G

Gabriël, zie Engel.

Gadeslaan, Ra’ina, IV, 49, n.

Gebed (Het) X, 89.
II, 109, 136 en volg. 239; IV, 46; V. 8; VII, 204; XI, 116; XVII, 80 en volg.; XXIX, 44; L, 39.
—In den oorlog, IV, 102104.
—Verzen, die daartoe kunnen dienen, II, 286; III, 181192.
—Der Mahomedanen, IV, 103, n.
—Der Joden, 286, n.
—zie Namiddag.

Gebod aan de vrouwen, XXIV, 31.
—Hare kleeding, ald.

Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd. XVI, 59, n.

Gedachte aan God, IV, 141.

Gedeelte der hel, zie Al Hotama.

Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen, IV, 38.
—Omtrent de vrouwen van den profeet, XXXIII, 53.

Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun, XVII, 87.
—God bracht dien met zijn woord in Maria over, IV, 169.
—Heiligheid of de Heilige Geest, II, 81.
—Wat hij is, volgens den Koran, II, 254; XVI, 104.
—Zie Heilige.

Geldstukken, zie Twist.

Geld terugnemen van vrouwen, IV, 24.

Geleide, IX, 6, n.

Geloof, XLIX, 14, n.
—Aan afgoden, IV, 54.
—Aan den jongsten dag, IX, 29.
—Aan Gods teekens. VI, 118.
—En goede werken, XIV, 28; XVI, 99; XVIII, 29.
—En loochening van het boek den geloovigen gezonden, III, 65.

Geloofsgeschillen, zie Twisten.

Geloovigen, zie Mozes.
—Zie Oorlogskamp.

Geloovigen, II, 269 en volg. III, 106.
V, 73, n.
XI, 31.
IX, 72; XXXII, 15 en volg.; XXXIII, 21, 36; XLIX, 14.
—Bevrijden, IV, 94.
—Dooden, IV, 94.
—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren, III, 124.

Geluk der ongeloovigen, zie Bedriegelijk.

Gelukspel, Al Meizer. II, 216.

Gelukzaligen (De), III, 103 en volg.; VII, 4042; X, 26, 27; XI, 110; XV, 45 en volg.; XVIII, 107, 103; XXI, 101 en volg. XXII, 23, 24; XXV, 27; XXXI, 7, 8; XXXII, 15, 16; XXXV, 29 en volg.; XXXVI, 54 en volg.; XXXIX, 70, 73 en volg.; XLIV, 51 en volg.; XLVII, 8, 13, 16 en volg.; LII, 17 en volg.; LV, 46 en volg.; LXIX, 19 en volg.; LXXVI, 5 en volg.; LXXVII, 41 en volg.; LXXVIII, 31 en volg.; LXXXIII, 21 en volg.; LXXXVIII, 8 en volg.

Gelukzaligheid, zie Thojeba.

Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet, II, 16, 18 en volg. 166, 263, 266268; III, 113; VII, 38; X, 25; XI, 26; XIII, 18; XIV, 20 en volg.; 29 en volg.; XVI, 76 en volg.; 94; XVIII (die der beide tuinen), 3142; XXII, 72; XXIV, 34 (die van Gods licht), 35, 39 en volg.; XXX, 27; XXXIX, 30; LVII, 19; LIX, 21; LXIII, 4; LXVII, 22; LXVIII, 17 en volg.

Gember, zie Zendjebil.

Gemengde huwelijken, V, 7, n.

Geniussen (De), VI, 100, 128, 130; XVIII, 48; XLI, 24, 29;
—Zij zijn van vuur geschapen, XV, 27; LV, 14.
—Zij zijn aan de bevelen van Salomo onderworpen, XXVII, 39; XXXVIII, 36.
—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien, XLVI, 28 en volg. LXXII, 1 en volg.
—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt, XV, 17 en 18; XXVI, 212. Zie verder Duivels.

Genius, zie Ifrit.

Genoegens genieten, V 70.

Genot, zie IJdel.

Gepaste taalvoering, IV, 10, n.

Geschenken aan het volk van Mozes, V, 23.

Geschiedenis, XXVIII, bl. 419, n.

Geschillen beslechten, V, 46. n.

Geschil voor God brengen, IV, 62.

Gesprek met de afgodendienaars, XVII, 56.

Getrouwheid aan de overeenkomsten, IX, 5.

Getuigenis, II, 282; IV, 134: V, 11.—V, 105.—LXXXV, 3.
—Afleggen, VI, 19.
—Van een lid van Potiphars gezin XII, 26.

Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstanding IV, 157.

Gevangenen te Bedr, VIII, 69.

Gezanten, VI, 61.—X, 75.—XI, 72.

Gezichtseinder, zie Zon.

Gierigaards (De), hunne straffen in de hel, IX, 34, 35; LVII, 24.
—God bemint hen niet, IV, 40, 41.

Gierigheid (De) veroordeeld, XLVII, 40.

God met een groote G, beteekenis daarvan, XX, 7, n.
—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd, LXXI, 11, n.
—Heeft eene rustplaats voor u geschapen. VI, 98.
—Eenig Allah, II, 256; XX, 7, 14.
—Zijne namen, 99 in getal, VII, 179.
—Hij heeft de schoonste namen, XVII, 110.
—Eenige zijner namen, LIX, 23, 24.
—Zijne alwetendheid, VI, 38, 59; LVIII, 2, 4, 7, 8, 12, 14.
—Schepper VI, 95 en volg.
—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen, L, 37.
—Zijne macht, II, 111, 159; VI, 95 en volg.; XVI, 10, 39 en volg: XXII, 6265; XXIV, 43, 44; XXV, 4753, 55 en volg.; XXVII, 6166, 89, XXVIII, 7075; XXX, 18 en volg; XXXI, 9; XXXV, 1014; XXXVI, 3344. XXXIX, 21, 22; L, 6 en volg.; LI, 4760; LIII, 41 en volg; LIV, 49 en volg.; LVI, 57 en volg.; LVII, 16; LVIII, 6 en volg.; LIX, 21; LXVII, geheel; LXXIX, 27 en volg.; LXXXV, 12 en volg.; LXXXVI, 18.
—Hij is het licht, XXIV, 25.
—Alles tracht hem te verheerlijken, XIII, 1416: XVII, 46; XXIV, 41.
—Hij is volmaakt in zijne werken, LXVII. 3.
—Hij zorgt voor iedereen, XXIX, 60 en volg.
—Hij heeft in alles voorzien, XV, 19 en volg.
—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil, XVII, 2132.
Zijne woorden falen niet, XVIII, 109.
—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar, XXXI, 28 en volg.
—Hij kan zich wreken, III, 3; V, 96; XIV, 48.
—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn. II, 110; IV, 169; VI, 100, 101; XIX, 36; XXI, 26; XXXVII, 149; XXXIX, 6; LXXII, 3.
—Hij is onveranderlijk in zijne geboden. XLVIII, 23.
—Hij heeft alle wezens geschapen, opdat zij hem zullen aanbidden, LI, 56.
—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij. VII, 139.
—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart, XLII, 50, 51.
—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wil XXXV, 9, XIV 4; XVI, 95.
—Hij zelf doet de boozen dwalen, XIII, 30.
—Zijne besluiten, XIV, 4, 32.
—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden, V, 53; XVI, 95.
—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen, VI, 35.
—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen, VII, 178.
—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn, VI, 123, n.
—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd, XLIII, 31.
—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den mensch IV, 81.
—Hij is de schepper van goede en slechte daden, XCI, 8.
—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen, II, 252; XXII, 41. Zie mensch en Theodicea.
—De barmhartige, VI, 103.
—Heeft koningen gegeven. V, 23.
—Is eenig, IV, 169.
—Is een voldoende beschermer, IV, 169.
—Komen de schoonste namen toe, VII, 179.
—Is alwetend, VI, 80.
—Diens dagen, XLV, 13.
—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen, III, 74.
Zweert bij de vijg en den olijf, XCV, 1.
—Neemt Maria met welgevallen aan, III, 32.
—Brengt het leven uit den dood voort, III, 26; VI, 95.
—Op bepaalde dagen gedenken, II, 199.
—Zendt den slaap III, 148.
—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen, XLII, 23, n.
—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht, XLII, 50, n.
—Behoeft den dienst van een schepsel niet, IV, 131.
—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept, LXXII, 27.
—Zal den man eene vrouw doen vinden, IV, 129, n.
—Op zichtbare wijze zien, IV, 152.
—Vreezen. V, 4; VI, 68.
—Aankleven, III, 98.
—Wacht berouw af, II, 157, n.
Laat het oorlogsvuur blusschen, V, 69.
—Zendt wind en regen, VII, 55.
—Bemint de zondagen met. VII, 53.
—Zendt manna en kwakkels neder, II, 54, VII, 160.
—Zendt tegenspoed, VII, 128.
—Kent uw geloof, IV, 22.
—Maakt zijne geheimen niet bekend, III, 174.
—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige, II, 256.
—Wil Jezus doen sterven, III, 48.
—Zendt kleederen VII, 25.
—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten, VII, 83, n.
—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht, VII, 139.

Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld, IV, 90.

Goddelijke gunst, III, 148, n.
—Openbaring, zie Gabriël.
—Rechtvaardigheid, II, 286; IV, 107, n.; VI, 110, 111, 112, 115, 132, 161; VII, 28, 178, 179; XVI, 38, 39; XVIII, 64 en volg.; XXI, 36; XXIV 21, 23 en volg; XXXIII, 71 en volg.; XXXV, 19; XXXIX, 12; XLVI, 17; LIII, 33, 41 en volg.
—Verlof, XXXIV, 22, n.

Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen, VI, 108.
—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen, XXV, 18 en volg. Zie Afgoden. Afgoderij.

Gods aangezicht te zien, II, 274.
—Afgezanten. VI, 130, n.
—Alwetendheid, L, 17, n. Antwoord aan Abraham, II, 262. Zie Abrahams vraag.
—Besluiten, XXXII, 4, n.
—Bestraffing, XVI, 28.
—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien, VIII, 29.
—Boek, XXX 56, zie Bewakers.

Godsdienst, X, 20; XXXVIII, 6, n.

Godsdienst (De) kent geen dwang, II, 257.

Godsdienstgrenzen, V, 81.
—Overschrijden, IV, 169.

Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan, LXII, 11, n.

Godsdienstplichten, zie David.

Godsdienstvolmaking, V, 5.

Gods dochters, XVI, 59, zie Aanbidding.
—Gebod, II, 103.
—Genade in ongetrouwheid veranderd, XIV, 33.
—Geschenken VII, 48.
—Gezant, VII, 157; X, 2, n.
—Giften aan David, II, 252.
—Gunsten. XIV, 5.
—Eenheid, XXI, 25; XXIII, 73, n.; XXX, 34; XLIII, 86; CXII, blz. 631. n.; zie Twist.
—Handeling met trotsche en ondankbare menschen, VII, 97, n.
—Handelwijze, VI, 131.
—Hoede over de dieren, VI, 38, n.
—Makkers, VI, 94. Zie Valsche goden.
—Naam herdenken, V, 6.
—Naam bij eten herdacht, VI, 118.
—Onderricht, IV, 113.
—Ondersteuning, III, 148; XIV, 18.
—Oog overal, II, 109.
—Schepping veranderen, IV, 118.
—Straf, VI, 47.
—Teekens, zie Geloof.
—Troon, II, 256.
—Verbod, VI, 152.
—Vereering, III, 57.
—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen, VII, 151.
—Vloek over de leugenaars ingeroepen, III, 54.
—Vonnissen, zie Dag.
—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven, III, 148; VI, 35; XVI, 38, 39; XXXII, 13; XXXIII, 38; XXXV, 9; XXXVI, 6 en volg.; LIII, 33 en volg.; LVII, 22.
—Voorschriften, zie Afdwaling.
—Weg, II, 149.
—Wet, XXXIII, 72, n.
—Woord IV, 169.
—Woord veranderd, XLVIII, 15.
—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden, VI, 115.
—Zendelingen, VI, 124.

Godvreezendheid, II, 179.

Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan, LXXI, 22 en 23, n.

Goede daden gaan niet verloren, III, 193.

Goede dingen, V, 6.

Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil, LXXIII, 20 n.

Goede handelingen, VI, 159.

Goederen (In bewaring gegeven), IV, 61; LXX, 32, 35.

Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen, XIX, 89. Zie Yajoej en Majoej.

Goliath, zie Jalut.

Gouden (Het) kalf, II, 48, 51, 86, 87; IV, 152; VII, 146; XX, 90.

Gouden kalf, zie Aanleiding.

Gouden versierselen, XLIII, bl. 515 n. 32, 34.

Goudstukken teruggeven, III, 68.

Grensscheiding, zie Lotusboom.

Grenzen door God gesteld II, 183.

Grieken (De), XXX, bl. 435 n.
—Zij worden door de Perzen overwonnen, 1.
—Land waar die overwinning plaats vond, 2.

Groet, begroetingen, beleefdheid, IV, 88.
—Bij het binnentreden der huizen, XXIV, 61.

Grondige kennis bezitten, IV, 160.

Grondgebied, XC, 1 en volg.
—Der zekerheid, XCV, 3.

Grondslag, zie Rawasiya.

Grondzuilen des boeks, III, 5.