, II, 9, n.
Richting bij het gebed, XIX, 16, n.
—Des lichaams bij het gebed, zie Kebla.
Rivier, zie Beproeving.
—Zie Kauther.
Romeinen, zie Grieken.
Rondtrekken van de Caaba bij een pelgrimstocht, XXII, 30.
Roode zee, het verdrinken daarin, VII, 132.
Rook, XLIV, bl. 520, n.
—Verschillende meeningen daaromtrent, 10,
n.
Ruben, XII, 10 en volg., 80, n.
Rubil, zie Ruben.
Rustplaats, zie God.
Rijkdommen; gebruik daarvan, V, 16, n.
—Zie Israëlieten.
Saba, land, XXVII, 22 en
volg.; XXXIV, bl. 461, n.
—De koningin van dat land, XXVII, 23.
Saad wordt, op aanraden van Aboe-Bekr, een Moslem, XXXI, 14, n.
Sabbath (Viering van den), II, 61, n.; VII, 163.
Sabbathschenders in apen en varkens veranderd, V, 82, n.
Sabbeïsten (De) die gelooven, zullen beloond worden, II, 59; V, 73; XXII, 17.
—Zie Eblis.
Safiya Bint Hoyai, een der vrouwen van den profeet, XLIX, 11, n.
Sakhar, een demon, XXXVIII, 33, n.
Saleh, profeet, VII, 71;
XI, 64; XXVI, 142 en volg.; XXVII, 46; LIV,
26 en volg.
—Zie Plek.
Salomon, II, 96; VI, 84.
—Zijn oordeel, zijne wijsheid en zijne macht, XXI, 78 en 79.
—Gebiedt de geniussen en de winden, XXI,
81, 82; XXVII, 17 en volg.; XXXIV, 11; XXXVIII,
38, n.
—Waarom dit geschiedde, XXXVIII, 30, n.
Salomo, Davids erfgenaam, XXVII,
16.
—Hij vertrekt als pelgrim naar Mekka, 20,
n.
Salomo’s offer van paarden, XXXVIII,
30, n.
—Zijn verlies van den troon, 33.
—Paleis, XXVII, 44.
—Zijn besluit de koningin van Saba tot vrouw te nemen, 45, n.
—Rechtspraak, XXI, 79,
n.
—Dood, XXXIV, 13, n.
Samaritaan (De) (Al Sameri) maakt het gouden kalf voor de Israëlieten, XX, 87, n. 96.
Samenzwering der ongeloovigen, VIII, 30.
Satan, als schutspatroon kiezen, IV,
118.
—Bereidt de daden, VI,
43.
—(Gesteenigde), III, 31.
—Zie Eblis.
—Zie verleiding.
Saul, zie Thaloet.
Schatting, betaling daarvan, IX, 29.
Scheiding; formule uitgesproken door sommigen,
welke het voornemen daartoe hebben. Aanmerking daarop, LVIII, 2, n.
—Zoenprijs bij het niet houden dier gelofte, 4.
—Tijdstip van het wegzenden der vrouwen, LXV,
1.
—In den godsdienst, VI, 160.
Schending van het verbond, IV, 154.
Schepen, XVII, 68 en volg; XXXI, 30 volg.
Schepper, zie Engelen.
Schepping (De) der wereld, XVI, 67 en volg.; L, 37 en volg.
—Verscheidenheid daarvan, XIII, 3, 4; XXXV,
25.
—Der hemelen en der aarde, XLI, 8–11.
—Hoe God den mensch heeft geschapen, XVI,
4.
—Wat God voor den mensch heeft geschapen, XVI,
5 en volg. 81, 82, 83.
—Des menschen, XX, 5;
XCVI, 2, zie Mensch.
—Der aarde, zie Dagen.
Scheren van baarden en hoofden der pelgrims, XXII, 30, n.
Schikking der gebeurtenissen, zie Nacht.
—Van eene zaak, zie Minnelijk.
Schimpnamen, het is verboden die te geven, XLIX, 11.
Schrift, II, 123, n.
—Verklaarders, zie Al
Beidâwi.
Schriften, zie Vervalsching.
Schriftvervalsching, zie Beschuldiging.
Schriften (De Heilige) door de Joden en de Christenen vervalscht,
II, 73; V,
18.
