Habbib Al Najjar, diens martelaarschap, XXXVI, 19, n.
Hafsa, twist tusschen haar en den profeet, LXVI,
1 n.
—Zij maakt eene andere vrouw met een geheim bekend, haar door
Mahomet medegedeeld, 3.
Haman bouwt voor Pharao een toren, XXVI, 28; XXVIII,
38; XL, 38.
—Volgens den Koran, minister van Pharao, XXVIII, 5; XXIX,
38; XL, 25, 38.
Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden, XLIV, 36. n.
Handel (De), II, 194, n.
—Gedurende den pelgrimstocht te Mekka, XXII,
29, n.
Haroet, engel van Babel, II, 96.
Hâwiyet, onderste afdeeling der hel, CI, 6.
Hazardspelen, II, 216; V, 92 en volg.
Hedjr (Het Land), XV, bl. 288, n.; 80.
Heer van het oosten en westen, LXX, 40.
Heester, zie Tamarissen.
Heiden, zie Onwetenden.
Heilige boeken. XIII, 39.
—Zie Schrift.
Heilige geest, II, 81,
254; V, 109.
—Zie Geest.
Heilige huis van Mekka, zie Ka’ba.
Heilige (Het) land of Palestina, V, 24.
Heilige maand, II, 214;
IX, 5;
—twaalf in getal, 36.
Heilige nachten, tien in getal, LXXXIX, 1.
Heilige oorlog (De), II, 186, n. 187, 212 en volg.; IV, 76; IX, 36, 38 en volg.; XLVII. bl. 530, n. 4 en volg., 33, 37; XLVIII, 25.
Hek, zie Barzakh.
Heilige tempel, V, 3; XLVIII, 25.
Hel (De), III, 10; IX, 35; XI, 120; XIII, 18;
XV, 43, 44; XVIII, 100,
102, 106; XXXV, 33 en volg.; XXXVII, 53 en volg.; XXXIX, 71, 72;
XL, 46, 49 en volg. 76; XLV, 9, 33; LV,
43, 44; LXXVIII 21 en volg.; LXXXIX, 24 en volg.
—Zij heeft zeven deuren, XV, 44.
—De bewaarders daarvan, XL, 52, 53; LXXIV,
30 en volg.
—En hare straffen, IV, 59;
VII, 36, 38, 39; XIV,
19, 20, 50, 51; XXXVII,
60 en volg.; XXXVIII, 57, 58; XXXIX,
48; XLI, 23, 24; XLVII,
17; L, 27; LXXIV, 26,
28, 29.
—Zij is zoowel voor de menschen als voor de geniussen bestemd,
VII. 36 en volg.; XI, 120.
—God vraagt of zij vol is. L.
—God kan er de verdoemden uitvoeren, XI,
119.
—De straffen daarvan kunnen, volgens sommigen, evenmin als de
zaligheid van het Paradijs eeuwig duren, XI, 179,
n.
Hellevuur, zie Al Araf.
Helsche boom, zie Zakkoem.
Hemel (De) geschapen, XLI, 30.
Hemelen. Er zijn er zeven, LXVII, 3: LXXVIII, 12.
—Of paden, zeven in getal, XXIII, 17, n.
Hemelwaarts verheffen, VI, 125.
Hervorming en verbetering van den mensch, VII, 54, n., 83.
Hoed, Profeet, VII, 63; XI, bl. 235, n., 52; XXVI, 124 en volg.
Honderd dertiende Hoofdstuk als amulet gedragen, bl. 630, n.
Hond in de spelonk, XVIII, 17.
Hondsgesternte, zie Syrius.
Honein, zie Slag.
Hoofdafgoden der Arabieren, VII, 193, n.
Hoofdzonde, zie Zonde.
Hoofdstuk (Het) van de koe, II, bl. 39, n.
Hotama, een deel der hel, CIV, 4, 5 en volg.
Hout, waaruit door wrijving vuur ontstaat, XXXVI, 80; LVI 70, 71.
Hud, zie Hoed.
Huichelaars (De) II, 7 en volg; IV, 141
en volg; IX, 65–71, 74, 75 en
volg., 102; LIX, 11 en volg; LXIII; geheel.
—Hun gedrag te Medina, XXXIII,
9 en volg.
—Hoe men hen moet behandelen, 47.
—Hun lot hier namaals, LVII, 13 en volg.; XXXIII, 1.
Huichelarij van Akhnas Ebn Shoraïk. II, 202.
Huis, zie Abraham.
Huldigen van een vorst, zie Formulier.
Huwelijk (Het) XXXIII, 48 en volg.
—Gemengde, wettige en onwettige, II, 220; IV, 26–30; V,
7.
—Der armen, XXIV, 33.
—Binnen de verboden graden van bloedverwantschap, XXXIII, 37.
—Met slavinnen, IV, 28 en
30.
Huwelijken welke de geloovigen verboden zijn. XXIV, 3.
Huwelijk van dienstboden, XXIV, 32.
Huwen met vrije vrouwen, IV, 29.
—Huwen van vrouwelijke weezen, IV, 126.
Ilah, zie Allah.
Illioen, LXXXIII, 18, 19.
—Beteekenis daarvan, 18, n.
Ilyasin, beteekenis daarvan, XXXVII, 130, n.
Imam, hoogste priester, gids in de gebeden, II, 118, n.
Imran, Imram, Amram, III bl. 108, n. 30, 31 en volg: LXVI, 12.
Ingetogenheid (De) LXX, 29 en volg.
