N

Naam der hel, zie Al Hotama.

Naasten, ouders, plichten omtrent hen, XVII, 28.

Naburen, IV, 40, n.

Nacht, waarin, volgens de Mahomedanen, jaarlijks de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt, XLIV, 3, n.

Nachtgebed, zie Uur.

Nakomelingschap van Abrahams zonen, VII, 171.

Nalatenschap van ouders en bloedverwanten, IV, 8.
—Voor een knaap, IV, 12.
—Voor eene vrouw, IV, 12, n.
—Voor den vader van een kinderlooze, IV, 12, n.
—Voor de moeder van een kinderlooze, IV, 12.
—Voor een vriend, IV, 37, n.

Nalatenschappen, IV, 8, 9, 1216, 175.

Namen door afgodendienaars aan sommige kameelen en schapen gegeven, V, 102.
—Van Mahomet, zie Mahomet.

Namiddag, CIII, 1, n,

Namiddag-gebed, V, 105.

Navolging der Kebla, II, 140, n.

Nederbuigingen na het avondgebed, L, 39.

Nederknielen, XLV, bl. 523, n., 27.
—Voor God, III, 38.

Nederwerpen, II, 119.

Nederzending, zie Koran.

Nimrod, diens strijd met Abraham over God, II, 260.

Nimrods straf, XXI, 70, n.

Noach (Profeet), III, 30; IV, 161; VI, 84; VII, 57; IX, 71; X, 72; XI 27; XIV, 9; XVII, 3, 18; XXI, 76; XXII, 43; XXIII, 23 en volg.; XXV, 39; XXVI, 105; XXIX, 13; XXXVII, 73; XXXVIII, 11; XLII, 11; L, 12 en volg.; LI, 46; LIII, 53; LIV, 9; LVII, 26; LXXI, geheel.
—Bespot, XI, 40.
—Brengt zijn gezin en een paar dieren van iedere soort in de ark, XI, 42.
—Verzoekt den Heer hem te wreken, LIV, 10.
Noachs bloedverwanten, LXXI, 29.
—Diens huis, aldaar.
Ouderdom, toen hij gezonden werd om te prediken, XXIX, 13, n.
—Overeenkomst met Abraham in het geloof en de handelingen, XXXVII, 81, n.
—Vader, zie Lamech; Moeder, zie Shemkha.
—Vrouw, zie Waïla.

Noen, beteekenis daarvan, LXVIII, 1, n.

O

Obba Ebn Khalf, XIX, 67 n.; XXV, 29, n., 30, n.
—Diens vraag over de opstanding, XVI, 4, n.

Ochtendgebed, zie Uur.

Ochtendglans, XCIII, 1, n.

Offeranden te Mekka, V, 2, n.

Offeringen, II, 192.

Offers, V, 2. Van Adams zonen, V, 30.

Offers, zie Salomo.

Okba Ebn Abi Moait, XXV, 29, n.

Oliphant, CV, bl. 627, n.

Olijfboom op den berg Sinaï, XXIII, 20.

Omars bekeering, zie Koreïshieten.

Omkooping der rechters, II, 184.
—Zie Rechters.

Ommat, volk dat één godsdienst belijdt, XLV, 27, n.

Ommeya Ebn Khalf, XVIII, 27, n.

Omvergeworpen steden, zijnde Sodom en Gomorrah, LXIX, 9.
Zie Pentapolis.

Omwending in de spelonk, XVIII, 17.

Omwikkelde profeet, LXXIII, 1.

Onbesneden harten beteekenis daarvan, II, 82, n.

Ondankbaarheid van den mensch, XLI, 4951.

Onderlinge dooden, IV, 33.

Onderpanden, vertrouwde goederen, II, 283, n.

Onderscheiding, III, 2.
—Van huichelaars, zie Openbaring.

Onderscheid tusschen de profeten, II, 285.

Ondervraging der dooden in het graf, VII, 35.

Onderwijs III, 158.

Onderzoek van het graf, VIII, 52, n.

Ondhorna, zie Raïna.

Ongehoorzaamheid, II, 87.
—Aan den profeet, III, 159, n.

Ongeletterde gezant (Mahomet), VII, 156.

Ongeloof, IV, 142.

Ongeloovige (Eblis), II, 32.

Ongeloovige Arabieren, II, 18, n.

Ongeloovigen (De), II, 166; V, 45, 75; VI, 20 en volg.; XVIII, 84, n.; XXXII, 30, 40 en volg; LXXIII, 1113; LXXIV, 40 en volg; CIX, geheel: zie Afgodendienaars.
—Zij betwijfelen het toekomstige leven, VI, 29 en volg.; XIX, 67.
—Hun lot, III, 8, 112 en volg.
—Hunne verstoktheid, VI, 109111; XIII, 30 en volg.;
—Hunne gevoelens omtrent de geloovigen, III, 114 en volg.
Zij hebben slechts meeningen, geene kennis, LIII, 29.
—Hoe men hen moet behandelen, III, 187; VIII, 40; IX, 5 en volg.; XLVII, 4.
—Zij die ongeloovig sterven, III, 85.
—Zij die dien naam verdienen, V, 77.
—Er blijft hun niets over, dan zich op te hangen, XXII, 15.
—Hun uitroep omtrent Jezus, XLIII, 57, n.
—Uitgedaagd tien, ja zelfs één hoofdstuk des Korans samen te stellen, XI, 16.
—Versperren Gods weg, VIII, 36.
—Zie Huichelaars.