—De menschen der Heilige Schrift zijn Joden en Christenen,
XXIX, 45; zij zijn allen niet
even slecht, III, 109, 110.
Schudding des hemels, VII, 79.
Schulden, zie Schuldvorderingen.
Schuldenaars; hoe men die moet behandelen, II, 280.
Schuldvordering en Schulden, II, 282.
Schutspatroon, zie Satan.
Schijn, zie Serâb.
Selsebil, fontein of bron in het paradijs, LXXVI, 18.
Serâb, bedriegelijke schijn dikwijls, in het oosten, in zandige vlakten gezien, XXIV, 39, n.
Sheddab, doet tuinen aanleggen, die het denkbeeld van het paradijs moeten geven, LXXXIX, 6, n.
Shemkha, moeder van Noach, LXXI, 29, n.
Shoaïb, profeet der Madianieten, behuwdvader van Mozes, VII, 83, n.; XI: 85 en volg.; XV, 78, n.; XXVI, 176 en volg; XXIX, 35 en volg.
Sinaï, berg, II, 60, 87; IV, 153; VII, 170; XX, 82; XXVIII, 44–46; LII, 1. Zie Berg.
Slaaf, zie Vrijmaking.
Slaan met een deel der koe, II, 68.
Slaap en ontwaken der spelonkbewoners, XVIII, 20.
Slag; een der namen van den jongsten dag, CI, 1 en volg.
Slachting te Bedr, XXIII, 72, n.
Slaven, XXIV, 32, 33, zie Vrijmaking.
Snappende vogels, die het leger van Abraha Ebn al Sabah verdelgen, CV, 3.
Sobhanahoe; beteekenis daarvan, II, 110, n.
Sodom door een wind vernield, XXIX,
39.
—Zie Bewoners.
Soera, beteekenis daarvan, IX, 87, n.
Sohaib, zie Shoaïb.
Soheib (Vlucht van), II, 203, n.
Spelonk, XVIII, bl. 322, n.
—Der zeven slapers, XVIII, 8.
Spelonkbewoners zenden iemand naar de stad, XVIII, 88.
—Zie slaap.
Spin (De), XXIX, bl. 429, n. 40.
Spreekwoord der Oosterlingen, VII, 38.
Spijzen, zie Verboden.
Stad, volgens sommigen, Jericho of Jeruzalem, II,
55, n.
—In Hejàz. Zie Madian.
—Zie Ailah.
Stammen die weigerden Mahomet en zijne expeditie te volgen, XLVIII, 11, n.
Stam van Leith hield het voor ongeoorloofd dat de mensch alleen at,
XXIV, 60, n.
—Zie Ad.
—Zie Thamoed.
Standbeelden en andere voorstellingen van levende wezens, V, 92.
Staven in slangen veranderd, VII, 114.
Steden verwoest IX, 71; XVIII, 58.
Stelen; straf daarvoor, V, 42.
Sterken (De) en de zwakken op den dag des oordeels, XXXIV, 30 en volg.
Sterren, XVI, 16. (Verschietende). Wat zij zijn, XV,
16 en volg.; XXXVII, 13, n.; LXVII, 5;
LXXII, 8.
—De aanbidding daarvan is verboden, XLI,
37.
Stokken tot het bouwen van kooien voor vee, LIV, 31.
Straf, II, 56;
VI, 65; VII,
36.
—Voor hen die vragen God te zien, IV,
152.
—Der bestrijders van God en zijn Apostel, V,
37.
—Der slang en des duivels, VII, 21, n.
—Des moordenaars, XVII, 35, n.
—Op den dag des oordeels, LII, 47, n.
—Uitstel, VII, 14, n.
—Van Adam en Eva, VII, 23
en volg.
—Van afgodendienaars, LIII, 44, n.
—Van een moordenaar, II, 173, n.
—Van hen, die de aalmoezen niet stipt betalen, III, 176, n.
—Van overspeligen XXIV, 2.
—Van Pharaos volk, XL, 40 en volg.
—Voor de ongeloovigen VIII, 12.
Straffen; niemand daartoe in staat gelijk God, LXXXIX, 26.
Straf der ongeloovigen, XVIII, 57, n.; XIX, 69,
n.
—Zie God.
Strijd over God, II, 133, zie Nimrod.
Strijden voor Gods zaak, IV, 76.