Inlassching van een geheiligde maand tusschen de andere, IX, 37.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God, uitlegging daarvan. I, bl. 69, n.
Inrichting van de ark, XI, 42, zie Plaatsing.
Insigniën der koninklijke waardigheid, zie Armbanden.
Intrekking van verzen des Korans, II, 100; XVI, 103.
Inwoners van Antiochië, XVIII, 76.
Irem, stad der Adieten, LXXXIX, 6.
Isaak, zie Izaak.
Islam (De) of zijne belijdenis, wat hij is, II, 122, 123,
127, 134; III, 78; XLIX,
14.
—Onderscheid van dezen met het innerlijk geloof, XLIX, 14. Zie Aboe Bekr.
—Zie Monotheïsme.
Ismaël, II, 119,
121, 127, 130; VI, 86;
XIV, 40. n., 41; XXXVIII, 48.
—Standvastigheid en vastberadenheid, XIX,
55.
Israël, XVII, 6;
XIX, 59.
—De stammen daarvan, II, 130, 134.
Israëlieten (De), II,
38 en volg.; 86, 87, 244. n. V. 74.
82; XVII, 102 en volg.;
XX, 82 en volg.; XXXII, 23; XLIV. 29
en volg; XLV, 15 en volg.
—Hunne overtredingen, XVII, 4.
—Zij zijn boven de overige menschen verheven, II, 116, 117;
LXII, 6 en volg.
—Hoe God hen straft, XVII, 5
—Hoe God hen beloont, XVII, 6, 7.
—Zij vragen een vorst II, 247 en volg.
—Zij doorwaden de Roode zee, V, 23; XXVI, 63 en
volg.
—Hunne opperhoofden, V, 15.
—Hunne verstoktheid V, 16.
—Zij willen niet strijden tegen hunne vijanden, V, 26, 27.
—Nemen bezit van Egyptes rijkdommen, XXVI,
59.
—Zie Joden.
Izaak, II, 127, 130, 134; VI, 84; XI, 74; XIX, 50, XXI, 72; XXXVII, 112, 113.
Jacob zie Jakob.
Jafa, zie Mahomet.
Jakob, II, 126,
127, 130, 134; III, 78;
VI, 84; XI,
74: XII, 5, 6, 11,
13, 18, 38, 63 en
volg.; 75, n., 83 en volg.,
93 en volg., 102, n.;
XIX, 50; XXXVIII, 45.
—Beschuldigt zijne zonen van eigen belang, XII, 18.
—Vreest de wolven, XII, 13.
Jaktin, eene pompoenplant, die over Jonas heengroeide, XXXVII, 146.
Jaland Ebn Karker, XVII, 78, n.
Jallalo’ddin, zie Al Beidâwi.
Jalut of Goliath, II, 250–252.
Jericho, zie Binnentrekken.
Jezus, zoon van Maria, II, 81, 254, V,
50; 109 en volg.; XXIII, 52; LVII,
27; LXI, 6, 14.
—Zijne geschiedenis, III, 39–52.
—Hij is geen God, 73, n.
—Hij is niet ter dood gebracht, IV, 156.
—Hij is slechts een dienaar van God. V,
109 en volg.; XLIII, 63, 86. n.
—Is rechtvaardig, VI, 85.
—Zijne geboorte, XIX,
23, 24.
—Zijne geloofsbelijdenis, XIX, 31 en volg., zie Messias.
—Apostelen, XXXVI, 12.
—Diens moeder, zie Maria.
—En Maria verblijf voor hen bereid, XXII, 52.
—Niet gekruisigd, IV, 156.
—Door God tot zich opgenomen, V, 117.
—Twist omtrent hem, XLIII, 65.
—Verheffing, III, 48.
—Zal tot de menschen spreken, III, 41.
Job, VI, 84;
XXI, 83, 84; XXXVIII, 40,
41 en volg.
—Zijn zoon, Dhu’lkefl, XXI, 85, n.
Joden (De) of tijdgenooten van Mahomet, II, 59–88;
III, 57, n. 60 en volg.; IX, 30; XLIII, 15,
n.
—Kastijdingen, die hun verwachten, IV, 50; V, 69.
—Hun gedrag, III, 184,
185; VII, 168.
—Zij vervalschen de schriften, IV, 48.
—Hun belangzucht, 56.
—Zij zijn meer dan alle andere menschen aan het leven gehecht,
II, 90.
—Zij haten elkander, V, 69.
—Wet van Wedervergelding bij hen, 49.
—Zij hebben de Maagd Maria belasterd, IV,
155.
—Zij noemen zich bondgenooten en vrienden
van God, LXII, 6.
—Zij zeggen Ozaïr is Gods zoon, IX,
30.
—Hoe Mahomet uitspraak tusschen hen moet doen, V, 45–47.
—En Christenen, II, 107,
114, 129.
—Verwerpen Mahomet, XVII, 8, n.
—Door de Perzen overwonnen, 7, n.
—Hunne handen zullen geketend zijn, V, 69.
Johannes, VI, 85; XIX, 7 en volg. Zie Yahia.
Jonas, VI, 86.—X. bl. 235. n., 98; XXI, 87 en volg.; XXXVII, 139; LXVIII, 48.
—Gebeden, terwijl hij zich in den walvisch bevond, XXXVII, 143 en volg.
—Duur van zijn verblijf daarin, 145,
n.
—Zie Dhu’lnun.
Jongste dag, zie Slag.