Ongeloovige vrouwen, LXVI, 10, n.

Ongelijkheid onder de menschen, XLIII, 31.

Ontdekking van een moordenaar, II, 63, n.

Ontheffing van zware lasten, VII, 156.

Onthouding van den oorlog, IV, 79.
—Van goede dingen, V, 89, n.

Ontstaan van den afgodendienst onder Salomo’s dak, XXXVIII, 33, n.

Ontvangenis, XIX, 22.

Ontwijders van den Sabbath, II, 61.

Onwetenden, VI, 35, 37.
—Of Heidensche Arabieren, III, 19, n.

Onwetendheid, V, 55, n.

Onzichtbaarheid van den duivel, VII, 26, n.

Oogst, VI, 142.

Oom van Mahomet, zie Aboe Lahab.

Oor aan leugens leenen, V, 45.

Oordeel, IV, 63; VI, 153. Men spreekt het uit, volgens de heilige boeken van ieder volk, V, 48 en volg.
—Het laatste. De teekenen die het zullen voorafgaan, en wat er zal gebeuren, XXII, 1 en volg.; XXIII, 103 en volg.; XXXVII, 19 en volg.; XXXIX, 67 en volg.; XLIV, 9 en volg.; L, 16 en volg.; LIV, 6 en volg.; LV, 35 en volg.; LXVIII, 42; LXIX, 13 en volg.; LXX, 8 en volg.; LXXVII, 7 en volg.; LXXX, 33; LXXXI, 1 en volg.; LXXXII, 1 en volg.; LXXXIV, 1 en volg.; LXXXVIII, geheel; XCIX, geheel; C, 9 en volg.; CI, 3 en volg.
—Der menschen, XVII, 73 en volg.
Uitspreken, V, 100, n.

Ooren van het vee afsnijden, IV, 118.

Oorlog (De), IV, 103; VIII, 59 en volg.; IX, 123, 124; XLVII, 4, 5, 37; XLVIII, 16, 17.
—Wie er van verschoond is, IX, 92; XLVIII, 17.
—Tusschen twee muzelmansche volken, XLIX, 9.
—Zie Onthouding.

Oorlogsbijdrage, IX, 92.

Oorlogskamp voor de geloovigen, III, 117.

Oorlogsvuur, zie God.

Oorlog voor Gods zaak, II, 186, n.

Oorspronkelijk boek, XLIII, 3.

Oostersche vrouwen bedekken het aangezicht, XIX, 17, n.

Oostersch spreekwoord, zie Spreekwoord.

Openbaring, II, 93, n.
—(Ontvangst van een gedeelte daarvan), III, 22.
—(De), VI, 91, 93; VIII, 65, n.; XLIII, 52.
—(Het dier der), XXVII, 84.
—Aan de bij, zie Bij.
—Aan Jozef, XII, 15.
—Des Korans, zie Duur.
—Gods, II, 84.
—In het boek, IV, 139.
—Tot onderscheiding van huichelaars, XXIX, 1, n.

Openbaringen, II, 3.
—Zie God.

Opening der spelonk, XVIII, 16.

Open weg, V, 52.

Opgevouwen zon, naam welken men in ’t Arabisch een tulband geeft, LXXXI, 1, n.

Opheldering van plaatsen, V, 18.

Opperhoofd, zie Imam.

Oproeping der Joden om den Koran te ontvangen, II, 38, n.
—Door den profeet, III, 147.

Opsluiting van vrouwen, zie Afzonderlijk.

Opstand, IX, 48.

Opstanding, XXXVI, 51, n.
—(De) der dooden in den Koran duidelijk verklaard, II, 261263; III, 102 en volg.; VII, 55; XIII 5; XVI, 40; XVII, 52, 100, 101; XIX, 69, n.; XXII, 5; XXIII, 37, 82; XXVII, 65 en volg.; XXX, 49; XXXII, 9 en volg.; XXXIV, 7, 8; XXXV, 10; XXXVI, 77 en volg.; XXXVII, 16 en volg.; XLI, 39; XLIII, 10; XLV, 24 en volg.; L, 3 en volg.; 14; LVI, 46 en volg.; LXIV, 7; LXXV 3, 4, 3740; XCIX, geheel.
—Zie Obba Ebn Khalf.

Opstandingsdag, V, 108.

Optooien bij het gebed, zie God.

Opwekking van dooden, II, 244, n.

Othman Ebn Matun, diens bekeering, XVI, 92. n.

Ouderdom van Sara en Abraham bij Izaaks geboorte, XI, 75, n.
—Zie Zacharias.

Overspel, IV, 19, 30; XVII, 34; XXIV, 210; XXXIII, 30.

Overspeligen, zie Eed.
—Zie Straf.

Overtreding der kinderen Israëls, XVII, 4.

Overvallende (De), een der namen van den jongsten dag, LXXXVIII, bl. 616, n.

Overweging, XLII, bl. 510, n.

Overwinning te Bedr, XXIII, 66, n.

Ozaïr, dezelfde als Ezra of Esdras; diens lotgevallen, II, 261, n.; IX, 30.